Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2013. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2013.

Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam

Uitgebreide informatie
Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op artikel 132, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart en op de artikelen 10 tweede lid, 17 derde lid, 22, 23, 25 en 26, onder e, van het Algemeen luchthavenreglement:
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. dienstwegen : de verharde of onverharde wegen, gelegen in het landingsterrein;
b. dutymanager operations : een door de exploitant aangewezen persoon, die belast is met het operationele toezicht;
c. exploitant : Rotterdam Airport B.V.;
d. havendienst : de onder de verantwoordelijkheid van de havenmeester opererende dienst van Rotterdam Airport B.V. die op het aangewezen luchtvaartterrein belast is met de dagelijkse uitvoering van het toezicht op de veiligheid en de goede orde, de toelating en de coördinatie in het landingsterrein, op de platformen en op de rand- en dienstwegen;
e. havenmeester : de door de exploitant ingevolge art. 134 van de Regeling Toezicht Luchtvaart tot havenmeester aangewezen persoon;
f. luchthaven : het krachtens de Luchtvaartwet aangewezen luchtvaartterrein Rotterdam;
g. motorvoertuigen : alle voertuigen, behalve bromfietsen en invalidenvoertuigen uitgerust met een motor, bestemd om te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht op of aan dit voertuig zelf aanwezig;
h. passagier : een natuurlijk persoon in het bezit van een geldig reisbiljet;
i. randwegen : de wegen gelegen langs de vliegveldzijde van de stationsgebouwen en langs de platformen;
j. regeling B.Z.O. : Regeling Beperkt Zicht Omstandigheden van de B.V. Luchthaven Rotterdam;
k. voertuigen : alle gelede en ongelede motorvoertuigen, fietsen en andere rij- of voertuigen, met uitzondering van die welke bestemd zijn om langs spoorstaven te worden voortbewogen, waaronder tevens begrepen al het rijdend of rollend verplaatsbaar, al dan niet gemotoriseerd, materieel, dat als hulpmiddel bij de afhandeling van vliegtuigen en passagiers wordt gebruikt;
l. wegen : de verharde of onverharde rijstroken met inbegrip van de middenberm of middengeleiding, de parkeerstroken, parkeerhavens en vluchtstroken, alsmede de in die weg gelegen bruggen en de naast de rijbaan gelegen paden, bermen en zijkanten.
Artikel 1a
Dit reglement berust op artikel 8a.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart en op het Algemeen luchthavenreglement .
Artikel 2
Dit reglement is van toepassing op de luchthaven.
Artikel 3
Een ieder die zich op het luchtvaartterrein bevindt is verplicht:
a. zich overeenkomstig de bepalingen van dit reglement te gedragen;
b. aan de aan hem door of namens de havenmeester dan wel de exploitant door middel van woorden, gebaren of tekens gegeven aanwijzingen direct gevolg te geven;
c. de door of namens de exploitant ingevolge dit reglement aan hem gevraagde inlichtingen te verschaffen.
Artikel 4
Het is verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de exploitant op het luchtvaartterrein:
a. bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten uit te oefenen dan wel te doen of te laten verrichten of een standplaats voor verhuur of verkoop in te nemen;
b. te venten, te colporteren of te collecteren;
c. reclame te maken of vlugschriften, drukwerken of circulaires te verspreiden;
d. te kamperen;
e. op of aan gebouwen, hekwerken, borden of plaveisel, letters, cijfers of tekens aan te brengen, te tekenen, te krassen of te schilderen;
f. spelen, wedstrijden of elke andere vorm van evenement te organiseren en te houden;
g. graafwerkzaamheden te verrichten of op andere wijze veranderingen in de toestand van het terrein aan te brengen;
h. dieren onaangelijnd te laten lopen;
i. gevaarlijke stoffen op te slaan of te vervoeren;
j. brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten, open vuren te ontsteken of aan te houden.
Artikel 5
De exploitant of namens deze de havenmeester of de dutymanager operations hebben het recht personen die zich niet aan de bepalingen van dit reglement houden van het luchtvaartterrein te verwijderen of te laten verwijderen dan wel zaken die in strijd met de bepalingen van dit reglement zich op het luchtvaartterrein bevinden te verwijderen of laten verwijderen van het luchtvaartterrein.
1.
Het is verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de exploitant de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein te betreden.
2.
De door de exploitant uitgegeven toegangsbewijzen geven alleen toegang tot die gebieden waartoe de houder expliciet is gemachtigd.
3.
De exploitant of namens deze de havenmeester dan wel dutymanager operations kunnen te allen tijde een toegangsbewijs geheel of gedeeltelijk intrekken dan wel wijzigen.
1.
Voor de toegang tot het landingsterrein is per keer de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming vereist van de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations.
2.
Toestemming tot het betreden van of het zich bevinden op het landingsterrein en het verkeers- of parkeerplatform wordt slechts verleend aan personen, wier aanwezigheid aldaar in verband met hun werkzaamheden of de vluchtuitvoering met een luchtvaartuig noodzakelijk is, een en ander ter beoordeling van de havenmeester of de dutymanager operations.
3.
Personen aan wie toestemming is verleend voor toegang in het landingsterrein melden zich af, nadat zij het landingsterrein hebben verlaten, bij de havenmeester of de dutymanager operations.
4.
De exploitant of de havenmeester dan wel dutymanager operations zijn te allen tijde bevoegd de verleende toestemming in te trekken en personen te gelasten zich uit het landingsterrein, van het platform of de overige niet voor publiek toegankelijke ruimten te verwijderen.
1.
Bij invallende duisternis of bij afnemend zicht en na beëindiging van de werkzaamheden, wordt het landingsterrein onmiddellijk verlaten, tenzij met de havenmeester of de dutymanager operations anders is overeengekomen.
2.
Het is, behoudens toestemming van de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations, verboden om brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten binnen een afstand van 20 meter van een vliegtuig of van een opslagplaats voor vliegtuig- en andere brandstoffen.
3.
De exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations kunnen, indien de goede orde en veiligheid zulks vereisen, direct een activiteit laten onderbreken of stopzetten.
4.
Beschadiging van het terreinoppervlak, de daarop geplaatste installaties of voorzieningen, waardoor enig gevaar of schade voor luchtvaartuigen kan ontstaan, wordt onverwijld door of vanwege de veroorzaker ter kennis van de havenmeester of de dutymanager operations gebracht.
5.
Obstakels, gereedschappen, voertuigen of materialen worden niet geplaatst of achtergelaten, anders dan op de door de havenmeester of de dutymanager operations aangewezen gedeelten van het landingsterrein.
6.
Alle meegevoerde of gebezigde voertuigen moeten op het landingsterrein zijn voorzien van een helder rode of roodwit geblokte vlag en een geel zwaailicht.
1.
Degenen, die zich met de afhandeling van passagiers belasten, zien erop toe, dat de passagiers zich slechts in aaneengesloten groepen en onder begeleiding van ten minste één employé van 18 jaar of ouder van de betrokken afhandelingsmaatschappij, luchtvaartmaatschappij of het betrokken luchtvaartbedrijf, veilig op het platform begeven.
2.
Passagiers worden onder toezicht van en over de kortst mogelijke afstand door de in het eerste lid bedoelde personen naar of van het luchtvaartuig begeleid.
3.
Tenzij met de betrokken luchtvaartmaatschappij of het betrokken luchtvaartbedrijf een andere regeling is getroffen, meldt de gezagvoerder van een vliegtuig zich terstond na aankomst, alsmede voor vertrek en voorts ook in alle andere gevallen waarin de havenmeester of de dutymanager operations zulks wenselijk acht, bij deze functionaris.
1.
Voertuigen hebben slechts toegang tot het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, indien daartoe door de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations toestemming is verleend.
2.
Voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn.
3.
Voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens en airsidevignet.
4.
Voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
5.
Een voertuig wordt zodanig bij een luchtvaartuig opgesteld, dat dit ten alle tijde onbelemmerd van dit luchtvaartuig kan worden weggereden.
6.
Voertuigen zijn uitgerust met een deugdelijke parkeerrem of andere blokkeerinrichting, welke inrichting in werking is gesteld indien het bedienend personeel zich niet in of op het voertuig bevindt.
1.
Alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door of vanwege de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht.
2.
Roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen locaties.
1.
Het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts na van de exploitant of namens deze de havenmeester of de dutymanager operations verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen locaties.
2.
De exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations kan gelasten dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht.
3.
De afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte bedraagt tenminste 7 meter, met dien verstande, dat deze afstand zodanig moet worden vergroot, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voorstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15 m/sec) te boven kan gaan.
1.
Proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaatsen, met inachtneming van de voorwaarden en beperkingen, zoals deze zijn gesteld in de vigerende regeling proefdraaien.
2.
De exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien nadere voorwaarden verbinden.
3.
Het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations.
1.
Voertuigen worden geparkeerd of gestald conform de door de exploitant gegeven aanwijzingen.
2.
Het parkeren van voertuigen op andere dan op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, is verboden, tenzij daarvoor schriftelijke toestemming is verleend door de exploitant.
3.
Het is verboden om elders dan op de daartoe door de exploitant aangewezen plaatsen, goederen over te laden, te reinigen of te repareren.
4.
Zonder toestemming van de exploitant is het gebruik van voertuigen in gebouwen verboden.
5.
In geval van overtreding van het onder het eerste, tweede, derde of vierde lid, dan wel wanneer de goede orde of veiligheid zulks vereisen, kan het betreffende voertuig door of vanwege de exploitant worden verplaatst naar een daartoe door hem aangewezen terreingedeelte.
1.
Toegang tot het niet voor publiek opengestelde gedeelte van het luchtvaartterrein is toegestaan:
2.
Weggebruikers die aan het verkeer op de wegen van de niet voor het publiek opengestelde gedeelte van het luchtvaartterrein deelnemen, gedragen zich overeenkomstig de voorschriften als vervat in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 .
3.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid geldt voor de niet voor het publiek opengestelde dienst- en randwegen een maximumsnelheid van 25 km per uur en op de platformen een maximumsnelheid van 5 km per uur.
4.
Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor voertuigen van de havendienst en hulpdiensten, voor zover dit in het belang is van de dienstuitvoering.
5.
Het plaatsen, verplaatsen en verwijderen van verkeerstekens geschiedt door de exploitant.
6.
Het is een ieder verboden zich op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
a. voor bedrijfsvoertuigen van op de luchthaven gevestigde organisaties die noodzakelijk worden gebezigd bij de afhandeling van luchtvaartuigen en zijn voorzien van een namens de exploitant verstrekt geldig toestemmingsbewijs, of
b. voor overige voertuigen, waarvoor per keer speciale toestemming is verleend door de havenmeester of de dutymanager operations.
1.
De bestuurders van voertuigen die aan het verkeer op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein deelnemen, voldoen aan door de exploitant te stellen eisen van terreinkennis, radiotelefonieprocedures en rijvaardigheid.
2.
De bestuurders van voertuigen die aan het verkeer op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein deelnemen, houden zich aan door de exploitant vastgestelde rijroutes.
1.
De exploitant kan verplicht stellen dat bestuurders van voertuigen welke worden gebruikt in het landingsterrein, voorzien zijn van verbindingsmiddelen.
2.
Bestuurders van deze voertuigen brengen, voordat het landingsterrein wordt ingereden, een tweezijdige verbinding tot stand en luisteren in het landingsterrein voortdurend de daarvoor toegewezen frequentie uit.
Artikel 18
Tijdens beperkt zicht omstandigheden is de vigerende regeling B.Z.O. van kracht en worden de daarin gestelde voorwaarden en beperkingen stipt opgevolgd.
Artikel 19
Vliegtuigen met explosieven aan boord worden geparkeerd op de daartoe door de exploitant aangewezen plaatsen.
Artikel 20
Van zich aan boord van een luchtvaartuig bevindende gevaarlijke stoffen wordt door de bezitter dan wel houder daarvan van te voren gedetailleerd melding gedaan aan de exploitant. Instructies met betrekking tot gevaarlijke stoffen van de exploitant of namens deze worden stipt opgevoerd.
1.
Alle direct met het tanken verband houdende werkzaamheden vinden plaats onder leiding van een hiervoor verantwoordelijk en een naar het oordeel van de exploitant ter zake kundig persoon.
2.
De maatschappijen die het leveren, vervoeren en tanken van vliegtuigbrandstoffen verrichten, zien erop toe dat hun personeelsleden de bepalingen van dit hoofdstuk stipt naleven.
1.
Het tanken van een vliegtuig met passagiers aan boord is niet toegestaan:
a. zonder toestemming van de gezagvoerder en de exploitant;
b. indien het vliegtuig een capaciteit heeft van 19 of minder passagiers;
c. over de vleugel van het vliegtuig heen;
d. met kerosine Jet B, AVGAS of MOGAS;
e. indien tussen het personeel aan boord van het vliegtuig en het grondpersoneel niet een communicatieverbinding is gemaakt;
f. indien niet minstens twee uitgangen zijn aangewezen die aangesloten zijn op een passagierstrap of een passagiersbrug of met een glijgoot zijn uitgerust en in het laatste geval bij deze uitgangen gedurende het tanken geen gekwalificeerd personeel aanwezig is;
g. indien de aangewezen uitgangen en vluchtroutes op het platform worden geblokkeerd;
h. indien aan de passagiers niet is meegedeeld dat:
1°. zij op hun plaatsen moeten blijven zitten, tenzij zij in- of uitstappen;
2°. de veiligheidsriemen ontkoppeld moeten zijn;
3°. zij geen handelingen mogen verrichten, waarbij een vonk of open vuur ontstaat of zou kunnen ontstaan;
i. tijdens het tanken in het vliegtuig de minimum verlichting niet is ontstoken;
j. indien de voor het tanken verantwoordelijke persoon niet op de hoogte is van het feit dat er passagiers aan boord zijn of in- of uitstappen.
2.
Het is verboden bij te tanken, wanneer de passagierstrappen zijn verwijderd, tenzij:
a. al het laad-, los- of bevoorradingsmaterieel is verwijderd;
b. tussen cockpit en grondpersoneel ‘lijnverbinding’ is gemaakt;
c. bij elke deur die met een glijgoot is uitgerust gekwalificeerd cabinepersoneel aanwezig is; en
d. een brandweervoertuig met bemanning onmiddellijk inzetbaar stand-by staat in de directe omgeving van het vliegtuig.
Artikel 23
Het is verboden hefschroefvliegtuigen te tanken:
a. met passagiers aan boord;
b. met draaiende rotors;
c. met draaiende motor(en), behoudens verkregen toestemming door de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations.
1.
Bij het tanken wordt elke handeling nagelaten die brand kan veroorzaken of het gevaar daarvoor kan vergroten.
2.
Het tanken geschiedt op een zodanige wijze dat geen brandstof wordt gemorst.
3.
Van het lekken of morsen van olie of brandstof wordt onmiddellijk de havenmeester of de duty manager operations in kennis gesteld.
4.
Gemorste olie en brandstof wordt onmiddellijk, in overleg met de exploitant of de havenmeester dan wel de dutymanager operations, verwijderd.
5.
Wanneer bij of uit een vliegtuig brandstoflekkage wordt geconstateerd, vindt het starten of opnieuw starten van de motoren niet eerder plaats, dan na overleg met de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations.
Artikel 25
Luchtvaartmaatschappijen en op de luchthaven werkzame afhandelingsmaatschappijen, of luchtvaartbedrijven die ongeregelde verkeersvluchten uitvoeren, alsmede bestuurders van luchtvaartuigen die niet-commerciële vluchten uitvoeren, verschaffen de exploitant tijdig vooraf gegevens die noodzakelijk zijn voor de inzet en planning van bedrijfsmiddelen. Deze gegevens omvatten in ieder geval:
a. schematijden van aankomst en vertrek;
b. type vliegtuig en configuratie;
c. vluchtnummers en vliegtuigregistratie van aankomende en vertrekkende vluchten;
d. aantal vervoerde passagiers, lading en aard van de vlucht;
e. van te voren bekende afwijkingen van schematijden;
f. eventuele bijzonderheden voortkomend uit de aard van (een) bepaalde vlucht(en);
g. gegevens over gevaarlijke stoffen aan boord van het luchtvaartuig.
Artikel 26
Het uitvoeren van circuit- en oefenvluchten kan door de exploitant worden beperkt tot bepaalde delen van de dag of tot bepaalde dagen van de week.
1.
Het landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein geschiedt op en van de daartoe bestemde en als zodanig door de havenmeester of door een namens hem aangewezen persoon beschikbaar gestelde banen, gelegen binnen het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein.
2.
Luchtvaartuigen taxiën op de daarvoor bestemde rijbanen of daartoe bestemde gedeelten van het landingsterrein, zoals deze zijn gepubliceerd in de luchtvaartpublicaties (AIP en NOTAM).
3.
Het verplaatsen en parkeren van luchtvaartuigen op het platform geschiedt overeenkomstig de door de havenmeester of de dutymanager operations, dan wel de verkeersleidingsdienst gegeven aanwijzingen.
4.
Taxiën en slepen van luchtvaartuigen is slechts toegestaan nadat hiertoe per keer uitdrukkelijke toestemming is verleend door de havenmeester of de dutymanager operations.
5.
Buiten de in de vorige leden genoemde terreindelen is het verplaatsen van luchtvaartuigen op het luchtvaartterrein slechts toegestaan op de daartoe door de exploitant beschikbaar gestelde terreindelen.
Artikel 28
Het in werking stellen van een vliegtuigmotor is slechts toegestaan indien:
a. maatregelen zijn genomen, welke voorkomen dat het betrokken vliegtuig zich kan verplaatsen;
b. in de onmiddellijke nabijheid van het luchtvaartuig voldoende brandblusmiddelen aanwezig zijn;
c. buiten het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon zodanig is opgesteld, dat hij aanwijzingen kan geven aan degene die belast is met de controle van de bedieningsinstrumenten.
1.
Het opstijgen van vrije luchtballonnen en luchtschepen is slechts toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de exploitant en vanaf het deel van het landingsterrein dat daartoe door de exploitant is aangewezen.
2.
Bij het opstijgen van een vrije luchtballon of luchtschip worden alle aanwijzingen gegeven door de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations, opgevolgd.
Artikel 30
Indien zich tijdens het opstijgen, landen, slepen of taxiën een incident of ongeval voordoet mag de gezagvoerder of de bestuurder van een voertuig, het luchtvaartuig dan wel voertuig eerst weer verplaatsen nadat daartoe toestemming is verleend door de bevoegde instanties en na verkregen toestemming van de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations.
Artikel 32
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 33
Deze regeling wordt aangehaald als: Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Staatssecretaris
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Definities en wettelijke grondslag
+ Hoofdstuk II. Algemeen
+ Hoofdstuk III. Nadere voorschriften met betrekking tot het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein
+ Hoofdstuk IV. Nadere bepalingen met betrekking tot voertuigen
+ Hoofdstuk V. Nadere bepalingen met betrekking tot het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen, tanken en aanverwante handelingen
+ Hoofdstuk VI. Nadere voorschriften met betrekking tot het gebruik van het luchtvaartterrein
+ Hoofdstuk VII. Bepalingen met betrekking tot het luchtvaartterreinverkeer
+ Hoofdstuk VIII. Nadere bepalingen met betrekking tot luchtvaartuigen
+ Hoofdstuk IX
+ Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht