Let op. Deze wet is vervallen op 24 januari 2004. U leest nu de tekst die gold op 23 januari 2004.

Bekendmaking subsidiabele thema's Extra Impuls natuur- en milieu-educatie

Uitgebreide informatie
Bekendmaking subsidiabele thema’s Extra Impuls natuur- en milieu-educatie
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Gelet op de artikelen 3 en 8, vierde lid, van de Regeling subsidiëring Extra Impuls natuur- en milieu-educatie
Besluit:
Artikel 1
Aanvragen tot subsidieverlening voor themaprojecten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling subsidiëring Extra Impuls natuur- en milieueducatie , kunnen ingediend worden voor de volgende thema’s:
a. professionalisering;
b. biodiversiteit;
c. mobiliteit;
d. mondiale aspecten;
e. duurzaamheid;
f. natuurbesef.
Artikel 2
Themaprojecten betreffende professionalisering zijn gericht op:
a. het professionaliseren van uitvoerende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie door het opstellen en uitvoeren van plannen die daartoe strekken, of
b. het professionaliseren van ondersteunende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie, die een actieve en adviserende rol spelen ten behoeve van het professionaliseren van uitvoerende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie in hun werkgebied.
Artikel 3
Themaprojecten betreffende biodiversiteit zijn gericht op het ontwikkelen van voorbeelden ten behoeve van educatie over duurzaam behoud, duurzame benutting en een eerlijke en billijke verdeling van biodiversiteit op lokaal, regionaal, landelijk en mondiaal niveau alsmede van de voordelen die voortvloeien uit biodiversiteit.
Artikel 4
Themaprojecten betreffende mobiliteit zijn gericht op het bevorderen van leren over keuzen rond mobiliteit door middel van bewustwording en probleemherkenning bij verschillende doelgroepen, zoals vrouwen, ouders, werknemers, jongeren en sporters.
Artikel 5
Themaprojecten betreffende mondiale aspecten zijn gericht op:
a. het ontwikkelen van samenwerkingsverbanden tussen Nederlandse en mondiale organisaties betrokken bij natuur- en milieueducatie, en
b. het geven van een breder perspectief aan natuur- en milieueducatie.
Artikel 6
Themaprojecten betreffende duurzaamheid zijn gericht op het ontwikkelen van voorbeelden voor educatieve programma’s in verband met het streven naar duurzaamheid, zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio de Janeiro inzake Milieu en Ontwikkeling (UNCED, 1992).
Artikel 7
Themaprojecten betreffende natuurbesef zijn gericht op het ontwikkelen van een natuurbegrip gericht op de noodzaak en het nut van zorgvuldig en duurzaam omgaan met natuur en milieu.
1.
Voor het thema professionalisering komen uitsluitend projecten voor subsidiëring in aanmerking waarmee:
a. een proces van professionalisering op gang wordt gebracht bij uitvoerende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie, welk proces gericht is op inhoudelijke positionering, bedrijfsvoering en management van de betrokken organisatie, of waarmee
b. een proces van professionalisering op gang wordt gebracht bij ondersteunende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie, welk proces gericht is op verbetering van de ondersteuning aan uitvoerende organisaties met betrekking tot inhoud, bedrijfsvoering en management.
2.
Bij de aanvraag wordt het professionaliseringsmodel voor organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie, zoals dat is ontwikkeld in het Programma professionalisering NME 1997, als uitgangspunt gehanteerd.
1.
Voor het thema biodiversiteit komen uitsluitend projecten voor subsidiëring in aanmerking waarmee de ontwikkeling van voorbeelden voor educatieve programma’s wordt gerealiseerd die gericht zijn op een inventieve, heldere en evenwichtige uiteenzetting van de ecologische, economische en maatschappelijke aspecten van:
a. biodiversiteit in relatie tot visvangst in zeeën, rivieren en andere wateren;
b. biodiversiteit in de directe werk- en woonomgeving;
c. de onderlinge relaties tussen duurzaam behoud, duurzaam gebruik en eerlijke en billijke verdeling van natuurlijke hulpbronnen dan wel van de opbrengsten daarvan.
2.
Prioriteit hebben projecten met mogelijkheden tot implementatie op ruime schaal in buitenschoolse leersituaties of met potenties tot goede inpassing op ruime schaal in het reguliere onderwijs.
1.
Voor het thema mobiliteit komen uitsluitend projecten voor subsidiëring in aanmerking die:
a. direct bijdragen aan het versterken van lokale initiatieven, gericht op het leren herkennen en benoemen van integrale oplossingen van mobiliteitsvraagstukken;
b. het bewust hanteren van leerstijlen en leerstrategieën in het kader van lokale initiatieven bevorderen;
c. educatieve initiatieven optimaliseren die betrekking hebben op:-
korte verplaatsingen;-
ketenmobiliteit;-
jongeren, of-
combinaties daarvan;
d. de mogelijkheid exploreren om vanuit het perspectief van natuur- en milieueducatie de relatie tussen mobiliteit en leefstijl aan de orde te stellen.
2.
Prioriteit hebben projecten die zich richten op sociale leerprocessen op lokaal niveau en specifiek op de doelgroep jongeren, rekening houdend met de vereisten van een multiculturele benadering.
Artikel 11
Voor het thema mondiale aspecten komen uitsluitend projecten voor subsidiëring in aanmerking die:
a. mondiale aspecten integreren in reguliere werkzaamheden;
b. kennis en kunde van mondiale organisaties benutten;
c. ingaan op de kennisontwikkeling, -overdracht en -uitwisseling binnen de eigen organisatie en op voorbeeldwerking voor vergelijkbare instellingen;
d. via mondiale aspecten een breder inhoudelijk en geografisch perspectief aan bestaande natuur- en milieueducatie geven;
e. via uitwisseling van kennis en informatie op mondiaal niveau mogelijkheden scheppen voor beleving en beoordeling van de inhoud van natuur- en milieueducatie vanuit een verschillend perspectief;
f. via creativiteit en multiculturele aspecten nieuwe mogelijkheden benutten.
Artikel 12
Voor het thema duurzaamheid komen uitsluitend projecten voor subsidiëring in aanmerking die:
a. kennis en deskundigheid ontwikkelen voor het werken aan educatie voor duurzaamheid op lokaal of regionaal niveau, en daarbij inhoud en vorm geven aan leerprocessen, uitgaande van bestaande visies op duurzaamheid;
b. aansluiten bij de Lokale Agenda 21;
c. betrekking hebben op het ontwikkelen van werkvormen en activiteiten gericht op leren in netwerken;
d. via creativiteit en multiculturele aspecten nieuwe mogelijkheden benutten;
e. adviezen op maat verschaffen voor lokale of regionale groepen of overheden ten aanzien van duurzaamheid, bezien vanuit een educatief oogpunt.
1.
Voor het thema natuurbesef komen uitsluitend projecten voor subsidiëring in aanmerking:
a. waarmee de ontwikkeling van voorbeelden voor educatieve programma’s wordt gerealiseerd die gericht zijn op een inventieve, heldere en evenwichtige uiteenzetting van de ecologische, economische en maatschappelijke aspecten van:-
natuur als basis voor het bestaan, al dan niet streekgericht;-
natuur als belangentegenstelling, of-
natuur als inspiratiebron;
2.
waarbij discussies en andere interactieve leerprocessen worden benut;
3.
waarbij handelingsmogelijkheden worden aangeboden, en
4.
waarin met het oog op doorwerking aan intermediairs en gebruikers een heldere en beknopte verantwoording en uitleg wordt gegeven van de gekozen leerdoelen, inhouden, kernbegrippen en werkmethoden.
Artikel 14
Aanvragen voor themaprojecten als bedoeld in artikel 1 verschaffen in maximaal 1000 woorden informatie over:
a. doel dan wel doelen;
b. doelgroep;
c. beoogd eindresultaat;
d. werkwijze;
e. beoogde projectuitvoerders en eventuele partners;
f. kosten;
g. fasering en planning op hoofdlijnen.
Artikel 15
Aanvragen voor themaprojecten als bedoeld in artikel 1 kunnen worden ingediend tot uiterlijk zes weken na plaatsing van dit besluit in de Staatscourant.
Artikel 16
Aanvragen voor themaprojecten als bedoeld in artikel 1, onderdelen b tot en met f, kunnen een projectduur van meer dan één jaar omvatten, mits de bijbehorende begroting in deelbegrotingen per kalenderjaar is gesplitst.
1.
Aanvragen voor projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kunnen uitsluitend gezamenlijk worden ingediend door een aantal uitvoerende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie, die voor de duur van het project een samenwerkingsverband vormen.
2.
Het in het vorige lid bedoelde samenwerkingsverband bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste tien organisaties.
1.
Aanvragen voor projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, kunnen uitsluitend gezamenlijk worden ingediend door een aantal ondersteunende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie, die voor de duur van het project een samenwerkingsverband vormen.
2.
Het in het vorige lid bedoelde samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee en ten hoogste vijf organisaties.
Artikel 19
De beschikbare bedragen voor de thema’s, bedoeld in artikel 1, zijn:
a. professionalisering: in 1998 een budget van f. 260.000,?;
b. biodiversiteit: in 1998 een budget van f. 300.000,? en in 1999 een budget van f. 225.000,?;
c. mobiliteit: zowel in 1998 als in 1999 een budget van f. 300.000,?;
d. mondiale aspecten: zowel in 1998 als in 1999 een budget van f. 400.000,?;
e. duurzaamheid: in 1998 een budget van f. 500.000,? en in 1999 een budget van f. 400.000,?;
f. natuurbesef: zowel in 1998 als in 1999 een budget van f. 300.000,?.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 15 juni 1998
De
Minister
Directeur-Generaal
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Thema's
+ Paragraaf 2. Beoordelingsmaatstaven
+ Paragraaf 3. Nadere eisen aan de aanvraag
+ Paragraaf 4. Beschikbare bedragen
+ Paragraaf 5. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht