Let op. Deze wet is vervallen op 15 maart 2009. U leest nu de tekst die gold op 14 maart 2009.

Aanwijzing opsporingsberichtgeving

Uitgebreide informatie
Aanwijzing Opsporingsberichtgeving
Actualisering van de Aanwijzing van 1 juni 2000 Het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving via de media wordt steeds vaker en veelal met succes ingezet. Omdat de opsporingsberichtgeving tegenwoordig veelvuldig in een vroeg stadium van de opsporing wordt ingezet, is de kans op succes groter.
De aanwijzing Opsporingsberichtgeving is wegens een aantal redenen herzien: er zijn steeds meer mogelijkheden om opsporingsberichtgeving onder de aandacht van het publiek te brengen (te denken valt onder meer aan regionale televisie, internet, commerciële zenders en geschreven media); de maatschappij stelt steeds meer eisen aan justitieel optreden; de zaaksofficier moet een afgewogen keuze maken om het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving in te zetten en te bepalen door middel van welk medium dit gebeurt (doelgroepgerichtheid).
De herziening heeft tot gevolg dat de modelovereenkomsten zoals genoemd in de oude aanwijzing Opsporingsberichtgeving niet langer van toepassing zijn, maar dat per contractpartner bekeken zal worden wat de inhoud van de overeenkomst moet zijn. Er zal dus meer maatwerk geleverd moeten worden.
Samenvatting
Opsporingsberichtgeving is een van de opsporingsmiddelen die politie en Openbaar Ministerie ter beschikking staan bij de opheldering van ernstige misdrijven. De aanwijzing Opsporingsberichtgeving somt de afwegingen op die bij de inzet van dit middel gemaakt moeten worden en bepaalt in welke gevallen het opsporingsmiddel kan worden ingezet.
Opsporingsberichtgeving kan alleen worden ingezet indien het OM een contract heeft gesloten met degene die opsporingsberichtgeving via de openbare media zal aanbieden. Dit kan zowel een overeenkomst op landelijk als op regionaal niveau zijn. Bij het sluiten van zo’n contract worden de belangen van beide partijen meegewogen. De contractpartner dient te voldoen aan de eisen en voorwaarden die in de aanwijzing Opsporingsberichtgeving zijn neergelegd. Gezien het steeds groter wordende aanbod van media met behulp waarvan opsporingsberichtgeving kan worden aangeboden, volstaat het niet langer om van modelovereenkomsten uit te gaan. Maatwerk is in deze op zijn plaats.
Alle mediamedewerkers die betrokken zijn bij de opsporingsberichtgeving dienen een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen. Hierin verklaren zij dat alle informatie die zij, direct of indirect, te weten komen over de inhoud en het proces van strafzaken (of aspecten van strafzaken) en over het beleid van het Openbaar Ministerie bij individuele opsporingszaken en gerechtelijke vooronderzoeken, geheim blijft en vertrouwelijk dient te worden behandeld. Personen die herkenbaar in beeld komen, dienen een toestemmingsverklaring te tekenen waarin zij verklaren akkoord te gaan met het uitzenden c.q. publiceren van de beelden. De modelverklaringen maken onderdeel uit van de met de contractpartner afgesloten overeenkomsten.
Formeel ligt de uitvoering van de aanwijzing en van de afspraken in de overeenkomst in handen van de Landelijke selectiecommissie opsporingsberichtgeving (LSO) en de regionale mediacommissies (RMC’s). In de praktijk gaat het veelal om bilaterale afspraken tussen de regio’s en de politieproducers van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Politieproducers zijn medewerkers van de dienst Nationale Recherche Informatie van het KLPD die zich bezighouden met het productieproces van de opsporingsberichten. Samenstelling, taak en werkwijze van zowel de LSO als de RMC worden in bijlage 4 van de aanwijzing omschreven. De Officier van Justitie heeft, net als bij andere opsporingsmiddelen, de regie over en de (eind)verantwoordelijkheid voor de inzet van het middel opsporingsberichtgeving. Dit betekent dat het opsporingsmiddel alleen kan worden toegepast wanneer de Officier van Justitie daarvoor toestemming heeft gegeven.
De toetsing bij gevoelige zaken (zie hierna onder 5.) geschiedt conform de criteria zoals vastgelegd in deze aanwijzing. Het gebruik van compositiefoto’s en -tekeningen, authentieke foto- en videobeelden en geluidsbanden, alsmede het maken van reconstructies, wordt in de aanwijzing omschreven.
Verder besteedt de aanwijzing aandacht aan aanvullende voorwaarden voor uitzending dan wel publicatie van opsporingsberichtgeving en worden de gebruikte vormen van opsporingsberichtgeving genoemd.
1. Afweging bij de inzet van opsporingsberichtgeving
Omdat opsporingsberichtgeving de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen raakt, dient het OM het belang van opsporing en vervolging af te wegen tegen de belangen van privacy van het slachtoffer, de belangen van eventuele getuigen en van verdachten en de belangen van de samenleving. Bij deze afweging speelt de ernst van het feit een rol alsmede de proportionaliteit en de subsidiariteit.
2.1. Zaken onder verantwoordelijkheid van het OM
In de gevallen genoemd onder paragraaf 2.1 a tot en met d is het Openbaar Ministerie geheel verantwoordelijk voor de toepassing van het opsporingsmiddel.
Opsporingsberichtgeving via de media is mogelijk in de volgende categorieën zaken:
a. Misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten ( artikel 67 lid 1 Strafvordering).
b. Ontvluchting van gedetineerden en verpleegde delinquenten en anderszins gesignaleerde personen, voor zover hun aanhouding dringend is gewenst op grond van de ernstige vrees dat zij zich aan zware delicten zullen schuldig maken, in het bijzonder geweldsdelicten.
c. Opsporing van vermiste personen, indien op grond van feiten en omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de vermiste persoon slachtoffer is geworden van een misdrijf.
d. Onbekende doden.
Ten aanzien van personen wier identiteit bekend is geldt, indien bij de berichtgeving de identiteit wordt prijsgegeven, als extra voorwaarde voor de inzet van opsporingsberichtgeving dat:
indien het gaat om verdachten moet er sprake zijn van een zwaarwegende verdenking dat zij een ernstig strafbaar feit hebben gepleegd;
indien het veroordeelden betreft die zijn ontvlucht of niet zijn teruggekeerd van verlof, moeten zij veroordeeld zijn wegens een ernstig strafbaar feit.
Bij de inzet van opsporingsberichtgeving ten aanzien van deze categorie personen dient altijd de voorzitter van het College van procureurs-generaal door tussenkomst van de (plv) voorzitter van de LSO, te worden geraadpleegd.
2.2. Zaken buiten verantwoordelijkheid van het OM
Er zijn ook zaken die buiten de verantwoordelijkheid van het OM in de media komen. Hierover wordt in deze aanwijzing niet gesproken.
3. Eisen aan contractpartners
Indien het OM met een contractpartner wil gaan samenwerken om te komen tot een vorm van structurele of incidentele opsporingsberichtgeving via de televisie, de radio, de geschreven media of internet, moet minimaal aan de volgende eisen en voorwaarden zijn voldaan:
a. De contractpartner moet akkoord gaan met de voorwaarden en criteria die in de aanwijzing Opsporingsberichtgeving zijn vastgelegd;
b. Uit de vorm van het opsporingsbericht en/of -programma moet blijken dat het een uiting betreft namens of van politie en OM. De contractpartner moet accepteren dat opsporingsberichtgeving een opsporingsmiddel is en dat de eindverantwoordelijkheid derhalve in handen van het OM ligt. De contractpartner moet het OM in staat stellen de regiefunctie naar behoren te vervullen. De belangen van opsporing, vervolging en privacy vergen dat het opsporingsitem een zakelijk en integer karakter krijgt. Andere trefwoorden zijn: zorgvuldigheid, doelmatigheid en kwaliteit;
c. De kosten van de productie en uitzending of verspreiding van het opsporingsbericht zijn voor rekening van de contractpartner. Dit geldt niet voor kosten die politie en OM maken in het kader van de samenwerking (bijvoorbeeld kosten op het gebied van de inzet van materieel en personeel).
Het OM zal geen samenwerking aangaan met een bepaalde zendgemachtigde of ander openbaar medium (genoemd in paragraaf 8 van deze aanwijzing) indien enig zwaarwegend belang (zoals opsporings- en vervolgingsbelangen, veiligheidsbelangen, belangen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ordeverstoringen etc.) het OM naar zijn oordeel noopt tot het afzien van een dergelijke samenwerking.
4. De Landelijke Selectiecommissie Opsporingsberichtgeving (LSO) en de Regionale Mediacommissies (RMC’s)
Omdat opsporingsberichtgeving een opsporingsmiddel is, dient de inzet ervan te geschieden onder verantwoordelijkheid van het OM. In de praktijk heeft het OM deze verantwoordelijkheid gedelegeerd aan de Landelijke Selectiecommissie en aan de Regionale Mediacommissies.
Deze commissies bewaken de inhoudelijke totstandkoming en de uitzending of verspreiding van de berichtgeving op basis van de eisen en voorwaarden zoals die zijn neergelegd in de aanwijzing. Het is de verantwoordelijkheid van de voorzitter van de commissies dat de afweging, die in bijzondere gevallen is gemaakt bij de selectie van een bepaalde zaak, op papier wordt vastgelegd. De verantwoordelijke hoofdofficier van justitie bepaalt uiteindelijk of het opsporingsmiddel al dan niet zal worden ingezet. Hij moet in een zo vroeg mogelijk stadium via de zaaksofficier en de persofficier de mogelijkheid krijgen een beslissing te nemen over het al dan niet inzetten van dit middel. De zaak kan pas worden aangemeld bij de commissies nadat de zaaksofficier zich over de inzet van dit opsporingsmiddel heeft uitgesproken.
De commissies zijn ingesteld door het OM en zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van justitie, politie en Koninklijke Marechaussee. De LSO is een adviesorgaan van het College van procureurs-generaal en de RMC’s vormen een adviesorgaan voor de hoofdofficieren van justitie.
De commissies worden voorgezeten door een lid van het OM. Bij de LSO is dat een hoofdofficier van justitie, aangesteld door het College van procureurs-generaal, bij de RMC’s een (door de hoofdofficier van justitie aangewezen) persofficier van justitie. De overeenkomsten die met de media worden afgesloten, worden ondertekend door de voorzitters van de commissies.
De LSO en de RMC’s werken in nauwe samenspraak met de contractpartner. De commissies zijn betrokken bij de redactionele, productionele en technische voorbereiding van opsporingsberichtgeving. De politieproducers van het KLPD toetsen namens de voorzitter van de LSO de inhoud, presentatie en vormgeving van het programma, respectievelijk het kranten- en internetbericht.
5. Toetsing bij gevoelige zaken
Indien sprake is van beleids-, publicitair of politiek gevoelige onderwerpen, dient de voorzitter van de LSO dan wel de voorzitter van de desbetreffende RMC voorafgaand aan de inzet van het opsporingsmiddel contact op te nemen met de voorzitter van het College.
6. Authentiek beeld- en geluidsmateriaal, compositiefoto’s en het maken van reconstructies
Steeds vaker blijken strafbare feiten te zijn vastgelegd op beeld- en geluidsdragers. Veel opnamen zijn geschikt om te worden ingezet voor opsporingsberichtgeving. Het gebruik van authentieke foto’s of videobeelden en geluidsbanden, maar ook het gebruik van compositiefoto’s en -tekeningen in opsporingsberichtgeving, veroorzaakt een inbreuk op de privacy van betrokkenen. De belangen van betrokkenen dienen derhalve zorgvuldig te worden afgewogen tegen de andere in het geding zijnde belangen zoals opsporings- en vervolgingsbelangen en veiligheidsbelangen.
6.1. Compositiefoto’s en -tekeningen
Bij compositiefoto’s en -tekeningen moet nog een nadere afweging worden gemaakt. De behandelend officier van justitie moet namelijk ook beoordelen of:
a. de compositiefoto of -tekening is samengesteld op grond van een of meer betrouwbare getuigenverklaringen en is vervaardigd volgens de daarvoor geldende eisen;
b. de compositiefoto of -tekening is vervaardigd door een terzake deskundige;
c. de compositiefoto niet de enige mogelijkheid tot herkenning van de dader is, maar uitsluitend wordt gebruikt in combinatie met andere gegevens, zoals signalement, kleding en vervoermiddel.
6.2. Reconstructies
Reconstructies van strafbare feiten die ten behoeve van het opsporingsitem worden gemaakt, dienen integer en waarheidsgetrouw te worden vervaardigd.
Door of namens de voorzitter van de LSO of de RMC wordt bekeken en beslist of een reconstructie kan bijdragen aan het doel van het programma: het oplossen van het strafbare feit.
De uitvoering van de reconstructie geschiedt in nauw overleg tussen de contractpartner en degene die namens de voorzitter van de commissie toezicht houdt.
7. Voorwaarden voor deelname aan opsporingsberichtgeving via de media
Om de zorgvuldigheid van de inzet van opsporingsberichtgeving te waarborgen wordt aan de contractpartners een aantal aanvullende eisen gesteld met betrekking tot auteurs- en gebruiksrecht van alle (uitgezonden en niet uitgezonden) audiovisuele opnamen en tekstberichten, alsmede met betrekking tot de archivering en het beheer ervan. Ook worden aanvullende eisen gesteld op het vlak van reclame-uitingen rond het opsporingsbericht. Deze eisen worden uitgewerkt in de met de contractpartner te sluiten contracten. In tegenstelling tot het verleden, toen met standaardcontracten werd gewerkt, zal er meer en meer sprake zijn van maatwerk gebaseerd op onderhandelingen met de contractpartner.
7.1. Kijkers- of lezersonderzoek
In samenspraak met de LSO zorgt de contractpartner bij structurele opsporingsberichtgeving voor een kijkers- of lezersonderzoek. Hierbij gaat het om het verkrijgen van inzicht in zowel de kwantitatieve gegevens (kijk- en oplagecijfers) als de kwalitatieve gegevens (zoals de aard van programma of rubriek, de reden waarom men kijkt, de aard van de kijker en/of lezer enz.) teneinde te kunnen bepalen of de partner beschikt over een publiek dat qua omvang en samenstelling interessant is voor het genereren van tips in de aangeboden zaken. Bij regionale contractpartners wordt een dergelijk onderzoek eveneens wenselijk geacht.
7.2. Betaling voor opsporingsberichtgeving
Politie en OM betalen niet mee aan het opzetten en/of uitzenden en/of publiceren van opsporingsberichten vanwege de onpartijdigheid van de Staat. Het is onwenselijk dat de indruk wordt gewekt dat door middel van betaling een privilege wordt verkregen voor de toepassing van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving.
8.1. Algemeen
Opsporingsberichtgeving kan op twee niveaus worden ingezet: landelijk of regionaal. In het eerste geval geschiedt dit via de LSO; in het tweede geval via de RMC. Op beide niveaus kan een onderverdeling worden gemaakt naar de soort opsporingsberichtgeving: korte televisieberichten, uitgebreide televisieberichten, teletekstberichten, kabelkranten, geschreven media, internet en radio.
Het OM kiest bij de inzet van opsporingsberichtgeving via de media in principe voor media die ter beschikking zijn via (de) contractpartner(s). In het belang van de opsporing en vervolging kan het voorkomen dat het OM meewerkt aan een journalistieke productie met een opsporingskarakter van een niet-contractpartner. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een niet-contractpartner beschikt over voor het onderzoek gevoelige informatie.
Steeds meer zal worden toegegaan naar een multimediale en doelgroepgerichte aanpak. Dit houdt in dat het opsporingsmiddel niet alleen via televisie, radio, geschreven media of internet zal worden toegepast, maar via meer media tegelijk. Dit betekent dat moet worden nagegaan door middel van welke vorm van opsporingsberichtgeving de kans op het verkrijgen van de juiste tips, en zo op opheldering, het grootst is. Dit kan betekenen dat in het krantenbericht andere opsporingsberichten worden geplaatst dan via de televisie worden uitgezonden of op het internet worden gezet.
8.2. Landelijke berichtgeving
a. Televisieberichten uitgebreid
Het OM kan ten behoeve van uitgebreide, structurele opsporingsberichtgeving op de landelijke televisie een contract afsluiten met een of meer landelijke zendgemachtigden. Dit geschiedt conform de eisen en voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in deze aanwijzing in paragraaf 3. Een dergelijk contract wordt voor bepaalde tijd afgesloten waarna opnieuw contractonderhandelingen plaats zullen vinden gebaseerd op mogelijk veranderde juridische en maatschappelijke inzichten.b. Korte opsporingsberichten via de televisie
Indien de voorzitter van de LSO meent dat uitzending van een opsporingsbericht in een bepaalde zaak niet kan wachten op een eerstvolgend structureel opsporingsprogramma, kan worden besloten tot het aanvragen van een kort opsporingsbericht.c. Teletekstberichten
Wanneer de Officier van Justitie het noodzakelijk vindt dat een opsporingsbericht wordt opgenomen op de landelijke teletekstservices, dient hij contact op te nemen met het secretariaatsbureau van de LSO bij de dNRI van de KLPD.
De tekst van het bericht wordt door dit secretariaat opgesteld in samenspraak met de officier. Een bericht op de teletekstservices wordt in principe niet langer dan 24 uur in beeld gebracht. Nadere wensen op dit gebied dienen via het genoemde secretariaatsbureau te worden ingebracht.d. Geschreven media
Het OM kan ten behoeve van uitgebreide, structurele opsporingsberichtgeving een contract afsluiten met een landelijk dagblad. Daarnaast kan op ad hoc basis aan de landelijke pers een opsporingsbericht worden aangeboden. Ook dit gebeurt op contractbasis.e. Radio
De LSO kan, al dan niet op instigatie van de RMC, een opsporingsbericht aan de radio aanbieden. Ook voor deze vorm van opsporingsberichtgeving geldt dat die op basis van een contract dient te geschieden.f. Internet
Voor opsporingsberichtgeving via Internet wordt gebruik gemaakt van www.politie.nl. In een aparte rubriek ‘Opsporingsberichtgeving’ worden landelijke opsporingsberichten aan het publiek aangeboden. Daarnaast zal elke politieregio afzonderlijk op zijn eigen internetpagina aandacht besteden aan regionale opsporingsberichten. Met dit medium is het mogelijk een nieuwe doelgroep, de gebruikers van het internet, om hulp te vragen bij de opheldering van de in het opsporingsbericht beschreven feiten.
Daarnaast kunnen politie en OM in het kader van een strafrechtelijk onderzoek redenen hebben om opsporingsberichten elders op het Internet te plaatsen. Dit kan bijvoorbeeld verband houden met het benaderen van een bepaalde doelgroep. In het geval van landelijke berichten gaat dit via (het secretariaatsbureau van) de LSO. De LSO is verantwoordelijk voor de inhoud van het opsporingsgedeelte van de landelijke site(s) en ziet erop toe dat deze voldoet aan hetgeen in deze aanwijzing is bepaald.
Een zendgemachtigde waarmee een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan met betrekking tot de totstandkoming en uitzending van opsporingsberichtgeving via de landelijke of regionale televisie, is niet gerechtigd onderwerpen en informatie uit het opsporingsprogramma dat zij heeft uitgezonden te gebruiken ten behoeve van een door haar opgestelde internetpagina, behoudens toestemming van respectievelijk de LSO (in geval van uitzending van het programma via de landelijke televisie) of de RMC (in geval van uitzending van het programma via regionale televisie). Aan deze toestemming kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden.
Het is van belang de sites waarop opsporingsberichtgeving wordt aangeboden zoveel mogelijk naar elkaar te laten verwijzen. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het zogenoemde ‘bannering’ waar via bepaalde providers wordt geattendeerd op de sites waarop opsporingsberichtgeving wordt aangeboden.
8.3. Internationale opsporingsberichten
Op opsporingsberichten via een zendgemachtigde in het buitenland zijn dezelfde voorwaarden en criteria van toepassing als op opsporingsberichten via een landelijke zendgemachtigde.
Hetzelfde geldt voor medewerking aan verzoeken van buitenlandse instanties om via de Nederlandse media opsporingsberichten uit te mogen zenden c.q. te mogen publiceren.
8.4. Vermiste kinderen
Voor de inzet van opsporingsberichtgeving ten behoeve van de opsporing van vermiste kinderen geldt een aparte regeling, die is uitgewerkt in bijlage 1 van deze aanwijzing. Uit deze bijlage volgt dat het voor de inzet van opsporingsberichtgeving niet noodzakelijkerwijs om het (vermoeden) van een ernstig misdrijf hoeft te gaan (zie bijlage I, categorie 3 en 4 ).
8.5. Regionale/lokale opsporingsberichtgeving
a. Televisieberichten uitgebreid
Een of meer Hoofdofficier(en) van Justitie kunnen ten behoeve van uitgebreide opsporingsberichtgeving op de televisie een overeenkomst afsluiten met een lokale of regionale zendgemachtigde. Dit geschiedt conform de eisen en voorwaarden die zijn vastgelegd in paragraaf 3 van deze aanwijzing.b. Televisieberichten kort
Indien de voorzitter van de RMC meent dat uitzending van een opsporingsbericht in een bepaalde zaak niet kan wachten tot het eerstvolgende structurele, regionale opsporingsprogramma, kan een beroep worden gedaan op de lokale of regionale zendgemachtigde.c. Teletekstberichten
Indien de Officier van Justitie het, na overleg met de leider van het rechercheteam, noodzakelijk acht dat er een opsporingsbericht wordt opgenomen in de teletekstservice van een lokale/regionale zendgemachtigde, kan hij hier via de RMC om verzoeken.
De tekst wordt opgesteld door of namens de RMC in samenspraak met de Officier van Justitie en de teamleider. Een bericht op de lokale of regionale teletekstservice wordt in principe niet langer dan 24 uur in de uitzending opgenomen.d. Kabelkranten
Als bij de inzet van de teletekstservice van een lokale of regionale zendgemachtigde.e.Geschreven media/radio
De RMC kan een opsporingsbericht aanbieden aan de regionale geschreven media en/of radio. Ook dit gebeurt op contractbasis.f. Internet
Hetgeen beschreven is in paragraaf 8.2.(e), is ook hier van toepassing.
Opsporingsberichtgeving op de internetsites van de parketten en de regionale politiekorpsen geschiedt via de RMC’s.
Bijlagen van Aanwijzing opsporingsberichtgeving">
9. Bijlagen
Bij deze Aanwijzing zijn zes bijlagen opgenomen, te weten:
1. Vermissing van kinderen. In deze bijlage is uitgewerkt welke regels OM en politie aanhouden bij opsporingsberichtgeving rond de vermissing van kinderen.
2. Geheimhoudingsverklaring ten behoeve van een landelijke uitgever/televisie ( 2a ) en ten behoeve van een regionale uitgever/televisie ( 2b )
3. Toestemmingsverklaring ( 3a en 3b )
4. Beschrijving van de interne organisatie en de werkwijze van de Landelijke Selectiecommissie Opsporingsberichtgeving en de Regionale Media Commissies.
Overgangsrecht
De beleidsregels in deze Aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.
Inhoudsopgave
Achtergrond
Samenvatting
Opsporingsberichtgeving
1. Afweging bij de inzet van opsporingsberichtgeving
2. Zaken die in aanmerking komen voor opsporingsberichtgeving
2.1. Zaken onder verantwoordelijkheid van het OM
2.2. Zaken buiten verantwoordelijkheid van het OM
3. Eisen aan contractpartners
4. De Landelijke Selectiecommissie Opsporingsberichtgeving (LSO) en de Regionale Mediacommissies (RMC’s)
5. Toetsing bij gevoelige zaken
6. Authentiek beeld- en geluidsmateriaal, compositiefoto’s en het maken van reconstructies
6.1. Compositiefoto’s en -tekeningen
6.2. Reconstructies
7. Voorwaarden voor deelname aan opsporingsberichtgeving via de media
7.1. Kijkers- of lezersonderzoek
7.2. Betaling voor opsporingsberichtgeving
8. Vormen van opsporingsberichtgeving
8.1. Algemeen
8.2. Landelijke berichtgeving
8.3. Internationale opsporingsberichten
8.4. Vermiste kinderen
8.5. Regionale/lokale opsporingsberichtgeving
9. Bijlagen
Overgangsrecht
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht