Let op. Deze wet is vervallen op 1 november 2013. U leest nu de tekst die gold op 31 oktober 2013.

Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen

Uitgebreide informatie
Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen
Samenvatting
Deze aanwijzing bevat regels met betrekking tot de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften en de feitgecodeerde afdoening van overige feitgecodeerde misdrijven en overtredingen, uitgezonderd de feitgecodeerde zaken waarin een bestuurlijke strafbeschikking ex art. 257ba Sv wordt uitgevaardigd. Voor die feitgecodeerde zaken is naast deze aanwijzing een Richtlijn bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten van toepassing, dit gelet op de specifieke voorwaarden die gelden bij het toepassen van deze modaliteit..
Achtergrond
In het verleden was sprake van verschillende aanwijzingen en richtlijnen die zagen op de feitgecodeerde afdoening van zaken. Gelet op de wens van het College van procureurs-generaal dat aanwijzingen en andere beleidsregels strategisch beschouwd bedoeld zijn voor de toepasbaarheid voor de professionals op de werkvloer (heldere kaders, praktisch, toegankelijk, kort) is besloten tot het samenvoegen van de verschillende aanwijzingen en richtlijnen tot een Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen en een Richtlijn feitgecodeerde misdrijven en overtredingen .
Definitie feitgecodeerde zaken:
Alle zaken die met gebruikmaking van een feitcode, zoals opgenomen in de Bijlage bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV), de Bijlage OM afdoeningen de bij deze richtlijn behorende Bijlage OM-feiten, geautomatiseerd in de strafrechtketen worden verwerkt.
Strafbeschikking
De Wet OM-afdoening is in het Wetboek van Strafvordering (Sv) opgenomen en maakt het kort gezegd mogelijk dat het Openbaar Ministerie (OM), in plaats van een transactie aan te bieden, een zaak zelf buitengerechtelijk kan bestraffen.
Naast de strafbeschikking, uitgevaardigd door de officier van justitie op grond van artikel 257a Sv, kan een strafbeschikking op grond van artikel 257b Sv worden uitgevaardigd door de (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Dit wordt ook wel de politiestrafbeschikking genoemd. Hoewel dit buiten de reikwijdte van deze Aanwijzing valt, kan voorts een strafbeschikking worden uitgevaardigd door een daartoe aangewezen lichaam of persoon, met een publieke taak belast, op grond van artikel 257ba Sv. Tot slot kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd door het bestuur van ’s Rijks belastingen (fiscale delicten) op grond van artikel 76, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of door de inspecteur van Douane (douanedelicten) op grond van artikel 10:15 van de Algemene Douanewet, hetgeen eveneens buiten de reikwijdte van deze Aanwijzing valt.
Politiestrafbeschikking
Sinds 1 december 2010 is de politiestrafbeschikking landelijk ingevoerd.
OM-strafbeschikking
Dit betreft de feiten die in de bijlage bij de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen als *- of OM-feit worden aangeduid. Voor deze feiten kan door (buitengewoon) opsporingsambtenaren geen geldboete worden opgelegd. Indien bij deze feiten een tarief is vermeld, dan wordt door het CJIB (als sprake is van een recidivegevoelig feit slechts in geval van een first offender) een strafbeschikking verzonden namens het OM. Als op de plaats van het tarief een * is vermeld, is geen tarief vastgesteld omdat a) de overtreding aan de hand van het proces-verbaal individueel moet worden beoordeeld of b) de tarieven zijn vastgesteld in een andere richtlijn. In dat geval wordt de zaak door het CJIB direct aan het OM overgedragen.
Uitzondering strafbeschikking
Sinds 1 juli 2011 is de reikwijdte van de Wet OM Afdoening verder uitgebreid, vanaf die datum kunnen alle feitgecodeerde zaken, met uitzondering van de op kenteken geconstateerde strafrechtelijke overtredingen/misdrijven, met een strafbeschikking worden afgedaan.
1.1. Afdoening via één traject
Als een gebeurtenis uit meerdere overtredingen bestaat, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd of proces-verbaal opgemaakt óf wordt hem een transactie aangeboden. Afdoening langs één traject is daarbij het uitgangspunt. Als zowel de strafrechtelijke als de administratiefrechtelijke weg wordt bewandeld, moet in het proces-verbaal melding worden gemaakt van de opgelegde administratieve sanctie(s) en op de aankondiging van beschikking van het/de opgemaakte proces(sen)-verbaal. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.
Om ongewenste cumulatie van sancties te voorkomen wordt per gebeurtenis aan de betrokkene/verdachte voor ten hoogste drie overtredingen een sanctie opgelegd, strafbeschikking uitgevaardigd, proces-verbaal opgemaakt of transactie aangeboden.
Artikel 5 WVW 1994 van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
1.2. Artikel 5 WVW 1994
Als een proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 ( WVW 1994 ) is het niet toegestaan om daarnaast administratieve sancties op te leggen, strafbeschikkingen uit te vaardigen of transactievoorstellen te doen voor feiten die in relatie staan tot het gevaarlijke c.q. het belemmerende gedrag op de weg. Deze bepaling is opgenomen om de volgende reden. Als proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 5 WVW 1994 en daarnaast aan dat artikel gerelateerde administratieve sancties worden opgelegd, bestaat de kans dat de officier van justitie niet meer kan vervolgen. Dit vloeit voort uit het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen ne bis in idem-beginsel, dat bepaalt dat niemand andermaal kan worden vervolgd voor feiten waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter onherroepelijk is beslist. 1
Als voor een gedraging een administratieve sanctie is opgelegd, mag deze gedraging op grond van het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1998 (NJ 1999, 47) niet bij een vervolging wegens overtreding van artikel 5 WVW 1994 worden betrokken. Evenzeer is het volgens dit arrest zo, dat als is vervolgd wegens overtreding van artikel 5 WVW 1994, niet nog eens een administratieve sanctie kan worden opgelegd voor zover deze gedraging in de vervolging was betrokken.
Als voorbeeld kan worden aangegeven het feit dat een bestuurder gevaarlijk rijgedrag vertoont en daarbij tevens een rood verkeerslicht negeert. Als hiervoor een proces-verbaal ter zake van artikel 5 WVW 1994 wordt opgemaakt, mag voor het negeren van het rode licht (dat is aangemerkt als een WAHV-gedraging) geen afzonderlijke aankondiging van beschikking worden uitgereikt.
1.3. Technische gebreken voertuig
Als aan een voertuig technische gebreken worden geconstateerd, wordt aan de bestuurder een sanctie opgelegd of wordt tegen hem proces-verbaal opgemaakt. Hiervan wordt slechts afgeweken als bij de betreffende feitcode uitdrukkelijk is bepaald dat de eigenaar of houder voor het betreffende feit verantwoordelijk is. Naast het opleggen van een sanctie kan zo nodig gebruik worden gemaakt van de in artikel 60 van de WVW 1994 toegekende bevoegdheid om deel I(A) van het kentekenbewijs in te vorderen als het voertuig niet meer voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen. De in artikel 39 van het Kentekenreglement geregelde procedure moet daarbij worden gevolgd.
WAHV van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
2. WAHV
Gelet op de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van belang dat de ( WAHV ) door de bij de uitvoering van deze wet betrokken instanties op uniforme wijze wordt toegepast. In de memorie van toelichting bij de WAHV wordt het waarborgen van een deugdelijke rechtsbescherming van de betrokkene immers als een van de drie doelstellingen genoemd.
Bij arrest van 10 januari 2013 (LJN: BY8163) is het Hof teruggekomen op eerdere jurisprudentie. Het Hof stelt vast dat op grond van artikel 6 EVRM het zwijgrecht en de daarop gebaseerde cautie ook van toepassing zijn op WAHV-zaken. Daaruit volgt dat voortaan in alle WAHV-zaken waarbij sprake is van een staandehouding voorafgaand aan een mondelinge ondervraging, de cautie moet worden gegeven. Het enkele feit dat de cautie niet is verleend, hoeft niet te leiden tot vernietiging van de sanctie, maar dit heeft wel tot gevolg dat de verklaring niet mag worden betrokken bij de beoordeling of de gedraging is komen vast te staan. De ambtsedige verklaring van een aangewezen ambtenaar biedt in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Gelet op het bovenstaande heeft het College bepaalt dat in WAHV-zaken waarbij een staandehouding plaats heeft door een aangewezen ambtenaar de cautie moet worden gegeven. 2
Op grond van artikel 2, eerste lid, WAHV kunnen ter zake van de in de bijlage van die wet omschreven gedragingen, administratieve sancties worden opgelegd. Met de inwerkintreding van de Wet OM-afdoening , heeft de wetgever nu – in tegenstelling tot de vorige redactie van dit artikel – de mogelijkheid geopend de in de bijlage vermelde feiten in plaats van administratief, strafrechtelijk af te doen. Door deze wijziging kunnen bijvoorbeeld recidivisten strafrechtelijk worden aangepakt. Uitgangspunt blijft echter vooralsnog dat de feiten die in de bijlage bij de WAHV zijn opgenomen, uitsluitend volgens de administratiefrechtelijke weg worden afgedaan. In nadere beleidsregels zal op een later tijdstip worden uiteengezet voor welke feiten in welke gevallen voor de strafrechtelijke weg moet worden gekozen.
2.1.1. Inhoud aankondiging van beschikking
Op de aankondiging van beschikking moeten de voor de beroepsprocedure relevante gegevens worden vermeld. Als de betrokkene verweer voert en bijvoorbeeld verklaart dat een verkeerslicht niet of niet goed werkt of dat een bord ontbreekt/niet zichtbaar is, moet in korte bewoordingen op dit verweer worden ingegaan. Hiermee wordt direct recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en wordt eveneens bewerkstelligd dat alle omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, duidelijk zijn omschreven (zie ook het rapport van de Nationale ombudsman 2003/436). In de toelichting op de aankondiging van beschikking moet in voorkomende gevallen melding worden gemaakt van teksten van onderborden en het feit dat borden geplaatst zijn in verband met wegwerkzaamheden
2.1.2. Informatieverzoek Openbaar Ministerie
Een verzoek van het OM om nadere informatie te verstrekken naar aanleiding van een beroepschrift moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het verzoek van het OM door de betrokken opsporingsinstantie zijn afgehandeld.
Als de betrokken opsporingsinstantie de gevraagde informatie niet binnen deze termijn kan aanleveren, moet een tussenbericht aan het OM worden toegezonden. Niet of te laat reageren, leidt in beginsel tot vernietiging van de beschikking.
2.1.3. Halvering tarieven minderjarigen
Op grond van artikel 2, vierde lid, WAHV, dienen de bedragen voor minderjarigen van 12 tot 16 jaar te worden gehalveerd. Deze afronding geschiedt op hele euro’s naar boven. Voor minderjarigen van 16 tot 18 jaar gelden dezelfde tarieven als voor meerderjarigen.
2.2. Correctie-politie
De betrokken opsporingsinstantie is uitsluitend met inachtneming van de overeengekomen procedures en voorwaarden bevoegd een bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) aangeleverde zaak in te trekken (correctie politie). De opsporingsinstantie is in deze situatie verantwoordelijk voor berichtgeving aan de betrokkene. Deze kan hierbij gebruikmaken van de diensten van het CJIB. Een betrokkene die naar aanleiding van een opgelegde beschikking inhoudelijk verweer voert, wordt verwezen naar de beroepsprocedure, tenzij er sprake is van een aperte misslag.
A. Wanneer is correctie-politie toegestaan?
Nadat gebleken is dat een fout heeft geleid tot het opleggen van een sanctie aan een (rechts)persoon die de gedraging niet heeft verricht.
Nadat gebleken is dat een fout heeft geleid tot het opleggen van een sanctie aan een betrokkene, die over een ter zake dienende geldige ontheffing/vergunning/vrijstelling beschikt.
Op verzoek van de beschikkende c.q. de daarvoor aangewezen (sepot)ambtenaar.
B. Voorwaarden
De correctie vindt plaats binnen zes weken na dagtekening van de beschikking en wordt schriftelijk vastgelegd. Als een correctie noodzakelijk wordt geacht na het verstrijken van de periode van zes weken, dan moet deze aan het OM worden voorgelegd. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van de in bijlage 1 en 2 opgenomen formulieren.
De correctie wordt gedaan:
Door een daartoe bevoegde en aangewezen sepotambtenaar, uitsluitend via de (digitale) postbus bij het CJIB. Deze correctie is slechts toegestaan als sprake is van inhoudelijke fouten en/of invoerfouten in het bekeuringsafhandelingssysteem.
C. Uitzondering
De ‘correctie-politie’ kan ook plaatsvinden op initiatief van het CJIB. Dit kan uitsluitend in die gevallen waarin de aanwijzing niet voorziet.
2.3. Vrijwillige betaling
Een bevoegd ambtenaar mag een vrijwillige betaling van de sanctie en de op grond van de WAHV verschuldigde administratiekosten van een ieder accepteren als:
a. de gedraging is geconstateerd op kenteken van een voertuig dat niet in het Nederlands kentekenregister staat geregistreerd en waarbij een aankondiging van beschikking op of aan het voertuig is achtergelaten en de betaling plaatsvindt binnen een periode van drie weken;
b. een voertuig na het constateren van een gedraging in het kader van de wegsleepregeling ( artikelen 170-174 WVW 1994) naar een bewaarplaats is overgebracht;
c. er sprake is van bijzondere gevallen als bedoeld in artikel 4 Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (BAHV 1994).
Het uitgangspunt is dat een betrokkene een aan hem opgelegde sanctie en de administratiekosten 3 betaalt door middel van de door het CJIB aan hem toegezonden acceptgirokaart. In de hierboven beschreven gevallen is het echter gewenst om ook een vrijwillige betaling 4 te accepteren.
NB Bijzondere gevallen als bedoeld in artikel 4 BAHV 1994 zijn speciale verkeerscontroles, die na overleg met het OM worden verricht.
2.4.1. Vordering onmiddellijke betaling
Bij het constateren van een gedraging, gepleegd door een bestuurder, die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, wordt dringend aangeraden om de vordering tot onmiddellijke betaling van de sanctie en de administratiekosten, die op grond van artikel 31 WAHV mogelijk is te doen. Als door de bestuurder niet wordt voldaan aan deze vordering dan is het raadzaam om de voorlopige maatregel inbewaringstelling voertuig, zoals is bepaald in artikel 32 WAHV, toe te passen. Het achterwegen laten van deze vordering en het niet toepassen van de voorlopige maatregel inbewaringstelling kan tot gevolg hebben dat voorzieningen in het natraject niet worden toegewezen door de kantonrechter.
2.4.2. Voorlopige maatregel ‘inbewaringstelling’
Wanneer het toepassen van een ander dwangmiddel krachtens de WAHV mogelijk is, moet inbewaringstelling achterwege blijven.
Nadat de politie een voertuig in bewaring heeft gesteld, wordt dit zo spoedig mogelijk aan de kentekenhouder kenbaar gemaakt. Aan hem wordt de mogelijkheid geboden om binnen één week de sanctie(s), de administratiekosten, de verhogingen en de kosten van inbewaringstelling bij de politie te voldoen. Nadat deze termijn is verlopen, wordt het voertuig door de Dienst der Domeinen bij de politie opgehaald. Daarna kan nog bij deze dienst worden betaald. De Dienst der Domeinen taxeert de in bewaring gestelde voertuigen. Als de politie een particuliere berger inschakelt voor de inbewaringstelling van een voertuig, worden de door de berger aan de politie in rekening gebrachte kosten vergoed. Wordt de inbewaringstelling door de politie zelf verricht, worden de kosten vergoed conform de in bijlage 3 opgenomen tarieven.
Na het voertuig bij de politie te hebben opgehaald en getaxeerd, regelt de Dienst der Domeinen de vernietiging of de verkoop van het voertuig.
Als de politie heeft gehandeld conform deze aanwijzing, kan zij kosten gemaakt voor de inbewaringstelling volgens de daarvoor door het CJIB vastgestelde procedure bij het CJIB declareren.
artikel 28a WAHV van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
2.5. Dwangmiddel ‘inneming rijbewijs’, artikel 28a WAHV
2.5.1. Mutatie in het Centraal register rijbewijzen (CRR)
Als de betrokkene niet voldoet aan de vordering het rijbewijs bij het CJIB in te leveren, dan wel het sanctiebedrag inclusief de verhogingen en de kosten niet alsnog betaalt, wordt de vordering tot inneming van het rijbewijs door het CJIB gemuteerd in het CRR.
Artikel 9, achtste lid, WVW 1994 van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
2.5.2. Artikel 9, achtste lid, WVW 1994
Als het rijbewijs niet is ingeleverd bij het CJIB en de betrokkene wordt als bestuurder aangetroffen, moet proces-verbaal worden opgemaakt ter zake van overtreding van art. 9, achtste lid, WVW 1994 en:
a. als de betrokkene alsnog het rijbewijs inlevert zal de inneming door de politie in het CRR worden gemuteerd. Het rijbewijs moet binnen drie dagen aangetekend naar het CJIB worden verstuurd. Als het ingenomen rijbewijs niet binnen tien dagen bij het CJIB is ontvangen, rappelleert het CJIB bij de opsporingsinstantie;
b. als de betrokkene alsnog de sanctie(s) inclusief verhogingen voldoet, wordt dit door de politie in het CRR gemuteerd. Het geïnde bedrag wordt afgedragen aan het CJIB via de daarvoor tussen het CJIB en de opsporingsinstantie afgesproken procedure;
c. als de betrokkene het rijbewijs niet inlevert en ook de sanctie niet betaalt, wordt een beschikking opgemaakt ter zake het niet op eerste vordering tonen van het rijbewijs. Ook moet conform artikel 31 WAHV de voorlopige maatregel worden toegepast. De politie meldt dit direct bij het CJIB.
Artikel 34 WAHV van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
2.5.3. Artikel 34 WAHV
Als het rijbewijs niet is ingeleverd bij het CJIB en de betrokkene wordt anders dan als bestuurder aangetroffen, wordt proces-verbaal opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 34, eerste lid, sub c, WAHV:
a. als de betrokkene alsnog het rijbewijs inlevert, vindt de afhandeling plaats conform punt 5.2 onder a;
b. als de betrokkene alsnog betaalt, vindt de afhandeling plaats conform punt 5.2 onder b.
NB De bevoegdheid tot inneming van het rijbewijs is gecentraliseerd bij de officier van justitie in Leeuwarden. Deze heeft zijn bevoegdheid gemandateerd aan het CJIB.
artikel 28b WAHV van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
2.6. Dwangmiddel ‘buitengebruikstelling voertuig’, artikel 28b WAHV
2.6.1. Algemeen
Het dwangmiddel ‘buitengebruikstelling voertuig’ kan worden toegepast op personenauto's, bedrijfsauto's, motorfietsen, kentekenplichtige aanhangwagens/opleggers en brom- en snorfietsen. Het buiten gebruik stellen van voertuigen is overigens niet beperkt tot voertuigen op naam van natuurlijke personen, ook voertuigen op naam van rechtspersonen kunnen buiten gebruik worden gesteld. Nadat de politie een voertuig buiten gebruik heeft gesteld, wordt dit zo spoedig mogelijk aan de betrokkene c.q. kentekenhouder kenbaar gemaakt. Aan hem wordt de mogelijkheid geboden om binnen vier weken de sanctie(s), verhogingen en de kosten van overbrenging en bewaring bij de politie te voldoen. Nadat deze termijn is verlopen, wordt het voertuig door de Dienst der Domeinen bij de politie opgehaald. Daarna kan er nog bij deze dienst worden betaald.
De Dienst der Domeinen taxeert de buiten gebruik gestelde voertuigen.
Als de politie een particuliere berger inschakelt voor de inbewaringstelling van een voertuig dan worden de door de berger aan de politie in rekening gebrachte kosten vergoed. Als de politie de inbewaringstelling zelf verricht, dan worden de kosten vergoed conform de in bijlage 3 opgenomen tarieven.
Na het voertuig bij de politie te hebben opgehaald en getaxeerd, regelt de Dienst der Domeinen de vernietiging of de verkoop van het voertuig.
Als de politie heeft gehandeld conform deze aanwijzing kan zij de kosten gemaakt voor de buitengebruikstelling volgens de daarvoor door het CJIB vastgestelde procedure bij het CJIB declareren.
2.6.2. Het begrip ‘soortgelijk voertuig’
In artikel 28b van de WAHV is bepaald dat de officier van justitie te Leeuwarden het voertuig waarmee de gedraging is gepleegd of een soortgelijk voertuig buiten gebruik kan stellen.
Om tot een eenduidige uitleg van het begrip ‘soortgelijk voertuig’ te komen, is bepaald dat aangesloten wordt bij de voertuigdefinities, zoals opgenomen in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen. Het soortgelijke buiten gebruik te stellen voertuig moet in overeenstemming zijn met de in de Regeling voertuigen opgenomen meest specifieke voertuigdefinitie van het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden. Bijvoorbeeld op een taxi is zowel de definitie personenauto als taxi van toepassing. De voertuigdefinitie taxi is in dit geval het meest specifiek. Als een gedraging dus met een taxi wordt verricht, kan uitsluitend die taxi, dan wel een andere taxi waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, beschikt, buiten gebruik worden gesteld.
Voor kentekenplichtige voertuigen wordt daarnaast het volgende bepaald. Als de gedraging is gepleegd met een voertuig, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, wordt als soortgelijk voertuig aangemerkt elk ander voertuig, vallende onder dezelfde voertuigdefinitie, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd vermag te beschikken. Ditzelfde geldt voor voertuigen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg.
artikel 28 WAHV van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
2.7. Dwangmiddel ‘gijzeling’, artikel 28 WAHV
Gijzeling wordt pas toegepast als de buitengebruikstelling van het voertuig niet tot betaling heeft geleid, dan wel niet toepasbaar is gebleken.
Als een betrokkene tijdens de gijzeling een of meer sancties inclusief verhogingen en kosten wil betalen, moet hij zelf aangeven voor welke zaken hij betaalt.
Als een betrokkene is gegijzeld voor één zaak, moet hij het volledige bedrag van de sanctie, inclusief de verhogingen en kosten voor gijzeling voldoen, ongeacht de duur van de gijzeling op dat moment.
2.8.1. Werkwijze politie dwangopdracht
In beginsel moet de politie een dwangopdracht binnen drie maanden ten uitvoer leggen. Na het afhandelen van een dwangopdracht meldt de politie de wijze van afloop aan het CJIB. Het CJIB kan de politie verzoeken om een dwangopdracht te retourneren. De betrokkene kan aan de politie slechts het volledige bedrag van de sanctie(s), de verhogingen en de kosten van de dwangopdracht betalen. Betaling van een gedeelte van het totaalbedrag is dus niet mogelijk.
Het is de politie eveneens niet toegestaan een betalingsregeling aan te gaan met de betrokkene. Bij volledige betaling meldt de politie de afloop aan het CJIB onder vermelding van het bedrag dat is geïnd. Dit bedrag wordt afgedragen aan het CJIB via de daarvoor tussen het CJIB en de opsporingsinstantie afgesproken procedure.
2.8.2. Betrokkene onvindbaar, verhuisd of overleden
De onvindbaarheid van betrokkene kan slechts worden geconstateerd als de politie aan een aantal voorwaarden heeft voldaan. Is betrokkene ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) of is zijn verblijfplaats anderszins bekend, dan kan de politie slechts constateren dat betrokkene onvindbaar is als zij minimaal driemaal – waarvan tenminste eenmaal ’s avonds – daadwerkelijk dit adres of deze adressen heeft bezocht en betrokkene niet heeft aangetroffen. Als de politie concludeert dat de betrokkene onvindbaar is, wordt dit onder opgaaf van de bevindingen (vertrokken met onbekende bestemming, niet ingeschreven in de GBA etc.) aan het CJIB gemeld. Hierop stuurt de politie het afloopbericht naar het CJIB. Het CJIB zal na ontvangst van het afloopbericht de zaak opnieuw aanbieden aan de politie bij een geldig GBA-adres. Als geen geldig GBA-adres beschikbaar is, zal het CJIB de zaak aanbieden aan de divisie Centrale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) voor opname in het opsporingsregister (OPS).
Als de betrokkene is verhuisd binnen de grens van een regiokorps, handelt hetzelfde korps de zaak af. Als de betrokkene is verhuisd buiten de grens van een regiokorps, meldt de politie dit in een afloopbericht aan het CJIB. Het CJIB zendt in dat geval een nieuwe dwangopdracht aan de politieregio waarin de woon- of verblijfplaats van de betrokkene is gelegen. Het is de politie niet toegestaan om de dwangopdracht zelfstandig door te zenden.
De politie registreert de data en de tijdstippen van de door haar afgelegde bezoeken en een eventuele verhuizing buiten de politieregio bij de tenuitvoerlegging van een dwangopdracht.
Het CJIB kan de politie verzoeken om een dwangopdracht te retourneren o.a. in verband met een nieuw adres of het alsnog betalen door (of voor) betrokkene.
Als de betrokkene is overleden verifieert de politie deze gegevens in de GBA en meldt dit bij het CJIB onder vermelding van de overlijdensdatum en de gemeente waar het overlijden van de betrokkene is geregistreerd.
2.9. Signalering in het OPS
Beschikkingen op naam van personen die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, worden, als voldoening van het sanctiebedrag en de administratiekosten niet dan wel niet volledig heeft plaatsgevonden, door het CJIB ter opname in het OPS aangeboden aan de divisie CRI van het KLPD. Ook de beschikkingen ten laste van niet-ingezetenen die niet, dan wel niet volledig, het sanctiebedrag en de administratiekosten hebben betaald, worden ter signalering aangeboden bij de divisie CRI. Bij signalering in het OPS in de fase waarin dwangmiddelen (kunnen) worden toegepast, blijven de administratiekosten buiten beschouwing.
De signalering vermeldt tevens het toegestane dwangmiddel. Dit kan zijn:
* MB = Mulder Buitengebruikstelling;
* MG = Mulder Gijzeling;
* MBG = Mulder Buitengebruikstelling c.q. Gijzeling.
Bij aanhouding op grond van een OPS-signalering handelt de politie de zaak af conform de procedure voor het genoemde dwangmiddel (zie paragraaf 2.6 en 2.7).
De politie draagt zorg voor versluiering van de signalering 5 bij de divisie CRI. De divisie CRI meldt deze versluiering bij het CJIB. De politie meldt de afloop van de OPS-registratie aan het CJIB overeenkomstig de afhandeling van de dwangopdrachten.
artikel 74c Sr (politietransactie) vervallen van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
3. Politiestrafbeschikking Met ingang van 1 april 2013 is artikel 74c Sr (politietransactie) vervallen
3.1. Begrenzing strafbeschikkingsbevoegdheid opsporingsambtenaren
In artikel 3.2 van het Besluit OM-afdoening zijn de opsporingsambtenaren aangewezen aan wie strafbeschikkingsbevoegdheid op grond van artikel 257b Sv is verleend.
In de bijlage van het Besluit OM-afdoening zijn de zaken aangewezen die voor een politiestrafbeschikking in aanmerking komen. Opsporingsambtenaren met strafbeschikkingsbevoegdheid maken van die bevoegdheid gebruik volgens door het OM te geven richtlijnen ( artikel 257b, derde lid, Sv).
Een politiestrafbeschikking mag niet worden uitgevaardigd indien:
a. de opsporingsambtenaar of een van zijn naaste familieleden bij het feit of de gevolgen daarvan betrokken is;
b. verschil van inzicht bestaat tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte omtrent de feiten en/of de strafbaarheid;
c. het feit schade ten gevolge heeft gehad of overigens te ernstig van aard is;
d. inbeslagneming plaatsvindt en er door de hulpofficier van justitie geen juridische eindbeslissing over al het beslag is genomen;
e. de militaire rechter uitsluitend bevoegd is.
De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat in bepaalde gebieden of op bepaalde openbare wegen binnen het arrondissement of in bepaalde categorieën zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid ( artikel 3.5 Besluit OM-afdoening).
3.2. Uitreiken aankondiging strafbeschikking
In het geval een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd tegen de verdachte, reikt de opsporingsambtenaar de verdachte zo mogelijk een aankondiging van de strafbeschikking uit. Deze aankondiging kan bij verdenking van een overtreding die met een motorrijtuig is begaan, ook worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig. Het model van de aankondiging wordt bij ministeriële regeling vastgesteld
3.3. Directe betaling
De wet staat toe dat een verdachte bij een staandehouding direct betaalt naar aanleiding van een kennisgeving van bekeuring of aankondiging van de strafbeschikking. Met ingang van 1 januari 2013 is de in het BAHV 1994 en het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten opgenomen grondslag voor directe betaling van geldboeten niet langer beperkt tot ‘bijzondere gevallen’. Het OM, het bevoegde gezag en het CJIB kunnen nu zowel voor WAHV-beschikkingen als voor strafrechtelijke geldboeten als algemeen beleid bepaalde plaatsen aanwijzen waar directe betaling van een geldboete mogelijk is. Daarnaast maakt de wijziging het mogelijk om de opgelegde geldelijke sanctie in meer gevallen direct ter plaatse – op straat, op het water of op kantoor – met behulp van een (mobiel) pinapparaat te voldoen. Als de mogelijkheid van pinbetaling of betaling met contant geld, door de opleggende instantie wordt geboden en degene die de geldboete verschuldigd is daarvan gebruik wil maken, kan betaling van een geldboete direct geschieden door overschrijving op een daartoe bestemde bankrekening van de opsporingsinstantie of het CJIB, dan wel door overhandiging van het contante geld. Voor alle directe betalingen geldt dat dit alleen kan aan een met de inning belaste ambtenaar.
De verruiming van de mogelijkheden van directe betaling laat de hoofdregel onverlet dat in de meeste gevallen betaling geschiedt door overschrijving van de geldboete op de daartoe bestemde bankrekening van het CJIB, nadat betrokkene een daartoe strekkende brief van het CJIB heeft ontvangen.
Een aantal randvoorwaarden geldt voor de afwikkeling van directe betaling. Deze zijn opgesomd in Bijlage 3 van de Aanwijzing OM-afdoening .
3.4. Intrekken en wijzigen van strafbeschikkingen uitgevaardigd door opsporingsambtenaren
Het Wetboek van Strafvordering geeft de (buitengewoon) opsporingsambtenaar die een strafbeschikking heeft uitgevaardigd niet de bevoegdheid deze strafbeschikking in te trekken dan wel te wijzigen. Uit artikel 257e, achtste lid, Sv blijkt dat deze bevoegdheid enkel toekomt aan de officier van justitie. De strafbeschikking kan volgens de wet schriftelijk worden ingetrokken of gewijzigd door een officier van justitie die bevoegd is om een daartegen gedaan verzet ter kennis van de rechtbank of de officier van justitie te brengen.
Indien de (buitengewoon) opsporingsambtenaar van oordeel is dat een strafbeschikking ingetrokken dan wel gewijzigd moet worden, moet deze daartoe een intrekkings- of wijzigingsverzoek aan het CJIB doen. De onbezoldigd ambtenaren van het OM bij het CJIB beoordelen deze verzoeken namens de officier van justitie met inachtneming van het daartoe verstrekte mandaat.
Intrekkings- en wijzigingsverzoeken worden met inachtneming van de afspraken daarover elektronisch dan wel met behulp van de juiste formulieren ingediend binnen de daarvoor afgesproken termijnen. Het intrekkings- of wijzigingsverzoek moet zijn ondertekend door een daartoe geautoriseerd persoon.
Indien de zaak dient te worden ingetrokken en nog geen verzet is gedaan of indien de zaak in verband met een mislukte executie is overgedragen aan het OM, bepaalt de onbezoldigd ambtenaar van het OM bij het CJIB de van toepassing zijnde sepotcode, waarbij de inhoud van het intrekkings- of wijzigingsverzoek als leidraad geldt. Afhankelijk van de sepotcode ontvangt de bestrafte de mogelijk al voldane geldboete retour en indien van toepassing wordt het sepot verwerkt in de documentatie van verdachte.
Indien de strafbeschikking dient te worden gewijzigd, vindt dat plaats in opdracht van genoemde onbezoldigd ambtenaar van het OM bij het CJIB.
Op grond van artikel 257e, vierde lid, Sv kan tegen een gewijzigde strafbeschikking verzet worden gedaan met overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met zesde lid van artikel 257e Sv.
Indien het intrekkingsverzoek is geaccordeerd, informeert het CJIB de verdachte/bestrafte over het seponeren van de zaak.
3.4.1. Vordering na mislukte executie bij de politiestrafbeschikking
In zaken waarin sprake is van vervolging ter zake van een politiestrafbeschikking, vordert de officier van justitie in beginsel uitsluitend een onvoorwaardelijke sanctie.
Art. 257b Sv) van Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen">
3.5. Bestuurlijke strafbeschikking overlast (BSBO) ( Art. 257b Sv)
Naast de politiestrafbeschikking wordt op grond van artikel 257b Sv nog een andere strafbeschikking uitgevaardigd, namelijk de Bestuurlijke strafbeschikking overlast. Deze BSBO wordt uitgevaardigd door buitengewoon opsporingsambtenaren die in dienst zijn van of werkzaam zijn voor gemeenten die hebben gekozen voor de BSBO. De BSBO kan enkel worden uitgevaardigd voor overlastfeiten. Naast het hierboven onder “Politiestrafbeschikking” gestelde, geldt met betrekking tot de BSBO nog het volgende.
3.5.1. Melden keuze voor BSBO door bestuur bij lokaal OM
Alvorens buitengewoon opsporingsambtenaren die in dienst van of werkzaam voor een gemeente gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om BSBO’s uit te vaardigen, dient het bestuur (op politiek-bestuurlijk niveau) te kiezen voor de BSBO en deze beslissing schriftelijk te melden bij de hoofdofficier van justitie van het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen. Pas na melding bij het lokale parket wordt de gemeente als BSB gemeente aangemerkt waarop het hieronder beschreven restrictieve beleid met betrekking tot het intrekken (seponeren) van BSBO’s door het OM van toepassing is. Het lokale parket geeft de melding binnen tien werkdagen door aan de CVOM.
3.5.2. Plaatselijk geldende verordeningen en feitenlijst
De feitteksten zoals die zijn opgenomen in de feitenlijst, die als bijlage is gevoegd bij het Besluit OM-afdoening , zijn gebaseerd op teksten uit de model-APV en de model afvalstoffenverordening (ASV). De teksten van de feitomschrijvingen zoals deze zijn opgenomen in de feitenlijst zijn leidend voor een afdoening door middel van de BSB.
In geval van een relevante wijziging van de model-APV of model ASV zullen deze wijzigingen daar waar nodig (en mogelijk) worden doorgevoerd in de genoemde feitenlijst. De gemeenten dragen zelf de verantwoordelijkheid om hun verordeningen zodanig in te richten dat de feiten waarvoor een BSB kan worden aangeboden ook als zodanig in de verordeningen zijn opgenomen.
3.5.3. Jaarplan en driehoeksoverleg
Om tijdig in te kunnen spelen op de aard van en het aantal te verwachten verzetszaken is het voor zowel de CVOM als het lokale OM van belang te weten welke prioriteiten het bestuur in de handhaving stelt (op welke overlastfeiten wordt met name gehandhaafd), hoeveel BOA’s worden ingezet en – bij benadering – hoeveel processen-verbaal het bestuur verwacht in een jaar aan te leveren bij het CJIB. Ook is het van belang dat de door het bestuur gestelde prioriteiten in de handhaving worden afgestemd met de prioriteiten die politie en het lokale OM hanteren en dat daarbij duidelijke afspraken worden gemaakt over de taakverdeling tussen BOA’s en politie. Om deze redenen verdient het aanbeveling dat het bestuur een jaarplan opstelt dat in het driehoeksoverleg wordt besproken. Ten behoeve van de toezichthoudende taak van het lokale OM geeft het bestuur in het jaarplan ook aan op welke wijze aandacht wordt geschonken aan de kwaliteit van de kennis en kunde van de BOA’s, door middel van bijvoorbeeld opleidingen en trainingen.
3.5.4. Samenwerking BOA’s en politie
Vanwege het feit dat een BOA een beperkte opsporingsbevoegdheid heeft kan het in bepaalde situaties van belang zijn dat BOA’s en politie gezamenlijk optrekken of afspraken maken over informatie-uitwisseling of elkaars bereikbaarheid. Voorbeelden hiervan zijn handhavingacties waarbij het de verwachting is dat de BOA’s politieondersteuning nodig hebben (bijv. omdat verwacht wordt dat overtredingen of misdrijven worden geconstateerd waarvoor een BOA niet bevoegd is) of de inzet van BOA’s in de nachtelijke uren of het weekend, waarin de kans op escalerende situaties groter is.
Bestuur en politie dragen er zorg voor dat zij op dit punt samenwerken en afspraken maken.
3.5.5. Aantasting integriteit BOA
Bij situaties waarin sprake is van aantasting van de persoonlijk integriteit van een BOA door een verdachte, door bijvoorbeeld het beletten/belemmeren van ambtshandelingen, het plegen van wederspannigheid of andere strafbare feiten (mishandeling, belediging, bedreiging etc.), voert het regionale politiekorps na aangifte een opsporingsonderzoek uit en maakt – zo mogelijk – een proces-verbaal op, dat naar het arrondissementsparket van het lokale OM wordt gezonden. Het arrondissementsparket gaat in beginsel tot vervolging van deze feiten over.
3.5.6. Intrekken (seponeren) van BSB’s door het OM
Als een BOA met het oog op het uitvaardigen van een BSBO een proces-verbaal inzendt naar het CJIB en vervolgens blijkt dat de bestrafte verzet instelt tegen de door het CJIB verzonden BSB, wordt de zaak overgedragen aan de CVOM. De CVOM gaat in die gevallen in beginsel tot oproeping op een zitting over. Dat wil zeggen dat de CVOM de zaak voor de rechter brengt, zodat deze het verzet inhoudelijk kan toetsen en uitspraak kan doen.
Er is in beginsel geen ruimte voor de CVOM om zaken op beleidsmatige gronden te seponeren door middel van intrekking van de BSB. De CVOM zal uitsluitend seponeren om juridisch-technische redenen. Op basis van herbeoordeling kan de strafbeschikking ook worden gewijzigd mits de feitomschrijving nog hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr inhoudt ( art. 257 e , achtste lid, Sv).
3.6.1. Vastgestelde tarieven
Voor de feiten uit de bijlage bij het Besluit OM-afdoening waarvoor de (buitengewoon) opsporingsambtenaar opsporingsbevoegdheid heeft, zijn de tarieven door het College van procureurs-generaal vastgesteld. Het staat de opsporingsambtenaar derhalve niet vrij een ander tarief te hanteren in de aankondiging van de politiestrafbeschikking.
3.6.2. Minderjarigen
Aan de minderjarige die wordt verdacht van het plegen van een feitgecodeerd feit dat niet op kenteken is geconstateerd, kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd.
Parallel aan hetgeen in de WAHV is vastgelegd, geldt dat ten aanzien van minderjarigen van 12 tot 16 jaar de vastgestelde tarieven worden gehalveerd met een afronding op hele euro’s naar boven. Voor minderjarigen van 16 tot 18 jaar gelden in dezelfde tarieven als voor meerderjarigen.
3.7.1. Voorwaarden voor het uitvaardigen van de politiestrafbeschikking
Alvorens een politiestrafbeschikking kan worden uitgevaardigd, dient aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan.
a. Meerderjarige verdachte
De mogelijkheid tot het uitvaardigen van een politiestrafbeschikking voor het in artikel 3.3, aanhef en onder a, van het Besluit OM-afdoening aangewezen misdrijf is wettelijk beperkt tot de meerderjarige verdachte.
b. Teruggave goed/vergoeding schade
Het goed moet zijn teruggegeven dan wel de schade moet zijn vergoed. Indien sprake is van inbeslagneming, dan mag, ook al zou zijn voldaan aan de nadere voorwaarden, geen politiestrafbeschikking worden uitgevaardigd en moet een proces-verbaal worden opgemaakt en ingezonden. Als de hulpofficier van justitie een eindbeslissing over het beslag heeft genomen, wordt dit als afgehandeld beschouwd en kan de zaak als ‘zaak zonder beslag’ bij het CJIB worden aangeboden. 7[6]
c. Heterdaad/bekennende verdachte
Uit het oogpunt van rechtswaarborgen en rechtszekerheid zal geen enkele twijfel mogen bestaan over de betrokkenheid van de verdachte bij de winkeldiefstal/verduistering. Om elke twijfel uit te sluiten zal sprake moeten zijn van ontdekking op heterdaad, alsmede van een bekennende verdachte.
d. Eenvoudige winkeldiefstal/verduistering
Zoals hierboven aangegeven, heeft de regeling alleen betrekking op eenvoudige zaken. Dit brengt met zich mee dat geen sprake mag zijn van meerdere gepleegde winkeldiefstallen/-verduisteringen (strooptocht), mededaders, enige vorm van geweld of bedreiging, diefstal met enige vorm van raffinement, of andere min of meer gelijktijdig gepleegde delicten. In al deze gevallen zal een proces-verbaal moeten worden opgemaakt en ingezonden.
e. Er mag geen sprake zijn van specifieke recidive binnen een periode van vijf jaar na datum van aantekening in het HKS (HerKenningsSysteem)
In het kader van deze aanwijzing is van recidive sprake in geval van aantekening in HKS van enige vorm van een eerder gepleegde diefstal, verduistering of heling (derhalve de artikelen 310, 311, 321, 416 en 417bis Sr). In die gevallen kan derhalve geen politiestrafbeschikking worden uitgevaardigd. De specifieke recidive wordt bezien over een periode van vijf jaar na datum van aantekening in HKS. Het spreekt voor zich dat eveneens van het uitvaardigen van een politiestrafbeschikking wordt afgezien indien de politie op andere wijze kennis draagt van een eerdere veroordeling, transactie of strafbeschikking voor diefstal, verduistering of heling, binnen een periode van vijf jaar voorafgaande aan het gepleegde feit.
f. Waarde goed
Een politiestrafbeschikking is alleen mogelijk indien het ontvreemde een waarde heeft van maximaal € 120,-. Het streven is erop gericht elke aangehouden verdachte van winkeldiefstal overal in Nederland te confronteren met een overheidsreactie. Gelet hierop kan alleen in gevallen van werkelijk zeer geringe waarde worden afgezien van het uitvaardigen van een strafbeschikking. Behoudens deze gevallen dient van een politiesepot te worden afgezien. Is aan de bovengenoemde voorwaarden voldaan, dan kan een politiestrafbeschikking worden uitgevaardigd.
De tarieven voor de politiestrafbeschikking zijn weergegeven in de Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen. De tarieven voor de OM-strafbeschikking en de eis ter zitting zijn vastgelegd in de Richtlijnen voor strafvordering eenvoudige diefstal en -verduistering.
3.7.2. Geen politiestrafbeschikking toegestaan
Indien niet aan de onder punt 3.5.1 vermelde voorwaarden wordt voldaan of indien er sprake is van één van de contra-indicaties die zijn opgenomen in de Aanwijzing OM-afdoening , wordt van het uitvaardigen van een politiestrafbeschikking afgezien en dient een volledig proces-verbaal te worden opgemaakt en aan het OM te worden gezonden
3.7.3. Procedurele vereisten
Tijdens en na het uitvaardigen van een politiestrafbeschikking dienen de volgende vereisten in acht te worden genomen.
3.7.4. Beperking bevoegdheid
Artikel 3.2, eerste lid, Besluit OM-afdoening beperkt de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een strafbeschikking tot de in dit artikel genoemde hulpofficieren van justitie. De bevoegdheid is beperkt tot deze functionarissen omdat discussie met de verdachte nooit geheel kan worden uitgesloten en een goede afweging bij de toepassing van deze bevoegdheid essentieel is (zie eveneens de Regeling hulpofficieren van justitie 2008 ).
3.7.5. Controle en administratieve verantwoording
De mogelijkheid om een politiestrafbeschikking uit te vaardigen houdt in dat de politie een gedegen registratie voert van de betreffende zaken.
Gegevens zijn immers noodzakelijk ten behoeve van:
a. het alsnog inzenden van het proces-verbaal, indien tegen de strafbeschikking verzet wordt gedaan of de executie mislukt;
b. de mogelijkheid van controle c.q. toetsing door het OM op het gebruik van de verleende bevoegdheid;
c. de registratie in het HKS;
d. de registratie in de justitiële documentatie;
e. een eventuele toepassing van artikel 12 Sv;
f. de positie van de benadeelde.
Ad a: vastleggen en bewaren van gegevens 8[7]
Het onder a gestelde brengt met zich dat in ieder geval die gegevens dienen te worden vastgelegd en bewaard die nodig zijn voor het uiteindelijke bewijs van de zaak, te weten de persoonsgegevens van betrokkene, alsmede een toedracht van het gebeurde. Mede gelet op het hierna volgende, betekent dit dat de politie een (verkort) proces-verbaal zal moeten opmaken.
Ad b: controle door het OM
Op grond van artikel 3.7 Besluit OM-afdoening dient de opsporingsambtenaar aantekening te houden van elke zaak waarin hij van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Daarnaast heeft de officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket, de bevoegdheid periodiek rapport in te winnen. Teneinde aan dit laatste uitvoering te kunnen geven, dient aantekening te worden gehouden van de volgende gegevens:
het aantal zaken waarin een strafbeschikking is uitgevaardigd en waarin de opgelegde geldboete is voldaan. Dit is vast te stellen aan de hand van het verkorte proces-verbaal;
het aantal en de aard van de klachten dat ter zake van het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid is ontvangen, alsmede de wijze waarop op de klachten is gereageerd;
een overzicht van deze gegevens dient ter beschikking te worden gesteld voor elk overleg tussen OM en politie (c.q. Koninklijke Marechaussee) over de wijze waarop de strafbeschikkingsbevoegdheid wordt uitgeoefend, en verder op elk gewenst moment. Een dergelijk overleg dient ten minste eenmaal per jaar te worden gehouden.
Voor het vaststellen van recidive door het OM, met het oog op het strafvorderingsbeleid, is juiste registratie in de justitiële documentatie van belang. Nu ook de politie gegevens zal aanleveren in de justitiële documentatie (zoals hierna is beschreven onder d), is steekproefsgewijze controle door het OM hierop in de justitiële documentatie aangewezen. Controle door het OM zou bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden door aan de hand van overzichtslijsten met betaalde politiestrafbeschikkingen bij de justitiële documentatie na te vragen of inderdaad meldingen zijn binnengekomen.
Ad c: registratie in het HKS
Registratie in het HKS blijft van belang voor het vaststellen van specifieke recidive. Gegevens kunnen alleen in het HKS worden opgenomen indien een proces-verbaal is opgemaakt. Hiervoor kan het verkorte proces-verbaal dienen. Alvorens registratie kan plaatsvinden, dienen de persoonsgegevens bij de gemeentelijke basisadministratie (Gba) te zijn gecontroleerd en verwerkt.
Ad d: registratie in de justitiële documentatie
Artikel 5 Besluit registratie justitiële gegevens regelt dat uitgevaardigde politiestrafbeschikkingen (met uitzondering van de met betrekking tot overtredingen uitgevaardigde strafbeschikkingen waarin een geldboete wordt opgelegd die minder dan € 100 beloopt) moeten worden opgenomen in de justitiële documentatie. Het Besluit justitiële gegevens legt de politie de verplichting op de uitgevaardigde politiestrafbeschikkingen te melden aan de justitiële documentatiedienst te Almelo.
Bij de melding dienen de volgende gegevens te worden opgegeven:
personalia van de verdachte:
naam
voorna(a)m(en) voluit
geboortedatum
geboorteplaats
pleegplaats van het feit
pleegdatum van het feit
nummer van het proces-verbaal
gegevens van het korps
aanduiding van het wetsartikel
datum waarop de betaling is ontvangen (bij directe betaling)
geldboetebedrag
aanduiding politiestrafbeschikking
Indien verzet tegen de strafbeschikking wordt gedaan of indien sprake is van mislukte executie, zendt de politie het proces-verbaal naar het CJIB dat het proces-verbaal doorzendt naar het OM. Het OM verzorgt dan de mededeling aan de justitiële documentatiedienst.
Ad e: toepassing artikel 12 Sv en positie van het slachtoffer
In geval van winkeldiefstal en/of -verduistering is de voorwaarde dat het gestolen goed moet zijn teruggegeven of de schade moet zijn vergoed alvorens een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd. Het lijkt dan ook reëel om te veronderstellen dat de benadeelde in de praktijk zelden of nooit van de mogelijkheid van beklag gebruik zal maken. Toch moet de mogelijkheid niet uitgesloten worden geacht dat een winkelier, pas nadat de strafbeschikking is uitgevaardigd, merkt dat er toch nog schade is veroorzaakt. In die gevallen heeft hij de mogelijkheid beklag te doen. Mede met het oog hierop is het van belang over voldoende gegevens te kunnen beschikken. In verband met het informeren van slachtoffers is de aanwijzing slachtofferzorg van toepassing. Concreet betekent dit dat de politie in geval van een politiestrafbeschikking het slachtoffer moet vragen of hij op de hoogte wil worden gehouden van het verloop van de zaak. Bij een bevestigend antwoord dient relevante informatie te worden verstrekt, zoals het uitvaardigen van een politiestrafbeschikking. Indien de strafbeschikking niet wordt uitgevaardigd, dient het OM in kennis te worden gesteld van de wens van het slachtoffer om op de hoogte te worden gehouden van het verloop van de zaak.
3.7.6. Financiële verantwoording
Voor de financiële verantwoording wordt verwezen naar het Besluit OM-afdoening , alsmede de hierop gebaseerde circulaires.
4.1. Combibon
Voor het aanleveren van feitgecodeerde zaken waarin een strafbeschikking dient te worden uitgevaardigd, dient voor zover geen andere afspraken met het OM zijn gemaakt, zoals bijv. de verwerking van artikel 8 WVW 1994 zaken, gebruik te worden gemaakt van een proces-verbaal 9[8] in de vorm van het model combibon, zoals genoemd in de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie . 10[9]
4.2. Opmaken proces-verbaal
Het proces-verbaal moet worden opgemaakt naar aanleiding van een concrete verdenking van en schuldvaststelling aan een strafbaar feit. Het proces-verbaal heeft de vorm van een zogenaamd verkort proces-verbaal/mini-proces-verbaal (combibon). Op basis hiervan wordt – via het CJIB –een strafbeschikking uitgevaardigd. Er moet te allen tijde rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat een verdachte de strafbeschikking niet betaalt en hiertegen verzet doet. Na verzet moet een uitgewerkt proces-verbaal worden opgemaakt omdat de gegevens in het verkort proces-verbaal vaak zijn onvoldoende voor de inhoudelijke behandeling van het verzet door de rechter. Daarom moeten alle gegevens over het strafbare feit, die nodig zijn voor het maken van een uitgewerkt proces-verbaal, worden vastgelegd. Indien een uitgewerkt proces-verbaal moet worden opgemaakt, ter zake een overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) dient de opsporingsambtenaar bij dit proces-verbaal de overtreden regelgeving (zoals het overtreden artikel uit de APV met voor zover van toepassing het bijbehorende artikel uit een Uitvoeringsbesluit), zoals geldend op de pleegdatum, te voegen.
Dit uitgewerkte proces-verbaal dient via het CJIB ter verdere vervolging te worden ingezonden aan de CVOM.
4.3. Kwaliteit strafbeschikking/ proces-verbaal
Het OM houdt toezicht op de kwaliteit van de aangeleverde strafbeschikkingen en processen-verbaal door de inzendende instanties. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de strafbeschikkingen en de processen-verbaal ligt bij de opsporingsambtenaren en de inzendende instanties, die ervoor moeten zorgen dat de strafbeschikkingen en processen-verbaal de kwaliteitstoets doorstaan.
Afspraken tussen de inzendende instanties en het OM over de benodigde kwaliteit kunnen gaan over aan welke eisen het proces-verbaal, naast de wettelijke eisen, moet voldoen en hoe de inzendende instantie de kwaliteit waarborgt.
Hoewel het OM bij het uitvaardigen van een strafbeschikking door een (buitengewoon) opsporingsambtenaar zich geen inhoudelijk oordeel kan vormen omtrent de schuld van de te bestraffen persoon, stelt het OM aan die uitvaardiging de eis dat de (buitengewoon) opsporingsambtenaar eerst tot uitvaardiging overgaat nadat vast is gesteld dat aan alle eisen van strafvordering is voldaan. In die zin mag een op grond van artikel 257b Sv uitgevaardigde strafbeschikking niet afwijken van een onder artikel 257a Sv uitgevaardigde strafbeschikking.
4.4. Bewaartermijn
De gegevens die betrekking hebben op de zaak worden vanaf de pleegdatum door de gemeente en andere inzendende instanties bewaard gedurende een periode overeenkomstig de vervolgingsverjaringstermijn (bij overtredingen drie jaar) en een jaar daarna of tot een jaar na het afloopbericht van het CJIB, zodat het mogelijk is een uitgebreid proces-verbaal op te maken.
4.5. Inzendtermijn proces-verbaal na constateren strafbaar feit
Het opgemaakte proces-verbaal 11[10] dient door de politie en opsporingsinstanties zo spoedig mogelijk na pleegdatum aan het CJIB te worden gestuurd, zodat het uiterlijk binnen 60 dagen na pleegdatum is geregistreerd bij het CJIB in het geautomatiseerde systeem voor de verwerking van strafbeschikkingen. Via de Commissie Feiten en Tarieven kunnen afwijkingen van deze termijn op grond van afwijkende regionale afspraken met het lokale arrondissementsparket worden afgesproken. In de gevallen dat het CJIB het proces-verbaal voor de buitengewoon opsporingsambtenaar invoert, geldt een aanlevertermijn van veertig dagen aan de Invoerunit van het CJIB. De Invoerunit van het CJIB heeft zo voldoende tijd om eventuele aanpassingen en wijzigingen te coördineren.
5.1. Beperkte bevoegdheid
Op grond van het bepaalde in artikel 3.2, tweede lid, jo. 3.3 onder c, Besluit OM-afdoening is de strafbeschikkingsbevoegdheid in handen van de Koninklijke Marechaussee (KMAR) op militaire terreinen beperkt tot verdachten die militair zijn. Voorts beperkt de strafbeschikkingsbevoegdheid zich uitsluitend tot die feiten die zijn opgenomen in de bijlage bij het Besluit OM-afdoening . Tevens zijn de gedragingen uit de bijlage WAHV met uitzondering van de feitcodes K 035, K 040 a t/m e, K 075 t/m K 106, K 120, K 140, K 155 niet van toepassing op militaire terreinen. Voornoemde feitcodes zijn uitgezonderd, doordat het begrip ‘weg’ niet van toepassing is op deze codes.
Het is echter gewenst dat de afdoening van deze zaken zoveel mogelijk via de geautomatiseerde systemen bij de KMAR en het CJIB verloopt, waarna de zaakgegevens (bij niet betalen) elektronisch worden overgedragen aan het Openbaar Ministerie.
5.2. Specifieke werkwijze
Om de verwerking via de geautomatiseerde systemen mogelijk te maken wordt bij het opmaken van een mini proces-verbaal gebruik gemaakt van dezelfde feitcodes als in de bijlage bij de WAHV , onder toevoeging van de hoofdletter K. Bijv. De feitcode R 549a (niet stoppen bij een stopbord) wordt KR 549a. De verbaliserende ambtenaar van de KMAR maakt na het constateren van een overtreding een mini proces-verbaal op en reikt bij staandehouding een afschrift uit aan de verdachte. Vanwege het feit dat het een OM-strafbeschikking betreft wordt geen tarief ingevuld op het mini proces-verbaal.
Als het CJIB geen strafbeschikking kan verzenden, kan de officier van justitie van het parket Arnhem in deze zaken een strafbeschikking uitvaardigen.
Overgangsrecht
Deze aanwijzing heeft onmiddellijke gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.
Inhoudsopgave
Samenvatting
Achtergrond
Strafbeschikking
Politiestrafbeschikking
OM-strafbeschikking
Uitzondering strafbeschikking
Opsporing en vervolging
1. Uitgangspunten generiek
1.1. Afdoening via één traject
1.2. Artikel 5 WVW 1994
1.3. Technische gebreken voertuig
2. WAHV
2.1. Algemeen
2.1.1. Inhoud aankondiging van beschikking
2.1.2. Informatieverzoek Openbaar Ministerie
2.1.3. Halvering tarieven minderjarigen
2.2. Correctie-politie
2.3. Vrijwillige betaling
2.4. Voorlopige maatregelen
2.4.1. Vordering onmiddellijke betaling
2.4.2. Voorlopige maatregel ‘inbewaringstelling’
2.5. Dwangmiddel ‘inneming rijbewijs’, artikel 28a WAHV
2.5.1. Mutatie in het Centraal register rijbewijzen (CRR)
2.5.2. Artikel 9, achtste lid, WVW 1994
2.5.3. Artikel 34 WAHV
2.6. Dwangmiddel ‘buitengebruikstelling voertuig’, artikel 28b WAHV
2.6.1. Algemeen
2.6.2. Het begrip ‘soortgelijk voertuig’
2.7. Dwangmiddel ‘gijzeling’, artikel 28 WAHV
2.8. Opdracht tot toepassing dwangmiddel (hierna: dwangopdracht)
2.8.1. Werkwijze politie dwangopdracht
2.8.2. Betrokkene onvindbaar, verhuisd of overleden
2.9. Signalering in het OPS
3. Politiestrafbeschikking Met ingang van 1 april 2013 is artikel 74c Sr (politietransactie) vervallen
3.1. Begrenzing strafbeschikkingsbevoegdheid opsporingsambtenaren
3.2. Uitreiken aankondiging strafbeschikking
3.3. Directe betaling
3.4. Intrekken en wijzigen van strafbeschikkingen uitgevaardigd door opsporingsambtenaren
3.4.1. Vordering na mislukte executie bij de politiestrafbeschikking
3.5. Bestuurlijke strafbeschikking overlast (BSBO) ( Art. 257b Sv)
3.5.1. Melden keuze voor BSBO door bestuur bij lokaal OM
3.5.2. Plaatselijk geldende verordeningen en feitenlijst
3.5.3. Jaarplan en driehoeksoverleg
3.5.4. Samenwerking BOA’s en politie
3.5.5. Aantasting integriteit BOA
3.5.6. Intrekken (seponeren) van BSB’s door het OM
3.6. Tarieven
3.6.1. Vastgestelde tarieven
3.6.2. Minderjarigen
3.7. Politiestrafbeschikking eenvoudige diefstal en verduistering
3.7.1. Voorwaarden voor het uitvaardigen van de politiestrafbeschikking
3.7.2. Geen politiestrafbeschikking toegestaan
3.7.3. Procedurele vereisten
3.7.4. Beperking bevoegdheid
3.7.5. Controle en administratieve verantwoording
3.7.6. Financiële verantwoording
4. Proces-verbaal in feitgecodeerde zaken (combibon)
4.1. Combibon
4.2. Opmaken proces-verbaal
4.3. Kwaliteit strafbeschikking/ proces-verbaal
4.4. Bewaartermijn
4.5. Inzendtermijn proces-verbaal na constateren strafbaar feit
5. Overtredingen begaan door militairen op militaire terreinen
5.1. Beperkte bevoegdheid
5.2. Specifieke werkwijze
Overgangsrecht
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht