Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers

Uitgebreide informatie
Besluit van 6 juli 1998, houdende voorschriften omtrent onder meer berekening van aan gemeenten toe te kennen rijksbijdragen ten behoeve van inburgering van nieuwkomers (Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 20 februari 1998, nr. 1998/6108 (3713), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
Gelet op artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers;
De Raad van State gehoord (advies van 15 mei 1998, nr. W05.98 0072);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 2 juli 1998, nr. 1998/27101 (3713), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet inburgering nieuwkomers ;
b. Onze Minister: Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie;
c. inburgeringsprogramma: een programma als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet;
d. nieuwkomer: de nieuwkomer, bedoeld in artikel 1, onder a, van de wet;
e. beschikking omtrent een inburgeringsprogramma: zowel de vaststelling van een inburgeringsprogramma op grond van artikel 5, eerste lid, van de wet, als het besluit het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te laten, op grond van artikel 5, tweede lid, van de wet, tenzij uit het besluit anders blijkt;
f. verklaring: de door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaring, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
g. rijksbijdrage: de bijdrage die Onze Minister aan een gemeente verstrekt ten behoeve van educatieve programma’s, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet en ten behoeve van het geheel van de activiteiten, bedoeld in artikel 16 van de wet.
1.
De rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen uitgereikt in het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, en
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in dat jaar een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen.
2.
Onze Minister bepaalt de hoogte van het bedrag dat beschikbaar is per verklaring, respectievelijk beschikking omtrent een inburgeringsprogramma.
3.
De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule [ ( a x b ) + ( c x d ) ] waarin wordt voorgesteld:
met de letter a: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
met de letter b: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid beschikbaar is per verklaring;
met de letter c: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;
met de letter d: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma.
4.
De in het eerste lid bedoelde rijksbijdragen zijn in afwijking van het derde lid, nihil voor een gemeente als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
1.
De rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2, voor 2004 kan eenmalig worden verhoogd.
2.
Deze verhoging is afhankelijk van de door de gemeente opgebouwde reserve, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, op 31 december 2002 en wordt berekend met de formule: X = Y – ½ Z waarin wordt voorgesteld:
met de letter X: het bedrag van de eenmalige verhoging van de rijksbijdrage voor 2004;
met de letter Y: het verschil tussen de rijksbijdrage op grond van de meerjarenraming in de rijksbegroting voor 2003 en de rijksbijdrage die voor 2004 is toegekend;
met de letter Z: de door de gemeente opgebouwde reserve, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, op 31 december 2002.
3.
Het bedrag van de eenmalige verhoging van de rijksbijdrage, bedoeld in het tweede lid, wordt verstrekt uiterlijk 1 juni 2004.
1.
Onze Minister verleent jaarlijks een voorschot op de rijksbijdrage aan een gemeente.
2.
Het voorschot wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen, uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in dat tweede jaar een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen.
3.
Het voorschot voor een gemeente wordt berekend met de formule [ ( e × f ) + ( g × h ) ] × i waarin wordt voorgesteld:
met de letter e: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
met de letter f: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
met de letter g: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;
met de letter h: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;
met de letter i: de jaarlijks door Onze Minister vastgestelde correctiefactor.
4.
Het voorschot wordt vastgesteld voor 1 oktober voorafgaande aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
5.
Het voorschot wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. Het voorschot kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar waarin het voorschot wordt verleend.
1.
Het college van burgemeester en wethouders deelt Onze Minister voor 1 april van het jaar volgend op het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft het in artikel 2, eerste lid, bedoelde aantal verklaringen en beschikkingen mede. De gegevens zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet voor de in het eerste lid genoemde termijn door Onze Minister zijn ontvangen, wordt het college van burgemeester en wethouders binnen een door Onze Minister te bepalen termijn in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.
3.
Indien Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid niet voor 1 juli van het in het eerste lid bedoelde jaar heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nihil.
4.
Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast voor 1 oktober van het jaar volgend op het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
5.
De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. De vastgestelde rijksbijdrage kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het desbetreffende jaar.
6.
Het bedrag van de vastgestelde rijksbijdrage wordt binnen twaalf maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald onder verrekening van het ingevolge artikel 3, eerste lid, aan die gemeente verleende voorschot.
7.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
8.
Ten behoeve van de verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid stelt Onze Minister een controleprotocol vast. Aan Onze Minister wordt op diens verzoek inzicht gegeven in de gegevens die bij de controle op enigerlei wijze een rol spelen, en in de controlerapporten van de accountant.
1.
Het college van burgemeester en wethouders kan de in dit besluit geregelde rijksbijdrage aanwenden tezamen met de colleges van burgemeester en wethouders van een of meer andere gemeenten, indien tevens de andere in dit besluit geregelde rijksbijdrage voor datzelfde jaar tezamen met die andere gemeente of gemeenten wordt aangewend.
2.
In geval van samenwerking als bedoeld in het eerste lid, dragen de samenwerkende gemeenten aan een van hen de bevoegdheid over tot het ontvangen van de rijksbijdragen, het inzenden van een schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor de rijksbijdragen zijn verstrekt en de verstrekking van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde gegevens en de in artikel 7, eerste lid, bedoelde aanvullende inlichtingen.
3.
In geval van samenwerking als bedoeld in het eerste lid, stellen de colleges van burgemeester en wethouders van de samenwerkende gemeenten Onze Minister daarvan in kennis voor 1 december voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
4.
De melding, bedoeld in het derde lid, bevat van de betrokken gemeenten:
a. de namen van die gemeenten,
b. de naam van de gemeente waaraan de in het tweede lid genoemde bevoegdheid is overgedragen, en
c. een verklaring van elke gemeente waaruit de in het tweede lid bedoelde overdracht van bevoegdheid aan de daar bedoelde gemeente blijkt.
Artikel 6. Gemeentelijk verslag inburgeringsactiviteiten
Het college van burgemeester en wethouders zendt jaarlijks voor 1 april van het jaar volgend op het jaar waarvoor de rijksbijdrage is verstrekt, aan Onze Minister een schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verstrekt. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de inrichting van het verslag.
1.
Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente verstrekt desgevraagd aan Onze Minister aanvullende inlichtingen omtrent de in artikel 4, eerste lid, bedoelde gegevens en het gemeentelijk verslag inburgeringsactiviteiten.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven inzake de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen.
1.
Onze Minister kan de vastgestelde rijksbijdrage binnen een periode van 5 jaar na de bekendmaking intrekken of ten nadele van de gemeente wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de vaststelling van de rijksbijdrage redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de rijksbijdrage lager zou zijn vastgesteld;
b. indien de vaststelling van de rijksbijdrage onjuist was en de gemeente dit wist of behoorde te weten;
c. indien de gemeente na de vaststelling van de rijksbijdrage niet heeft voldaan aan de voorschriften, vastgesteld bij en krachtens dit besluit.
2.
De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de rijksbijdrage is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
1.
Bij het geheel of gedeeltelijk intrekken van de rijksbijdrage op grond van artikel 8 besluit Onze Minister tot:
a. het onmiddellijk terugvorderen van de middelen bij de desbetreffende gemeente, of
b. het verrekenen van de middelen met de rijksbijdrage aan de gemeente in het jaar nadat tot geheel of gedeeltelijk intrekken is besloten.
2.
Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, onderdeel a, worden de middelen binnen een termijn van 4 weken nadat een daartoe strekkend besluit aan de gemeente is verzonden, door de gemeente terugbetaald.
3.
Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het tweede lid, is de gemeente zonder aanmaning of rechterlijke tussenkomst de wettelijke rente verschuldigd.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, wordt het voorschot voor het jaar 2005 voor een gemeente berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen, uitgereikt in 2003;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in 2003 een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;
c. de door Onze Minister geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.
2.
Het in het eerste lid bedoelde voorschot wordt berekend met de formule a = { [ ( b × c ) + ( d × e ) ] × f } – ½ g waarin wordt voorgesteld:
met de letter a: het voorschot voor het jaar 2005 voor een gemeente;
met de letter b: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in 2003;
met de letter c: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
met de letter d: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in 2003 het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;
met de letter e: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;
met de letter f: de door Onze Minister vastgestelde correctiefactor voor het jaar 2005;
met de letter g: de door Onze Minister geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.
3.
In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen a en g niet kleiner zijn dan nul.
4.
Het voorschot voor het jaar 2005 wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, vastgesteld een maand na plaatsing van dit besluit in het Staatsblad.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, wordt de rijksbijdrage voor het jaar 2005 voor een gemeente berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen uitgereikt in 2005;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in 2005 een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen, en
c. de door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.
2.
De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage wordt berekend met de formule h = [ ( i × j ) + ( k × l ) ] – ½ m waarin wordt voorgesteld:
met de letter h: de rijksbijdrage voor het jaar 2005 voor een gemeente;
met de letter i: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in 2005;
met de letter j: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
met de letter k: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in 2005 het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;
met de letter l: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;
met de letter m: de door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.
3.
In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen h en m niet kleiner zijn dan nul.
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 4 verstrekt Onze Minister uiterlijk 1 april 2006 aan een gemeente een eenmalige aanvullende rijksbijdrage. Deze rijksbijdrage wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen, uitgereikt in 2003 en 2004;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in 2003 en 2004 een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;
c. de door een gemeente per 31 december 2004 opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen; en
d. het verschil tussen het totaal aan rijksbijdragen aan gemeenten op grond van de meerjarenraming in de rijksbegroting voor 2003 en de rijksbijdrage aan een gemeente voor 2004, verminderd met de in artikel 2a bedoelde rijksbijdrage aan die gemeente.
2.
De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule: n = [ { ( o x p ) + ( q x r ) } – ( s + t ) ] – ½ u waarin wordt voorgesteld:
met de letter n: de rijksbijdrage als bedoeld in het eerste lid;
met de letter o: het door het college van burgemeester en wethouders ontvangen aantal afschriften van verklaringen in 2003 en 2004;
met de letter p: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
met de letter q: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in 2003 en 2004 een beschikking heeft genomen;
met de letter r: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;
met de letter s: de som van de verleende rijksbijdragen voor de jaren 2003 en 2004 voor een gemeente;
met de letter t: het verschil tussen het totaal aan rijksbijdragen aan gemeenten op grond van de meerjarenraming in de rijksbegroting voor 2003 en de rijksbijdrage die voor het jaar 2004 aan een gemeente is toegekend, verminderd met de in artikel 2a bedoelde rijksbijdrage voor die gemeente; en
met de letter u: de door Onze Minister geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.
3.
In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen n en u niet kleiner zijn dan nul.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 6, zendt het college van burgemeester en wethouders voor 1 juli 2005 aan Onze Minister een schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verstrekt.
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, deelt het college van burgemeester en wethouders Onze Minister het in artikel 2, eerste lid, bedoelde aantal verklaringen en beschikkingen met betrekking tot het jaar 2004 mede voor 1 juli 2005. De gegevens zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3.
Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn zijn verstrekt, stelt Onze Minister het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid deze binnen drie weken alsnog te verstrekken.
4.
Indien het college van burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn verstrekt, wordt de rijksbijdrage voor het jaar 2004 volgens artikel 2 berekend, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de helft van het aantal verklaringen en beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma op grond waarvan de rijksbijdrage voor die gemeente is berekend in 2001.
5.
Het college van burgemeester en wethouders dient bij Onze Minister voor 1 juli 2005 een financiële verantwoording in waaruit blijkt:
a. dat de rijksbijdrage voor het jaar 2004 rechtmatig is aangewend;
b. of, en zo ja op welke wijze, het deel van de rijksbijdrage 2004 dat was bestemd voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet;
c. of, en zo ja op welke wijze, het deel van de rijksbijdrage 2004 dat was bestemd voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet;
d. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is bestemd voor opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is bestemd voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van de Welzijnswet 1994;
f. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is gereserveerd ten behoeve van educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet of ten behoeve van het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet;
g. in voorkomende gevallen de stand van de reserveringen en de toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve, alsmede,
h. in voorkomende gevallen dat het college van burgemeester en wethouders middelen die zijn verstrekt op grond van de Welzijnswet 1994 of op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs wat opleidingen educatie betreft, heeft aangewend voor inburgering van nieuwkomers.
6.
De financiële verantwoording wordt ingericht volgens een door Onze Minister vastgesteld model en is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.
In geval toepassing is gegeven aan artikel 5 vermeldt de gemeente die de rijksbijdragen voor het jaar 2004 verantwoordt in de financiële verantwoording de verdeling van de in artikel 2 bedoelde aantallen verklaringen en genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma over de samenwerkende gemeenten.
8.
In geval toepassing is gegeven aan artikel 5 vermeldt de in het zevende lid bedoelde gemeente in de financiële verantwoording de bedragen die zijn ontvangen van de andere gemeente of gemeenten alsmede de in de artikel 2, eerste lid, bedoelde gegevens met betrekking tot die andere gemeente of gemeenten.
9.
Het bepaalde in artikel 4, vierde lid, is niet van toepassing met betrekking tot de voor een gemeente vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2004.
1.
[Wijzigt Het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid.]
2.
De in het eerste lid bedoelde vervallen bepalingen blijven gelden voor de tot de datum van inwerkingtreding van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers verleende uitkeringen.
Artikel 15. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering nieuwkomers in werking treedt.
Artikel 16. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 juli 1998
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Uitgegeven eenentwintigste juli 1998
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Berekening rijksbijdrage
Artikel 2a
Artikel 3. Verlening van het voorschot op de rijksbijdrage
Artikel 4. Verstrekking en waarmerking gegevens; vaststelling rijksbijdrage
Artikel 5. Gemeentelijke samenwerking
Artikel 6. Gemeentelijk verslag inburgeringsactiviteiten
Artikel 7. Verstrekking van inlichtingen
Artikel 8. Intrekking of wijziging rijksbijdrage
Artikel 9. Terugvorderen rijksbijdrage bij intrekking
Artikel 10. Berekening van het voorschot voor het jaar 2005
Artikel 11. Berekening van de rijksbijdrage voor het jaar 2005
Artikel 12. Algemene overgangsbepaling
Artikel 13. Overgangsbepaling ten aanzien van het gemeentelijk verslag met betrekking tot 2004 en de verantwoording van de rijksbijdrage 2004
Artikel 14. Wijziging Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid
Artikel 15. Inwerkingtreding
Artikel 16. Citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken