Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen
Samenvatting
In deze aanwijzing worden de algemene uitgangspunten beschreven die het Openbaar Ministerie (OM) hanteert in het gebruik van de strafvorderingsrichtlijnen met betrekking tot daders van misdrijven waarop het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast. 1 Daarnaast worden enkele algemene en specifieke strafverzwarende en strafverminderende factoren, die in richtlijnen zijn opgenomen, beschreven en toegelicht. In de bijlagen bij deze aanwijzing is aangegeven hoe de richtlijnen zijn opgebouwd en staan de afrondingsregels vermeld.
1. Achtergrond
Het OM is verantwoordelijk voor de afdoening van strafzaken. In zaken die voor de rechter worden gebracht, formuleert de officier van justitie een strafeis, indien hij het strafbare feit bewezen acht en de dader strafbaar. De officier van justitie kan ook de verdachte in de gelegenheid stellen vervolging te voorkomen door bijvoorbeeld het betalen van een transactiebedrag of het uitvoeren van een taakstraf. Daarnaast kan hij in bepaalde gevallen op grond van de wet OM-afdoening zelf een sanctie opleggen. In al deze gevallen zal het OM een goede afweging maken bij het bepalen van de sanctie die in een concreet geval passend is. Bij sommige zaken is die afweging betrekkelijk eenvoudig. Bij andere zaken ingewikkeld, omdat veel verschillende factoren moeten worden meegewogen.Veranderende maatschappelijke context
In de steeds veranderende samenleving is ook het (straf)recht voortdurend in beweging. Zo zijn de aard en omvang van criminaliteit de laatste decennia – deels door technologische ontwikkelingen – aanzienlijk veranderd, zijn mettertijd de opvattingen over de laakbaarheid en stafwaardigheid van bepaalde delicten gewijzigd en hebben de veranderende opvattingen over leed en schade mede ten grondslag gelegen aan de versterking van de positie van het slachtoffer binnen het strafproces.
Ook het sanctierecht heeft zich verder ontwikkeld. Ons sanctiestelsel is door nadere differentiatie steeds verder geëvolueerd. Hierdoor zijn er binnen het strafrecht aanzienlijk meer mogelijkheden om een toegesneden sanctie op te leggen, waardoor een meer persoonsgerichte aanpak mogelijk is.Het strafrecht: herkenbaar, krachtig en op maat
Met de toepassing van strafrecht kan een adequate reactie worden gegeven op ontoelaatbaar gedrag dat strafbaar is gesteld. Het strafrecht is en blijft een zwaar middel. Dit betekent dat de strafrechtelijke reactie correct, zorgvuldig en tijdig moet zijn en dat met het strafrecht een effectieve bijdrage wordt geleverd aan de bestrijding van de hedendaagse criminaliteit. Bij de inzet van strafrecht moet onverkort worden vastgehouden aan de rechtstatelijke eisen en strafrechtelijke beginselen.
Met herkenbare en op maat toegesneden vervolgingsbeslissingen wordt een effectieve bijdrage geleverd aan een veilige en rechtvaardige samenleving. Voor wat betreft de aanpak van veel voorkomende criminaliteit wordt ingezet op het vergroten van de omgevingsgerichtheid en een slagvaardiger rechtshandhaving. Dit is uitgewerkt in de ZSM 2 -werkwijze, waarmee inmiddels binnen het OM standaard de meeste strafzaken worden afgedaan. Deze manier van werken uit zich in een probleemgerichte en slachtoffergerichte aanpak, waarbij in de regel binnen zeven dagen, maar soms al binnen zes uur na aanhouding door een officier van justitie na raadpleging van ketenpartners, slachtoffer en verhoor van de dader een betekenisvolle afdoening plaatsvindt. Soms wordt daarbij het strafrecht selectief ingezet als een goed alternatief, zoals bijvoorbeeld mediation, voorhanden is of juist voorwaardelijke straffen geëist als belangrijk onderdeel van een persoonsgerichte aanpak. Ook het combineren van sancties vindt plaats, alles om zo veel mogelijk een op maat gesneden reactie te geven.
In samenwerking met de betrokken partners in het interventienetwerk levert het OM een effectieve bijdrage aan het vergroten van de maatschappelijke veiligheid. Dat gebeurt door interventies die betekenisvol, selectief en op het juiste moment worden ingezet, in nauwe samenwerking met die partners.
Dit alles vraagt om strafvorderingsbeleid met heldere en herkenbare uitgangspunten per strafbaar feit (kader) maar nadrukkelijk ook (professionele) ruimte voor de officier van justitie om maatwerk toe te passen.Een nieuw stelsel van richtlijnen
De bovenomschreven ontwikkelingen en gezichtspunten hebben geleid tot een nieuw stelsel van richtlijnen. Van het gedateerde bos/polaris systeem is afscheid genomen. Daarvoor zijn korte, transparante richtlijnen in de plaats gekomen die enerzijds normerend zijn en anderzijds de professional de benodigde ruimte geven om te komen tot een afdoening, die gericht is op de bijzondere omstandigheden van de zaak. De algemene uitgangspunten die van toepassing zijn bij het vorderen van straffen en straftoemeting door het OM zijn in deze aanwijzing opgenomen en zijn van toepassing op de richtlijnen.
2. Algemene uitgangspunten bij strafvordering en straftoemeting
Met de inzet van het strafrecht en zeker met de daadwerkelijke straftoemeting worden doelen nagestreefd. Vanouds wordt veel gewicht toegekend aan vergelding, generale preventie (normbevestiging en afschrikking) en speciale preventie (beveiliging en resocialisatie). Tegenwoordig wordt ook veel belang gehecht aan herstel van de gevolgen van de inbreuk op de rechten van de getroffen burgers (genoegdoening aan het slachtoffer van een strafbaar feit, herstel in de oude toestand). Bij de strafvordering en straftoemeting hanteert het OM de volgende algemene uitgangspunten.Maatwerk binnen gegeven kaders
Het OM streeft naar interventies die een voelbare normbevestiging alsmede een zichtbare reactie op criminaliteit opleveren en maximaal bijdragen aan herstel van het toegebrachte leed. De sanctie dient in verhouding te staan tot de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de verdachte. Aansluiten bij de concrete problemen van burgers betekent dat interventies zichtbaar, merkbaar en herkenbaar moeten zijn voor slachtoffers, daders én de buurt waarin het delict is gepleegd. Doordat het OM in de ZSM-aanpak (na ruggespraak met partners) op basis van alle relevante informatie een snelle professionele beslissing realiseert, neemt het belang van de hieronder genoemde tweede stap bij het gebruik van de richtlijnen toe. Na het doorlopen van de eerste stap (uitgangspunt van de richtlijn) is er ruimte om in te gaan op de maatschappelijke context van het specifieke feit en om te komen tot een op de zaak toegesneden afdoening. Bij die tweede stap in de beoordeling zal niet alleen rekening worden gehouden met factoren die in de richtlijn zijn benoemd of in deze aanwijzing of andere beleidsregels zijn beschreven (recidive, bijzondere slachtoffers, schadevergoeding, voorwaardelijke straffen), maar ook met factoren die niet in richtlijnen zijn opgenomen, zoals bijvoorbeeld prioriteiten in het veiligheidsbeleid, gevoeligheid van de zaak, impact op de omgeving, adviezen van ketenpartners (zoals reclassering), persoonlijke omstandigheden van de verdachte (zoals draagkracht, studie/werk). Ook kan dan een buitengerechtelijke afdoening in overweging worden genomen.
Het gedifferentieerde sanctiestelsel ondersteunt optimaal het binnen de gestelde kaders effectief en professioneel beslissen over de strafeis of de zelfstandige afdoening in de concrete strafzaak. Het OM zal bij deze afdoeningen waar mogelijk gebruik maken van de strafbeschikking.Schade dient te worden vergoed en voordeel te worden ontnomen Schadevergoeding
Slachtofferzorg is een essentieel onderdeel van de afdoening geworden. Uitgangspunt is dat in alle strafzaken met slachtoffers/schade de (totale) schade door de dader(s) dient te worden vergoed. Bij de beslissing over de wijze van afdoen van de strafzaak wordt daarom schadevergoeding aan het/de slachtoffer(s) als verplicht element meegenomen en conservator beslag ten behoeve van schadevergoeding aan het slachtoffer nadrukkelijk overwogen.
Criminaliteit veroorzaakt tevens een grote maatschappelijke schadepost. Een groot deel van deze schade, met name letselschade, wordt niet geclaimd door slachtoffers omdat de ‘samenleving’ deze kosten via verzekeringen of rechtstreeks (overheden) voor haar rekening neemt. Indien toegebrachte schade wordt gedragen door de samenleving of als er sprake is van restschade die niet rechtstreeks te verhalen is op de dader of niet (volledig) is te claimen bij de verzekeraar dient de officier van justitie te overwegen om naast een taakstraf of vrijheidsstraf storting van geld in een waarborgfonds geweldsmisdrijven of ander fonds ten gunste van slachtoffers op te leggen of te vorderen in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf 3 .
Indien er ten tijde van de vervolgingsbeslissing of het formuleren van de eis ter terechtzitting door de verdachte geen schade is vergoed en er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de verdachte in staat is om de door hem veroorzaakte schade binnen afzienbare termijn te vergoeden, kan afhankelijk van de omvang van de schade gekozen worden voor een andere strafmodaliteit (taakstraf en/of onvoorwaardelijke gevangenisstraf) en/of een kwantitatieve verhoging van de strafbeschikking, transactie of eis ter terechtzitting. Een eventuele vordering tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en/of de aanwezigheid van een wettelijke voorschotregeling doet daar niet aan af.Ontneming
Veel delicten zijn gericht op geldelijk gewin. Geld is drijfveer, motief en opbrengst van beroepscriminaliteit. Daarom is het afpakken van het wederrechtelijk genoten voordeel uitgangspunt. Als misdaad niet loont, verdwijnt een belangrijke prikkel om delicten te plegen. Bovendien is het belangrijk te voorkómen dat criminele winsten worden geherinvesteerd. Dat zijn de richtinggevende gedachten achter het afpakken van criminele winsten, bij georganiseerde misdaad én bij kleinere, veelvoorkomende criminaliteit. Het doel is zichtbaar en voelbaar maken dat misdaad niet mag lonen.Herstel van de verstoorde rechtsorde en voorkomen van recidive
Naast bescherming van het slachtoffer zijn herstel van de verstoorde rechtsorde en het terugdringen van recidive doelstellingen van het OM. Het voorkomen van recidive dient bewerkstelligd te worden door het opleggen van gedragsaanwijzingen en het vorderen van vrijheidsbeperkende maatregelen en bijzondere voorwaarden. Met name bij first offenders die ernstige en/of recidivegevoelige delicten plegen kan een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf, gericht op effectieve gedragsbeïnvloeding het meest passend zijn. Daarbij kunnen naast de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten zal plegen ook bijzondere voorwaarden worden ingezet ( art. 14c Wetboek van Strafrecht). Het instrument van de voorwaardelijke sanctiemodaliteiten kan meerdere doelen dienen (stok achter de deur, herstel van geleden schade en resocialisatie) en draagt bewezen bij aan het beperken en voorkomen van recidive. Verder is een gedragsaanwijzing ex art. 509hh Wetboek van strafvordering een passend instrument om – vooruitlopend op de strafrechtelijke afdoening door de rechter – ernstige overlast (verstoringen van de openbare orde of belastend gedrag jegens personen of goederen) te beëindigen en recidive te voorkomen.
3. Richtlijnen
Artikel 130, lid 4 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie bepaalt dat het college van procureurs-generaal algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM. Richtlijnen maken deel uit van deze aanwijzingen en bevatten dwingende, normatieve regels inzake de strafvordering 4 . In de richtlijnen bepaalt het college het te voeren strafvorderingsbeleid bij de afdoening van diverse soorten van criminaliteit. Bij de totstandkoming van richtlijnen worden invloeden vanuit de politiek en vanuit de samenleving betrokken. Daarnaast worden experts en ketenpartners geraadpleegd.
Richtlijnen dienen ter ondersteuning bij de afdoening van strafzaken als tot strafvervolging of tot een OM-afdoening is besloten. In de richtlijnen is per feit zichtbaar wat als landelijk uniform uitgangspunt bij de beoordeling van strafzaken wordt gehanteerd. Omdat een straf proportioneel moet zijn, dient altijd een beoordeling van het individuele geval plaats te vinden. Het toepassen van alle strafvorderingsrichtlijnen in een strafzaak gebeurt daarom in twee stappen:
1. Uitgangspunt. Bij de eerste stap wordt aan de hand van de richtlijnen bepaald welke sanctie als landelijk uitgangspunt 5 geldt voor soortgelijke feiten.
2. Maatwerk. Bij de tweede stap van de beoordeling wordt bepaald of het gevonden uitgangspunt passend is in de specifieke strafzaak die ter beoordeling voorligt. De richtlijnen benoemen naast het uitgangspunt enkele veelvoorkomende strafverzwarende factoren. Daarnaast zijn er strafverminderende omstandigheden, waarmee rekening gehouden kan worden. Bij afdoening van met name commune delicten zal standaard ook gekeken worden naar de schade van het slachtoffer, onderliggende sociale problematiek, impact op de omgeving en persoonlijke omstandigheden. Zo kan geringe of grote draagkracht invloed hebben op de hoogte van de geldboete en het wel of niet hebben van een dagbesteding invloed hebben op de omvang van de taakstraf. Soms zijn rapportages nodig om inzicht te krijgen in de mate van toerekeningsvatbaarheid of in het bestaan van een verstandelijke handicap of geestesziekte.
Stap 2 biedt de officier van justitie de professionele ruimte om per geval te komen tot een op maat gesneden sanctie. Hij maakt daarbij een zorgvuldige afweging van alle belangen. Uit het oogpunt van transparantie zal de officier van justitie zijn beslissing onderbouwen en de strafeis motiveren. 6
In de bijlagen bij deze aanwijzing is opgenomen hoe de richtlijnen zijn opgebouwd, welke verhoudingen er worden aangehouden tussen de verschillende sanctiemodaliteiten, hoe omzetting naar andere sanctiemodaliteiten plaatsvindt en welke afrondingsregels er in de richtlijnen worden toegepast.Meerdere feiten
Indien er meer feiten in een zaak worden vervolgd kunnen de sancties die de richtlijnen geven tot op zekere hoogte bij elkaar worden opgeteld. Indien de dader een veelpleger, zeer actieve veelpleger of stelselmatige dader is dient ook bij het plegen van meerdere feiten de voor deze doelgroepen toepasselijke richtlijn te worden gehanteerd.
Wanneer dezelfde sancties (bijvoorbeeld geldboetes) bij elkaar opgeteld – gelet op het draagkrachtbeginsel- tot een te hoge straf leiden verdient het de voorkeur deze om te zetten naar een taakstraf met behulp van het schema in bijlage 2 . Indien er verschillende sancties zijn voorgesteld (bijvoorbeeld geldboete en taakstraf) worden deze in beginsel via hetzelfde schema omgerekend naar één sanctiemodaliteit. De uitkomst geldt dan als uitgangspunt. Vanzelfsprekend zal indien er sprake is van meerdere feiten ook dienen te worden bepaald of de verdachte wordt gedagvaard. Het cumuleren van sancties bij commune delicten kan niet onbeperkt worden doorgezet en vraagt om maatwerk. Gezien de aard van de delicten en het functioneel daderschap kunnen de sancties (vaak geldboetes) bij milieudelicten en economische delicten wel bij elkaar worden opgeteld.
4. Strafbepalende factoren
Zoals vermeld benoemen de richtlijnen naast het uitgangspunt van de straf enkele veel voorkomende strafverhogende en strafverminderende factoren. De algemene in de wet vastgelegde factoren, zoals recidive en poging, alsmede veelvoorkomende specifieke strafbepalende factoren, zoals letselcategorieën, worden in deze aanwijzing beschreven.
In de richtlijnen zelf kunnen per feit nog andere voor dat delict specifieke strafbepalende factoren worden vermeld en toegelicht.Strafverzwaring of strafvermindering
Strafverzwaring kan plaatsvinden
a. binnen de gekozen sanctiemodaliteit, bijvoorbeeld door verhoging van de geldboete of door onvoorwaardelijke in plaats van (deels) voorwaardelijke sancties op te leggen / te eisen;
b. door opschaling naar een zwaardere sanctiemodaliteit. Wat dit laatste betreft is aangesloten bij de betrekkelijke zwaarte van de hoofdstraffen, zoals bepaald in artikel 61 Sr. De volgorde van strafverzwaring in strafmodaliteit is geldboete > taakstraf > gevangenisstraf. Soms geldt echter een taakstrafverbod ( artikel 22b Sr);
c. door te kiezen voor aanvullende sanctiemodaliteiten, die specifiek bedoeld zijn voor het type delict of de omstandigheden waaronder dit is gepleegd. Voorbeelden daarvan zijn: vrijheidsbeperkende maatregelen bij voetbal gerelateerd geweld, gedragsaanwijzingen bij huiselijk geweld en justitiële voorwaarden bij alcoholmisbruik.
Bij strafvermindering kan hetgeen is vermeld onder a en b andersom worden toegepast.Mate van strafverzwaring of strafvermindering onder andere bij cumulatie
Bij recidive, poging, voorbereiding, medeplichtigheid en de vanuit de politiek aangegeven prioriteiten worden verhogings- of verlagingspercentages genoemd in deze aanwijzing en/of in de richtlijnen. Deze percentages dienen te worden toegepast op de sanctie in de richtlijntabel om het uitganspunt te bepalen (is de hierboven beschreven stap 1). Recidive is in de meeste gevallen al in de richtlijntabellen opgenomen. Cumulatie van meerdere toepasselijke verhogingspercentages kan in sommige gevallen leiden tot onredelijk hoge straffen. Indien zich dat voordoet dient bij de uiteindelijke straftoemeting (stap 2 hierboven) dit tot uiting te worden gebracht 7 . Met andere woorden: In de concrete zaak is het aan de officier van justitie om op basis van het verkregen uitganspunt met inachtneming van alle andere factoren en omstandigheden van het geval te komen tot een proportionele en op maat gesneden sanctie of strafeis (zie stap 2 hierboven). In de motivering bij zijn beslissing zal de officier van justitie rekenschap geven van de gekozen straftoemeting.
5. Algmene strafverzwarende factoren
Medeplegen
Medeplegen wordt in het Wetboek van Strafrecht genoemd als een deelnemingsvorm, zonder dat er een waarde (bijvoorbeeld strafverhoging) aan wordt toegekend. Wel levert het in vereniging plegen als bestanddeel in een aantal wetsartikelen een strafverhoging op ( 137c ev., 138, 139, 182, 248, 311 Sr) of is het in de delictsomschrijving beschreven ( art. 141 Sr). De verhogende werking is in de richtlijnen voor deze delicten verwerkt in het uitgangspunt bij het basisdelict of genoemd als strafverzwarende factor.
Bij delicten waarbij de openbare veiligheid (verstoring vitale frequenties van bijvoorbeeld luchtverkeer, politie en hulpverlening) of het veiligheidsgevoel van de burgers wordt aangetast (bijvoorbeeld dealen van drugs) en bij delicten met slachtoffers (bijv. mishandeling, bedreiging) zal het medeplegen respectievelijk het veiligheidsrisico, de overlast en de impact van het strafbare feit op het slachtoffer in de regel vergroten en daarom als strafverzwarende omstandigheid in de richtlijn worden vermeld.Recidive
Bij het bepalen van de strafeis of de op te leggen sanctie wordt ingeval van recidive aangesloten bij het uitgangspunt van de recidivebepaling in artikel 43a Sr, dat de grondslag voor strafverhoging geeft wanneer ten tijde van het plegen van het nieuwe feit minder dan 5 jaar zijn verlopen na een eerdere veroordeling wegens een soortgelijk misdrijf ( 43b Sr).
De mate van recidive wordt bepaald door te tellen hoe vaak in de 5 jaar voorafgaand aan de datum waarop het nieuwe feit is gepleegd een soortgelijk delict heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling (ook buitenlandse), een betaalde transactie of afgedane strafbeschikking (waartegen geen verzet is gedaan). Het begrip 'soortgelijk' heeft zowel betrekking op de aard van het delict als de omvang ervan. Technische en beleidssepots dienen bij de recidivebepaling buiten beschouwing gelaten te worden. Tevens dient, gelet op artikel 22b lid 2 Sr, gecontroleerd te worden of er een kale taakstraf mogelijk is na een eerdere taakstraf voor een soortgelijk misdrijf. Bovenstaande laat echter onverlet dat recidive ouder dan vijf jaar in de context van de strafzaak kan worden meegewogen bij de beoordeling van de persoon van de dader en het bepalen van de hoogte en de modaliteit van de toe te passen sanctie of strafeis.
Indien een richtlijn niet zelf de recidive regelt of verhogingspercentages vermeldt, gelden de volgende algemene uitgangspunten:art. 22b lid 2 Sr art. 22b lid 2 Sr
1 x recidive binnen 2–5 jaar Strafverhoging sanctie met 50%
1 x recidive binnen 2 jaar Strafverhoging sanctie met 50% en/of naaste hogere sanctiemodaliteit (geldboete > taakstraf > gevangenisstraf) Let op het taakstrafverbod ( ) 1 Indien bijvoorbeeld reclasseringsbegeleiding gewenst is, kan een (deels) voorwaardelijke straf worden geëist
meermalen recidive In beginsel dagvaarden en onvoorwaardelijke straf eisen. Strafverhoging sanctie met 100% en/of naaste hogere sanctiemodaliteit (geldboete > taakstraf > gevangenisstraf) In beginsel geen geldboete-eis bij natuurlijke personen en taakstrafeis alleen bij lichtere vergrijpen. Let op het taakstrafverbod ( ) en bij verkeersmisdrijven op het puntenstelsel.
veelplegers, zeer actieve veelplegers en stelselmatige daders, waarbij de ISD-maatregel niet wordt gevorderd 2 Dagvaarden en onvoorwaardelijke gevangenisstraf eisen. Straf minimaal 100% hoger dan het uitgangspunt in de toepasselijke richtlijn met als ondergrens 1 maand gevangenisstraf

1 Zie ook de Aanwijzing taakstraffen. Een combinatie van taakstraf en onvoorwaardelijke gevangenisstaf of vrijheidsbeperkende maatregel is wel mogelijk ( art. 22b, lid 3 Sr)
2 Voor de definities wordt verwezen naar de richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers.
Bij de meeste feiten is in de richtlijnentabel het uitgangspunt van de sanctie bij recidive vermeld.Ernstige recidive bij zware delicten
Indien er sprake is van recidive bij strafbare feiten waarop gevangenisstraf van 8 jaar of meer als strafmaximum is gesteld én waarbij een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer spelen bij het bepalen van de strafeis spelen hoofdzakelijk vergelding en generale preventie als strafdoel. Hierbij geldt als uitgangspunt een verhoging van 100% van de straf in de toepasselijke richtlijn. Deze verhoging is met name gerechtvaardigd, omdat de dader zich blijkbaar niets gelegen laat aan de lichamelijke integriteit van een ander en de eerdere normstellende veroordeling. Bij ernstige recidive geldt het taakstrafverbod zowel ingeval van de situatie van art. 22b lid 1 als lid 2 Sr.
6. Specifieke strafverzwarende factoren
In deze paragraaf zijn enkele onderwerpen opgenomen waarover afspraken zijn gemaakt met de Minister van Veiligheid en Justitie en/of handhavingspartners en waarbij sprake is van strafverzwarende omstandigheden.Ambtenaren en andere gezagsfunctionarissen
De opsporing en vervolging na incidenten van agressie en geweld tegen medewerkers met een publieke taak is een belangrijke prioriteit van het programma Veilige Publieke Taak (VPT) en een politiek speerpunt van het Kabinet. Werknemers met een publieke taak dienen hun werk onbelemmerd te kunnen uitoefenen. Geweld tegen deze werknemers wordt niet getolereerd. Ten behoeve van de opsporing en vervolging van geweldszaken tegen werknemers met een publieke taak zijn Eenduidige Landelijke Afspraken gemaakt.
Publieke taken zijn overheidstaken én taken in het publieke belang die zijn ontleend aan de grondwettelijke opdracht tot overheidszorg. Dit houdt in dat de taken door de overheid zelf kunnen worden uitgevoerd of in opdracht van deze overheid. Ook kan het gaan om private sectoren die in belangrijke mate zijn gereguleerd door de overheid (Openbaar Vervoer).
Bij een aantal misdrijven is sprake van een wettelijke strafverzwaringsgrond indien het feit is gepleegd tegen een ambtenaar tijdens de rechtmatige uitoefening van zijn/haar beroep. Strafverzwaring zal echter ook worden toegepast bij strafbare feiten gepleegd tegen:
andere personen die belast zijn met de uitoefening van een Veilige Publieke Taak (hulpverleners en ander medisch personeel, brandweer) Let op: dit geldt ook voor arbeidsgerelateerd(e) geweld of agressie, dat in de privétijd is gepleegd tegen deze beroepsbeoefenaren of tegen personen die behoren tot hun familiekring;
personen met een functie of rol met enige vorm van gezag omkleed (officials in de sport 8 ), verkeersregelaars en ordehandhavers, zoals beveiligingsbeambten, suppoosten en treinconducteurs);
functionarissen in het openbaar vervoer (buschauffeur, machinist, trambestuurder en dergelijke):
functionarissen met een andere taak in het publieke domein (onderwijzend personeel, advocaten, deurwaarders en winkelpersoneel).
Het OM kiest juist hier voor effectieve en betekenisvolle interventies. Interventies die de dader confronteren met de gevolgen van zijn daad en bijdragen aan gedragsverandering. Denk hierbij aan (eventueel combinaties van) gerichte werkstraffen, leerstraffen als bijzonder voorwaarde, gedragsaanwijzingen en het maken van excuses aan het slachtoffer. Het uitgangspunt van de sanctie in de richtlijn wordt met 200% verhoogd als signaal dat dit soort crimineel gedrag niet wordt getolereerd.Kwetsbare slachtoffers
Kwetsbare slachtoffers zijn diegenen die door leeftijd, lichamelijke of verstandelijke beperkingen dan wel door sociaal-culturele omstandigheden in een positie van afhankelijkheid verkeren ten opzichte van hun directe omgeving.
In een aantal gevallen is de afhankelijkheid ten opzichte van de dader in de wetsbepaling opgenomen (bijvoorbeeld in art. 248, 250 en 304 Sr). Voor huiselijk geweld wordt in de richtlijnen voor de strafmaatbepaling verwezen naar de richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld en de richtlijn kindermishandeling. Doel van de interventie zal altijd zijn om samen met de netwerkpartners tot een zo effectief mogelijke aanpak te komen.
In enkele richtlijnen (zakkenrollerij, insluiping) is als strafverzwarend vermeld het feit dat (kwetsbare) slachtoffers bewust zijn uitgekozen.Discriminatoire aspecten (bij commune delicten)
Discriminerend taalgebruik en/of gebaren (anders dan bedoeld in art. 137c Sr), bedoeld als extra krenkend wordt/worden in het maatschappelijk verkeer als zeer storend ervaren. Dergelijke uitingen dienen dan ook strafverzwarend te worden beoordeeld. Onder discriminerend wordt uiteraard ook racistisch begrepen.
Onderscheid wordt gemaakt tussen situaties waarin het discriminerende element zich voordoet bij een minder ingrijpend feit (bijvoorbeeld bij een burenruzie waar over en weer grof gescholden wordt) of bij een ingrijpend feit. In het eerste geval is alertheid geboden en dient voor zover mogelijk een probleemgerichte aanpak plaats te vinden, waarbij ketenpartners een rol kunnen vervullen.
We spreken van een ingrijpend feit als sprake is van een aanzienlijke aantasting van de lichamelijke integriteit, een aanzienlijke inbreuk op het eigendom, een evidente inbreuk op de persoonlijke integriteit (geestelijke schade, levenssfeer), een extreme modus operandi, etc.. In deze gevallen dient niet alleen te worden gedagvaard, maar ook bij de strafeis maatwerk te worden toegepast, met als uitgangspunt een strafverzwaring van 100% ten opzichte van het uitgangspunt in de richtlijn.Verstoring van de openbare orde en ernstige overlast
Bij de bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast maakt het OM gebruik van de bevoegdheden en instrumenten die met invoering van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (MBVEO 9 ) zijn ingevoerd. De aanpak van de veroorzakers kenmerkt zich hier eerder in het gebruik van effectieve sancties, zoals gebiedsverbod, contactverbod, stadionverbod, huisarrest of een meldingsplicht, dan in strafverhoging op zichzelf. Een integrale aanpak met ketenpartners, zoals het bestuur en KNVB 10 staat hierbij voorop. Juist hier probeert het OM samen met de netwerkpartners de impact van de interventie zo groot mogelijk te maken. Hieronder staan enkele situaties beschreven.Overlastproblematiek
Het gaat hier om de situaties waarbij sprake is van aanhoudende orde verstorende gedragingen in de publieke ruimte, die een directe aantasting vormen van de veiligheid en leefbaarheid. Het betreft veelal een samenstel van hinderlijke, overlast gevende en criminele gedragingen. De gevolgen hiervan kunnen voor de omgeving ingrijpend zijn: mensen die zich in hun eigen woonomgeving bedreigd en onveilig voelen, bewoners die weggepest worden en verhuizen of winkeliers die hun zaak sluiten en mede als gevolg daarvan verloederde buurten. Het kan hier gaan om groepscriminaliteit of overlast door bijvoorbeeld het handelen in drugs. De veelal persoonsgebonden aanpak wordt hier met ketenpartners afgestemd.Evenementen en Oud&Nieuw
Met betrekking tot een aantal delicten, zoals mishandeling, openlijk geweld, vernieling en discriminatie, dient het eventuele feit dat dit rond een evenement plaatsvindt een strafverzwarende rol bij de beoordeling te spelen. Naast verstoring van het evenement spelen hier de veiligheidsrisico’s, zoals gevaar voor escalatie, paniek en aantasting van het veiligheidsgevoel. Met name de toenemende mate waarin dergelijke delicten onder die omstandigheden worden gepleegd maakt een harde aanpak noodzakelijk. Een verhoging van 75% op het uitgangspunt in de richtlijnen is hier geïndiceerd almede het toepassen van instrumenten om recidive te voorkomen (bijvoorbeeld stadionverbod of huisarrest bij de volgende jaarwisseling).
Onder evenement worden zowel georganiseerde evenementen begrepen zoals sportevenementen, als niet-georganiseerde evenementen, zoals de jaarwisseling. Lokaal kan worden afgesproken dat zal worden gedagvaard en dat de strafverzwaring bestaat uit het vorderen van gevangenisstraf en justitiële voorwaarden in het kader van het toepassen van (super)snelrecht, waarbij het streven erop gericht is de verdachte zo mogelijk vast te houden tot aan de rechtszitting.Voetbal/sport
Over een strengere aanpak van voetbalvandalisme en voetbal gerelateerd geweld zijn afspraken met ketenpartners gemaakt. Waar mogelijk zal het OM zaken tegen voetbalvandalen via de ZSM-aanpak binnen een week afdoen en bij voetbal gerelateerd geweld snelrecht toepassen. Er wordt een strafverhoging van 50% toegepast op het uitgangspunt in de richtlijn. Dit geldt ook voor extremiteiten bij andere sporten.
Het OM vordert ter terechtzitting betreffende voetbal gerelateerd geweld tegen personen of goederen of racistisch, discriminerend gedrag naast een taakstraf of gevangenisstraf een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel ( art. 38v Wetboek van Strafrecht) inhoudende een gebieds-/stadionverbod met eventueel een meldplicht. 11 In geval van een strafrechtelijk stadionverbod is het uitgangspunt dit zoveel mogelijk te combineren met een meldingsplicht. In geval van recidiverende voetbalvandalen neemt de noodzaak van een meldingsplicht toe. Onder recidiverende voetbalvandalen worden ook degenen verstaan die eenmaal of meermalen een civielrechtelijk stadionverbod (huisvredebreuk) hebben overtreden.
Ter ondersteuning van de vordering aan de rechter tot het opleggen van een stadionverbod kan de officier van justitie zijn bevoegdheid tot het opleggen van een gedragsaanwijzing inzetten (MBVEO). Mogelijkheden die art. 509hh Sv biedt zijn het opleggen van een gebiedsverbod in de vorm van een strafrechtelijk stadionverbod met daaraan gekoppeld een meldingsplicht, verplicht contact met de hulpverlening of een contactverbod met (een) bepaalde perso(o)n(en). De gedragsaanwijzing loopt vooruit op de strafrechtelijke afdoening door de rechter; de wetgever heeft de mogelijkheid gecreëerd om een lik-op-stukreactie te geven 12 .Alcohol/drugs en (uitgaans)geweld
Indien er een duidelijke relatie is vastgesteld tussen het gepleegde delict en het gebruik van alcohol en/of drugs dient dit als substantieel strafverzwarend te worden beoordeeld. Dit geldt met name voor verstoringen van het uitgaansleven. Er wordt een verhoging van 75% op het uitgangspunt in de richtlijn toegepast. Middelengebruik leidt in het algemeen tot ontremming, maar dat betekent niet altijd dat een oorzakelijk verband tussen het middelen gebruik en het geweld zonder meer kan worden aangenomen. Of het in het concrete geval ook heeft geleid tot of heeft bijgedragen aan het geweld zal telkens afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Persoonlijke en omgevingsfactoren spelen ook een rol. Bij de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van de dader kan middelengebruik met het oog op de straftoemeting worden meegenomen en aanleiding zijn voor het toepassen van justitiële voorwaarden gericht op gedragsbeïnvloeding.Burgermoed
Personen die proberen te verhinderen dat er een geweldsdelict gepleegd wordt, vechtenden proberen te scheiden, dader(s) aanspreken op laakbaar of strafbaar gedrag of deze proberen op heterdaad aan te houden verdienen extra bescherming, wanneer zij door hun optreden zelf slachtoffer worden. Wanneer een slachtoffer burgermoed betoond heeft, dient dit strafverzwarend mee te wegen tegen de dader.Letsel
Als mogelijk gevolg van een geweldsdelict speelt letsel een belangrijke rol. Het slachtoffer en/of de benadeelde ervaart het delict als ernstiger naarmate de aard van het letsel ernstiger is. Om die reden is in de richtlijnen aan de aard van het toegebrachte letsel een strafverzwarende invloed toegekend. Als toelichting op de in de richtlijnen gehanteerde categorieën geldt het volgende:
Licht letsel, zoals blauw oog, bloedneus, tand door de lip, lichte kneuzingen of lichte ontvellingen; maar ook letsel voor de behandeling waarvan doorgaans de hulp van een eerstelijns arts wordt ingeroepen, zoals wonden waarvoor, uit cosmetisch oogpunt minder ernstige, hechtingen nodig zijn, een lichte hersenschudding, zwaardere kneuzingen of ontvellingen.
? Zwaarder letsel, voor de behandeling waarvan een medisch specialist nodig is. Letsel dat als regel niet wordt begrepen in art. 82 Sr, zoals gebitsschade, gebroken neus, jukbeen of sleutelbeen, littekens in het gezicht of een zware hersenschudding.
Wanneer openlijke geweldpleging of poging zware mishandeling tot meer dan licht letsel heeft geleid kan ingevolge art. 22b lid 1 sub a Sr geen kale taakstraf meer worden gevorderd indien een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aanwezig wordt geacht. Een kale taakstraf is ook niet mogelijk bij de misdrijven, genoemd in artikel 22b lid 1 sub b Sr, te weten de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250 Sr. Een combinatie van een taakstraf met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is wel mogelijk (art. 22b, lid 3 Sr).Wapengebruik
Indien bij mishandeling, openlijke geweldpleging of bedreiging een wapen wordt gehanteerd om dit delict een grotere impact te geven wordt dit strafverzwarend meegewogen. Naarmate de globale gevaarzetting van het wapen groter is, is de dreigende werking voor het slachtoffer groter. Bij geweldsdelicten vergroot het de kans op zwaarder letsel. Een zwaardere sanctie is daardoor geïndiceerd en in de richtlijnen opgenomen.
De in de richtlijnen gehanteerde categorieën worden hieronder kort toegelicht:
Slag- of stootwapen. Dit omvat wapens als wapenstok en boksbeugels en dergelijke, maar ook overige voor bedreiging/mishandeling geschikte voorwerpen/wapens. Bij mishandeling worden een kopstoot en gegooide voorwerpen met deze categorie gelijkgesteld.
Steekwapen of een als zodanig aan te merken voorwerp. Naast messen, dolken of priemen kan hier ook gedacht worden aan schroevendraaiers en scharen.
Indien gebruik wordt gemaakt van een verboden wapen dient het bezit daarvan tevens te worden vervolgd met het oog op onttrekking aan het verkeer van het wapen.
(Nep)vuurwapens behoeven geen nadere toelichting.
7. Strafverminderende factoren
De wettelijke strafverminderende factoren, zoals poging, medeplichtigheid (verlaging strafmaximum met een derde) en voorbereiding (verlaging stafmaximum met de helft) zijn algemeen van toepassing
en in beginsel niet in de richtlijnen opgenomen. Indien van toepassing wordt het uitgangspunt van de sanctie in de richtlijn bij stap 1 van de beoordeling (zie hierboven bij 3) overeenkomstig verlaagd. Ook niet opgenomen in de richtlijnen zijn persoonlijke omstandigheden van de dader en andere factoren, die bij stap 2 van de beoordeling meegewogen kunnen worden in het voordeel van de verdachte.
Indien aannemelijk is dat er sprake is van verminderde draagkracht kan dat een reden zijn om de geldboetesanctie of strafeis te matigen. Het kan echter ook reden zijn om een betaling in termijnen op te leggen, de geldboete om te zetten naar een andere sanctie of een voorwaardelijke boete te eisen.
Hierboven is vermeld dat als algemeen uitgangspunt bij strafvordering geldt dat de dader de schade vergoed. De officier van justitie kan de impact die de schadevergoeding heeft op de dader meewegen in zijn afdoeningsbeslissing.
8. Overgangsrecht
De beleidsregels in deze aanwijzing hebben onmiddellijke werking vanaf de datum van inwerkingtreding. Het OM hanteert als uitgangspunt dat nieuwe richtlijnen worden toegepast op strafbare feiten gepleegd vanaf de datum van inwerkingtreding van de richtlijn. Alleen in het geval een nieuwe richtlijn voor de verdachte gunstigere afdoeningsregels geeft zal de richtlijn ook van toepassing zijn op feiten gepleegd voor de datum van inwerkingtreding.
Inhoudsopgave
Samenvatting
1. Achtergrond
2. Algemene uitgangspunten bij strafvordering en straftoemeting
3. Richtlijnen
4. Strafbepalende factoren
5. Algmene strafverzwarende factoren
6. Specifieke strafverzwarende factoren
7. Strafverminderende factoren
8. Overgangsrecht
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht