Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs
1. Opbouw accreditatiekader
Het accreditatiekader voor bestaande opleidingen in het hoger onderwijs bestaat uit:
een beoordelingskader, bestaande uit onderwerpen, facetten en criteria
beslisregels
criteria voor beoordeling van de gevolgde werkwijze en van het rapport van de Visiterende en Beoordelende Instantie (VBI) 1
een beschrijving van de werkwijze bij accreditatie van bestaande opleidingen.
Ten behoeve van de accreditatie wordt de opleiding beoordeeld aan de hand van zes onderwerpen. 2
Deze onderwerpen zijn:
doelstelling van de opleiding
programma
inzet van personeel
voorzieningen
interne kwaliteitszorg
resultaten.
De genoemde onderwerpen worden beoordeeld aan de hand van facetten en daarbij behorende criteria (zie hoofdstuk 2).
Optioneel kan een instelling de VBI verzoeken om een beoordeling van bijzondere kwaliteitskenmerken van de opleiding, waarover in het accreditatierapport een aantekening kan worden opgenomen. De beoordeling van bijzondere kwaliteitskenmerken is niet van invloed op de uitkomst van de accreditatie (zie hoofdstuk 3).
Bij de beoordeling door de VBI wordt een beoordelingsschaal toegepast en worden beslisregels gehanteerd die gebaseerd zijn op een weging van de criteria (zie hoofdstuk 4).
Accreditatie is afhankelijk van validering door de NAO van de externe beoordeling door de VBI. Hiertoe zijn criteria vastgesteld voor beoordeling van de gevolgde werkwijze en het rapport van de VBI (zie hoofdstuk 5).
Voor de accreditatie van bestaande opleidingen in het hoger onderwijs is een stappenplan op hoofdlijnen vastgesteld (zie hoofdstuk 6).
2.1. Doelstellingen opleiding
Facetten Criteria
Domeinspecifieke eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk)
Niveau: Bachelor en Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene, internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master
Oriëntatie HBO/WO De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in HBO en WO: HBO: De eindkwalificaties zijn mede ontleend aan de door (of in samenspraak met) het relevante beroepenveld opgestelde beroepsprofielen en/of beroepscompetenties Een HBO-bachelor heeft de kwalificaties voor het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar in een specifiek beroep of samenhangend spectrum van beroepen waarvoor een HBO-opleiding vereist is of dienstig is Een HBO-master heeft de kwalificaties voor het niveau van zelfstandig en/of leidinggevend beroepsbeoefenaar in een beroep of spectrum van beroepen, dan wel het niveau van het functioneren in een multidisciplinaire omgeving waarin een HBO-opleiding vereist is of dienstig is WO: De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline, de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multi- en interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is
2.2. Programma
Facetten Criteria
Eisen HBO/WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een HBO- of een WO-opleiding: HBO: Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats via vakliteratuur, aan de beroepspraktijk ontleend studiemateriaal en via interactie met de beroepspraktijk en of (toegepast) onderzoek Het programma heeft aantoonbare verbanden met actuele ontwikkelingen in het vakgebied/de discipline Het programma waarborgt de ontwikkeling van beroepsvaardigheden en heeft aantoonbare verbanden met de actuele beroepspraktijk WO: Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen
Relatie tussen doelstellingen en inhoud programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties, qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken
Samenhang programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma
Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren, die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen
Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: HBO-bachelor: VWO, HAVO, middenkaderopleiding of specialistenopleiding ( ) of daarmee vergelijkbare kwalificaties , blijkend uit toelatingsonderzoek WO-bachelor: VWO, HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties, blijkend uit toelatingsonderzoek HBO- en WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie
Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m.b.t. de omvang van het curriculum: HBO-bachelor: 240 studiepunten WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten HBO-master: minimaal 60 studiepunten WO-master: minimaal 60 studiepunten, afhankelijk van de opleiding
Afstemming tussen vormgeving en inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept
Beoordeling en toetsing Door de beoordelingen, toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd
WEB 4
2.3. Inzet van personeel
Facetten Criteria
Eisen HBO/WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een HBO- of een WO-opleiding: HBO: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door personeel dat een verbinding legt tussen de opleiding en de beroepspraktijk WO: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied
Kwantiteit personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen
Kwaliteit personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma
2.4. Voorzieningen
Voorzieningen
Facetten Criteria
Materiële voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren
Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang
  De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten
2.5. Interne kwaliteitszorg
Facetten Criteria
Evaluatie resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd, mede aan de hand van toetsbare streefdoelen
Maatregelen tot verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen
Betrekken van medewerkers, studenten, alumni en beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers, studenten, alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken
2.6. Resultaten
Facetten Criteria
Gerealiseerd niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen
Onderwijs-rendement Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers
3. Bijzondere kwaliteitskenmerken
Accreditatie is gericht op de basiskwaliteit. Daarbij wordt de instelling beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader uit hoofdstuk 2. Om een instelling de gelegenheid te geven zich te profileren kan de instelling daarnaast de NAO verzoeken om een oordeel te geven over bijzondere kenmerken van kwaliteit. Dit kan leiden tot een aantekening in het accreditatierapport dat daadwerkelijk sprake is van bijzondere kenmerken. Het oordeel over bijzondere kwaliteitskenmerken heeft geen invloed op de accrediteringsbeslissing van de NAO.
De bijzondere kenmerken moeten voldoen aan de volgende criteria:
4.1. Beoordeling facetten
De VBI’s gebruiken bij hun beoordeling van de facetten uit het beoordelingskader de volgende schaal:
excellent
goed
voldoende
onvoldoende.
4.2. Beoordeling opleiding
Voor een positief eindoordeel door de VBI moet het oordeel over elk onderwerp tenminste voldoende zijn. Het oordeel per onderwerp komt tot stand op basis van weging van oordelen over de afzonderlijke facetten van dat onderwerp door de VBI. 5 De VBI moet inzichtelijk maken hoe de beoordeling van de verschillende facetten heeft geleid tot het samenvattend oordeel over een onderwerp, met andere woorden hoe zij - gegeven de criteria uit dit accreditatiekader en het eigen referentiekader - op basis van de analyse per facet tot het oordeel per onderwerp is gekomen.
Bij het eindoordeel over kwaliteit van de opleiding dient de VBI aan te geven hoe dit is gebaseerd op de feiten, haar analyse van de feiten en de beoordeling van de opleiding op basis van dit accreditatiekader en haar eigen referentiekader.
Wanneer er sprake is van verschillende varianten van een opleiding (voltijd, deeltijd en duaal), dan moet uit de beoordeling blijken dat voor elke variant de basiskwaliteit is gewaarborgd op grond van de criteria uit dit beoordelingskader om te komen tot een positief eindoordeel over de opleiding.
Indien een opleiding onder één CROHO-registratie wordt aangeboden op meerdere locaties, kan de opleiding alleen voor accreditatie in aanmerking komen als uit het oordeel van de VBI blijkt dat elke locatie voldoet aan de in dit kader genoemde criteria voor basiskwaliteit.
5. Beoordeling gevolgde werkwijze en rapport VBI
De VBI brengt in opdracht van de instelling een rapport uit over de kwaliteit van de opleiding. De NAO beoordeelt het rapport van de VBI om te bezien of op basis daarvan een beslissing over accreditatie van de opleiding kan worden genomen.
In het rapport wordt tevens de gevolgde werkwijze beschreven, zodat de NAO deze kan beoordelen. Er wordt onder andere getoetst of het door de VBI gehanteerde referentiekader in ieder geval de onderwerpen en facetten uit het accreditatiekader bestaande opleidingen van de NAO omvat. Verder dient de VBI de in het accreditatiekader beschreven beslisregels adequaat toe te passen. Ook is het gewenst dat het kwaliteitsoordeel van de VBI mede gebaseerd is op een vergelijking met verwante andere opleidingen en zo mogelijk met internationaal gehanteerde normen voor opleidingen in het desbetreffende domein.
Het rapport van de VBI moet voldoende evidentie bevatten dat de opleiding al dan niet aan de criteria voor basiskwaliteit voldoet. Het rapport behandelt minimaal de zes in dit accreditatiekader genoemde onderwerpen, waarbij per onderwerp aan alle facetten aandacht wordt besteed. Voor ieder facet wordt een oordeel op de vierpuntsschaal gegeven, op basis waarvan per onderwerp een oordeel wordt gegeven. De oordelen worden zo goed mogelijk onderbouwd met feiten en analyses. Het rapport wordt afgerond met een samenvattend oordeel over de opleiding.
Het rapport dient tevens inzicht te verschaffen in de kwaliteit van het panel van deskundigen dat de opleiding heeft beoordeeld. Daarbij wordt in elk geval informatie gegeven over de omvang en samenstelling van het panel naar ingebrachte kennis en ervaring, de onafhankelijkheid van de panelleden en de deskundigheid en gezaghebbendheid van de panelleden.
De NAO beoordeelt het rapport van de VBI aan de hand van criteria, die enerzijds zijn afgeleid van het accreditatiekader en anderzijds betrekking hebben op de door de VBI gehanteerde methode. Deze criteria worden omschreven in een toetsingskader voor de werkwijze van visiterende en beoordelende instanties. 6
1. Uitgangspunten voor de accreditatie zijn de wet en de onderwerpen, facetten, criteria en beslisregels uit dit accreditatiekader.
2. Op verzoek van een instelling organiseert een VBI een externe beoordeling. Het daarbij te gebruiken referentiekader dekt tenminste de onderwerpen, facetten en criteria uit dit accreditatiekader.
3. De instelling voert een zelfevaluatie uit. Het zelfevaluatierapport geeft een beschrijving en een evaluatie van de opleiding aan de hand van ten minste de onderwerpen, facetten en criteria uit dit accreditatiekader. Daarbij worden de verschillende varianten van de opleiding (voltijd, deeltijd en/of duaal) apart beschreven en geëvalueerd.
In de zelfevaluatie wordt verder aangegeven wat volgens de instelling het niveau (Bachelor of Master) en de oriëntatie (HBO of WO) van de opleiding is. Dit wordt duidelijk beargumenteerd. Tevens wordt aangegeven of het een initiële dan wel een postinitiële opleiding betreft.
4. De instelling geeft de VBI opdracht op basis van haar zelfevaluatie de kwaliteit van de opleiding te beoordelen. De VBI visiteert de opleiding en verifieert het oordeel uit de zelfevaluatie. Hierbij beoordeelt de VBI ook de kwaliteit van de zelfevaluatie. Verder stelt de VBI vast of de kwaliteit van de opleiding voldoet aan de criteria voor basiskwaliteit en spreekt vervolgens een samenvattend oordeel uit, dat wordt gemotiveerd in een rapport.
5. De instelling dient een aanvraag in bij de NAO voor accreditatie van de opleiding. In deze aanvraag worden de volgende kenmerken van de opleiding beschreven:
niveau (Bachelor of Master)
oriëntatie (HBO of WO)
varianten (voltijd, deeltijd en/of duaal)
initieel of postinitieel
vestigingsplaatsen.
Bij deze aanvraag wordt het rapport van de VBI gevoegd. Dit rapport moet voldoende actueel zijn: de beoordeling moet betrekking hebben op de situatie van maximaal één jaar voor het indienen van de aanvraag.
6. De NAO beoordeelt het rapport van de VBI en het daarin uitgesproken integrale oordeel en toetst dit aan het accreditatiekader. In voorkomende gevallen kan de NAO verzoeken om aanvullende informatie. Het besluit van de NAO over accreditatie is binnen drie maanden beschikbaar. Het voornemen tot dit besluit wordt eerst schriftelijk meegedeeld aan de instelling, die dan binnen de beslistermijn van 3 maanden van de NAO twee weken de mogelijkheid heeft om te reageren.
Indien de opleiding voldoet aan de criteria uit het accreditatiekader wordt deze geaccrediteerd voor de duur van zes jaar. Als de beschikbare informatie uit het rapport van de VBI naar het oordeel van de NAO ontoereikend is om een oordeel uit te spreken, kan het besluit worden uitgesteld. De bestaande accreditatie van de opleiding loopt dan door tot de NAO een besluit heeft genomen.
7. Voor de instelling staan de wettelijke mogelijkheden van bezwaar en beroep tegen het besluit open.
8. De NAO geeft publieke bekendheid aan het resultaat van de accreditatie met vermelding van de graad (Bachelor/Master, HBO/WO).
Inhoudsopgave
1. Opbouw accreditatiekader
2. Beoordelingskader 3
2.1. Doelstellingen opleiding
2.2. Programma
2.3. Inzet van personeel
2.4. Voorzieningen
2.5. Interne kwaliteitszorg
2.6. Resultaten
3. Bijzondere kwaliteitskenmerken
4. Beslisregels accreditatie
4.1. Beoordeling facetten
4.2. Beoordeling opleiding
5. Beoordeling gevolgde werkwijze en rapport VBI
6. Werkwijze accreditatie bestaande opleidingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht