1.
De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar de geografische indeling van het Rijk.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst en omtrent de functionaris, bedoeld in het eerste lid, onder wie de belastingplichtige en de belastingschuldige ressorteren.
1.
De vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. De inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van de daaruit blijkende belastingaanslag aan de ontvanger ter hand.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het door de inspecteur nemen van een beschikking of het doen van uitspraak strekkende tot – al dan niet nadere – vaststelling van een ingevolge de belastingwet verschuldigd of terug te geven bedrag.
3.
De inspecteur vermeldt op het aanslagbiljet of in de kennisgeving van de beschikking of uitspraak in ieder geval de termijn of de termijnen waarbinnen het verschuldigde of terug te geven bedrag moet worden betaald.
1.
De inspecteur kan aan een ieder die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is een aangiftebiljet uitreiken. Worden door de belastingwet aangelegenheden van een derde aangemerkt als aangelegenheden van degene die vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is, dan kan de inspecteur ook aan die derde een aangiftebiljet uitreiken. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt.
2.
Aan een ieder die daartoe een verzoek doet, wordt in elk geval een aangiftebiljet uitgereikt.
3.
In het aangiftebiljet wordt opgave verlangd van gegevens en kan overlegging of toezending worden gevraagd van gegevensdragers, waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.
4.
Een ieder aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden aangifte te doen door dat biljet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, met de daarin gevraagde bescheiden, in te leveren. Degene die de aangifte doet waarmerkt de over te leggen bescheiden.
5.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat en onder welke voorwaarden het toegelaten wordt om langs elektronische weg aangifte te doen.
6.
De directeur kan toestemming geven tot het indienen van een niet door de inspecteur uitgereikt aangiftebiljet. Hij kan daarbij voorwaarden stellen.
1.
Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, moet het aangiftebiljet binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste twee maanden na uitreiking van het biljet bij de inspecteur worden ingeleverd.
2.
De inspecteur maant, na verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn, de belastingplichtige aan binnen een door hem te stellen termijn van ten minste vijf werkdagen aangifte te doen, tenzij uitstel voor het doen van aangifte overeenkomstig artikel 8.6 is verleend.
3.
Bij de inlevering van het aangiftebiljet wordt op verzoek een ontvangstbewijs afgegeven.
4.
De belastingplichtige aan wie niet binnen zes maanden na het ontstaan van de belastingschuld een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden binnen vijftien dagen na afloop van deze termijn de inspecteur te verzoeken een aangiftebiljet uit te reiken.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat over dat tijdvak, na verrekening van voorheffingen, geen belasting verschuldigd is of geen aanslag zal worden opgelegd.
1.
Met betrekking tot belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, moet de aangifte worden gedaan bij de inspecteur.
2.
Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van vijftien dagen na het einde van dat tijdvak. Heeft de aangifte betrekking op een tijdstip, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van vijftien dagen na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
3.
De belastingplichtige dan wel inhoudingsplichtige aan wie niet reeds een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald de inspecteur te verzoeken een aangiftebiljet uit te reiken.
4.
De directeur kan bepalen onder welke voorwaarden het aangiftebiljet bij de ontvanger kan worden ingediend.
1.
De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel verlenen voor het indienen van het aangiftebiljet. Uitstel wordt niet langer verleend dan tot achttien maanden na de datum waarop de belastingschuld is ontstaan.
2.
In afwijking van hetgeen in deze wet is bepaald, is de belastingplichtige die voornemens is de BES eilanden metterwoon te verlaten dan wel voornemens is zijn plaats van vestiging over te brengen naar een niet op de BES eilanden gelegen plaats, verplicht terstond aangifte te doen voor de inkomstenbelasting, bedoeld in de Wet inkomstenbelasting BES , de opbrengstbelasting en de algemene bestedingsbelasting tot het einde van de belastingplicht.
1.
De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur.
2.
De inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte gemotiveerd afwijken, alsmede bij het ontbreken van de aangifte de aanslag ambtshalve vaststellen.
3.
De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd.
4.
Een belastingschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, wordt geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak of de belastingplicht eindigt.
1.
De inspecteur kan, ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, na aanvang van het belastingtijdvak aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld.
2.
De voorlopige aanslag blijft beperkt tot het bedrag waarmee de aanslag vermoedelijk de voorheffingen te boven zal gaan.
3.
Een voorlopige aanslag kan worden gevolgd door één of meer voorlopige aanslagen.
4.
De voorlopige aanslag en de voorheffingen worden verrekend met de aanslag.
5.
Een voorlopige aanslag kan de inspecteur ook opleggen aan niet op de BES eilanden wonende of gevestigde belastingplichtigen, die slechts tijdelijk op de BES eilanden een bedrijf of beroep uitoefenen.
6.
Een voorlopige aanslag kan direct na het ontstaan van de belastingschuld of, bij tijdvak- belastingen, direct na aanvang van het tijdvak, altijd worden opgelegd tot het bedrag dat de inspecteur juist voorkomt indien:
a. de belastingplichtige in staat van faillissement is verklaard of, indien sprake is van een lichaam, in geval van ontbinding, beëindiging of vereffening ervan;
b. de belastingplichtige de BES eilanden metterwoon wil verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats niet op de BES eilanden;
c. het bedrijf van de belastingplichtige wordt gestaakt of aanmerkelijk wordt ingekrompen, of de belastingplichtige op de BES eilanden gelegen onroerende goederen of daarop gevestigde rechten vervreemdt.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid nadere regels worden vastgesteld.
Artikel 8.9. Besluit geen aanslag
De inspecteur neemt het besluit om aan hem die aangifte heeft gedaan, geen aanslag op te leggen, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
1.
Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.
2.
Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:
a. een voorlopige aanslag, een voorheffing, of een voorlopige teruggaaf ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;
b. een bij de belastingplichtige in aanmerking te nemen bestanddeel van het voorwerp van enige belasting ten onrechte in aanmerking is genomen bij hem of bij zijn echtgenoot;
c. de belastingvrije som, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting BES ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
3.
De bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag als bedoeld in het eerste en tweede lid vervalt door verloop van vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld.
4.
Indien te weinig belasting is geheven over het bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking van het derde lid, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
1.
In geval de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigde belasting dan wel afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting voorschrijft, is de belastingplichtige dan wel de inhoudingsplichtige gehouden binnen vijftien dagen na afloop van dat tijdvak de belasting overeenkomstig de aangifte te betalen bij de ontvanger.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld volgens welke in de loop van dat tijdvak één of meer voorlopige betalingen moeten worden gedaan.
3.
In geval over een belastingtijdvak geen belasting is verschuldigd, moet aangifte worden gedaan bij de inspecteur binnen vijftien dagen na het einde van dat tijdvak.
4.
In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen vijftien dagen na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
5.
Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de in het eerste en in het vierde lid genoemde termijn van vijftien dagen met de duur van dit uitstel verlengd.
1.
De inspecteur kan, indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen niet of niet volledig is betaald, de niet of te weinig betaalde belasting naheffen.
2.
Met niet of niet volledig betaald zijn als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.
3.
De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd.
4.
De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.
1.
Vertegenwoordiging is mogelijk op grond van schriftelijke volmacht. Op vordering van de inspecteur dient het stuk waaruit van de volmacht blijkt, te worden overgelegd.
2.
Degene die is opgeroepen om mondeling aan de inspecteur inlichtingen en gegevens te verstrekken, en zich doet vertegenwoordigen, is gehouden op vordering van de inspecteur zijn vertegenwoordiger te vergezellen.
3.
De inspecteur kan de vertegenwoordiging door een bepaalde persoon gemotiveerd weigeren.
1.
De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder curatele gestelde of iemand die in staat van faillissement is verklaard, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator of bewindvoerder. Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
2.
De bevoegdheden van een lichaam kunnen worden uitgeoefend en zijn verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder. Desgevorderd is ieder van hen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
3.
Indien iemand is overleden, kunnen de erfgenamen in het uitoefenen van de bevoegdheden en het nakomen van de verplichtingen welke de overledene zou hebben gehad, als hij in leven was gebleven, worden vertegenwoordigd door één hunner, de executeurtestamentair, de bewindvoerder of de curator over de nalatenschap. Desgevorderd is ieder van de genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
4.
Stukken betreffende belastingaangelegenheden van een overledene kunnen worden gericht aan een van de in het derde lid genoemde personen.
5.
Ieder, die op de BES eilanden in dienst is van – of werkzaam is ten behoeve van – vennootschappen, verenigingen, maatschappijen, stichtingen of lichamen, als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel c, of een ieder die bij ontbinding of vereffening, met de vereffening is belast, kan, na in de gelegenheid te zijn gesteld om van zijn bezwaren te doen blijken, door de inspecteur worden aangewezen als hun vertegenwoordiger.
Artikel 8.15. Uitsluiting vertegenwoordiging
De inspecteur kan vertegenwoordiging uitsluiten in de nakoming van een verplichting van degene die zelf tot nakoming in staat is.
Artikel 8.16. Niet voor strafvervolging
De bepalingen van deze afdeling gelden niet met betrekking tot strafvordering.
Artikel 8.17. Domiciliekeuze
In bezwaar- en beroepschriften is degene die niet op de BES eilanden een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, verplicht domicilie kiezen op de BES eilanden.
Artikel 8.18. Geen vaste woon- of vestigingsplaats
Ingeval ingevolge de belastingwet een aangiftebiljet of ander stuk moet worden uitgereikt aan degene die niet op de BES eilanden een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan die uitreiking ook geschieden:
a. middels bezorging of afgifte bij de op de BES eilanden gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep;
b. aan de woning of het kantoor van zijn op de BES eilanden wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 8.19. Hardheidsclausule
Onze Minister is bevoegd:
a. bij ministeriële regeling nadere regels te geven ter uitvoering van de belastingwet;
b. voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen.
1.
Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden verleend.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen, of van wie een onjuist bedrag is ingehouden.
1.
Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige BES belasting.
2.
De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
3.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.
1.
Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 8.4, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste USD 1 400 kan opleggen.
2.
Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 8.5, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 1 400 kan opleggen.
3.
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete wegens het niet dan wel niet tijdig doen van de aangifte vervalt door het verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan.
1.
Indien de belastingplichtige of inhoudingsplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 8.11, eerste lid, gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 5 600 kan opleggen.
2.
Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
3.
De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid bedoelde boete vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
4.
Artikel 8.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de administratieplichtige niet, niet tijdig of niet volledig de opgave, bedoeld in artikel 8.87, tweede en derde lid, verstrekt, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 2 800 kan opleggen.
2.
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de opgave, bedoeld in artikel 8.87, tweede en derde lid, had moeten worden verstrekt.
1.
Indien een lichaam dat op grond van artikel 5.10 gehouden is een jaarrekening in te dienen de jaarrekening niet of niet tijdig indient, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 14 000 kan opleggen.
2.
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de jaarrekening, bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, had moeten worden ingediend.
1.
Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag te laag is vastgesteld dan wel anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.
2.
De grondslag voor de boete is:
a. het bedrag van de navorderingsaanslag, dan wel
b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen;
een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.
3.
De inspecteur kan, in afwijking van het eerste lid, binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag een boete opleggen indien de feiten of omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend worden binnen zes maanden vóór de afloop van de in artikel 8.10, derde en vierde lid, bedoelde termijn en er tevens aanwijzingen zijn dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld dan wel anderszins te weinig belasting is geheven. In dat geval doet de inspecteur vóór of gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mededeling aan de belastingplichtige dat wordt onderzocht of in verband met de navordering het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.
4.
Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen navorderingsaanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door het verloop van de termijn die geldt voor het vaststellen van de navorderingsaanslag, die zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden zijn genomen.
1.
Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.
2.
De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.
3.
Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
4.
De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig betalen, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
5.
Artikel 8.25, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
Artikel 8.12, tweede lid, en derde lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Alvorens een vergrijpboete op te leggen, stelt de inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige in kennis van zijn voornemen daartoe, onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
2.
De inspecteur stelt de belastingplichtige of inhoudingsplichtige in de gelegenheid binnen een door hem daarvoor te stellen termijn van ten minste twee weken de in die kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten.
3.
Indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste of tweede lid, heeft dat niet de nietigheid van de boete tot gevolg.
1.
De inspecteur legt de boete op bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 8.27, eerste en tweede lid, stelt de inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige, uiterlijk bij de in het eerste lid bedoelde beschikking, in kennis van de gronden waarop de oplegging van de boete berust.
3.
Op verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die de kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de inspecteur er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
4.
Indien de boete gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van een belastingaanslag, wordt het bedrag van de boete afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.
5.
De boete wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de invordering van de belasting ter zake waarvan de boete is opgelegd.
Artikel 8.29. Verplichtingen gelden mede voor boeteoplegging
Titel 7 van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van bestuurlijke boeten, met dien verstande dat de belastingplichtige of inhoudingsplichtige tegen wie het onderzoek naar de oplegging van een bestuurlijke boete is gericht slechts gehouden is toe te laten dat de inspecteur gegevensdragers of de inhoud daarvan raadpleegt dan wel toegang te verlenen tot gebouwen of gronden.
Artikel 8.30. Zwijgrecht
Indien de inspecteur jegens de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is, voor zoveel nodig in afwijking van titel 7, de belastingplichtige onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen voor zover het betreft de boete-oplegging.
1.
De inspecteur kan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ten aanzien van wie de redelijke verwachting bestaat dat hem een vergrijpboete kan worden opgelegd, oproepen voor een verhoor. In deze oproep deelt de inspecteur hem mee dat hij zich desgewenst kan doen bijstaan.
2.
Voordat het verhoor aanvangt, deelt de inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
3.
De inspecteur kan op verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die het Nederlands, Papiaments of Engels onvoldoende begrijpt, toestaan dat deze zich tijdens het verhoor door een tolk laat bijstaan.
Artikel 8.32. Inzage
De inspecteur stelt de belastingplichtige of inhoudingsplichtige op diens verzoek in de gelegenheid inzage te nemen in, dan wel kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels te vervaardigen van de gegevensdragers waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete berust.
Artikel 8.33. Inkeerbepaling
Ingeval een belastingplichtige of inhoudingsplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte doet dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt in plaats van een vergrijpboete een verzuimboete opgelegd van ten hoogste 15% van de belasting die op grond van de juiste en volledige aangifte of juiste en volledige inlichtingen is verschuldigd.
1.
Een opgelegde boete vervalt indien de belastingplichtige of inhoudingsplichtige wegens het vergrijp op grond waarvan de boete verschuldigd is, bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vrijgesproken, ontslagen van rechtsvervolging of veroordeeld.
2.
De inspecteur legt een in deze afdeling bedoelde vergrijpboete niet op voor zover het niet aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige is te wijten dat te weinig belasting is geheven.
3.
Ingeval na het opleggen van een vergrijpboete blijkt dat de grondslag daarvoor ontbreekt maar wel een grondslag aanwezig is voor een verzuimboete, kan deze lagere boete daarvoor in de plaats worden gesteld. De reeds opgelegde boete wordt dan verminderd tot het bedrag van de verzuimboete.
1.
Geen boete wordt opgelegd aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die is overleden.
2.
Indien een boete op het tijdstip van het overlijden van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet onherroepelijk vaststaat, vernietigt de inspecteur de beschikking waarbij de boete is opgelegd op verzoek van een belanghebbende bij beschikking.
Artikel 8.36. Evenredige vermindering
Indien de grondslag voor een boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid verlaagd bij vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding van belasting, voor zover deze vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding het bedrag betreft waarover de boete is berekend.
Artikel 8.37. Anderen dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van anderen dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige aan wie ingevolge de belastingwet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
1.
De ontvanger is belast met de invordering van BES belastingen.
2.
Naast de bevoegdheden die de ontvanger heeft ingevolge deze wet beschikt hij ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling.
1.
De kosten van vervolging zijn ten laste van degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de kosten van vervolging worden bepaald.
Artikel 8.40. Toerekening van betalingen
De toerekening en afschrijving van de betalingen of van de tot verhaal van het verschuldigde ontoereikende opbrengst bij uitwinning geschiedt in de volgende orde:
a. op de kosten van vervolging;
b. op de interest;
c. op de bestuurlijke boeten;
d. op de oudste openstaande aanslagen of termijnen.
Artikel 8.41. Geen schorsing
Naast het bepaalde in de artikelen 8.96 en 8 102 wordt de verplichting tot betaling van de BES belastingen niet geschorst door:
a. verkrijging van surseance van betaling voor zover volgens het Faillissementswet BES de surseance ten aanzien van de verplichting tot betaling niet werkt;
b. door het voorbehouden recht van beraad;
c. door aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving.
Artikel 8.41a
Op het bezwaar en beroep inzake de op grond van deze titel genomen beschikkingen is titel 8 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.42. Aanslagbiljet
Een belastingaanslag is door de belastingschuldige in zijn geheel verschuldigd.
1.
Een belastingaanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
2.
In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag, gedagtekend vóór 1 november van het belastingjaar waarop deze betrekking heeft, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar overblijven. Op de laatste dag van elk van die maanden vervalt een termijn.
3.
In afwijking van het eerste lid is een naheffingsaanslag alsmede een navorderingsaanslag invorderbaar een maand na dagtekening van het aanslagbiljet.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
1.
Een belastingschuldige die een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, wordt door de ontvanger aangemaand om alsnog binnen veertien dagen het verschuldigde te voldoen, met kennisgeving dat hij bij gebreke daarvan door rechtsmiddelen tot betaling zal worden gedwongen.
2.
Bij overschrijding van een voor de belastingaanslag geldende betalingstermijn wordt aan de belastingschuldige een interest in rekening gebracht over het op de belastingaanslag openstaande bedrag van zes percent per jaar, met een minimum van één USD en verder naar boven afgerond tot een veelvoud van USD 0,50 met dien verstande dat dit bedrag wordt verlaagd ingeval de belastingaanslag wordt verminderd.
Artikel 8.45. Dwanginvordering
Indien een aanmaning uiterlijk een maand na de verzending niet tot betaling of het verlenen van een betalingsregeling heeft geleid kan de ontvanger overgaan tot dwanginvordering.
Artikel 8.46. Invordering door middel van dwangschrift
De belastingaanslag, de bestuurlijke boete, de interest en de kosten van vervolging kunnen worden ingevorderd door middel van een dwangschrift. Het dwangschrift kan betrekking hebben op verschillende aanslagen.
1.
De dwangschriften dragen aan het hoofd de woorden: «In naam van de Koning» en bevatten:
a. een zo volledig mogelijke aanduiding van degene tegen wie de vordering gericht wordt;
b. de aard, de grondslag en het bedrag van de vordering; de titel van de vordering of de artikelen van de wettelijke regeling, waarop de vordering wordt gegrond;
c. in alle gevallen de last tot betaling.
2.
Zij worden uitgevaardigd door de ontvanger.
Artikel 8.48. Betekening door de belastingdeurwaarder
Alle exploten en andere akten van vervolging voor de invordering van BES belastingen worden betekend door belastingdeurwaarders ten verzoeke van de ontvanger overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES .
Artikel 8.49. Tenuitvoerlegging dwangschriften
De dwangschriften hebben dezelfde kracht en worden op dezelfde wijze ten uitvoer gelegd als de grossen van in kracht van gewijsde gegane vonnissen in burgerlijke zaken.
Artikel 8.50. Invordering van het volledige bedrag bij beslag
Indien een dwangschrift, uitgevaardigd voor een gedeelte van het in te vorderen bedrag, ten uitvoer wordt gelegd door beslag, kan bij datzelfde dwangschrift het volle openstaande bedrag worden ingevorderd, mits dit bedrag in het dwangschrift is vermeld.
1.
Wanneer ter gelegenheid van een inbeslagneming vóór de sluiting van het proces-verbaal het volle bedrag van het verschuldigde met de kosten aan de belastingdeurwaarder wordt aangeboden, is deze verplicht de gelden aan te nemen, daarvoor dadelijk kwitantie te geven en ervan melding te maken in of op het proces-verbaal.
2.
In alle andere gevallen zijn betalingen, aan de belastingdeurwaarder gedaan, ongeldig.
1.
In afwijking van artikel 8.43 zijn alle verschuldigde BES belastingen ineens en terstond invorderbaar:
a. wanneer de belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard;
b. wanneer de ontvanger aannemelijk maakt dat belastingschuldige de BES eilanden wil verlaten met wegvoering of na vervreemding van zijn goederen;
c. wanneer op goederen waarop een belastingschuld van de belastingschuldige kan worden verhaald, beslag is gelegd voor zijn belastingschuld;
d. wanneer de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd;
e. wanneer goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden.
2.
Indien de verschuldigde belasting ineens en terstond invorderbaar is, kan:
a. het dwangschrift zonder voorafgaande aanmaning of, indien reeds een aanmaning is uitgereikt, terstond worden uitgevaardigd;
b. het dwangschrift onmiddellijk na het bevel tot betaling, of, indien zodanig bevel reeds mocht zijn gedaan, terstond worden ten uitvoer gelegd.
1.
De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangschrift in verzet komen. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangschrift voor zover deze door het verzet wordt bestreden.
2.
Het verzet wordt betekend aan de ontvanger, die de betaling vervolgt en moet op straffe van nietigheid bevatten keuze van domicilie in de hoofdplaats op de BES eilanden, waar de ontvanger is gevestigd waaronder de belastingschuldige ressorteert. Eveneens op straffe van nietigheid moet binnen een maand na deze betekening het geding tegen de ontvanger worden aanhangig gemaakt.
3.
Verzet kan niet gegrond zijn op het niet ontvangen van aanslagbiljet of aanmaning en kan nimmer gericht zijn tegen de wettigheid of de hoegrootheid van het gevorderde bedrag, noch gegrond zijn op de bewering dat aanspraak zou bestaan op ontheffing of vermindering.
4.
Indien het verzet wordt afgewezen, is geen hoger beroep ontvankelijk dan na bewijs, dat de BES belasting is geconsigneerd in handen van de ontvanger, die de betaling vervolgt.
1.
Al degenen, die gelden aan belastingschuldigen toekomende onder zich hebben alsmede allen, die schuldenaar zijn van opeisbare vorderingen van belastingschuldigen, zijn verplicht op de daartoe gedane vordering van de ontvanger, voor zover de gelden die onder hen berusten of door hen verschuldigd strekken voor rekening van de belastingschuldige en vatbaar zijn voor beslag, de door deze verschuldigde sommen te betalen zonder daartoe een rangregeling, verificatie of rechterlijk bevel af te wachten, tenzij onder hen beslag is gelegd of verzet gedaan is ter zake van vorderingen waaraan voorrang boven de vorderingen van ‘s Rijks schatkist is toegekend. Zij zijn zelfs bevoegd de betaling uit eigen beweging te doen, voordat zij tot afgifte van de gelden of tot voldoening van het door hen verschuldigde overgaan. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.
2.
De belastingschuldige kan op voet van artikel 8.53 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangschrift.
3.
De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels in Boek 2, titel 2, afdeling 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen, zonder recht van verhaal op de belastingschuldige.
1.
‘s Rijks schatkist heeft een voorrecht op alle goederen van de belastingschuldige.
2.
Het voorrecht gaat boven alle andere voorrechten met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288, onderdeel a, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES, alsmede dat van artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES voor zover de kosten zijn gemaakt na de dagtekening van het aanslagbiljet. Het voorrecht gaat tevens boven pand, voor zover het pandrecht rust op een zaak of vrucht als is bedoeld in artikel 8.56 die zich bevindt in het bezit van de schuldenaar of in het huis, in de bedrijfsruimte of op het erf, door hem bewoond of bij hem in gebruik en tegen inbeslagneming waarvan derden zich op die grond niet kunnen verzetten. Het behoudt deze rang in geval van faillissement van de belastingschuldige, ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden.
1.
Derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop ter zake van de belastingschuld beslag is gelegd of die een recht van terugvordering hebben jegens degene die een zaak onrechtmatig of van een onbevoegde heeft verkregen, kunnen verzet in rechte doen tegen de inbeslagneming vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag van beslaglegging.
2.
Derden kunnen echter nimmer verzet in rechte doen tegen de inbeslagneming van roerende zaken, tot stoffering van een huis of ten gebruike van het bedrijf dienende, alsmede van ingeoogste vruchten, wanneer die zaken of vruchten zich tijdens de inbeslagneming bevinden in het bezit van de schuldenaar of in het huis, in de bedrijfsruimte of op het erf, door hem bewoond of bij hem in gebruik.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin de ontvanger uitstel van betaling verleent.
2.
De ontvanger beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking op een verzoek om uitstel van betaling.
3.
Gedurende het uitstel van betaling wordt op grond van artikel 8.44, tweede lid, interest in rekening gebracht.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaren – te rekenen vanaf de laatste dag van het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de BES eilanden metterwoon heeft verlaten – mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen en winstbewijzen waarbij de Wet inkomstenbelasting BES toepassing heeft gevonden, alsmede met betrekking tot het beëindigen van het uitstel van betaling.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen tevens regels gesteld worden krachtens welke ter zake van de belasting waarvoor op de voet van artikel 8.57, vierde lid, uitstel van betaling is verleend, kwijtschelding van belasting kan worden verleend en tot welke bedragen.
3.
De ontvanger beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking op een verzoek om kwijtschelding.
1.
De ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen voor zover de invordering daarvan aan hem is opgedragen met elkaar te verrekenen.
2.
De ontvanger stelt de belastingschuldige onverwijld in kennis van de verrekening.
1.
Belastingaanslagen verjaren vijf jaren na dagtekening van het aanslagbiljet of vijf jaren na de laatst betekende akte van vervolging.
2.
De verjaring wordt gestuit door een erkentenis van de belastingschuldige, door woorden of door daden, van het bestaan van de belastingschuld.
3.
De verjaringstermijn wordt verlengd met de tijd gedurende welke na de aanvang van die termijn:
a. de belastingschuldige uitstel van betaling heeft;
b. de tenuitvoerlegging van een dwangschrift is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt;
c. de belastingschuldige surseance van betaling heeft;
d. de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert;
e. de belastingschuldige zich metterwoon niet op de BES eilanden bevindt.
Artikel 8.61. Reikwijdte aansprakelijkheid
In deze afdeling wordt, in afwijking in zoverre van artikel 1.3, onderdeel d, onder de belasting mede begrepen de daarmee samenhangende bestuurlijke boeten, interest en kosten van vervolging voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijk gestelde is te wijten.
1.
De aansprakelijkstelling wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking bekend gemaakt door de ontvanger aan de aansprakelijk gestelde.
2.
Het bedrag, verschuldigd op grond van deze afdeling, is invorderbaar twee maanden nadat aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden. Artikel 8.39 en afdeling 3 en 4 van deze titel zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
De ontvanger stelt de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep van belang kunnen worden geacht.
4.
Voor zover de aansprakelijkstelling een bestuurlijke boete betreft, is afdeling 2 van titel 3 van toepassing.
1.
Indien ten onrechte geen of te weinig algemene bestedingsbelasting is geheven, door toedoen van een ander dan de ondernemer, is die ander hoofdelijk aansprakelijk voor die algemene bestedingsbelasting.
2.
Indien krachtens artikel 6.12, vierde lid, de algemene bestedingsbelasting wordt geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, is, in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen en onder daarbij te stellen voorwaarden, de ondernemer die de levering verricht of de dienst verleent hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting, tenzij de ondernemer aantoont dat het niet aan hem te wijten is dat de belasting niet is voldaan.
Artikel 8.64. Aansprakelijkheid voor afnemers voor de algemene bestedingsbelasting
Ingeval een niet in het openbaar lichaam van zijn afnemer wonende of gevestigde ondernemer, een andere dan een BES ondernemer als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel h, diensten verricht ten behoeve van een in dat openbaar lichaam wonende of gevestigde afnemer, niet zijnde een ondernemer, is degene aan wie de dienst wordt verleend, hoofdelijk aansprakelijk voor de algemene bestedingsbelasting, de boeten, interest en kosten indien deze dienst aan belasting zou zijn onderworpen wanneer de dienst door een in het openbaar lichaam wonende of gevestigde ondernemer zou zijn verricht behoudens ingeval de betrokkene ten genoegen van de inspecteur kan aantonen dat de verschuldigde belasting aan hem in rekening is gebracht en hij deze betaald heeft.
1.
Ieder van de bestuurders is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting verschuldigd door een niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap of vereniging.
2.
Ieder van de bestuurders is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting verschuldigd door een op de BES eilanden gevestigde rechtspersoon.
1.
Voor de loonbelasting verschuldigd door een niet op de BES eilanden wonende of gevestigde inhoudingsplichtige is hoofdelijk aansprakelijk:
a. de leider van de vaste inrichting op de BES eilanden;
b. zijn op de BES eilanden wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger; of
c. degene, die de leiding heeft van op de BES eilanden verrichte werkzaamheden.
2.
De werknemer kan hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de van hem ten onrechte niet ingehouden loonbelasting, tenzij hij de inspecteur tijdig van de nalatigheid van de inhoudingsplichtige in kennis heeft gesteld.
3.
Indien de inhoudingsplichtige niet op de BES eilanden woont of gevestigd is, kan de werknemer mede aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde belasting.
4.
De werknemer, die in dienstbetrekking is bij een niet op de BES eilanden wonende of gevestigde inhoudingsplichtige en die de BES eilanden wenst te verlaten, kan mede aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde belasting.
1.
Voor de loonbelasting welke de inhoudingsplichtige verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door een werknemer die met instandhouding van de dienstbetrekking tot de inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld van een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener of ingeval doorlening plaatsvindt, de in het tweede lid bedoelde doorlener, hoofdelijk aansprakelijk behoudens voor zover hij aantoont dat ten aanzien van hem een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen.
2.
Onder inlener wordt mede verstaan de doorlener, zijnde degene aan wie een werknemer ter beschikking is gesteld en die deze werknemer vervolgens ter beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht en leiding werkzaam te zijn.
3.
Voor zover een inlener ingevolge een schriftelijke overeenkomst met een uitlener het bedrag waarvoor hij op grond van het eerste lid hoofdelijk aansprakelijk is, heeft overgemaakt op een rekening die door die inlener bij een ingevolge de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES ingeschreven kredietinstelling ter zake van dat werk wordt gehouden voor betaling van belasting, wordt elke betaling die de inlener voor dat doel voor het tijdvak waarin het werk is uitgevoerd ten laste van die rekening heeft gedaan, vermoed betrekking te hebben op dat werk. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.
4.
De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een inlener indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de uitlener noch aan hem noch aan de inlener te wijten is.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. aannemer: degene, die zich jegens de opdrachtgever verbindt om buiten dienstbetrekking een werk uit te voeren tegen een te betalen prijs;
b. onderaannemer: degene, die zich jegens een aannemer verbindt om buiten dienstbetrekking het in onderdeel a bedoelde werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren tegen een te betalen prijs.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt de onderaannemer ten opzichte van zijn onderaannemer als aannemer beschouwd.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met een aannemer gelijkgesteld degene die, zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen, buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk uitvoert.
4.
Voor de toepassing van dit artikel wordt ten opzichte van de aannemer als onderaannemer beschouwd de verkoper van een toekomstig goed, voor zover de koop en verkoop voortvloeit uit, of verband houdt met, het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde werk.
5.
De aannemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting:
a. die de onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer, verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter zake van dat werk, behoudens voor zover hij aannemelijk maakt dat ten aanzien van hem een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen;
b. waarvan de onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer, ingevolge artikel 8.65 hoofdelijk aansprakelijk is ter zake van dat werk, behoudens voor zover hij aannemelijk maakt dat ten aanzien van hem een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen.
6.
Voor zover een aannemer ingevolge een schriftelijke overeenkomst met een onderaannemer het bedrag waarvoor hij op grond van het vijfde lid hoofdelijk aansprakelijk is, heeft overgemaakt op een rekening die door die onderaannemer bij een ingevolge de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES ingeschreven kredietinstelling ter zake van dat werk wordt gehouden voor betaling van belasting, wordt elke betaling die de onderaannemer voor dat doel voor het tijdvak waarin het werk is uitgevoerd ten laste van die rekening heeft gedaan, vermoed betrekking te hebben op dat werk. Onder betaling van belasting, als bedoeld in de vorige volzin, wordt mede begrepen een betaling door een onderaannemer aan zijn onderaannemer, welke betaling ingevolge een tussen hen gesloten schriftelijke overeenkomst wordt gedaan op een rekening als bedoeld in de vorige volzin. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.
7.
De aansprakelijkheid op grond van het vijfde lid geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een aannemer indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de onderaannemer noch aan hem noch aan de aannemer te wijten is, dan wel, indien de aannemer uiterlijk binnen een week na dagtekening van de overeenkomst met de onderaannemer een afschrift van de door alle partijen ondertekende overeenkomst aan de inspecteur heeft overgelegd. De overeenkomst dient in ieder geval te vermelden de naam of benaming en de woonplaats van de onderaannemer, het onderdeel van het werk waarvoor de onderaannemer zorg draagt, de plaats en de datum van het werk, de geschatte aanneemsom en de geschatte loonsom. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.
8.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien:
1°. een werk, tot de uitvoering waarvan een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden, geheel of grotendeels wordt verricht op de plaats, waar de onderneming van de onderaannemer is gevestigd, of
2°. de uitvoering van een werk waartoe een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden ondergeschikt is aan een tussen hen gesloten overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak.
Artikel 8.69. Aangewezen bedrijfssectoren en bedrijfstakken
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bedrijfssectoren en bedrijfstakken worden aangewezen ten aanzien waarvan artikel 8.67 alsmede artikel 8.68 niet van toepassing zijn.
Artikel 8.70. Aansprakelijkheid voor de vastgoedbelasting
Indien artikel 4.2, derde lid, toepassing vindt, is ieder van de belastingplichtigen hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele belastingbedrag.
1.
Indien een lichaam als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, wordt ontbonden, is hoofdelijk aansprakelijk voor de door het lichaam verschuldigde opbrengstbelasting ieder van de met de vereffening belaste personen, met uitzondering van een door de rechter benoemde vereffenaar, tenzij deze aantoont dat het niet aan hem te wijten is dat de opbrengstbelasting niet is voldaan, met dien verstande dat geen aansprakelijkheidsstelling kan plaatsvinden indien na de ontbinding vijf jaren zijn verstreken.
2.
Indien ten onrechte geen of te weinig opbrengstbelasting is geheven, door toedoen of mede door toedoen van een ander dan de inhoudingsplichtige, is die ander hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting.
Artikel 8.72. Aansprakelijkheid voor de overdrachtsbelasting
Indien krachtens artikel 7.18 overdrachtsbelasting ter zake van een verkrijging moet worden voldaan ter gelegenheid van de aanbieding ter registratie van de door de notaris ter zake opgemaakte akte, is de notaris hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting tot het bedrag dat ingevolge de inhoud van de akte is verschuldigd.
1.
Degene, die ingevolge deze afdeling heeft betaald, heeft hiervoor verhaal op de belastingschuldige dan wel de inhoudingsplichtige die de belasting verschuldigd is.
2.
Indien het in het eerste lid bedoelde verhaal geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt en twee of meer personen hoofdelijk aansprakelijk zijn, moeten zij onderling voor gelijke delen in het niet betaalde deel bijdragen. Indien artikel 8.68 van toepassing is en het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk dat iedere van de hoofdelijk aansprakelijk gestelden heeft laten uitvoeren kan worden vastgesteld, draagt, in afwijking van de eerste volzin, ieder in evenredigheid met dat aandeel bij. Indien dit aandeel niet kan worden vastgesteld, moeten zij onderling voor gelijke delen in het niet betaalde deel bijdragen. Degene, die meer heeft betaald dan zijn aandeel, heeft voor het meerdere verhaal op degene, die minder dan zijn aandeel heeft betaald. Een tekort, veroorzaakt doordat één van hen geen verhaal biedt, wordt over de anderen verdeeld naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen aanging.
3.
Ieder die in de belasting heeft bijgedragen, blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van de belastingschuldige terug te vorderen.
1.
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen wordt gestraft degene die ingevolge deze wet verplicht is tot:
a. het uitreiken van een nota overeenkomstig artikel 5.9, eerste lid, en deze niet of niet overeenkomstig genoemd artikel verstrekt;
b. het bewaren van nota’s overeenkomstig artikel 5.9, tweede lid, en deze niet of niet op de voorgeschreven wijze bewaart;
c. naleving van de verplichtingen van hoofdstuk VI en daaraan niet, niet tijdig, niet juist of niet volledig voldoet of het verbod van artikel 6.24 overtreedt;
d. het binnen een gestelde termijn doen van aangifte dat niet binnen de gestelde termijn, onjuist of onvolledig doet;
e. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;
f. het ter inzage verstrekken van gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet of in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking stelt;
g. het voeren van een administratie overeenkomstig de in de belastingwet gestelde eisen, en een zodanige administratie niet voert;
h. het bewaren van gegevensdragers, en deze niet bewaart;
i. het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 8.86 vijfde lid, en deze niet verleent;
j. het verstekken van de opgave, bedoeld in artikel 8.87, tweede en derde lid, en deze opgave niet verstrekt.
2.
Ieder, die in een notariële akte een lagere koopsom doet vermelden dan de waarde in het economische verkeer of in zodanige akte niet doet opnemen alle bijkomende verbintenissen of bedingen, met het gevolg, dat de belasting wordt geheven over een lager bedrag dan volgens deze belasting tot grondslag van de heffing moet strekken, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie en bij herhaling met een geldboete van de derde categorie en gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, tezamen of afzonderlijk. Met dezelfde straf wordt gestraft elke ondertekenaar van een valse opgave van de waarde als bedoeld in artikel 7.13.
3.
Degene die zich opzettelijk schuldig maakt aan een in het eerste lid, onderdelen d tot en met j, omschreven strafbaar gesteld feit, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen.
4.
Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt indien degene op wie de verplichting rust alsnog een juiste en volledige aangifte doet of juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur of een van de in artikel 8.79, eerste lid, bedoelde ambtenaren en personen de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.
1.
Degene die opzettelijk de hem ingevolge artikel 8.21 opgelegde geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vijfde categorie dan wel met beide straffen.
2.
Degene aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vijfde categorie.
3.
Vervolging inzake schending van de geheimhouding wordt slechts ingesteld op klacht van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Artikel 8.76. Delicten verplichtingen belastingheffing
Degene die niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting ingevolge de artikelen 8.84, tweede lid, en 8.85, eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie.
1.
Overtreding van krachtens deze wet bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met een geldboete van de derde categorie.
2.
Overtreding van een door Onze Minister krachtens de belastingwet vastgestelde ministeriële regeling wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met een geldboete van de tweede categorie.
1.
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
2.
Het Wetboek van Strafrecht BES is mede van toepassing op ieder die zich niet op de BES eilanden schuldig maakt aan een bij of krachtens deze wet als misdrijf omschreven strafbaar gesteld feit.
1.
Met het opsporen van de bij belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES bedoelde personen, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst belast.
2.
De ambtenaren van de rijksbelastingdienst zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering BES voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
3.
Bij het opsporen van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te laten vergezellen. Voor het betreden van woningen is titel X van het Derde boek van het Wetboek van Strafvordering BES onverkort van toepassing.
1.
De in artikel 8.79, eerste lid, bedoelde ambtenaren maken van hun bevindingen proces-verbaal op en delen dit in afschrift mede aan degene tot wie de opsporing zich richt.
2.
Alle processen-verbaal betreffende de bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden ingezonden aan de directeur. De directeur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is binnengetreden, met de in beslag genomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie. De overige processen-verbaal doet de directeur met de in beslag genomen voorwerpen toekomen aan de officier van justitie indien hij een vervolging wenselijk acht.
3.
De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de directeur te stellen, die daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 8.81.
4.
Het bepaalde in artikel 14 van het Wetboek van Strafvordering BES is niet van toepassing in zaken waarin de directeur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
1.
Ten aanzien van feiten, met betrekking tot welk het proces-verbaal niet in handen van de officier van justitie is gesteld, vervalt het recht tot strafvordering indien vrijwillig wordt voldaan aan de voorwaarden welke de directeur ter voorkoming van de strafvervolging heeft gesteld.
2.
Als voorwaarden kunnen worden gesteld:
a. betaling aan de BES eilanden van een geldsom van ten minste USD 56 en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd;
b. afstand van voorwerpen die in beslag genomen zijn en vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
c. uitlevering, of voldoening aan de BES eilanden van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
d. voldoening aan de BES eilanden van een geldbedrag gelijk aan of lager dan het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing van kosten – door de verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit;
e. het alsnog voldoen aan een bij deze wet gestelde verplichting.
3.
De directeur bepaalt telkens de termijn waarbinnen aan de gestelde voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar dat moet gebeuren.
Artikel 8.82. Uittreksels van vonnissen
De griffier van het Hof verstrekt aan de directeur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van vonnissen, in belastingstrafzaken gewezen.
1.
Een ieder is gehouden aan de inspecteur op diens verzoek:
a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing ten aanzien van hem van belang kunnen zijn;
b. de gegevensdragers of de inhoud daarvan, zulks naar keuze van de inspecteur, waarvan de inzage van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten die op de belastingheffing ten aanzien van hem invloed kunnen uitoefenen, voor dit doel beschikbaar te stellen.
2.
De in het eerste lid, onderdeel b, genoemde verplichting geldt eveneens voor de derde bij wie de gegevensdragers zich bevinden. De inspecteur stelt degene wiens gegevensdragers bij de derde worden ingezien zo spoedig mogelijk van de inzage in kennis.
3.
Op degene, die direct of indirect ten minste 50% van de aandelen heeft in het kapitaal van dan wel de zeggenschap heeft over een lichaam dat onderworpen is aan één of meer van de in artikel 1.3, onderdeel d, genoemde BES belastingen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gegevens en inlichtingen alsmede gegevensdragers die in het bezit zijn van de aandeelhouder en welke van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van dat lichaam. De eerste volzin is mede van toepassing in gevallen waarin twee of meer natuurlijke personen of lichamen volgens een onderlinge regeling tot samenwerking een belang houden van 50% of meer dan wel de zeggenschap hebben over een lichaam dat onderworpen is aan één of meer van de in artikel 1.3, onderdeel d, bedoelde BES belastingen.
4.
Ingeval de belastingwet aangelegenheden van een derde aanmerkt als aangelegenheden van de vermoedelijk belastingplichtige, gelden voor de derde gelijke verplichtingen.
5.
Een ieder is gehouden ter vaststelling van zijn identiteit, indien zulks voor de heffing van de loonbelasting van belang kan zijn, op eerste verzoek van de inspecteur aan deze een geldig paspoort, geldige identiteitskaart dan wel geldig rijbewijs ter inzage te verstrekken.
1.
De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze, zulks naar keuze van de inspecteur, en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. De gevraagde gegevens en inlichtingen dienen kosteloos te worden verstrekt.
2.
Toegelaten moet worden dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor de raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. Indien het maken van kopieën of leesbare afdrukken niet ter plaatse kan geschieden, is de inspecteur bevoegd de gegevensdragers voor dat doel voor korte tijd mee te nemen.
3.
Inzage in gegevensdragers dient te worden verleend op het kantoor van de inspecteur binnen een door hem te stellen termijn. De inspecteur kan akkoord gaan met inzage op een andere plaats, voor zover dat de voortgang van het onderzoek niet belemmert.
1.
Degene die een gebouw of grond in gebruik heeft, is verplicht ten behoeve van een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek de inspecteur en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot alle gedeelten van dat gebouw of van die grond.
2.
De gevraagde toegang wordt verleend, tussen acht uur ’s ochtends en zes uur ’s avonds, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen.
3.
Indien het gebouw of de grond wordt gebruikt voor het uitoefenen van een bedrijf of een zelfstandig beroep wordt de gevraagde toegang mede verleend tijdens de uren waarin het gebruik voor de uitoefening van dat bedrijf of zelfstandig beroep daadwerkelijk plaatsvindt.
4.
De gebruiker van het gebouw of de grond is verplicht desgevorderd aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn.
5.
De tot de toegang bevoegde personen treden een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner niet binnen dan met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid.
6.
Op het binnentreden in woningen is titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering BES van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur generaal, de officier van justitie dan wel een hulpofficier van justitie.
1.
Administratieplichtigen zijn:
a. natuurlijke personen die een bedrijf of beroep uitoefenen;
b. natuurlijke personen die inhoudingsplichtig zijn;
c. lichamen.
2.
Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.
3.
De administratie behoort te worden gevoerd in het Nederlands, Papiaments of Engels met gebruikmaking van de daarbij gebruikelijke cijfers.
4.
Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge de belastingwet wordt vastgelegd.
5.
De inrichting, het bijhouden en bewaren van de administratie dient controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk te maken. De administratieplichtige verleent de hiervoor benodigde medewerking en verschaft het nodige inzicht in de opzet en de werking van de administratie.
6.
Administratieplichtigen zijn verplicht hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.
7.
In afwijking van het zesde lid bewaart de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring bij de loonboekhouding tot ten minste tien jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd, dan wel waarin de loonbelastingverklaring door een ander is vervangen. Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door de inspecteur gestelde termijn.
8.
De administratieplichtige die de gevorderde gegevensdragers of de inhoud daarvan, niet of slechts ten dele ter inzage verstrekt, wordt geacht niet volledig te hebben voldaan aan een op grond van dit artikel opgelegde verplichting tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de afwezigheid of onvolledigheid van de gegevensdragers of de inhoud ervan het gevolg is van overmacht.
9.
Iedere administratieplichtige is gehouden bij de inspecteur een identificatienummer aan te vragen.
10.
De inspecteur kent op verzoek van een belanghebbende aan deze een identificatienummer toe, dan wel maakt aan de belanghebbende op diens verzoek een reeds toegekend identificatienummer bekend. De belanghebbende is ter vaststelling van zijn identiteit gehouden een geldig paspoort, geldige identiteitskaart dan wel geldig rijbewijs ter inzage te verstrekken.
1.
Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld in artikel 8.86, eerste lid, zijn de in de artikelen 8.83, 8.84, 8.85 en 8.86, omschreven verplichtingen van overeenkomstige toepassing ten behoeve van de belastingheffing van derden.
2.
Administratieplichtigen zijn gehouden in de maand januari van elk jaar aan de inspecteur een opgave te verstrekken betreffende derden die in het afgelopen jaar bij of voor de administratieplichtige, anders dan in dienstbetrekking, werkzaamheden of diensten hebben verricht.
3.
Administratieplichtigen zijn gehouden in de maand januari van elk jaar aan de inspecteur een opgave te verstrekken betreffende de personen die in het afgelopen jaar bij of voor de administratieplichtige in dienstbetrekking zijn geweest, met inbegrip van bestuurders, commissarissen en personen, die niet anders dan op provisiebasis werken.
4.
De in het tweede en derde lid genoemde opgaaf moet worden gedaan op een formulier dat bij de inspecteur verkrijgbaar is.
5.
Onverminderd de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, zijn de bij of krachtens de belastingwet aan te wijzen administratieplichtigen gehouden de bij of krachtens de belastingwet aan te wijzen gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn eigener beweging te verstrekken aan de inspecteur volgens bij of krachtens de belastingwet te stellen regels.
1.
Voor een weigering om te voldoen aan de in de artikelen 8.83, 8.84, 8.85, 8.86 en 8.87 omschreven verplichtingen kan niemand zich beroepen op de omstandigheid dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een wet is opgelegd.
2.
Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van derden als bedoeld in artikel 8.87, eerste lid, kunnen alleen geestelijken, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich beroepen op de omstandigheid dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn.
1.
Voor het onderzoek van gegevensdragers kunnen door de inspecteur deskundigen en tolken worden aangewezen.
2.
Alvorens zijn taak te aanvaarden legt de deskundige of de tolk in handen van de gezaghebber de eed of belofte af, dat hij de hem op te dragen werkzaamheden eerlijk, nauwgezet en naar zijn beste weten zal verrichten.
3.
Aan de in het eerste lid bedoelde deskundigen en tolken kan een vergoeding worden toegekend volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
1.
De artikelen 8.83, 8.84 en 8.87 zijn van overeenkomstige toepassing ten behoeve van de invordering van de belastingschuldige en aansprakelijk gestelde.
2.
Voor de inspecteur wordt gelezen: de ontvanger, en voor de belastingheffing: de invordering.
1.
Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen, en wel kosteloos, die hun door de inspecteur ter uitvoering van de belastingwet worden gevraagd.
2.
Onze Minister kan, op schriftelijk verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven verplichting.
1.
Degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag of tegen een ingevolge de belastingwet door de inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikking, kan binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet of van het ter post bezorgde of uitgereikte afschrift van de beschikking een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de inspecteur. De inspecteur tekent onverwijld de datum van ontvangst aan op het bezwaarschrift. De inspecteur zendt de indiener onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
2.
Degene die bezwaar heeft tegen het bedrag dat als belasting door hem op aangifte is voldaan of afgedragen of dat als belasting door een inhoudingsplichtige van hem is ingehouden, kan binnen twee maanden na de betaling respectievelijk de inhouding een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de inspecteur.
3.
Hij die bezwaar heeft tegen meer dan één belastingaanslag of voor bezwaar vatbare beschikking kan daartegen bezwaar maken bij één bezwaarschrift.
4.
Indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, wordt een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag geacht mede te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
1.
De inspecteur doet uitspraak op het bezwaarschrift.
2.
Met een uitspraak wordt gelijkgesteld het weigeren dan wel niet tijdig doen van de uitspraak. Een uitspraak wordt geacht niet tijdig te zijn gedaan indien de inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift een uitspraak heeft gedaan.
3.
Indien de belanghebbende in zijn bezwaarschrift het verlangen daartoe te kennen geeft, wordt hij vóór de uitspraak door de inspecteur gehoord. Alle oproepingen worden gedaan op een termijn van ten minste zeven dagen.
4.
Indien niet of niet volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen, wordt de uitspraak gemotiveerd.
5.
Indien het bezwaar is gericht tegen een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte de vereiste aangifte niet is gedaan of niet volledig is voldaan aan de verplichting ingevolge de artikelen 8.83, 8.84, 8.85 en 8.86 wordt de belastingaanslag gehandhaafd, tenzij gebleken is dat, en zo ja in hoeverre, deze onjuist is.
1.
De inspecteur kan de termijn voor het doen van een uitspraak als bedoeld in artikel 8.93, tweede lid, verlengen met ten hoogste negen maanden indien:
a. de belanghebbende niet of niet volledig voldoet aan het verzoek van de inspecteur gegevensdragers, of de inhoud daarvan, waarvan de inzage van belang kan zijn voor de afhandeling van het bezwaarschrift, voor dit doel beschikbaar te stellen;
b. de belanghebbende niet of niet volledig voldoet aan het verzoek van de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de afhandeling van het bezwaarschrift van belang kunnen zijn;
c. de inspecteur met betrekking tot het geschil waartegen het bezwaar is gericht, de uitkomst van een vergelijkbare procedure door het Gerecht in eerste aanleg wil afwachten;
d. de inspecteur een verzoek om inlichtingen, welke voor de afhandeling van het bezwaarschrift van belang kan zijn, aan een bevoegde autoriteit van een andere staat heeft gedaan;
e. een boekenonderzoek, ingesteld door de rijksbelastingdienst, welke voor de afhandeling van het bezwaarschrift van belang kan zijn, nog niet is afgerond.
2.
Van een verlenging van de termijn voor het doen van uitspraak stelt de inspecteur de belanghebbende schriftelijk in kennis. De inspecteur is gehouden om, zodra dat in redelijkheid van hem verwacht kan worden, uitspraak te doen.
1.
Voor de behandeling van het bezwaar is geen recht verschuldigd.
2.
De kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden ten laste van ‘s Rijks schatkist uitsluitend vergoed op verzoek van de belastingplichtige, voor zover de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking wordt herroepen wegens aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.
3.
Het verzoek wordt gedaan voordat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De inspecteur beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
Artikel 8.96. Geen schorsende werking bezwaar
De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaarschrift inzake een belastingaanslag.
1.
De belanghebbende kan tegen een uitspraak op bezwaar beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg.
2.
De termijn voor het instellen van beroep bedraagt twee maanden na dagtekening van de uitspraak op bezwaar.
3.
Het beroep kan slechts worden ingesteld door:
a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;
b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden;
c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt, of
d. degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.
4.
De inspecteur stelt de in het derde lid bedoelde belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belastingaanslag of de beschikking voor zover deze gegevens voor het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht.
5.
Het Gerecht in eerste aanleg bevestigt de ontvangst van het beroepschrift schriftelijk.
Artikel 8.102. Geen schorsende werking beroep
De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door het instellen van beroep.
1.
Zaken die bij het Gerecht in eerste aanleg aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.
2.
De enkelvoudige kamer kan een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.
3.
Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
1.
De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn op de behandeling zowel door een enkelvoudige als door een meervoudige kamer van toepassing.
2.
Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de verplichtingen die de voorzitter van een meervoudige kamer heeft.
1.
Het instellen van beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij het Gerecht in eerste aanleg.
2.
Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de belastingaanslag of de beschikking waartegen het beroep is gericht;
d. de gronden van het beroep.
3.
Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van de belastingaanslag of beschikking en de uitspraak op bezwaar overgelegd.
4.
Het beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan een in dit artikel of in enig ander in deze wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroepschrift, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5.
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
6.
Hij die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak kan dat doen bij één beroepschrift.
7.
Artikel 8.92, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Van de indiener van het beroepschrift wordt ten behoeve van ’s Rijks schatkist een griffierecht geheven ten bedrage van USD 30.
2.
De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het griffierecht binnen zes weken na de verzending van zijn mededeling dient te zijn betaald aan het Gerecht in eerste aanleg.
3.
Indien het griffierecht niet tijdig is betaald, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
4.
Indien het Gerecht in eerste aanleg het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, vergoedt de inspecteur het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht.
Artikel 8.104a. Doorzendverplichting griffier
De griffier zendt zo spoedig mogelijk een kopie van alle door een partij toegezonden stukken aan de wederpartij.
1.
Binnen vier weken na verzending van het beroepschrift aan de inspecteur zendt deze de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Gerecht in eerste aanleg en dient hij een verweerschrift in.
2.
Het Gerecht in eerste aanleg kan de in het eerste lid bedoelde termijn verlengen.
Artikel 8.106. Repliek en dupliek
Het Gerecht in eerste aanleg kan de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt de inspecteur in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren. Het Gerecht in eerste aanleg stelt de termijnen voor repliek en dupliek vast.
Artikel 8.106a. Vereenvoudigde behandeling
Het Gerecht in eerste aanleg kan onmiddellijk uitspraak doen indien een nader onderzoek het Gerecht niet nodig voorkomt, omdat:
a. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;
b. het beroep kennelijk ongegrond is;
c. het beroep kennelijk gegrond is, of
d. de inspecteur kennelijk aan de bezwaren van de belanghebbende tegemoet is gekomen.
1.
Tegen de in artikel 8.106a bedoelde uitspraak kunnen partijen schriftelijk verzet doen bij het Gerecht in eerste aanleg. Artikel 8.103 is van overeenkomstige toepassing.
2.
Alvorens een uitspraak te doen op het verzet, kan het Gerecht in eerste aanleg de partij die het verzet deed in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet ongegrond is, dan gaat het niet tot ongegrondverklaring over dan na de indiener van het verzetschrift die daarom vroeg in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
3.
Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt de in artikel 8.106a bedoelde uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.
1.
Zodra het verweerschrift of de dupliek is ingediend, dan wel de termijn daarvoor is verstreken, worden partijen ten minste zes weken van tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van het Gerecht in eerste aanleg te verschijnen.
2.
Als partijen daarvoor toestemming hebben verleend, kan het Gerecht in eerste aanleg bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
3.
Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging gewezen.
4.
Behoudens voor zover het beroep is gericht tegen een uitspraak waarbij een boete geheel of gedeeltelijk is gehandhaafd, vindt het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren. Het Gerecht in eerste aanleg kan bepalen dat het onderzoek openbaar is, mits de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad.
1.
Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
2.
Het Gerecht in eerste aanleg kan een partij oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen.
3.
Partijen die door het Gerecht in eerste aanleg zijn opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen, zijn verplicht te verschijnen en de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen.
4.
Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen of inlichtingen te verstrekken, kan het Gerecht in eerste aanleg daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
1.
Het Gerecht in eerste aanleg kan getuigen oproepen en deskundigen en tolken benoemen.
2.
De opgeroepen getuige en de deskundige of de tolk die zijn benoeming heeft aanvaard en door het Gerecht in eerste aanleg wordt opgeroepen, zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven. In de oproeping van de deskundige wordt vermeld de opdracht die moet worden vervuld, en de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet worden vervuld.
3.
Namen en woonplaatsen van de opgeroepen getuigen en deskundigen en de feiten waarop het horen betrekking zal hebben onderscheidenlijk de opdracht die moet worden vervuld, worden bij de uitnodiging, bedoeld in artikel 8.107, aan partijen zo veel mogelijk medegedeeld.
4.
Alvorens zijn taak te aanvaarden legt de deskundige of tolk de eed of belofte af, dat hij de hem opgedragen werkzaamheden eerlijk, nauwgezet en naar beste weten zal verrichten en geheim zal houden, wat geheim behoort te blijven.
5.
Aan door het Gerecht in eerste aanleg opgeroepen deskundigen en tolken worden een vergoeding toegekend volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
1.
Partijen kunnen getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit oproepen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan het Gerecht in eerste aanleg mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8.107, gewezen.
2.
Het Gerecht in eerste aanleg kan afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen en deskundigen indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
1.
Het Gerecht in eerste aanleg kan het onderzoek ter zitting schorsen. Indien bij de schorsing geen tijdstip van een nadere zitting is bepaald, bepaalt het Gerecht in eerste aanleg dit zo spoedig mogelijk. Artikel 8.107, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
Het Gerecht in eerste aanleg sluit het onderzoek, wanneer hij van oordeel is dat het is voltooid.
3.
Zodra het onderzoek is gesloten, deelt de voorzitter mee wanneer uitspraak gedaan zal worden.
4.
Indien het Gerecht in eerste aanleg van oordeel is dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest, kan hij het onderzoek heropenen. Het Gerecht in eerste aanleg bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet.
5.
De griffier doet zo spoedig mogelijk mededeling aan partijen van de heropening van het onderzoek en de wijze waarop dit wordt voortgezet.
1.
Tenzij mondeling uitspraak wordt gedaan, doet het Gerecht in eerste aanleg binnen zes weken na de sluiting van het onderzoek schriftelijk uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan het Gerecht in eerste aanleg deze termijn met ten hoogste zes weken verlengen, van welke verlenging mededeling wordt gedaan aan partijen.
2.
De schriftelijke uitspraak vermeldt:
a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden;
b. de gronden van de beslissing;
c. de beslissing;
d. de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld; en
e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken.
3.
De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.
4.
Het Gerecht in eerste aanleg spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.
1.
Het Gerecht in eerste aanleg kan na de sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen. De uitspraak kan voor ten hoogste twee weken worden verdaagd onder aanzegging aan partijen van het tijdstip van de uitspraak.
2.
De mondelinge uitspraak bestaat uit de beslissing en de gronden van de beslissing.
3.
Van de mondelinge uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
4.
Het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld.
5.
Het Gerecht in eerste aanleg spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 8.114. Omkering bewijslast
Indien het beroep is gericht tegen een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte de vereiste aangifte niet is gedaan, of niet volledig is voldaan aan de verplichting ingevolge de artikelen 8.83, 8.84 en 8.86 verklaart het Gerecht in eerste aanleg het beroep tegen de belastingaanslag ongegrond, tenzij gebleken is dat, en zo ja in hoeverre, de uitspraak op bezwaar onjuist is.
1.
Het Gerecht in eerste aanleg is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het Gerecht in eerste aanleg en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 8.95, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
Een natuurlijk persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in het eerste lid uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
1.
Indien het Gerecht in eerste aanleg het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.
2.
Indien het Gerecht in eerste aanleg de omvang van de schadevergoeding bij zijn uitspraak niet of niet volledig kan vaststellen, bepaalt hij in zijn uitspraak dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover de behandeling van de zaak wordt heropend. Het Gerecht in eerste aanleg bepaalt daarbij op welke wijze de behandeling wordt voortgezet.
Artikel 8.116. Toezending afschrift
Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan partijen.
1.
Partijen kunnen bij het Hof hoger beroep instellen tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg als bedoeld in de artikelen 8.112 en 8.113.
2.
De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 8.116.
3.
De partij die hoger beroep instelt, wordt aangeduid als appellant in hoger beroep, de wederpartij als verweerder in hoger beroep.
Artikel 8.116b. Overeenkomstige toepassing
Op het hoger beroep zijn de artikelen van afdeling 3, met uitzondering van de artikelen 8.102a en 8.102b, van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald.
1.
Van de indiener van het beroepschrift in hoger beroep wordt ten behoeve van ’s Rijks schatkist een griffierecht geheven ten bedrage van USD 60.
2.
De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het griffierecht binnen zes weken na de verzending van zijn mededeling dient te zijn betaald aan het Hof.
3.
Indien het griffierecht niet tijdig is betaald, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
4.
Indien het Hof het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, vergoedt de inspecteur het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht.
1.
Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg, hetzij met overneming hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak, hetgeen het Gerecht in eerste aanleg had behoren te doen.
2.
Wanneer het Gerecht in eerste aanleg de niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken en het Hof deze uitspraak vernietigt met een ontvankelijkverklaring, wordt de zaak terugverwezen naar het Gerecht in eerste aanleg om te worden hervat in de stand waarin de behandeling zich bevond. Tegen de nieuwe uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg staat hoger beroep open overeenkomstig deze afdeling.
3.
In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan het Hof de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien zij naar zijn oordeel geen nadere behandeling door het Gerecht in eerste aanleg behoeft.
Artikel 8.117. Bevoegdheid in burgerlijke en strafzaken
Alle rechtsvorderingen tot betaling van belastingen, alsmede alle strafvervolgingen wegens misdrijven in belastingzaken behoren tot de kennisneming van de rechter in eerste aanleg op de zittingsplaats, waar de ontvanger waaronder de belastingschuldige ressorteert is gevestigd of het misdrijf is gepleegd en in hoger beroep tot de kennisneming van het Hof.
Artikel 8.118. Toepasselijk recht
Behoudens de bepalingen van deze wet worden burgerlijke rechtsvorderingen behandeld overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES , strafvervolgingen overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering BES .
Artikel 8.119. Maximum
Waar in wettelijke regelingen ten aanzien van belastingen, bijdragen en vergoedingen op de overtreding een geldboete tot een bepaald bedrag als straf is gesteld, geldt dit bedrag voor de toepassing van artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES als het daar bedoelde maximum.
Artikel 8.120. Voorkoming van dubbele belasting. Andere staten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld, waardoor in aansluiting aan de desbetreffende bepalingen voorkomende in de wetgeving van een ander deel van het Koninkrijk of van een andere staat dan wel in de besluiten van een volkenrechtelijke organisatie, dubbele belasting geheel of gedeeltelijk wordt voorkomen.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter voorkoming van dubbele belasting in gevallen waarin daaromtrent niet op andere wijze is voorzien, regels worden gesteld teneinde gehele of gedeeltelijke vrijstelling of vermindering te verlenen van de belasting die betrekking heeft op inkomen of vermogen uit Nederland.
2.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.
Artikel 8.122. Diplomatieke, consulaire en andere vertegenwoordigers
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waardoor ten aanzien van op de BES eilanden wonende diplomatieke, consulaire en andere vertegenwoordigers van een vreemde Mogendheid alsmede hun gezinsleden, de hun toegevoegde ambtenaren en de bij hen inwonende in hun dienst zijnde personen vrijstelling van belasting wordt verleend.
Artikel 8.123. Internationale organisaties
Indien een gedeelte van een inkomen wordt genoten van een internationale organisatie en dit gedeelte ingevolge bepalingen van internationaal recht van de heffing van belasting op de BES eilanden is vrijgesteld, wordt behoudens voor zover bij die bepalingen een nadere wijze van berekenen is voorgeschreven, de inkomstenbelasting verschuldigd over het overige gedeelte van het inkomen gesteld op het verschil tussen de belasting berekend zonder inachtneming van de vrijstelling en de belasting welke volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels aan het vrijgestelde gedeelte van het inkomen dient te worden toegerekend.
1.
De bepalingen van deze afdeling strekken tot uitvoering van de Belastingregeling voor het Koninkrijk en regelingen van internationaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.
2.
Deze afdeling is tevens van toepassing op het verzoek tot het verlenen van wederzijdse bijstand van een bevoegde autoriteit van een andere staat voor zover Nederland met die staat een regeling is overeengekomen die voorziet in het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.
Artikel 8.125. Op verzoek verstrekken van inlichtingen
Op verzoek van een bevoegde autoriteit kan Onze Minister haar de inlichtingen verstrekken waarom zij vraagt en die voor haar van belang kunnen zijn bij de heffing van belastingen, alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.
Artikel 8.126. Automatisch verstrekken van inlichtingen
Onze Minister kan in overleg met een bevoegde autoriteit gevallen of groepen van gevallen aanwijzen in welke hij zonder voorafgaand verzoek inlichtingen zal verstrekken, alsmede de voorwaarden bepalen waaronder de verstrekking zal geschieden.
Artikel 8.127. Spontaan verstrekken van inlichtingen
Onze Minister kan een bevoegde autoriteit uit eigen beweging inlichtingen verstrekken die voor haar van belang kunnen zijn bij de bepaling van een belastingschuld in de gevallen waarin:
a. vermoed wordt dat in de staat van de bevoegde autoriteit ten onrechte een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belasting zou worden verleend dan wel heffing van belasting ten onrechte achterwege zou blijven ingeval de inlichtingen niet zouden zijn verstrekt;
b. op de BES eilanden een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belasting is verleend die van invloed kan zijn op de belastingheffing in de staat van die bevoegde autoriteit;
c. op de BES eilanden rechtshandelingen of andere handelingen zijn verricht met het doel de heffing van belasting in de staat van de bevoegde autoriteit geheel of ten dele onmogelijk te maken;
d. zulks overigens naar het oordeel van Onze Minister is geboden.
1.
Op verzoek van een bevoegde autoriteit van een staat kan Onze Minister overgaan tot de notificatie van stukken.
2.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder de notificatie van stukken verstaan de uitreiking aan de geadresseerde op de BES eilanden van een door een administratieve autoriteit van een staat uitgevaardigd document, houdende een akte of beslissing, inzake de heffing van belastingen, alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de notificatie van stukken en de behandeling van het verzoek daartoe.
1.
Onze Minister laat door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo nodig een onderzoek instellen ten behoeve van het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in de artikelen 8.125, 8.126 of 8.127.
2.
Een onderzoek als bedoeld in het eerste lid kan ook plaatsvinden op verzoek van een bevoegde autoriteit van een staat. In voorkomend geval deelt Onze Minister deze bevoegde autoriteit mee op welke gronden hij een onderzoek niet noodzakelijk acht.
3.
Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek zijn de bepalingen van Titel 7 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden administratieplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de uitvoering van regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing en invordering van belastingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister dienen te worden verstrekt.
5.
Geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, alsmede tegen het onderzoek zelve.
1.
Onze Minister kan met één of meer bevoegde autoriteiten van een staat overeenkomen om gelijktijdig, elk op het eigen grondgebied, bij één of meer personen ten aanzien van wie zij een gezamenlijk of complementair belang hebben, controles te verrichten en de aldus verkregen inlichtingen uit te wisselen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende het gelijktijdige onderzoek en de behandeling van een voorstel daartoe.
1.
Onze Minister kan met een bevoegde autoriteit van een staat overeenkomen dat, ter uitwisseling van inlichtingen in het kader van de in artikel 8.124 bedoelde wederzijdse bijstand, door de bevoegde autoriteit van een staat gemachtigde ambtenaren onder de door Onze Minister gestelde voorwaarden:
a. aanwezig kunnen zijn in de kantoren van de ambtenaren van de rijksbelastingdienst op de BES eilanden;
b. aanwezig kunnen zijn bij onderzoeken die op de BES eilanden worden uitgevoerd.
Indien de verlangde inlichtingen vermeld staan in bescheiden waartoe de ambtenaren, bedoeld in onderdeel a, toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de bevoegde autoriteit van de staat een afschrift van die bescheiden.
2.
In de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister toestaan dat ambtenaren van de bevoegde autoriteit van die staat op de BES eilanden personen kunnen ondervragen en bescheiden kunnen onderzoeken.
3.
De door een bevoegde autoriteit van een staat gemachtigde ambtenaren die op de BES eilanden aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijkt.
1.
Onze Minister en een bevoegde autoriteit van een staat kunnen overeenkomen dat, in het kader van het verstrekken van inlichtingen aan de BES eilanden, door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de rijksbelastingdienst onder de door de bevoegde autoriteit van een staat gestelde voorwaarden:
a. aanwezig kunnen zijn in de kantoren waar de ambtenaren van de bevoegde autoriteit van een staat hun taken vervullen;
b. aanwezig kunnen zijn bij administratief onderzoek dat wordt uitgevoerd op het grondgebied van de bevoegde autoriteit van een staat.
2.
Voor zover het in de staat van de bevoegde autoriteit wettelijk is toegestaan, kunnen in het kader van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, de bij een administratief onderzoek aanwezige ambtenaren van de rijksbelastingdienst, personen ondervragen en bescheiden onderzoeken.
3.
Ambtenaren van de rijksbelastingdienst, die overeenkomstig het eerste lid op het grondgebied van de bevoegde autoriteit van een staat aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijkt.
Artikel 8.133. Strafrechtelijke bepaling
Titel 6 van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 8.129 en 8.133a, en de daarop berustende bepalingen.
1.
Met betrekking tot een rapporterende financiële instelling zijn artikel 2a en afdeling 4A van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, met uitzondering van artikel 2a, eerste lid, onderdelen a, b en f, onder 3°, van die wet, van overeenkomstige toepassing.
2.
Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. rapporterende financiële instelling: een financiële instelling op de BES eilanden, niet zijnde een niet-rapporterende financiële instelling;
b. financiële instelling op de BES eilanden:
1°. een op de BES eilanden gevestigde financiële instelling, met uitzondering van de niet op de BES eilanden gelegen filialen van die instelling;
2°. een op de BES eilanden gelegen filiaal van een niet op de BES eilanden gevestigde financiële instelling.
3.
Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 2a en afdeling 4A van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. onder een niet-rapporterende financiële instelling mede verstaan een bij ministeriële regeling aangewezen financiële instelling met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking;
b. onder een uitgezonderde rekening mede verstaan een bij ministeriële regeling aangewezen financiële rekening met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking;
waarbij een financiële instelling of rekening alleen kan worden aangewezen indien deze voldoet aan de vereisten waaraan de financiële instellingen, onderscheidenlijk rekeningen, moeten voldoen die op grond van artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen door Onze Minister als niet-rapporterende financiële instelling, onderscheidenlijk uitgezonderde rekening, kunnen worden aangewezen.
1.
Onze Minister verstrekt geen inlichtingen indien de verstrekking daarvan niet strekt tot uitvoering van regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.
2.
Onze Minister behoeft geen inlichtingen te verstrekken indien:
a. de openbare orde van de BES eilanden zich daartegen verzet;
b. die inlichtingen op de BES eilanden krachtens wettelijke bepalingen of op grond van de administratieve praktijk niet zouden kunnen worden verkregen voor de heffing en invordering belastingen, alsmede voor de renten daarover of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden;
c. aannemelijk is dat de bevoegde autoriteit in de eigen staat niet eerst de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van de door haar gevraagde inlichtingen heeft benut, die zij in de gegeven situatie had kunnen benutten zonder het beoogde resultaat in gevaar te brengen;
d. de bevoegde autoriteit voor wie de inlichtingen zouden zijn bestemd, niet bevoegd of in staat is Onze Minister soortgelijke inlichtingen te verstrekken;
e. daarmee een commercieel, een industrieel of een beroepsgeheim zou worden onthuld;
f. de verstrekking strijdig zou zijn met algemeen aanvaarde beginselen van belastingheffing of overige begrenzingen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde bepalingen van internationaal en interregionaal recht.
Artikel 8.135. Geheimhoudingsplicht andere staat
Onze Minister verstrekt geen inlichtingen aan een bevoegde autoriteit indien de wetgeving van de staat van die autoriteit geen verplichting tot geheimhouding oplegt aan ambtenaren van de belastingadministratie van die staat met betrekking tot hetgeen hun wordt medegedeeld of blijkt bij de uitvoering van de belastingwetten van die staat.
1.
Tenzij een bevoegde autoriteit anders bepaalt, kunnen de door haar aan Onze Minister verstrekte inlichtingen uitsluitend worden gebruikt voor de heffing belastingen, alsmede renten daarover of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.
2.
Uitsluitend met toestemming van de bevoegde autoriteit van een staat kan Onze Minister de door hem van haar ontvangen inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van een andere staat verstrekken.
3.
Onze Minister kan aan een bevoegde autoriteit toestemming verlenen de inlichtingen voor een ander doel te gebruiken dan voor de heffing van belastingen.
4.
Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek een bevoegde autoriteit toestemming verlenen de van hem ontvangen inlichtingen aan een bevoegde autoriteit van een andere staat te verstrekken.
1.
Op verzoek van de ontvanger, bedoeld in artikel 1.3, onderdeel k, onderneemt de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, de nodige stappen om een schuldvordering van eerstgenoemde ontvanger in te vorderen alsof het een schuldvordering van laatstgenoemde ontvanger betrof.
2.
Op verzoek van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, onderneemt de ontvanger, bedoeld in artikel 1.3, onderdeel k, de nodige stappen om een schuldvordering ontstaan in Nederland, in te vorderen alsof het een schuldvordering van laatstgenoemde ontvanger betrof.
3.
De bepalingen van het eerste of tweede lid zijn slechts van toepassing op een schuldvordering die onderwerp is van een executoriale titel op de BES eilanden of in Nederland, die niet wordt bestreden.
4.
Op verzoek van de verzoekende ontvanger neemt de aangezochte ontvanger met het oog op de invordering van een in dit artikel bedoelde schuld conservatoire maatregelen zelfs indien de vordering wordt bestreden en nog niet invorderbaar is.
5.
Aan de in te vorderen schuld, bedoeld in dit artikel, behoeft geen preferentiële behandeling te worden toegekend ten opzichte van vergelijkbare schuldvorderingen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Hoofdstuk II. Inkomstenbelasting
Hoofdstuk III. Loonbelasting
+ Hoofdstuk IV. Vastgoedbelasting
+ Hoofdstuk V. Opbrengstbelasting
+ Hoofdstuk VI. Algemene bestedingsbelasting
+ Hoofdstuk VII. Overdrachtsbelasting
+ Hoofdstuk VIIa. Kansspelbelasting
- Hoofdstuk VIII. Formeel belastingrecht en invordering van bes belastingen
+ Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
+ Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht