Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2008. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2008.

Artikel 4.2 Aanwijzing inzake de invordering rijbewijzen

Uitgebreide informatie
4.2. Inhouding rijbewijs door de officier van justitie
De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de dag van invordering omtrent de inhouding van het rijbewijs. De beslissing wordt aangetekend en gedateerd op het daarvoor bestemde gedeelte van het proces-verbaal van invordering. Daarbij wordt tevens de maximum termijn aangegeven gedurende welke het rijbewijs kan worden ingehouden. Ter bepaling van die termijn geldt als uitgangspunt de te verwachten duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid. Ingevorderde rijbewijzen worden met het procesverbaal onverwijld aan het OM gezonden. De offcier van justitie kan tot inhouding beslissen zie hierboven onder 2.1.4.
Ten aanzien van het verkrijgen van recidivegegevens dient gebruik te worden gemaakt van de justitiële documentatie, alsmede van actuele gegevens van het CRR. Van de beslissing tot inhouding wordt door een medewerker van het parket onverwijld melding gemaakt in het CRR.
Op grond van het gestelde in artikel 164 lid 3 WVW 1994 bestaat weliswaar voor een politieambtenaar een invorderingsbevoegdheid als door een overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht, maar kan deze grond voor invordering, door het OM alleen dan ten grondslag worden gelegd aan inhouding van het rijbewijs in het geval van recidivegevaar. Artikel 164 lid 4, onder d, WVW 1994 spreekt immers van: ‘opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan’. Als een rijbewijs op grond van artikel 164 lid 3 WVW 1994 is ingevorderd is de verdachte voor een periode van maximaal 10 dagen zijn rijbewijs ‘kwijt’. Gedurende die periode dient het OM te bepalen of grond voor inhouding bestaat in het geval van recidivegevaar. Als geen sprake is van recidivegevaar dient het rijbewijs door het OM te worden teruggegeven.
Inhoudsopgave
Achtergrond
Samenvatting
Opsporing en vervolging
1. Vordering krachtens artikel 164 WVW 1994
2. Gevallen waarbij de overgifte van het rijbewijs moeten worden gevorderd
2.1. Rijden onder invloed ( artikel 164 lid 2 WVW 1994)
2.1.1. Criteria aangaande de vordering tot overgifte
2.1.2. Ontbreken van een resultaat van ademanalyse
2.1.3. Bloed- c.q. urineproef
2.1.4. Beslissing tot inhouding van het rijbewijs
2.2. Excessieve snelheidsovertredingen ( art. 164, lid 2, onder d en e, WVW 1994)
2.2.1. Criteria aangaande de vordering tot overgifte
2.2.2. De beslissing tot inhouding van het rijbewijs
3. Gevallen waarin de overgifte van het rijbewijs kan worden gevorderd
3.1. In gevaar brengen van de veiligheid op de weg. ( art. 164, lid 3 WVW 1994)
4. Te volgen procedure met betrekking tot de invordering
4.1. Teruggave van het rijbewijs door de officier van justitie
4.2. Inhouding rijbewijs door de officier van justitie
4.3. Vermiste en gestolen rijbewijzen
4.4. Afstemming tussen het ressortsparket en het arrondissementsparket
Overgangsrecht
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht