Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2013, nr. HO&S/558908, inzake de aanvullende voorziening reisrecht op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000
Hierbij bericht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te hebben besloten onderstaand beleid door de Dienst Uitvoering Onderwijs te laten uitvoeren:
1.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. WSF 2000: Wet studiefinanciering 2000 ,
b. thuiswonende deelnemer: deelnemer die niet een uitwonende deelnemer is,
c. uitwonende deelnemer: deelnemer die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de WSF 2000,
d. student: degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus,
e. studerende: thuis- en uitwonende deelnemer of student,
f. adres van de onderwijsinstelling: het adres waar de studerende daadwerkelijk aan het onderwijs deelneemt,
g. stageadres: het adres waar de studerende daadwerkelijk zijn stage vervult,
h. woonadres: adres waaronder de studerende in de basisregistratie personen staat ingeschreven.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt onder thuiswonende, onderscheidenlijk uitwonende deelnemer eveneens verstaan de thuiswonende, onderscheidenlijk uitwonende student die op grond van artikel 12.14 van de wet nog een basisbeurs ontvangt voor een thuiswonende of uitwonende student.
1.
Op verzoek van een thuiswonende deelnemer, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
2.
Op verzoek van een uitwonende deelnemer, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
3.
Op verzoek van een student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
4.
Op verzoek van een thuiswonende deelnemer, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven, of het stageadres, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
5.
Op verzoek van een uitwonende deelnemer, die kan aantonen dat hij het stageadres met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
6.
Op verzoek van een student, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven of het stageadres, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
7.
Het vierde tot en met zesde lid zijn niet van toepassing indien de afstand tussen het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres en het woonadres van de studerende minder dan 10 kilometer bedraagt.
1.
De situatie waarin de studerende met gebruikmaking van het openbaar vervoer de onderwijsinstelling of het stageadres niet tijdig kan bereiken of niet meer thuis kan komen, moet zich ten minste twaalf dagen per maand voordoen. De situatie dat een studerende op één en dezelfde dag, met gebruikmaking van het openbaar vervoer, zowel het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres niet tijdig kan bereiken dan wel niet meer tijdig kan thuiskomen, telt als één dag.
2.
De onderwijsinstelling of het stageadres wordt geacht niet tijdig bereikbaar te zijn, indien, conform de dienstregeling, de eerste verbinding met het openbaar vervoer voor dit verkeer te laat aanvangt, gerekend vanaf een halte die of een station dat zich bevindt binnen een aanvaardbare reisafstand van het woonadres.
3.
Een halte die of een station dat ligt op een afstand van maximaal 10 kilometer van het woonadres wordt geacht zich te bevinden binnen een aanvaardbare reisafstand van het woonadres.
4.
De stage moet een verplicht karakter hebben en de studerende moet geen keuze hebben gehad ten aanzien van de locatie van de stageplaats of ten aanzien van de werktijden.
Artikel 4. Het verzoek
De aanvullende voorziening wordt slechts verstrekt indien de studerende daarom schriftelijk en gemotiveerd verzoekt en onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. Het verzoek dient binnen twee maanden na begin van de periode, waarvoor de aanvullende voorziening is bedoeld, te worden aangevraagd. Wordt het verzoek later ingediend, dan ontstaat aanspraak op de aanvullende voorziening op de eerste dag van de maand die volgt op de inzenddatum.
Artikel 5. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.
Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Minister
Inhoudsopgave
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Doelgroepen
Artikel 3. Reikwijdte
Artikel 4. Het verzoek
Artikel 5. Inwerkingtreding
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht