Let op. Deze wet is vervallen op 14 september 2013. U leest nu de tekst die gold op 13 september 2013.

AFUP-garantieregeling

Uitgebreide informatie
AFUP-garantieregeling
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
gelet op artikel artikel 88a, vijfde lid, en artikel 88b, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. AFUP-garantieregeling:
de regeling, bedoeld in artikel 2;
b. AFUP-garanties:
de AFUP-garanties, bedoeld in de artikelen 7, 8 en 10;
c. AFUP-opbouwreglement:
het reglement waarin de opbouwdelen van de AFUP-regeling zijn vastgelegd en als zodanig deel uitmakend van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
d. AFUP-pensioen:
het ingevolge de AFUP-regeling op verplichte basis opgebouwde pensioen;
e. AFUP-regeling:
de regeling, bedoeld in artikel A.3 van het AFUP-opbouwreglement;
f. algemeen deel:
het algemeen deel, bedoeld in artikel A.3, tweede lid, van het AFUP-opbouwreglement;
g. ambtenaar:
de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van het Barp;
h. Barp:
Besluit algemene rechtspositie politie ;
i. basis algemeen:
de basis algemeen, bedoeld in artikel E.3, tweede lid, onderdeel b, van het AFUP-opbouwreglement;
j. basisgarantie algemeen:
de basisgarantie algemeen, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel b;
k. basisgarantie specifiek:
de basisgarantie specifiek, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel b;
l. basis specifiek:
de basis specifiek, bedoeld in artikel E.3, derde lid, onderdeel b, van het AFUP-opbouwreglement;
m. bijzondere garantie:
de garantie, bedoeld in artikel 10;
n. deelnemer:
de deelnemer, bedoeld in artikel 6;
o. deeltijdfactor:
de deeltijdfactor, bedoeld in artikel 1.2 van het pensioenreglement, in de politiefunctie;
p. FLO-regeling:
Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 24 juni 1966, Stb. 286, zoals de regeling luidde op 1 januari 1998;
q. flo-gerechtigde functie:
een betrekking bij een werkgever als bedoeld in artikel 4, waarvoor tot 1 januari 2001 een leeftijdsgrens gold op grond van artikel 88, eerste lid, van het Barp;
r. fpu-regeling:
de fpu-regeling, bedoeld in artikel 1.5 van het pensioenreglement;
s. fpu-reglement:
reglement flexibel pensioen en uittreden ter zake van basis-uitkering en aanvullende uitkering;
t. garantie algemeen:
de garantie algemeen, bedoeld in artikel 7, tweede lid;
u. garantie specifiek:
de garantie specifiek, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
v. Inkomen:
het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement, tenzij uit een betreffende bepaling het tegendeel blijkt;
w. LSOP:
het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, bedoeld in artikel 2 van de LSOP-wet;
x. opbouw algemeen:
de opbouw algemeen, bedoeld in artikel E.3, tweede lid, onderdeel a van het AFUP-opbouwreglement;
y. opbouwgarantie algemeen:
de opbouwgarantie algemeen, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel a;
z. opbouwgarantie specifiek:
de opbouwgarantie specifiek, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onderdeel a;
aa. opbouw specifiek:
de opbouw specifiek, bedoeld in artikel E.3, derde lid, onderdeel a, van het AFUP-opbouwreglement;
bb. pensioenreglement:
het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
cc. politiefunctie:
een functie bij een werkgever als bedoeld in artikel 4;
dd. specifiek deel:
het specifiek deel, bedoeld in artikel A.3, derde lid, van het AFUP-opbouwreglement;
ee. sectorale commissie politie:
de sectorale commissie politie, bedoeld in artikel 3a van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994.
Artikel 2
De uitkeringen op grond van de AFUP-garantieregeling vormen een aanvulling op de uitkeringen krachtens de fpu-regeling en het AFUP-opbouwreglement.
Artikel 3
Deze regeling is van toepassing op de werkgevers in de sector politie, hun werknemers en de nabestaanden van die werknemers.
Artikel 4
Werkgevers in de sector politie zijn:
a. de Minister van Veiligheid en Justitie, voor zover het betreft de korpschef;
b. de korpschef, voor zover het betreft de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die werkzaam is bij de politie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b van de Politiewet 2012;
c. de raad van toezicht van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
d. het college van bestuur van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
e. het College van procureurs-generaal, voor zover het betreft de ambtenaar van de rijksrecherche.
Artikel 5
Werknemers zijn de werknemers, bedoeld in artikel 2.3 van het pensioenreglement, voor zover zij arbeid in een dienstverhouding verrichten bij een werkgever als bedoeld in artikel 4.
1.
Deelnemer in de AFUP-garantieregeling is de werknemer voor zover hij:
a. op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 een flo-gerechtigde functie vervulde;
b. op 1 januari 2001 jonger was dan 50 jaar; en
c. vanaf 1 januari 2001 ononderbroken werknemer is geweest.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt de werknemer geacht deelnemer te zijn, indien aan hem voor of op 12 maart 1999 dan wel voor of op 31 december 2000 ontslag is verleend:
a. in verband met arbeidsongeschiktheid en hij uiterlijk op 31 december 2005 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft;
b. met recht op wachtgeld en hij uiterlijk op 30 juni 2002 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft;
c. in verband met zorgtaken en hij uiterlijk op 31 december 2004 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt niet als onderbreking aangemerkt:
a. een onderbreking van maximaal twee maanden;
b. een onderbreking van maximaal vijf jaren gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid en het tijdstip waarop de werknemer wederom de hoedanigheid van werknemer heeft verworven;
c. een onderbreking van maximaal 18 maanden gelegen tussen een tijdstip met ingang waarvan de werknemer - al dan niet na ontslag - recht op wachtgeld of een ontslaguitkering heeft verkregen en het tijdstip waarop die werknemer opnieuw de hoedanigheid van werknemer heeft verworven;
d. een onderbreking van maximaal vier jaar gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met zorgtaken en het tijdstip waarop de werknemer opnieuw de hoedanigheid van werknemer heeft verworven.
1.
De deelnemer die recht heeft op een AFUP-pensioen heeft recht op een garantie algemeen.
2.
De garantie algemeen is een aanvulling op het algemeen deel en bestaat uit een opbouwgarantie algemeen en een basisgarantie algemeen. De garantie algemeen wordt berekend over de jaren doorgebracht als werknemer, bedoeld in artikel 5, gelegen voor 1 januari 2001.
3.
De voor de berekening van de garantie algemeen in aanmerking te nemen jaren, bedoeld in het tweede lid, worden beperkt tot het verschil tussen 35 jaren en het aantal jaren waarin de deelnemer AFUP-pensioen heeft opgebouwd.
4.
De beperking, bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op de deelnemer die op 1 januari 2001 in actieve dienst is, niet de eerste opleiding volgt, en door het ingeschaald zijn of worden in schaal 12 of hoger in een op 12 maart 1999 flo-gerechtigde functie en vanaf 1 januari 2001 inclusief garantiejaren voor het specifiek deel geen 25 zware jaren kan behalen voor het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.
5.
De som van de fpu-uitkering, het algemeen deel en het specifiek deel bedraagt voor de in het vierde lid bedoelde deelnemer
a. geboren voor 31 december 1963 maximaal 87%;
b. geboren na 31 december 1953 en voor 1 januari 1964 maximaal 82%;
c. geboren voor 1 januari 1954 maximaal 80% van het gemiddelde inkomen over de gehele diensttijd doorgebracht in de sector politie vermenigvuldigd met de gemiddelde deeltijdfactor over die diensttijd, waarbij de jaren voor 1 januari 2004 meetellen op basis van het inkomen op 1 januari 2004. De inkomens die bij de vaststelling van het gemiddelde inkomen worden gehanteerd worden met overeenkomstige toepassing van artikel 12.1 van het Pensioenreglement aangepast.
6.
De garantie algemeen, bedoeld in het tweede lid, bedraagt jaarlijks de som van opbouwgarantie algemeen en basisgarantie algemeen waarbij:
a. opbouwgarantie algemeen het bedrag is dat resulteert uit de vermenigvuldiging van 0,714 procent van het inkomen op 1 januari 2004 minus de franchise ter grootte van € 15.450 met de jaren, bedoeld in de voorgaande leden; en
b. basisgarantie algemeen het bedrag is dat resulteert uit de vermenigvuldiging van 0,500 procent van de franchise ter grootte van € 15.450 met de jaren, bedoeld in de voorgaande leden.
7.
Het bedrag van de garantie algemeen wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 12.1 van het Pensioenreglement aangepast.
8.
Indien de deelnemer gedurende de jaren, bedoeld in het tweede lid, een deeltijdbetrekking heeft vervuld, wordt de volgens het vijfde lid berekende garantie algemeen vermenigvuldigd met de gemiddelde deeltijdfactor over die termijn. Artikel 4, lid 4.3.1.1. tot en met 4.3.1.3., van het fpu-reglement is van overeenkomstige toepassing.
9.
Bij een vervroegde uittreding voor het bereiken van de leeftijd van 61 jaar wordt de garantie algemeen vermenigvuldigd met de factor die in kolom 3 van de bij deze regeling behorende tabel Ia, is opgenomen achter het daarbij in de kolommen 1 en 2 genoemde tijdstip van vervroegde uittreding. Bij een vervroegde uittreding na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar wordt de garantie algemeen niet aangepast.
10.
In geval van vervroegde uittreding in deeltijd wordt de met toepassing van de voorgaande leden vastgestelde garantie algemeen vermenigvuldigd met een factor.
11.
De factor, bedoeld in het achtste lid, is gelijk aan de mate waarin de vermindering van de omvang van de betrekking ter zake van de vervroegde uittreding in deeltijd zich verhoudt tot de omvang van de betrekking waaruit de werknemer voor de eerste keer vervroegd is uitgetreden. Bij het bepalen van de factor, bedoeld in de vorige volzin, wordt een toename van de betrekkingsomvang na vervroegde uittreding buiten beschouwing gelaten.
1.
De deelnemer die recht heeft op een AFUP-pensioen heeft recht op een garantie specifiek.
2.
De garantie specifiek is een aanvulling op het specifiek deel en bestaat uit een opbouwgarantie specifiek en een basisgarantie specifiek. De garantie specifiek wordt berekend over de jaren voor 1 januari 2001 welke zijn doorgebracht:
a. in dienst bij de politie voor zover het niet betreft de jaren van de eerste opleiding;
b. direct voorafgaande aan de politiejaren, in dienst van de Koninklijke Marechaussee waarin ten behoeve van de bijstand bij de politie werkzaamheden zijn verricht.
3.
Bij de berekening van de garantie specifiek, bedoeld in het tweede lid, worden maximaal 25 jaren in aanmerking genomen.
4.
De garantie specifiek, bedoeld in het tweede lid, bedraagt jaarlijks de som van opbouwgarantie specifiek en basisgarantie specifiek waarbij:
a. opbouwgarantie specifiek het bedrag is dat resulteert uit de vermenigvuldiging van 1,006 procent van het inkomen op 1 januari 2004 minus de franchise ter grootte van € 15.450 met het aantal jaren, bedoeld in de voorgaande leden; en
b. basisgarantie specifiek het bedrag is dat resulteert uit de vermenigvuldiging van 0,971 procent van de franchise ter grootte van € 15.450 met het aantal jaren, bedoeld in de voorgaande leden.
5.
Het bedrag van de garantie specifiek wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 12.1 van het Pensioenreglement aangepast.
6.
Indien de deelnemer gedurende de jaren, bedoeld in het tweede lid, een deeltijdbetrekking heeft vervuld, wordt de volgens het vierde lid berekende garantie specifiek vermenigvuldigd met de gemiddelde deeltijdfactor over die termijn. Artikel 4, lid 4.3.1.1. tot en met 4.3.1.3., van het fpu-reglement is van overeenkomstige toepassing.
7.
Indien de deeltijdfactor op peildatum 1 april 2000 hoger is dan de gemiddelde deeltijdfactor, bedoeld in het vijfde lid, wordt de volgens het vierde lid berekende garantie specifiek vermenigvuldigd met de hogere deeltijdfactor.
8.
Bij een vervroegde uittreding voor het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt de garantie specifiek vermenigvuldigd met de factor die in kolom 3 van de bij deze regeling behorende tabel Ib, is opgenomen achter het daarbij in de kolommen 1 en 2 genoemde tijdstip van vervroegde uittreding. Bij een uittreding na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt de uitkering niet aangepast.
9.
In geval van vervroegde uittreding in deeltijd wordt de met toepassing van de voorgaande leden vastgestelde garantie specifiek vermenigvuldigd met een factor.
10.
De factor, bedoeld in het zevende lid, is gelijk aan de mate waarin de vermindering van de omvang van de betrekking ter zake van de vervroegde uittreding in deeltijd zich verhoudt tot de omvang van de betrekking waaruit de werknemer voor de eerste keer vervroegd is uitgetreden. Bij het bepalen van de factor, bedoeld in de vorige volzin, wordt een toename van de betrekkingsomvang na vervroegde uittreding buiten beschouwing gelaten.
Artikel 9
Tenzij de deelnemer het bevoegd gezag kan aantonen dat een afwijkende opleidingstijd geldt, is de duur van de eerste opleiding, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a:
a. voor de deelnemer die de basisopleiding tot medewerker basispolitiezorg heeft gevolgd en deze opleiding is begonnen voor 1 oktober 1983: twaalf maanden;
b. voor de deelnemer die de basisopleiding tot medewerker basispolitiezorg heeft gevolgd en deze opleiding is begonnen op of na 1 oktober 1983 maar voor 11 juni 1997: negentien maanden;
c. voor de deelnemer die de basisopleiding tot medewerker basispolitiezorg heeft gevolgd en deze opleiding is begonnen op of na 11 juni 1997: zestien maanden;
d. voor de deelnemer die de basisopleiding tot leidinggevende op tactisch niveau heeft gevolgd en bij aanvang van de opleiding niet gerechtigd was tot het voeren van een titel als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, onderdelen a, c en d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de opleiding is begonnen voor 1 augustus 1990: vier jaren;
e. voor de deelnemer die de basisopleiding tot leidinggevende op tactisch niveau heeft gevolgd en bij aanvang van de opleiding gerechtigd was tot het voeren van een titel als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, onderdelen a, c en d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de opleiding is begonnen voor 1 augustus 1990: vier jaren;
f. voor de deelnemer die de basisopleiding tot leidinggevende op tactisch niveau heeft gevolgd en bij aanvang van de opleiding gerechtigd was tot het voeren van een titel als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, onderdelen a, c en d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de opleiding is begonnen op of na 1 augustus 1990 maar voor 11 juni 1997: twee jaren;
g. voor de deelnemer die de basisopleiding tot leidinggevende op tactisch niveau heeft gevolgd en bij aanvang van de opleiding gerechtigd was tot het voeren van een titel als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, onderdelen a, c en d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de opleiding is begonnen op of na 11 juni 1997: de werkelijke opleidingsduur;
h. voor de deelnemer die de basisopleiding tot surveillant van politie heeft gevolgd: zes maanden.
1.
Onverminderd de artikelen 7 en 8 heeft de deelnemer die bij eerste indiensttreding in een flo-gerechtigde functie 35 jaar of ouder was, gedurende de leeftijd van 60 tot 65 jaar recht op een aanvulling op het AFUP-pensioen tot het niveau van 70 procent van de berekeningsgrondslag.
1.
Onverminderd de artikelen 7 en 8 heeft de deelnemer die bij eerste indiensttreding in een flo-gerechtigde functie 35 jaar of ouder was, gedurende de periode van 60 tot 65 jaar recht op een aanvulling op het afup-pensioen tot een bepaald percentage van het gemiddelde inkomen over de gehele diensttijd. De jaren voor 1 januari 2004 tellen daarbij mee op basis van het inkomen op 1 januari 2004.
2.
Het onder het in het eerste lid bedoelde percentage van het gemiddelde inkomen bedraagt
76 voor de deelnemer geboren na 31 december 1963;
72 voor de deelnemer geboren na 31 december 1953 en voor 1 januari 1964;
70 voor de deelnemer geboren voor 1 januari 1954.
3.
De bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde aanvulling op het afup-pensioen gehanteerde inkomens (of de aanvulling op het afup-pensioen gehanteerde inkomens, bedoeld in het eerste lid, worden met overeenkomstige toepassing van artikel 12.1 van het Pensioenreglement aangepast.
4.
Indien de deelnemer gedurende een termijn van tien jaren direct voorafgaande aan de vervroegde uittreding een deeltijdbetrekking heeft vervuld, wordt de aanvulling, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de gemiddelde deeltijdfactor over die termijn.
5.
Bij een vervroegde uittreding voor het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt de aanvulling, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de factor die in kolom 3 van de bij deze regeling behorende tabel Ib, is opgenomen achter het daarbij in de kolommen 1 en 2 genoemde tijdstip van vervroegde uittreding. Bij een uittreding na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt de aanvulling niet aangepast.
6.
In geval van vervroegde uittreding in deeltijd wordt de met toepassing van de voorgaande leden vastgestelde aanvulling vermenigvuldigd met een factor.
7.
De factor, bedoeld in het zesde lid, is gelijk aan de verhouding tussen de mate van uittreden en de omvang van de betrekking waaruit de werknemer voor de eerste keer vervroegd is uitgetreden. Bij het bepalen van de factor, bedoeld in de vorige volzin, wordt een toename van de betrekkingsomvang na vervroegde uittreding buiten beschouwing gelaten.
1.
Het bedrag van de met toepassing van hoofdstuk 3 berekende AFUP-garanties wordt verminderd, indien de deelnemer inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf aangevangen op of na de datum van ingang van het betreffende AFUP-pensioen.
2.
Vermindering vindt plaats voor zover de tot een jaarbedrag herleide som van die inkomsten, de fpu-uitkering, het AFUP-pensioen en de AFUP-garanties berekend met toepassing van hoofdstuk 3, het inkomen in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het recht op afup-pensioen ontstaat vermenigvuldigd met de deeltijdfactor in betreffende functie overschrijdt.
3.
Bij de vaststelling van de vermindering, bedoeld in het tweede lid, wordt voor wat betreft de fpu-uitkering uitgegaan van het bedrag aan fpu-uitkering nadat toepassing is gegeven aan artikel 9 van het fpu-reglement.
1.
Indien de fpu-uitkering wordt verminderd met inkomsten uit arbeid of bedrijf aangevangen binnen een jaar voorafgaand aan het fpu-ontslag, wordt het bedrag van de met toepassing van hoofdstuk 3 en artikel 11 berekende AFUP-garanties aangevuld.
2.
De aanvulling is het bedrag waarmee de fpu-uitkering is verminderd, vermenigvuldigd met een factor waarvan:
a. de teller wordt gevormd door het aantal garantiejaren; en
b. de noemer wordt gevormd door de som van het aantal garantiejaren en de pensioengeldige tijd.
3.
Voor de berekening van de aanvulling wordt verstaan onder:
a. garantiejaren: de jaren, bedoeld in artikel 7;
b. pensioengeldige tijd: de tijd die is meegenomen bij de vaststelling van de aanspraken op afup-pensioen ingevolge artikel 18e.1 van het Pensioenreglement en de tijd die vanaf 1 januari 2004 is doorgebracht als deelnemer, bedoeld in artikel B.3, eerste lid van het afup-opbouwreglement.
1.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de AFUP-gepensioneerde, wordt aan de partner, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een overlijdensuitkering toegekend ten bedrage van de AFUP-garanties, berekend met toepassing van hoofdstuk 3, waarop de AFUP-gepensioneerde in de maand voor zijn overlijden aanspraak had.
2.
Bij ontstentenis van een partner als bedoeld in het eerste lid, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van de wezen, bedoeld in artikel 7.6 van het pensioenreglement.
3.
Bij ontstentenis van zowel een partner als bedoeld in het eerste lid, als wezen als bedoeld in het tweede lid, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van de ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, indien de overledene de kostwinner was van de genoemde betrekkingen.
4.
Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid nalaat, kan het bedrag van de overlijdensuitkering door het bestuur geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel 14
De AFUP-garanties, berekend met toepassing van hoofdstuk 3, komen ten laste van de Minister van Veiligheid en Justitie.
1.
De AFUP-garanties, berekend met toepassing van hoofdstuk 3, gaan in met ingang van de dag waarop het recht op AFUP-pensioen ingaat.
2.
Het recht op AFUP-garanties, berekend met toepassing van hoofdstuk 3, eindigt met ingang van de dag waarop het recht op AFUP-pensioen eindigt.
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: AFUP-garantieregeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Minister
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
+ Hoofdstuk 3. AFUP-garanties
+ Hoofdstuk 4 Anti-cumulatie
+ Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken