Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat omtrent de uitleg van artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Artikel 1
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. beheerder: beheerder als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet;
b. gerechtigde: gerechtigde als bedoeld in artikel 57 van de Spoorwegwet;
c. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
1.
Artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet is van toepassing indien:
a. de wijziging die door de beheerder wordt aangebracht in de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur wordt uitgevoerd op verzoek van derden dan wel op eigen initiatief, en
b. de wijziging die door de beheerder wordt aangebracht in de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert.
2.
Artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet is ook van toepassing bij twijfel of er sprake is van een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 3
Van een aanmerkelijke wijziging in de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, is in ieder geval sprake bij:
a. het saneren van een hoofdspoorweg of van gedeelten daarvan;
b. het saneren van een spoorwegemplacement, zijnde een als zodanig aangewezen deel van de hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Besluit spoorverkeer, of van gedeelten daarvan;
c. het aanleggen van een nieuw station;
d. het realiseren van een uitbreiding van een hoofdspoorweg;
e. het tijdelijk buiten dienst stellen van een hoofdspoorweg, dan wel een gedeelte daarvan, langer dan één jaar.
Artikel 4
Artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet is in ieder geval niet van toepassing indien de wijziging die door de beheerder wordt aangebracht in de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur het gevolg is van het handelen van de beheerder in het kader van het beheerplan of van een beschikking van Onze Minister mits de zienswijze van de betrokken gerechtigden niet afwijken van de voorgestelde wijziging.
Artikel 5
De beheerder doet zijn verzoek tot instemming op grond van artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet in ieder geval vergezeld gaan van:
a. een situatietekening waarop de voorgenomen aanmerkelijke wijziging is aangegeven;
b. een weergave van de zienswijzen van de betrokken gerechtigden, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet;
c. een nadere argumentatie waarom ingestemd zou moeten worden met het verzoek indien uit de zienswijzen blijkt dat niet alle betrokken gerechtigden met de voorgenomen wijziging kunnen instemmen, en
d. een chronologisch overzicht met bijbehorende documentatie van het verloop van de procedure tot aan het indienen van het verzoek om instemming op grond van artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet.
Artikel 6
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Minister
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht