Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, houdende bepalingen in verband met de handhaving van een Europese verordening inzake passagiersrechten in de luchtvaart (Beleidsregel handhaving verordening (EG) nr. 261/2004 inzake passagiersrechten luchtvaart)
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
Gelet op de artikelen 2, onderdeel j, en 5, derde lid, van Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PbEU 2004, L 46), de artikelen 11.15 en 11.16 van de Wet luchtvaart en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Artikel 1
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. ‘aankomsttijd’: het tijdstip waarop het vliegtuig op de luchthaven van aankomst landt;
b. ILT: Inspectie Leefomgeving en Transport;
c. Inspecteur: inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport;
d. Verordening: Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PbEU 2004, L 46).
Artikel 2
Redelijke gronden voor het weigeren een passagier op een vlucht te vervoeren als bedoeld in artikel 2, onderdeel j, van de Verordening zijn in elk geval:
a. de passagier beschikt niet over toereikende reisdocumenten;
b. de aanwezigheid van de passagier in het vliegtuig levert naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten of van de luchtvaartmaatschappij een veiligheidsrisico op voor het vliegtuig, voor zijn medepassagiers of voor de bemanning;
c. de gezondheidstoestand van de passagier levert, gelet op zijn aanwezigheid in het vliegtuig, een gezondheidsrisico voor hemzelf, voor zijn medepassagiers of voor de bemanning op.
Artikel 3
Van buitengewone omstandigheden is in elk geval sprake in de navolgende gevallen:
a. wanneer weersomstandigheden de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen;
b. wanneer het vliegtuig waarmee de vlucht zal worden uitgevoerd, door sabotage of terrorisme zodanig is beschadigd, dat de vliegveiligheid niet kan worden gegarandeerd;
c. wanneer het vliegtuig waarmee de vlucht zal worden uitgevoerd, bij binnenkomst van de voorafgaande vlucht door een van buiten komende oorzaak, zoals een botsing met een van buiten komend voorwerp of met een of meer vogels, door weersomstandigheden, zoals een blikseminslag, of door een harde landing, mogelijk zodanig beschadigd is dat het niet zonder een extra inspectie voor de volgende vlucht kan vertrekken;
d. wanneer de fabrikant van de toestellen waaruit de vloot van de betrokken luchtvaartmaatschappij is samengesteld, of een bevoegde autoriteit, bekend maakt dat deze toestellen mogelijk een gebrek vertonen dat gevolgen kan hebben voor de vliegveiligheid en daarom zo spoedig mogelijk geïnspecteerd moeten worden;
e. wanneer op een reeds aangevangen vlucht, dat wil zeggen nadat de blokken voor de wielen zijn weggehaald, een onverwacht vliegveiligheidsprobleem ontstaat dat gevolgen heeft voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en de piloot om die reden de start of de vlucht afbreekt, bijvoorbeeld vanwege een botsing met een of meer vogels;
f. wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor het vliegtuig, waarmee de vlucht zal worden uitgevoerd, de annulering van één of meer vluchten of een vertraging van drie uur of meer veroorzaakt;
g. wanneer een staking gevolgen heeft voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, indien:
1°. de staking op een zodanig tijdstip is aangekondigd dat de luchtvaartmaatschappij niet in staat was redelijke maatregelen te treffen om de geplande vlucht uit te voeren, of
2°. de staking plaatsvindt op de luchthaven van aankomst en er een aanmerkelijke kans bestaat dat het vliegtuig ten gevolge van de staking op die luchthaven komt vast te staan.
1.
Een luchtvaartmaatschappij kan de ILT verzoeken om te onderzoeken of de annulering dan wel de vertraging van een of meer van haar vluchten is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden.
2.
Indien de ILT bij haar onderzoek tot de conclusie komt dat de annulering of de vertraging van deze vlucht of vluchten door buitengewone omstandigheden is veroorzaakt, publiceert de ILT deze vlucht of vluchten op haar website, zodat de luchtvaartmaatschappij daarnaar kan verwijzen wanneer een passagier bij haar een verzoek indient om een van de in artikel 7 van de Verordening genoemde compensatiebedragen te betalen.
3.
Indien de passagier bij de ILT een klacht indient, inhoudende dat de luchtvaartmaatschappij hem ten onrechte geen compensatie, als bedoeld in artikel 7 van de Verordening, heeft betaald, zal de ILT deze klacht zonder nader onderzoek afwijzen.
1.
De luchtvaartmaatschappij die een beroep doet op buitengewone omstandigheden of die een verzoek indient als bedoeld in artikel 5, toont aan dat zij deze omstandigheden zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen niet had kunnen voorkomen door het treffen van maatregelen die op het tijdstip van de buitengewone omstandigheden voldeden aan voorwaarden die voor de betrokken luchtvaartmaatschappij technisch en economisch aanvaardbaar zijn.
2.
De luchtvaartmaatschappij kan de buitengewone omstandigheden aantonen door, voor zover van belang voor de betreffende vlucht, kopieën van de volgende documenten aan de ILT over te leggen:
het rapport van de piloot,
inspectierapporten,
reparatierapporten,
weerrapporten,
rapporten van operaties,
rapporten van grondafhandeling.
Zo nodig kan de ILT ook andere documenten opvragen.
1.
Alvorens een klacht over een vermeende inbreuk op de Verordening bij de ILT in te dienen, maakt een passagier zijn klacht aanhangig bij de luchtvaartmaatschappij die de vlucht heeft uitgevoerd of de vlucht heeft geannuleerd. Klachten van passagiers die hun klacht niet eerst aanhangig hebben gemaakt bij de betrokken luchtvaartmaatschappij worden door de ILT, indien niet tijdig hersteld, niet in behandeling genomen.
2.
Passagiers kunnen tot uiterlijk één jaar na de vluchtdatum bij de ILT een klacht indienen over een vermeende inbreuk op de Verordening door de betrokken luchtvaartmaatschappij. De ILT stelt hiervoor een klachtformulier vast, dat op de website van de ILT wordt gepubliceerd.
Artikel 8
Indien een inspecteur heeft geconstateerd dat een luchtvaartmaatschappij één van de in de bijlage bij deze beleidsregel opgenomen boetecatalogus omschreven overtredingen nummers DBC 7.1.1 of DBC 7.1.2 heeft gepleegd, legt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan deze luchtvaartmaatschappij een bestuurlijke boete op overeenkomstig onderstaande tabel:
Overtredingen met betrekking tot compensatiebedrag bedrag van de boete
125 € 250 €
200 € 400 €
250 € 500 €
300 € 600 €
400 € 800 €
600 € 1.200 €
Artikel 8a
Indien een inspecteur heeft geconstateerd dat een luchtvaartmaatschappij één van de in de bijlage bij deze beleidsregel opgenomen boetecatalogus omschreven overtredingen nummers DBC 4.3.2, DBC 5.1.2 of DBC 6.1.2 heeft gepleegd, legt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan deze luchtvaartmaatschappij een bestuurlijke boete op overeenkomstig onderstaande tabel:
Overtredingen in geval van prijs van het vliegticket bedrag van de boete
150 € of minder 300 €
meer dan 150 € maar niet meer dan 400 € 800 €
meer dan 400 € maar niet meer dan 1.200 € 2.400 €
Meer dan 1.200 € 5.000 €
Artikel 8b
Indien een inspecteur heeft geconstateerd dat een luchtvaartmaatschappij één van de in de bijlage bij deze beleidsregel opgenomen boetecatalogus omschreven overtredingen heeft gepleegd niet zijnde een overtreding als bedoeld in de artikelen 8 of 8a, legt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de desbetreffende luchtvaartmaatschappij een bestuurlijke boete van 1.000 € op.
Artikel 8c
De luchtvaartmaatschappij wordt in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Indien de luchtvaartmaatschappij daarbij aantoont de overtreding inmiddels te hebben hersteld, wordt het boetebedrag als bedoeld in de artikelen 8, 8a en 8b gematigd met 50%.
Artikel 9
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel handhaving Verordening (EG) nr. 261/2004 inzake passagiersrechten luchtvaart.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Staatssecretaris
de Inspecteur-Generaal Verkeer en Waterstaat
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 8a
Artikel 8b
Artikel 8c
Artikel 9
Artikel 10
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht