Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en artikel 4.81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. territoriale zee:
de Noordzee binnen de grenzen die zijn vastgesteld in de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee (Stb. 1985, 129);
b. vaarweg:
het voor de doorgaande vaart bestemde en meestal als zodanig gemarkeerde of betonde deel van het vaarwater.
Artikel 1a
Deze beleidsregel berust mede op de artikelen 6.12, 6.13 en 6.14 van het Waterbesluit.
Artikel 2 . Reikwijdte
Deze beleidsregel is niet van toepassing op de exclusieve economische zone.
1.
Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter.
2.
Binnen 30m uit de rand van de verharding en op parkeerplaatsen en tankstations gelegen langs autowegen of autosnelwegen als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 artikel 1c,d met een directe aansluiting op de autoweg of autosnelweg, die primair bestemd zijn voor een kort oponthoud van de weggebruiker, wordt plaatsing van windturbines slechts toegestaan indien uit een aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico bestaat.
3.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt nabij een knooppunt of aansluiting of op locaties waarbij de rotorbladen zich boven de verharding zullen bevinden plaatsing van windturbines slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd risico is voor de verkeersveiligheid.
1.
Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 50m uit de rand van de vaarweg.
2.
Binnen 50m uit de rand van de vaarweg wordt plaatsing slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen hinder voor wal- en scheepsradar optreedt. De minimale afstand tot de rand van de vaarweg is altijd ten minste de helft van de rotordiameter.
3.
Het bepaalde onder het eerste en tweede lid laat onverlet de toepassing van de Beleidslijn ruimte voor de rivier.
4.
Plaatsing mag geen visuele hinder opleveren voor het scheepvaartverkeer en bedienend personeel van kunstwerken. Het zicht op vaarwegmarkeringstekens mag niet door plaatsing van windturbines worden afgeschermd.
1.
Plaatsing van windturbines in het gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee wordt slechts toegestaan op locaties waarvoor geldt dat windturbines:
a. geen negatieve invloed hebben op de veiligheid van de kust;
b. geen negatieve morfologische ontwikkeling van de bodem veroorzaken;
c. geen negatieve effecten op de natuurlijke dynamiek van de bodem hebben;
d. niet leiden tot verweking van de bodem;
e. geen negatieve invloed hebben op de kustlijnligging;
f. het uitvoeren van zandsuppleties en onderwatersuppleties niet in onaanvaardbare mate bemoeilijken;
g. niet de veiligheid van het scheepvaartverkeer aantasten.
2.
Plaatsing van windturbines in het niet gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee wordt slechts toegestaan voor zover een plan, vastgesteld op grond van de Wet ruimtelijke ordening , zodanige plaatsing toelaat.
3.
Voor vaarwegen in de territoriale zee is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
1.
Plaatsing van windturbines wordt slechts toegestaan in het IJsselmeer, het Markermeer en de randmeren, het Haringvliet, Hollandsch Diep, de Biesbosch, de Oosterschelde, de Westerschelde, het Veerse meer, het Grevelingenmeer, het Zoommeer, het Krammer-Volkerak, de Waddenzee, de Eems, en de Dollard op locaties waar voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder b, c, d, g, waar de kans op erosie van de oever niet wordt vergroot en voor zover windturbines geen feitelijke belemmering vormen voor het waterkwantiteitsbeheer.
2.
Voor vaarwegen die lopen door de in het eerste lid genoemde wateren, is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
1.
Plaatsing van windturbines in de kern- of beschermingszone van een waterkering in beheer van het Rijk, wordt slechts toegestaan indien door de initiatiefnemer voldoende kan worden aangetoond dat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkerende functie van de waterkering conform de veiligheidsnorm bij of krachtens de Waterwet .
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt onverminderd het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6.
1.
De vergunningen op grond van Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de artikelen 6.12, 6.13 of 6.14 van het Waterbesluit zal worden verleend voor een bepaalde termijn.
2.
Indien van de vergunningen op grond van Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de artikelen 6.12, 6.13 of 6.14 van het Waterbesluit niet binnen een in de vergunning bepaalde termijn gebruik wordt gemaakt, wordt de vergunning ingetrokken.
Artikel 9 . Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10 . Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De van Verkeer en Waterstaat ,
Minister
namens deze,
de plv.
directeur-generaal van de Rijkswaterstaat
Inhoudsopgave
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1a
Artikel 2 . Reikwijdte
Artikel 3. Wegen
Artikel 4. Kanalen, rivieren en havens
Artikel 5. De territoriale zee
Artikel 6. Grote wateren
Artikel 7. Waterkeringen
Artikel 8 . Termijn
Artikel 9 . Inwerkingtreding
Artikel 10 . Citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht