Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2011. U leest nu de tekst die gold op -.

Aanwijzing Inbeslagneming (artikel 94 WvSv)

Uitgebreide informatie
Aanwijzing Inbeslagneming (artikel 94 WvSv)
Samenvatting
Deze aanwijzing geeft regels voor de inbeslagneming op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering (Sv) en voor de afhandeling van het beslag op grond van de artikelen 116, 117, 118 en 119 Sv 1 . De aanwijzing richt zich tot het openbaar ministerie, opsporingsinstanties en bewaarders.
De aanwijzing treedt in de plaats van de Handleiding Inbeslagneming (2000H005) en ziet – evenals de Handleiding – niet op inbeslagneming op grond van artikel 94a Sv (conservatoir beslag) 2 .
Achtereenvolgens komen in de aanwijzing – na een achtergrondschets – aan de orde:
I. Algemene grondslagen
I.1. Definities
I.2. Vatbaarheid voor inbeslagneming
I.3. Gronden voor inbeslagneming
I.4. Bevoegdheid tot inbeslagneming
I.5. Juridische bestemming versus beheer
II. Opsporing
II.1. Beslag of geen beslag?
II.2. Kennisgeving van inbeslagneming
II.3. Differentiatie
II.4. Toetsing beslag door de hulpofficier van justitie
II.5. Tijdelijk beheer door opsporingsinstantie
III. Vervolging
III.1. Relatie tot een vervolgbaar strafbaar feit
III.2. Hoofdregel: teruggave aan beslagene
III.2.1. Afstand en eigendom
III.2.2. Derderechthebbende, onderzoeksplicht m.b.t. eigendom
III.2.3. Teruggave aan, bewaring voor en bewaring door een derde
III.2.4. Afstand als voorwaarde voor beleidssepot en transactie
III.3. Beslagbeslissingen door de rechter
III.3.1. Verbeurdverklaring
III.3.2. Onttrekking aan het verkeer
III.3.3. Teruggave aan de beslagene
III.3.4. Teruggave aan de rechthebbende
III.3.5. Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
IV. Snelle afhandeling beslag/beheer
IV.1. Grondregel
IV.2. Waarheidsvindingsbeslag
IV.3. Niet-waarheidsvindingsbeslag: artikel 117 Sv
IV.3.1. Waardebeslag: vervreemden om baat
IV.3.2. Overig beslag: vernietigen of vervreemden om niet
IV.3.3. Beheerbevoegdheden bewaarder
IV.3.4. Uitvoering last tot teruggave niet mogelijk
IV.4. Bevoegdheid beslagmedewerkers
V. Raadkamerprocedures
V.1. Onttrekking aan het verkeer
V.2. Beklagprocedure
V.2.1. Belanghebbende
V.2.2. Termijn
V.2.3. Gronden
V.2.4. Procedure
VI. Hoger beroep/cassatie
VII. Resterend beslag
VIII. Klachten en schadeclaims
IX. Overgangsrecht
In deze aanwijzing worden de volgende onderwerpen geïntroduceerd:
Differentiatie tussen: waarheidsvindingsbeslag, waardebeslag en overig beslag 3
Voorschriften voor de Kennisgeving van Inbeslagneming
Snelle beheerbeslissing door beslagmedewerkers
Proactief toepassen van opruimbevoegdheden door bewaarders
Bij deze aanwijzing zijn de volgende bijlagen gevoegd:
Bijlage 1. Bijzondere aanwijzingen inzake diverse (sub)categorieën voorwerpen
Bijlage 2. Bijzondere aanwijzingen inzake beslag bij een aantal overtredingen van de wegenverkeerswetgeving
Achtergrond
De maatschappelijke opdracht van het OM is de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Beslag draagt op diverse manieren wezenlijk bij aan effectieve misdaadbestrijding. Om de waarheid aan de dag te brengen is een zorgvuldige behandeling van in beslag genomen sporendragers wezenlijk; om criminele broodwinning krachtig te ontmoedigen is beslag op crimineel vermogen essentieel; om de burger zoveel mogelijk tegen gevaarlijke voorwerpen te beschermen, is onttrekking aan het verkeer van groot belang.
Tegelijkertijd streeft het OM naar een minimale inbreuk op eigendomsrechten en een efficiënte afwikkeling van het beslag. Deze aanwijzing wil bevorderen dat niet nodeloos beslag wordt gelegd en dat beslag zo spoedig mogelijk, op een juridisch correcte wijze wordt afgewikkeld.
In opdracht van het College van procureurs-generaal heeft de Commissie beslag OM onderzocht hoe het beslagproces kan worden geoptimaliseerd. De Commissie heeft haar bevindingen neergelegd in een visiedocument en daarin de speerpunten voor gerichte verbetering van het beslagproces geformuleerd, en de concrete doelstelling opgenomen om een Aanwijzing inbeslagneming op te stellen. De benoemde speerpunten vormen de grondslag voor deze aanwijzing.
I.1. Definities
Overeenkomstig artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering wordt onder inbeslagneming verstaan het onder zich nemen of gaan houden van een voorwerp ten behoeve van de strafvordering. Toepassing van dit dwangmiddel vormt een inbreuk op de civiele rechten van de rechthebbende(n) (te weten: de eigenaren of de houder): het voorwerp wordt uit diens beschikkingsmacht gehaald. Inbeslagneming dient zorgvuldig en proportioneel te worden toegepast.
In deze aanwijzing wordt degene onder wie een voorwerp in beslag wordt genomen, aangeduid als de beslagene. De beslagene is niet altijd de eigenaar van het inbeslaggenomen voorwerp.
I.2. Vatbaarheid voor inbeslagneming
Vatbaar voor inbeslagneming zijn voorwerpen. Hieronder wordt begrepen alle (on)roerende zaken, geld, vermogensrechten (zoals vorderingen) en dieren. 4
I.3. Gronden voor inbeslagneming
Artikel 94 Sv somt de gevallen op waarin voorwerpen in beslag genomen kunnen worden 5 . Op grond van artikel 94 Sv kunnen voorwerpen uitsluitend in beslag worden genomen:
1. om de waarheid aan de dag te brengen,
2. om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen,
3. ter verbeurdverklaring, of
4. ter onttrekking aan het verkeer.
In veel gevallen is tegelijkertijd meer dan één grond voor inbeslagneming aanwezig. In zo’n geval prevaleren de belangen van waarheidsvinding (beslag op grond 1 en beslag op grond 2). In deze aanwijzing wordt het beslag dat op deze gronden is gelegd (1 en 2) aangeduid als waarheidsvindingsbeslag .
Het uitgangspunt dat niet in beslag wordt genomen tenzij één van deze gronden aanwezig is, geldt ook in de zin dat het beslag wordt opgeheven zodra de gronden voor inbeslagneming zijn vervallen. Dan luidt de hoofdregel dat wordt teruggegeven (zie III.2.).
I.4. Bevoegdheid tot inbeslagneming
De opsporingsambtenaar en de (hulp-)officier van justitie zijn onder bepaalde voorwaarden tot inbeslagneming bevoegd. Deze voorwaarden zijn neergelegd in de artikelen 56, 95, 96, 96a, 96b en 551 Sv ten aanzien van de opsporingsambtenaar en in de artikelen 56, 96c, 97 en 100 Sv ten aanzien van de (hulp-)officier van justitie. Sommige bijzondere wetten geven een ruimere bevoegdheid, zoals artikel 18 Wet op de Economische Delicten, artikel 9 lid 3 Opiumwet en artikel 52 lid 1 Wet Wapens en Munitie. Overigens zijn de rechter-commissaris ( artikelen 104, 105, 110, 195 en 114 Sv ) en ook een ieder ( artikel 95 Sv) in bepaalde situaties bevoegd tot inbeslagneming.
Deze aanwijzing is van toepassing op alle door een bevoegde persoon (strafvorderlijk) inbeslaggenomen voorwerpen.
I.5. Juridische bestemming versus beheer
Beslag vergt altijd twee beslissingen: één over de juridische bestemming en één over het feitelijke beheer.
De beslissing over de juridische bestemming is een beoordeling van de grond(en) voor inbeslagname en bepaalt de beslissing die het OM vordert als het beslag door de rechter moet worden afgedaan.
De beheerbeslissing is een beoordeling van de noodzaak om het voorwerp fysiek te bewaren totdat het beslag juridisch is afgedaan (vaak door een beslissing van de rechter).
Het verschil tussen juridische bestemming en beheer komt tot uitdrukking in de termen van de beslissing. Onttrekking aan het verkeer is een juridische bestemming, vernietiging een vorm van beheer; verbeurdverklaring een juridische bestemming, vervreemding een vorm van beheer.
Met de beheerbeslissing is het beslag juridisch niet afgedaan, behalve wanneer afstand is gedaan (zie III.2) 6 . Bij afstand vallen de beslissingen over de juridische bestemming en die over het feitelijke beheer samen.
Het OM – en in sommige gevallen de hulpofficier van justitie (zie II.4) – is verantwoordelijk voor het (laten) nemen van de beide beslagbeslissingen.
II. Opsporing
Beslag is een dwangmiddel dat alleen bij een verdenking toegepast kan worden binnen het kader van de opsporing ter zake van een strafbaar feit.
II.1. Beslag of geen beslag
De opsporingsambtenaar neemt op grond van artikel 94 Sv een voorwerp in beslag ten behoeve van de waarheidsvinding en/of om een toekomstige verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer mogelijk te maken. Er wordt tot inbeslagneming overgegaan als dit in het belang is van strafvordering. De opsporingsambtenaar neemt geen voorwerpen in beslag als er geen enkel verband is tussen dit voorwerp en het te onderzoeken strafbare feit 7 .
Er zijn situaties waarin de politie een voorwerp onder zich neemt, zonder dat tevens sprake is van beslag. Hierbij kan gedacht worden aan gevonden voorwerpen en voorwerpen die vrijwillig door mensen bij de politie worden afgegeven.
Bij het aantreffen van voor onttrekking vatbare voorwerpen is echter altijd sprake van beslag. Het beslag van voor onttrekking vatbare voorwerpen, die in de regel vernietigd zullen worden, berust op het vermoeden van een strafbaar feit; van de wijze van vernietiging moet verslag worden gelegd. Degene die een voor onttrekking vatbaar voorwerp aanbiedt aan de politie, dient een afstandverklaring te ondertekenen (zie III.2.1.).
In sommige gevallen is sprake van een niet-strafvorderlijke inbeslagneming, bijvoorbeeld wanneer de politie voorwerpen onder zich neemt in het belang van de openbare orde en veiligheid (zoals bij fouilleeracties bij voetbalwedstrijden waarbij legale messen onder het publiek worden aangetroffen). Deze vorm van inbeslagneming blijft in deze aanwijzing verder onbesproken.
II.2. Kennisgeving van inbeslagneming
De opsporingsambtenaar relateert de inbeslagneming in de vorm van een proces-verbaal in het zaaksdossier. Tevens maakt de opsporingsambtenaar een kennisgeving van inbeslagneming (KvI) op van de inbeslagneming ( artikel 94, derde lid, Sv ) ten behoeve van het OM, ook als de inbeslagneming heeft plaatsgevonden op aanwijzing en onder verantwoordelijkheid van of door de officier van justitie of de rechter-commissaris. De KvI is geen proces-verbaal. Aan de beslagene geeft de opsporingsinstantie een bewijs van ontvangst.
De KvI en het bewijs van ontvangst worden steeds zo spoedig mogelijk opgemaakt. De opsporingsambtenaar vraagt de beslagene of deze (schriftelijk) afstand wil doen van zijn aanspraak op teruggave, tenzij duidelijk is dat het voorwerp kan worden teruggegeven aan de beslagene.
De KvI beschrijft het inbeslaggenomen voorwerp en bevat alle relevante informatie voor de te nemen beslagbeslissing. Meerdere voorwerpen kunnen op één KvI worden vermeld wanneer sprake is van gelijksoortige voorwerpen en gelijksoortige afhandeling van het beslag. In ieder geval dient per beslagene een aparte KvI te worden opgemaakt.
De KvI dient de volgende informatie te bevatten over elk voorwerp (al dan niet als onderdeel van een partij) dat op de KvI is vermeld:
datum inbeslagneming
duidelijke omschrijving van en uniek nummer voor elk voorwerp, waarmee het voorwerp kan worden geïdentificeerd ten opzichte van de andere in dezelfde strafzaak in beslag genomen voorwerpen, met een vermelding van aantallen en/of gewicht
het bedrag in euro’s als het gaat om inbeslaggenomen geld
de grond(en) voor de inbeslagneming en een categorisering (zie II.3 hierna)
beknopte weergave van de aanleiding voor de inbeslagneming
naam (en overige persoonsgegevens) beslagene
naam eigenaar of derderechthebbende(n)
per voorwerp of daarvan afstand is gedaan door de beslagene
per voorwerp of daarvan afstand is gedaan door de rechthebbende
per voorwerp of de beslagene heeft verklaard dat het voorwerp hem toebehoort
Deze vereisten gelden ook als het inbeslaggenomen voorwerp zelf verschillende voorwerpen bevat. In dat geval kan niet worden volstaan met vermelding van het voorwerp (bijv. een reiskoffer of een portemonnee) maar wordt ook vermeld waaruit de inhoud van het voorwerp bestaat (afzonderlijke items in die koffer of portemonnee).
De gegevens op de KvI moeten in de loop van de procedure worden aangevuld of gewijzigd, wanneer:
de personalia van de rechthebbende bekend worden,
alsnog afstand is gedaan,
een als partij aangemerkte verzameling voorwerpen in meerdere partijen wordt opgesplitst, of
de (hulp)officier van justitie een beslagbeslissing heeft genomen over een van de voorwerpen op de KvI.
Hierbij moet duidelijk blijken dat de gegevens zijn aangevuld of gewijzigd, wanneer dat is gebeurd en door wie.
II.3. Differentiatie
Het belang dat aan de inbeslagneming ten grondslag ligt, is bepalend voor de door het OM te nemen beslissing over het beheer van het beslag(zie IV). Wil de inbeslagneming een zo groot mogelijk effect hebben en een zo klein mogelijke inbreuk op de eigendomsrechten vormen, dan dient helder te zijn welke belangen met de inbeslagneming worden gediend. Dat geldt te meer wanneer er verschillende belangen spelen.
In dit verband moet op twee manieren onderscheid worden gemaakt tussen belangen.
Het belangrijkste onderscheid is dat tussen de belangen van waarheidsvinding en andere strafvorderlijke belangen (niet-waarheidsvinding):
Voorwerpen die voor waarheidsvinding in beslag zijn genomen, moeten vaak langdurig en onder specialistische condities bewaard blijven om bewijsmateriaal en contra-onderzoek daaraan veilig te stellen.
Voorwerpen die op een andere grond in beslag zijn genomen, worden uit het oogpunt van efficiëntie en zorgvuldigheid eerder zo kort mogelijk bewaard.
Het andere onderscheid betreft de waarde van het voorwerp. Dit onderscheid op basis van de waarde is met name van belang bij de te nemen beslissing over het beheer en pas aan de orde als er geen belangen van waarheidsvindingsbelang (meer) spelen:
Wanneer een relatief waardevol voorwerp (mede) ter verbeurdverklaring in beslag wordt genomen (verder: waardebeslag ), moet het OM maatregelen nemen om waardevermindering tegen te gaan.
Bij de inbeslagneming van een (relatief) waardeloos voorwerp (ter verbeurdverklaring) of een illegaal voorwerp (ter onttrekking aan het verkeer) (verder: overig beslag ) moet het OM maatregelen nemen om onnodige bewaarkosten te voorkomen.
Op basis van deze te onderscheiden belangen zijn er drie typen beslag :
waarheidsvindingsbeslag;
waardebeslag;
overig beslag.
De te onderscheiden belangen komen echter in diverse combinaties voor. Bij een inbeslagneming kunnen immers meerdere gronden tegelijk aan de orde zijn. Wanneer een voorwerp in beslag is genomen voor waarheidsvinding en tevens op een andere grond, zijn de belangen van waarheidsvinding bepalend bij de te nemen beslagbeslissing.Categorieën beslag
Op basis van deze belangen en de combinaties waarin ze voorkomen, kan beslag in vijf categorieën worden ingedeeld. De opsporingsinstantie deelt het inbeslaggenomen voorwerp in een van deze categorieën in, opdat het OM zo spoedig mogelijk een passende beheerbeslissing kan nemen (zie hierna IV).
De te onderscheiden categorieën zijn:
1. waarheidsvindingsbeslag;
2. waarheidsvindingsbeslag tevens waardebeslag;
3. waarheidsvindingsbeslag tevens overig beslag;
4. (niet-waarheidsvindings)beslag tevens waardebeslag;
5. (niet-waarheidsvindings)beslag tevens overig beslag.Ad 1. Waarheidsvindingsbeslag
Hieronder vallen voorwerpen die uitsluitend voor waarheidsvinding bestemd zijn.
Dit betreft:
voorwerpen die bewaard moeten blijven om ter terechtzitting te dienen als stuk van overtuiging; of
voorwerpen die in beslag zijn genomen ten behoeve van technisch en forensisch onderzoek en die aan de eigenaar teruggegeven kunnen worden nadat de belangen van waarheidsvinding zijn vervallen. Dit geldt voor onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen, maar ook voor voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de verdachte: het slachtoffer, de aangever of de derderechthebbende. Een voorbeeld: de bedrijfsadministratie nadat daarvan een kopie is gemaakt.Ad 2. Waarheidsvindingsbeslag tevens waardebeslag
Dit betreft voorwerpen die eerst enige tijd voor waarheidsvinding nodig zijn en vervolgens vatbaar zijn voor verbeurdverklaring omdat de waarde substantieel is én in verhouding staat tot de te verwachten strafoplegging. Te denken valt aan: kostbare apparatuur met gegevens (administratie, beelden, e.d.) of andere waardevolle voorwerpen die sporen dragen of bevatten (en niet onlosmakelijk verbonden zijn met deze voorwerpen), terwijl deze voorwerpen voor verbeurdverklaring in aanmerking komen.Ad 3. Waarheidsvindingsbeslag tevens overig beslag
Dit betreft voorwerpen die eerst enige tijd voor waarheidsvinding nodig zijn en vervolgens vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer maar waarvan de waarde niet substantieel is of het voorwerp illegaal is en daarom op de legale markt geen waarde heeft. Te denken valt aan bijvoorbeeld een harde schijf met kinderporno, inbrekerswerktuig.Ad 4. (Niet-waarheidsvindings)beslag tevens waardebeslag
Dit betreft (in het kader van artikel 94 Sv) de voor verbeurdverklaring vatbare voorwerpen met een waarde die substantieel is en in verhouding staat tot de te verwachten strafoplegging. Een voorbeeld: de auto die is aangeschaft na witwaspraktijken, of een geldbedrag dat is verdiend met drugshandel of een andere criminele activiteit.Ad 5. (Niet-waarheidsvindings)beslag tevens overig beslag
Dit betreft voorwerpen die
vatbaar zijn voor verbeurdverklaring maar waarvan de waarde niet substantieel is; of
vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, na monsterneming.
II.4. Beoordeling beslag door hulpofficier van justitie
Nadat de KvI is opgemaakt, wordt het beslag voorgelegd aan de hulpofficier van justitie. Deze toetst of de KvI volledig is ingevuld en alle relevante informatie bevat, geeft zo nodig opdracht om de KvI aan te passen en beslist vervolgens over de handhaving van het beslag.
In de volgende gevallen wikkelt de hulpofficier van justitie het beslag zelfstandig af:
indien de voortduring van beslag niet nodig is, beslist de hulpofficier van justitie dat het voorwerp wordt teruggegeven aan de beslagene ( artikel 116 lid 1 Sv);
indien de beslagene afstand heeft gedaan ( artikel 116 lid 2 Sv), kan de hulpofficier van justitie,
mits:
sprake is van eenduidige eigendom, en
geen sprake (meer) is van waarheidsvindingsbeslag,
a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt:
b. gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring blijft, indien teruggave aan de rechthebbende nog niet mogelijk is (bijvoorbeeld omdat onbekend is wie dat is);
c. in geval de beslagene verklaart dat het voorwerp hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.
De opsporingsinstantie is verantwoordelijk voor de teruggave aan de beslagene of de rechthebbende. De opsporingsinstantie stelt de beslagene of de rechthebbende in de gelegenheid om binnen 10 werkdagen een afspraak te maken over de teruggave. Indien de opsporingsinstantie – na de benodigde inspanningen daartoe – niet in staat is om het voorwerp binnen 20 werkdagen na de inbeslagneming feitelijk terug te geven (omdat de beslagene of rechthebbende niet binnen 10 werkdagen reageert of niet in de gelegenheid is om binnen 20 werkdagen terug te ontvangen), kan de opsporingsinstantie het voorwerp via de beslagbeheerder van de opsporingsinstantie (zie II.5. hierna) overdragen aan de bewaarder om de teruggave te effectueren.
Hetzelfde geldt voor voorwerpen die ‘kleven’ aan beslag en waarvan meteen duidelijk is dat ze niet vatbaar zijn voor inbeslagneming, zoals een koffer met kleding waarin heroïne is verborgen (het omhulsel van het beslag) of het kinderzitje of routekaarten in een auto (de inhoud van het beslag). Indien de opsporingsinstantie – na de hiervoor beschreven inspanningen – niet in staat is om zo’n voorwerp binnen 20 werkdagen terug te geven, kunnen deze voorwerpen worden behandeld als beslag. Dat betekent dus ook dat de opsporingsambtenaar de KvI moet hebben aangepast.
Voor de afhandeling van de verbeurdverklaring en de onttrekking wordt het voorwerp via de beslagbeheerder van de opsporingsinstantie aan de bewaarder overgedragen ter afhandeling (zie II.5 en IV.3 hierna).
De hulpofficier maakt gebruik van zijn bevoegdheid tot teruggave aan de rechthebbende o.a. in het geval van een aanhouding op heterdaad ter zake van winkeldiefstal of inbraak. Ook kan de hulpofficier voorwerpen aan de beslagene teruggeven, bijvoorbeeld als er niet langer aanwijzingen zijn dat de inbeslaggenomen voorwerpen verband houden met een strafbaar feit (zoals een gouden ketting of een dure fiets, die niet als gestolen geregistreerd staan). Wanneer naast een of meer voorwerpen ook een klein geldbedrag in beslag wordt genomen, kan de hulpofficier beslissen om dat geldbedrag terug te geven aan de beslagene. De hulpofficier van justitie beslist niet tot teruggave aan de beslagene als het gaat om waardevolle goederen of geldbedragen die in het kader van witwassen kunnen worden ontnomen of verbeurd verklaard.
De hulpofficier van justitie kan indien hij dat nodig vindt, met de officier van justitie of de gemachtigde beoordelaar van het parket overleggen over de door hem te nemen beslissing.
Als sprake is van waarheidsvindingsbeslag, dan legt de hulpofficier van justitie het beslag voor aan het OM.
II.5. Tijdelijk beheer door opsporingsinstantie
De opsporingsinstantie is verantwoordelijk voor het beheer van het beslag dat nog niet is afgewikkeld door de hulpofficier van justitie of door deze niet kan worden afgewikkeld. Zolang er geen overdracht van voorwerpen of geld aan een bewaarder heeft plaatsgevonden blijft de opsporingsinstantie verantwoordelijk voor het beslag; dat geldt ook voor waarheidsvindingsbeslag dat door een onderzoeksinstantie wordt onderzocht.
De opsporingsinstantie brengt het beslag (niet zijnde geld) dat door het OM kan worden afgewikkeld (al dan niet nadat daaraan onderzoek in het kader van de waarheidsvinding is verricht) onder in een centrale voorziening, waar het OM in de gelegenheid wordt gesteld om op locatie over het beslag te beslissen. De beslagbeheerder van de opsporingsinstantie is verantwoordelijk voor het beschikbaar houden van het voorwerp mét een bijbehorende volledige en actuele KvI. Na de beslissing van het OM en de overdracht van de voorwerpen aan de bewaarder, gaat de verantwoordelijkheid voor het beslag over op de bewaarder. Dit geldt ook voor de situaties als omschreven onder II.4, onder b en c, en in het geval de opsporingsinstantie – na de benodigde inspanningen daartoe – niet in staat is het voorwerp binnen de gestelde termijn terug te geven.
In het geval van in beslag genomen geld houdt de opsporingsinstantie het geld onder zich, tot het moment dat het OM een beslissing heeft genomen tot deponeren. Het OM stelt de centrale bewaarder van geld, de Dienstverleningsorganisatie OM (DVOM) op de hoogte van de beslissing tot deponeren. Op basis van deze mededeling stuurt de DVOM, afdeling Landelijk beheer Inbeslaggenomen Gelden (LIGOM) aan de opsporingsinstantie een acceptgiro waarmee de opsporingsinstantie het geld overmaakt aan het OM (LIGOM).
III. Vervolging
Beslag is een dwangmiddel dat alleen bij een verdenking toegepast kan worden binnen het kader van strafvervolging. Dat brengt mee dat de beslissing over beslag deel uitmaakt van de beslissing over vervolging in de strafzaak. Op beslag wordt zo spoedig mogelijk beslist.
III.1. Relatie tot een vervolgbaar strafbaar feit
Alleen indien een relatie met een specifiek strafbaar feit kan worden vermoed of indien ten aanzien van een specifiek strafbaar feit met of aan het voorwerp kan worden aangetoond dat sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, kan een voorwerp op grond van artikel 94 Sv in beslag worden genomen. Op het moment dat blijkt dat het voorwerp niet in relatie staat tot een vervolgbaar strafbaar feit, dan vervalt het strafvorderlijk belang bij het beslag en dient het beslag te worden opgeheven.
III.2. Hoofdregel: teruggave aan beslagene
Wanneer het strafvorderlijk belang zich niet meer verzet tegen teruggave, moet in beginsel worden teruggegeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ( artikel 116 lid 1 Sv), de beslagene. Er zijn vier uitzonderingen op deze regel:
1. het geval waarin de beslagene afstand heeft gedaan ( artikel 116 lid 2 Sv), al dan niet in het kader van een beleidssepot, een transactie of een strafbeschikking 8 ;
2. de situatie waarin een ander dan beslagene redelijkerwijs als rechthebbende aangemerkt kan worden ( artikel 116 lid 2 en 3 Sv);
3. wanneer er (civiel of fiscaal) derdenbeslag rust op het voorwerp ( artikel 119 lid 4 Sv) 9 ;
4. het geval waarin de beslagene voorkomt op de geconsolideerde Sanctielijst van de Europese Commissie wegens de verdenking van terroristische activiteiten; deze sanctielijst moet online worden geraadpleegd om zeker te zijn van een actuele versie 10 .
III.2.1. Afstand en eigendom
Wanneer de beslagene afstand doet, geeft hij zijn aanspraak op teruggave op. De beslagene doet afstand door een schriftelijke verklaring te ondertekenen. De weigering van de beslagene om afstand te doen, wordt op schrift gesteld.
Indien inbeslagneming heeft plaatsgevonden bij delicten die zijn begaan door minderjarigen , is terughoudendheid geboden bij het laten doen van afstand. Er wordt pas definitief afstand gedaan na overleg van de opsporingsambtenaar met de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige, die het akkoord met de afstand schriftelijk bevestigt door de afstand (mede) te ondertekenen. Iemand beneden de leeftijd van twaalfjaren kan niet zelf afstand doen; dat kan alleen zijn of haar wettelijk vertegenwoordiger in civiele zaken ( artikel 487 lid 2 Sv).
Indien de beslagene verklaart dat het voorwerp hem in eigendom toebehoort, gaat door de afstand de eigendom over op de Staat, tenzij een ander dan de verdachte (mede)eigenaar is (zie III.2.2). Wanneer de beslagene de enige eigenaar is, is het OM na de afstand ex artikel 116 lid 2 Sv bevoegd om het beslag definitief af te doen.
Doet de beslagene geen afstand of ontbreekt een ‘verklaring van toebehoren’, dan kan het OM niet gelasten dat met het voorwerp wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer 11 . De verbeurdverklaring kan dan uitsluitend door de rechter worden opgelegd, in het vonnis over de strafzaak, de onttrekking aan het verkeer hetzij in dit vonnis hetzij in een aparte raadkamerprocedure op vordering van het OM (zie V.) Het OM mag wel voorbereidingen treffen om terug te geven aan een ander die meer rechten op het voorwerp heeft dan de beslagene; de teruggave is echter pas mogelijk nadat de beslagene de kans heeft gekregen om daartegen een klaagschrift in te dienen ( artikel 116 lid 3 Sv, zie III.2.3., en artikel 116 lid 4 Sv, zie III.2.4).
Voorts kan het OM te allen tijde een beheerbeslissing ex artikel 117 Sv nemen (denk bijvoorbeeld aan de snelle vernietiging van verdovende middelen, zie verder IV).
III.2.2. Derderechthebbende, onderzoeksplicht m.b.t. eigendom
Lang niet altijd is de beslagene ook de eigenaar (of de enige eigenaar) van het inbeslaggenomen voorwerp. Zodra het OM reden heeft om aan te nemen dat het voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoort, is het OM verplicht om te doen achterhalen wie redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt ( artikel 552ca Sv). Volstaan kan worden met een marginale eigendomstoets. De opsporingsinstantie voorziet het OM van de noodzakelijke informatie hierover, ook als het OM daar niet uitdrukkelijk om vraagt. Indien de aangever bekend is, dient steeds ook te worden nagegaan of een verzekeringsmaatschappij of andere partij in de rechten is getreden van de aangever.
III.2.3. Teruggave aan, bewaring voor en bewaring door een derde
Indien beslagene geen afstand heeft gedaan kan het OM:
a. teruggeven aan een ander dan de beslagene (de derderechthebbende) ( artikel 116 lid 3 Sv);
b. bewaren ten behoeve van de derderechthebbende ( artikel 116 lid 3 Sv);
c. iemand aanstellen als bewaarder indien het voornemen genoemd onder (a) bestaat ( artikel 116 lid 4 Sv).Ad a.
Als het OM wil teruggeven aan een ander dan de beslagene, is het OM verplicht de beslagene schriftelijk van dit voornemen tot teruggave in kennis te stellen en de beslagene daarbij te wijzen op diens mogelijkheden om hiertegen een klaagschrift in te dienen. Een schriftelijke kennisgeving, in ieder geval aan het GBA-adres 12 , is voldoende. Betekening van de beslissing is niet nodig.
Indien de beslagene zich hierover niet binnen de termijn heeft beklaagd of indien het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard, kan het OM de beslissing laten uitvoeren. De door het OM genomen beslagbeslissing is dan eindbeslissing geworden. De beslissing tot teruggave aan een derde laat de civielrechtelijke eigendomsverhoudingen onverlet ( artikel 116 lid 6 Sv).Ad b.
Indien onbekend is aan wie het voorwerp toebehoort en het voorwerp ook niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, wordt het voorwerp bewaard voor de rechthebbende. Dit laat onverlet dat het voorwerp op grond van artikel 117 Sv kan worden vervreemd of vernietigd, zie IV.2. Wanneer het OM voornemens is te bewaren voor de rechthebbende, volgt het de procedure als beschreven onder a.Ad c.
Als een inbeslaggenomen voorwerp kennelijk door de beslagene door een strafbaar feit is onttrokken aan de rechthebbende kan het OM ex artikel 116 lid 4 Sv het voorwerp in afwachting van de mogelijkheid tot teruggave aan de rechthebbende in bewaring geven. Van deze mogelijkheid dient alleen in uiterst evidente gevallen gebruik te worden gemaakt. Ook in het geval dat onbekend is wie als verdachte kan worden aangemerkt, terwijl wél bekend is wie de rechthebbende is, is tijdelijke aanstelling als bewaarder mogelijk op grond van artikel 116 lid 4 Sv.
Aan deze aanstelling tot tijdelijke bewaarder zijn voorwaarden verbonden, die in een bewaarderscontract worden vastgelegd. De rechthebbende mag het voorwerp enkel gebruiken, maar niet vervreemden.
Met de aanstelling als tijdelijke bewaarder is het beslag niet afgedaan. Daarvoor is nodig dat het bewaarderscontract wordt ontbonden en een eindebeslissing op beslag wordt genomen.
III.2.4. Afstand als voorwaarde voor beleidssepot en transactie
In het geval het OM een zaak door beleidssepot of transactie ter voorkoming van strafvervolging wil afdoen 13 , kan het OM daaraan de voorwaarde verbinden dat de verdachte afstand doet of een voorwerp uitlevert. Dit kan alleen als het een voorwerp betreft dat vatbaar is voor verbeurdverklaring of voor onttrekking aan het verkeer of indien het voorwerp toebehoort aan een ander. Een transactie kan ook uitsluitend bestaan uit het doen van afstand.
III.3. Beslagbeslissingen door de rechter
Indien geen afstand is gedaan en het beslag niet anderszins is afgedaan ( artikel 134 lid 2 Sv danwel middels oplegging van een maatregel of het geven van een aanwijzing bij een OM strafbeschikking ex artikel 257a Sv), moet de beslagbeslissing bij de rechter worden gevorderd. Op de beslaglijst die het OM aan de rechter overlegt ( artikel 309 Sv), zijn alleen de voorwerpen en geldbedragen opgenomen waarvan het beslag nog niet definitief is afgedaan. In elke zaak controleert het arrondissementsparket voor de zitting in eerste aanleg of de beslaglijst compleet is en de relevante informatie bevat.
Het OM kan de volgende beslissingen vorderen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen:
verbeurdverklaring
onttrekking aan het verkeer
teruggave aan de beslagene
teruggave aan de rechthebbende
bewaring ten behoeve van de rechthebbende.
Het OM dient alles in het werk te stellen om te voorkomen dat wordt verzuimd het beslag bij de behandeling van de hoofdzaak af te doen.
III.3.1. Verbeurdverklaring
Verbeurdverklaring ( artikel 33 e.v. Sr) is een bijkomende straf. Bij de oplegging daarvan wordt beoogd de veroordeelde in zijn vermogen te treffen. Dit laat onverlet dat ook een voorwerp van weinig waarde kan worden
verbeurdverklaard, wat overigens niet betekent dat zo’n voorwerp bewaard dient te blijven (zie IV). Om een voorwerp of een geldbedrag te kunnen verbeurdverklaren, dient er sprake te zijn van een zekere relatie tussen het voorwerp of geld, en het strafbare feit (zie de gevallen genoemd in artikel 33a Sr). Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld gereedschap waarmee een inbraak is gepleegd, de auto van waaruit werd gedeald, maar ook geld of goederen bij witwassen.
Ook een voorwerp of geldbedrag dat niet aan de beslagene toebehoort kan worden verbeurdverklaard. Dat kan als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die relatie tussen het voorwerp en een strafbaar feit bestond, en als niet kan worden vastgesteld aan wie het voorwerp of geldbedrag toebehoort.
De verbeurdverklaring dient proportioneel te zijn: de waarde van het verbeurdverklaarde moet in verhouding staan tot de ernst van het delict en daarmee tot de te verwachten strafoplegging. Als de verdachte of een ander door de verbeurdverklaring onevenredig worden getroffen, kan de rechter het verschil doen vergoeden.
Inbeslagneming is geen vereiste voor verbeurdverklaring. De rechter kan uitlevering van niet-inbeslaggenomen voorwerpen opleggen bij de verbeurdverklaring; de officier van justitie kan bij de rechter de uitlevering bij de verbeurdverklaring vorderen.
Verbeurdverklaring kan slechts worden uitgesproken bij veroordeling ter zake van een strafbaar feit en derhalve niet bij een vrijspraak of bij een ontslag van alle rechtsvervolging. Verbeurdverklaring kan zowel afzonderlijk als in combinatie met een hoofdstraf en andere bijkomende straffen worden opgelegd ( artikel 9 lid 5 Sr).
III.3.2. Onttrekking aan het verkeer
Onttrekking aan het verkeer is een maatregel ter bescherming van de samenleving tegen gevaarzettende voor werpen. Onttrekking aan het verkeer is alleen mogelijk indien het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang ( artikel 36c Sr). Hierbij valt te denken aan verdovende middelen, verboden wapens, een gevaarlijk dier, een mes waarmee is gedreigd.
In beginsel wordt deze maatregel opgelegd bij de eindbeslissing in de hoofdzaak. Indien dit niet mogelijk is, bestaat op basis van artikel 552f Sv de mogelijkheid om de maatregel op te leggen bij afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het OM. Ook als niet bekend is wie de verdachte is, kan een voorwerp (via de raadkamerprocedure, zie V.2) worden onttrokken aan het verkeer.
III.3.3. Teruggeven aan de beslagene
Teruggave aan de beslagene vindt zo spoedig mogelijk plaats. In het zeldzame geval dat pas vlak voor of op de zitting blijk dat aan de beslagene moet worden teruggegeven, vordert het OM de teruggave aan de beslagene. Na vrijspraak waarbij teruggave aan beslagene is gelast, geeft het OM aan de bewaarder de opdracht tot teruggave.
III.3.4. Teruggeven aan de rechthebbende
Teruggave aan de rechthebbende vindt zo spoedig mogelijk plaats, maar niet zonder kennisgeving aan de beslagene ( III.2.3 a). In het geval dat pas vlak voor of op de zitting blijkt wie de rechthebbende is, vordert het OM de teruggave aan de rechthebbende.
III.3.5. Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
Ten slotte kan het OM vorderen dat het inbeslaggenomen voorwerp of geldbedrag wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Deze beslissing wordt genomen indien duidelijk is dat het voorwerp de beslagene niet toebehoort, maar ook nog niet kan worden teruggegeven aan de rechthebbende omdat deze (nog) onbekend is (bijvoorbeeld in geval van heling). Deze beslissing kan ook worden gevorderd (of opgelegd) als het feit niet is bewezen.
In een geval dat niet duidelijk is wie de rechthebbende is, doet de politie de nodige inspanningen om de rechthebbende te achterhalen.
Waar hier wordt gesproken van voorwerp, zal in de praktijk veelal sprake zijn van een geldbedrag in het geval het voorwerp is vervreemd op grond van artikel 117 Sv en van een geregistreerde taxatiewaarde in geval het voorwerp is vernietigd op grond van artikel 117 Sv (zie hierna IV.1 e.v.).
IV. Snelle afwikkeling van beslag/beheer
Beslag wordt zo spoedig mogelijk afgewikkeld. Dat geldt met name voor de beslissing over het feitelijke beheer.
De beslissing over de juridische bestemming staat niet in de weg aan een spoedige beheerbeslissing.
IV.1. Grondregel
Voor een efficiënte en kostenbesparende beslagafwikkeling is het van belang dat het OM zo spoedig mogelijk een beheerbeslissing neemt. Het OM dient altijd eerst de mogelijkheid van teruggave te overwegen. Indien teruggave niet mogelijk is, geldt als uitgangspunt dat het voorwerp niet wordt bewaard, tenzij voortzetting van het beslag noodzakelijk is wegens belangen van waarheidsvinding of persoonlijke waarde van voorwerpen, zoals bijvoorbeeld bij sieraden of een schilderij.
IV.2. Waarheidsvindingsbeslag
Waarheidsvindingsbeslag dient te worden bewaard:
zolang nog onderzoek aan het voorwerp wordt gedaan of niet uitgesloten kan worden dat nog onderzoek aan het voorwerp moet worden gedaan;
indien het voorwerp op zitting als stuk van overtuiging getoond moet kunnen worden;
indien het voorwerp nodig is of kan zijn voor contra-expertise.
Dat kan meebrengen dat het voorwerp bewaard moet blijven tot aan het moment dat in de strafzaak onherroepelijk is beslist. Zo mogelijk wordt volstaan met een onderdeel of een kopie van het inbeslaggenomen voorwerp.
Wanneer het voorwerp niet langer nodig is in het kader van de waarheidsvinding, dient opnieuw over het beheer van het voorwerp te worden beslist. Voorwerpen die niet op een andere grond dan de waarheidsvinding in beslag zijn genomen, worden teruggegeven (categorie 1). Met voorwerpen die behalve voor waarheidsvinding ook op een andere grond in beslag zijn genomen, wordt een beheerbeslissing genomen op basis van hun waarde (categorie 2 en 3, zie IV.3 hierna).
artikel 117 Sv van Aanwijzing Inbeslagneming (artikel 94 WvSv)">
IV.3. Niet-waarheidsvindingsbeslag: artikel 117 Sv
Voorwerpen waarvan de bewaring niet of niet langer noodzakelijk is in het belang van de waarheidsvinding kunnen ex artikel 117 lid 2 Sv worden geruimd als:
a) zij niet geschikt zijn voor opslag; of
b) de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde; of
c) zij vervangbaar zijn en de tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald.
In artikel 10 van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen is voorgeschreven welke categorieën van voorwerpen in ieder geval worden begrepen onder deze categorieën. In Bijlage 1 en 2 worden bijzondere aanwijzingen gegeven over de wijze van afhandeling van specifieke categorieën voorwerpen.
Uit kostenoverwegingen en om waardevermindering van het beslag te voorkomen, geeft het OM de machtiging ex artikel 117 Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming. De machtiging dient te worden gegeven per voorwerp of partij in een specifieke strafzaak. Een algemene machtiging voor bepaalde categorieën voorwerpen is niet rechtsgeldig en wordt niet door het OM gegeven .
IV.3.1. Waardebeslag: vervreemden om baat
Voorwerpen die een economische waarde hebben worden na verkregen machtiging ex artikel 117 Sv door de bewaarder vervreemd om baat (verkocht). Het beslag blijft daarna op de verkregen opbrengst rusten (artikel 117 lid 4 Sv).
IV.3.2. Overig beslag: vernietigen of vervreemden om niet
Goederen zonder economische waarde worden na verkregen machtiging vernietigd, vervreemd om niet, prijsgegeven of tot een ander doel bestemd. Wanneer het beslag is vervreemd om niet eindigt vervolgens niet alleen de bewaring maar ook het beslag ( artikel 134 lid 2 onder c Sv).
IV.3.3. Beheerbevoegdheden bewaarder
De bewaarder kan het initiatief nemen tot het aanvragen van een machtiging tot vervreemden, vernietigen, prijsgeven of tot een ander doel bestemmen. Als het OM niet binnen zes weken reageert op een dergelijk verzoek van de bewaarder, wordt de machtiging geacht te zijn verleend ( artikel 117 lid 3 en 5 Sv). Indien het beslag vervolgens door de bewaarder niet om baat wordt vervreemd, eindigt daarmee het beslag ( artikel 134 lid 2 onder c Sv).
Na een tijdsverloop van twee jaren na de inbeslagneming is de bewaarder zelfstandig bevoegd om de bewaring te beëindigen; als het OM niet binnen twee weken reageert op een kennisgeving van de bewaarder mag deze de bewaring beëindigen ( artikel 118 lid 3 en 5 Sv). Ook dan eindigt de beslag indien het voorwerp door de bewaarder niet om baat wordt vervreemd ( artikel 134 lid 2 onder d Sv).
De bewaarder oefent zijn bevoegdheden in deze proactief uit. Indien sprake is van waarheidsvindingsbeslag dat bewaard dient te blijven, informeert het OM de bewaarder hierover tijdig.
IV.3.4. Uitvoering last tot teruggave niet mogelijk
Indien de bewaarder – na de benodigde inspanningen daartoe – niet kan voldoen aan een last tot teruggave, hetzij omdat het voorwerp is vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel bestemd als bedoeld in artikel 117 lid 1 Sv, hetzij omdat de bewaring is geëindigd als gevolg van tijdsverloop ( art. 118 lid 3 Sv), gaat de bewaarder over tot uitbetaling van de prijs die het voorwerp heeft opgebracht dan wel redelijkerwijs zou hebben opgebracht bij verkoop ( art. 119 lid 2 Sv). De bewaarder geeft het voorwerp niet terug zolang er een beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge Boek II, titels 2, 3 en 4, en Boek III, titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt ( artikel 119 lid 4 Sv).
Indien de bewaarder niet kan voldoen aan een last tot teruggave omdat de rechthebbende geen aanspraak heeft gemaakt op afgifte, dan kan de bewaarder na drie maanden het voorwerp behandelen als ware het verbeurd verklaard (artikelen 11 lid 3 en 12 lid 3 Biv). Meldt de rechthebbende zich niet meteen (maar wel binnen deze termijn) dan worden hem de kosten voor de opslag in rekening gebracht vanaf de tiende dag na die waarop de opdracht tot teruggave werd verleend, indien en voor zolang buiten de schuld van de bewaarder aan die opdracht niet kon worden voldaan (artikel 11 lid 2 Biv).
IV.4. Bevoegdheid beslagmedewerkers
Beslagmedewerkers zijn bevoegd om beheerbeslissingen te nemen ex artikel 117 Sv. Dat volgt uit de formulering van de wet : in artikel 117 Sv is sprake van een bevoegdheid van ‘het Openbaar Ministerie’ en niet van ‘de officier van justitie’. Dit is anders bij de bevoegdheid om te beslissen over de juridische bestemming van het beslag, die is voorbehouden aan een specifieke functionaris, de officier van justitie (en de gemandateerde parketsecretarissen en administratief juridisch medewerkers). 14
Gezien de verwevenheid van de beslissingen over de juridische bestemming dient de beslagmedewerker te overleggen met de beoordelaar indien het gaat om categorieën 1 tot en met 3 als bedoeld in II.3 (zie II.3).
V. Raadkamerprocedures
In beginsel wordt het beslag afgehandeld in het kader van de behandeling van de strafzaak. In bepaalde gevallen kan de raadkamer van de rechtbank een vordering tot onttrekking aan het verkeer los van een strafzaak behandelen. De raadkamer beslist bovendien op door belanghebbenden ingediende klaagschriften over beslag.
V.1. Onttrekking aan het verkeer
Onttrekking aan het verkeer kan bij afzonderlijke rechterlijke beschikking ( artikel 36b lid 1 onder 4 Sr jo artikel 552f Sv) worden bevolen. Dat kan echter alleen in het geval de onttrekking niet kan plaatsvinden in het kader van de hoofdzaak 15 en verder in het geval dat is verzuimd om over het beslag ter onttrekking aan het verkeer te beslissing in een reeds afgedane hoofdzaak. Deze afzonderlijke raadkamerprocedure staat niet open indien de verdachte ten tijde van de raadkamerprocedure in een hoofdprocedure wordt vervolgd.
Een ‘losse’ vordering tot onttrekking aan het verkeer is mogelijk:
wanneer het voornemen bestaat de strafzaak op beleidsmatige gronden te seponeren, terwijl geen afstand is gedaan;
wanneer is verzuimd om over het beslag ter onttrekking aan het verkeer te beslissen in een reeds afgedane hoofdzaak;
indien onbekend is wie de beslagene/rechthebbende is.
In dat laatste geval dient de officier van justitie een NN-vordering tot onttrekking in bij de raadkamer.
De officier van justitie maakt de procedure aanhangig door een vordering in te dienen bij de raadkamer van het gerecht waarvoor de zaak in eerste aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen worden vervolgd. Indien de strafzaak in hoger beroep heeft gediend, moet een vordering tot onttrekking aan het verkeer door het desbetreffende arrondissementsparket aanhangig gemaakt worden bij de rechtbank ( artikel 552f lid 1 Sv). De vordering moet onderbouwd zijn. Uit de onderbouwing dient in ieder geval te blijken dat het ongecontroleerde bezit van het voorwerp in strijd is met het algemeen belang of met de wet, en dat het inbeslaggenomen voorwerp in relatie staat tot een strafbaar feit. 16
Tegen de onttrekking aan het verkeer door de raadkamer staat beroep in cassatie open ( artikel 552f lid 6 Sv).
V.2. Beklagprocedure
Degene die in het kader van inbeslagneming tijdelijk of blijvend de vrije beschikking over een voorwerp verliest, kan daartegen een rechtsmiddel aanwenden: een belanghebbende kan een klaagschrift indienen bij de griffie van de rechtbank of het gerechtshof. Bevoegd om op een klaagschrift te beslissen is het gerecht waar de strafzaak wordt of werd vervolgd. Het beklag wordt behandeld door de raadkamer van de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de inbeslagneming of kennisneming heeft plaatsgevonden indien of zolang geen vervolging is ingesteld. Zodra hoger beroep is ingesteld, is niet langer de rechtbank maar het gerechtshof bevoegd.
V.2.1. Belanghebbende
Belanghebbende bij een klaagschriftprocedure zijn:
1. degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen;
2. degene die stelt een zakelijk recht op het in beslag genomen voorwerp te hebben;
3. degene die op grond van een overeenkomst in aanmerking komt de beschikkingsmacht over het in beslag genomen voorwerp (terug) te krijgen.
Te denken valt daarbij aan degene die stelt eigenaar te zijn, beperkt zakelijk gerechtigden, personen met een retentierecht, de faillissementscurator, de directeur enig aandeelhouder van een BV waaronder beslag is gelegd. De houder van een inbeslaggenomen voorwerp en schuldeisers zijn geen belanghebbenden.
V.2.2. Termijn
Bij (reeds) vervolgde zaken kan het klaagschrift tot uiterlijk drie maanden na het (onherroepelijke) einde van de vervolgde zaak worden ingediend. De vervolging eindigt in elk geval bij het onherroepelijk worden van de laatste rechterlijke beslissing die betrekking kan hebben op het voorwerp waarover wordt geklaagd. Is de zaak (nog) niet vervolgd dan geldt een termijn van twee jaar na inbeslagneming of kennisneming. Een buiten de wettelijke termijn ingediend klaagschrift is niet-ontvankelijk.
V.2.3. Gronden
De belanghebbende kan klagen over:
de inbeslagneming (inclusief het gebruik van een inbeslaggenomen voorwerp, het uitblijven van een last tot teruggave, etc., zie artikel 552a Sv)
over de beslagbeslissing bij een transactie, strafbeschikking of schikking ( artikel 552ab Sv);
over verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer ( artikel 552b Sv);
een voorgenomen besluit op grond van artikel 116 lid 3 Sv.
Indien er wordt geklaagd op een andere grond dan is de klager niet-ontvankelijk. Een beslissing tot toepassing van artikel 117 Sv is geen grond voor indiening van een klaagschrift. Daartegen kan alleen een civielrechtelijk kort geding worden gevoerd.
V.2.4. Procedure
De griffie van de rechtbank of het gerechtshof stuurt het OM een kopie van de ontvangen klaagschriften en appointeert de klaagschriften. Het OM controleert de ontvankelijkheid en beoordeelt de gegrondheid van een klaagschrift. Het OM stelt alles in het werk om onnodige raadkamerprocedures te voorkomen en neemt naar aanleiding van een bewaarschrift zo mogelijk meteen een definitieve beslissing op het beslag.
Tegen de beslissing van de raadkamer staat beroep in cassatie open ( artikel 552d lid 2 Sv).
VI. Hoger beroep/cassatie
In beginsel zijn alle beslagbeslissingen, inclusief die over het beheer, in eerste aanleg genomen.
Als hoger beroep is ingesteld, levert het arrondissementsparket een gemotiveerd en zo nodig met stukken onderbouwd advies aan over het openstaande beslag. De officier van justitie zorgt ervoor dat eventuele discussie op de zitting aangaande het beslag in het advies is verwerkt en instrueert de beslagmedewerker of nadere stukken bij het advies moeten worden gevoegd. Het advies is uiterlijk vanaf 6 weken na uitspraak van het vonnis gereed en voor het ressortsparket beschikbaar. Het ressortsparket beslist zo mogelijk meteen op het openstaande beslag.
In de cassatiefase blijft de advocaat-generaal verantwoordelijk voor het beslag. Indien de Hoge Raad een strafzaak naar een ander gerechtshof terugverwijst, inventariseert en adviseert het overdragend ressortsparket over het nog openstaande beslag.
Het administratieve beheer van het beslag blijft in handen van het overdragende arrondissementsparket. Aangezien de beslissingsbevoegdheid na instellen van hoger beroep echter bij de advocaat-generaal komt te liggen, is een goede communicatie tussen overdragend en ontvangend onderdeel van essentieel belang. Verzoeken en correspondentie omtrent beslag betreffende hoger beroeps- en cassatiezaken die naar het arrondissementsparket zijn gezonden dienen onverwijld te worden doorgestuurd naar het ressortsparket.
VII. Resterend beslag
In het geval dat bij de eindbeslissing in de strafzaak is nagelaten over het beslag te beslissen, dient het OM dat alsnog te doen. Indien het voorwerp vatbaar is voor onttrekking, kan het OM bij de raadkamer van de rechtbank de onttrekking aan het verkeer vorderen. Indien het voorwerp niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, rest het OM geen andere beslissing dan het voorwerp terug te geven. De wet kent niet de mogelijkheid om verbeurdverklaring te vorderen bij de raadkamer van de rechtbank. Naast de teruggave aan beslagene is ook teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende of bewaring ten behoeve van de onbekende rechthebbende mogelijk, zo nodig na een procedure ex art. 116 lid 3 Sv.
VIII. Klachten en schadeclaims
Iedere belanghebbende kan zich met een klacht of schadeclaim rechtstreeks wenden tot de voor het beslag verantwoordelijke instantie. Dit zijn de opsporingsinstantie (vaak: de regiopolitie), de bewaarder (vaak: de Dienst Domeinen Roerende Zaken) of het OM. De belanghebbende kan terecht bij:
1. de bewaarder wanneer de klacht of claim betrekking heeft op de (uitgekeerde) taxatiewaarde van het inbeslaggenomen voorwerp of voorvloeit uit de wijze van opslag door de bewaarder (bijv. roestvorming op een auto na jarenlange opslag buiten). Ook klachten en schadevergoedingsverzoeken op grond van artikel 119 lid 2 Sv worden door de bewaarder behandeld.
2. de opsporingsinstantiewanneer de klacht of claim voortvloeit uit handelen van de opsporingsinstantie én ofwel dit handelen is gebaseerd op een andere grond dan het Wetboek van Strafvordering (bijvoorbeeld artikel 2 van de Politiewet) ofwel sprake is van handelen dat geen enkel strafvorderlijk belang dient (te denken valt aan evident onjuist genomen beslagbeslissingen zonder overleg met het OM, het veroorzaken van disproportionele schade aan een voorwerp, het zoekraken van voorwerpen op het politiebureau en dergelijke).
3. het OM wanneer de klacht of claim voortvloeit uit handelen van het OM.
Het uitgangspunt is dat de door de belanghebbende aangezochte instantie zoveel mogelijk zelfstandig de klacht of schadeclaim afdoet en dat doorverwijzing naar een andere instantie zoveel mogelijk wordt voorkomen. Van een overdracht en de redenen daarvoor wordt de belanghebbende in kennis gesteld. Voordat een klacht of schadeclaim wordt doorverwezen vindt eerst telefonisch overleg plaats om te voorkomen dat de klager later opnieuw moet worden doorverwezen.
Indien sprake is van een klacht waarvoor het OM verantwoordelijk is, handelt het betrokken OM-onderdeel de klacht zelfstandig af. Dit doet het OM-onderdeel ook wanneer het OM nog niet in kennis is gesteld van de inbeslagneming (bijvoorbeeld omdat het proces-verbaal nog niet is ingezonden), maar het beslag wel is gelegd onder gezag van het OM. In dergelijke situaties verwijst het OM de belanghebbende niet door naar de opsporingsinstantie, maar wint het OM informatie in bij die instantie.
Indien de belanghebbende verzoekt om schadevergoeding bij het OM, stuurt het betrokken OM-onderdeel de schadeclaim door aan het College van procureurs-generaal met een beoordeling van de zaak (inhoudende de voor de beoordeling van de zaak relevante feiten en omstandigheden) alsmede een advies omtrent afdoening van de schadeclaim. Ook van deze overdracht wordt de belanghebbende in kennis gesteld. Het betrokken OM-onderdeel doet geen toezeggingen aan de belanghebbende over de wijze van afhandeling.
Voordat een van de ketenpartners overgaat tot uitkering van een schadevergoeding, stemt deze af met de andere ketenpartners om te voorkomen dat schade meermaals wordt vergoed.
IX. Overgangsrecht
Bij feiten waarbij sprake is van inbeslagneming en die zijn gepleegd op of na de datum van inwerkingtreding van deze aanwijzing dient ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen te worden gehandeld conform deze aanwijzing.
De beleidsregels in deze aanwijzing die zien op de afhandeling en het beheer van beslag hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.
Inhoudsopgave
Samenvatting
Achtergrond
I. Algemene grondslagen
I.1. Definities
I.2. Vatbaarheid voor inbeslagneming
I.3. Gronden voor inbeslagneming
I.4. Bevoegdheid tot inbeslagneming
I.5. Juridische bestemming versus beheer
II. Opsporing
II.1. Beslag of geen beslag
II.2. Kennisgeving van inbeslagneming
II.3. Differentiatie
II.4. Beoordeling beslag door hulpofficier van justitie
II.5. Tijdelijk beheer door opsporingsinstantie
III. Vervolging
III.1. Relatie tot een vervolgbaar strafbaar feit
III.2. Hoofdregel: teruggave aan beslagene
III.2.1. Afstand en eigendom
III.2.2. Derderechthebbende, onderzoeksplicht m.b.t. eigendom
III.2.3. Teruggave aan, bewaring voor en bewaring door een derde
III.2.4. Afstand als voorwaarde voor beleidssepot en transactie
III.3. Beslagbeslissingen door de rechter
III.3.1. Verbeurdverklaring
III.3.2. Onttrekking aan het verkeer
III.3.3. Teruggeven aan de beslagene
III.3.4. Teruggeven aan de rechthebbende
III.3.5. Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
IV. Snelle afwikkeling van beslag/beheer
IV.1. Grondregel
IV.2. Waarheidsvindingsbeslag
IV.3. Niet-waarheidsvindingsbeslag: artikel 117 Sv
IV.3.1. Waardebeslag: vervreemden om baat
IV.3.2. Overig beslag: vernietigen of vervreemden om niet
IV.3.3. Beheerbevoegdheden bewaarder
IV.3.4. Uitvoering last tot teruggave niet mogelijk
IV.4. Bevoegdheid beslagmedewerkers
V. Raadkamerprocedures
V.1. Onttrekking aan het verkeer
V.2. Beklagprocedure
V.2.1. Belanghebbende
V.2.2. Termijn
V.2.3. Gronden
V.2.4. Procedure
VI. Hoger beroep/cassatie
VII. Resterend beslag
VIII. Klachten en schadeclaims
IX. Overgangsrecht
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht