Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2009. U leest nu de tekst die gold op -.

Beleidsregel wijziging Elektriciteitswet 1998

Uitgebreide informatie
Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken betreffende de toepassing van artikel II van de wet van 28 juni 2006, houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 in verband met enkele aanpassingen van de wijze van stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsvoorziening
De Minister van Economische Zaken,
Gelet op artikel 72 van de Elektriciteitswet 1998;
Besluit:
1. Inleiding
In artikel II van de wet van 28 juni 2006 houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 in verband met enkele aanpassingen van de wijze van stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsvoorziening (verder: artikel II) is bepaald dat op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn verstrekt, het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 5, paragraaf 2.2, van de Elektriciteitswet 1998 van toepassing blijft zoals die onmiddellijk voor dat tijdstip luidde, met dien verstande dat slechts subsidie wordt verstrekt voor de hoeveelheid opgewekte elektriciteit die overeenkomt met de in artikel 72r, tweede lid, onder a , genoemde raming.
Op grond van artikel 72 van de Elektriciteitswet 1998 kan de Minister van Economische Zaken aanwijzingen geven aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet omtrent de uitoefening van haar bevoegdheden. In deze beleidsregels geeft de Minister van Economische Zaken aan hoe de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet artikel II moet toepassen.
In deze beleidsregels is de procedure opgenomen inzake het vaststellen van de productieraming per subsidieontvanger door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Deze vaststelling vindt plaats door middel van een wijziging van de beschikking tot subsidieverlening. Voorafgaand aan dit besluit zal de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet een zogenaamd ramingformulier opstellen en aan de subsidieontvangers toezenden. In de paragrafen 8, 9 en 11 wordt deze procedure uitgebreid beschreven.
2. Definitie
In deze beleidsregels wordt onder ‘vollasturen’ verstaan: het aantal vollasturen over de periode T dat te berekenen is door de totale duurzame elektriciteitsproductie omgezet in groencertificaten/garanties van oorsprong in die periode te delen door het nominaal opgesteld elektrisch vermogen van de installatie zoals de producent dat bij de aanvraag MEP subsidie heeft opgegeven.
3. Ramingen
Artikel II gaat er vanuit dat alle producenten die voor de inwerkingtreding van eerdergenoemde wet een aanvraag om subsidie hebben ingediend bij die aanvraag een raming hebben bijgevoegd. Er zijn verschillen in de mate waarin een producent die raming heeft onderbouwd. Om thans goede uitvoering te geven aan artikel II is het noodzakelijk dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet op basis van dit artikel nieuwe ramingen bij de producent opvraagt. De producent krijgt de gelegenheid een raming in te dienen in de vorm van een jaarlijkse hoeveelheid (één getal), geldend voor alle resterende jaren van zijn subsidieperiode. Dit getal is dus ieder jaar hetzelfde maar in een gebroken jaar wordt dit berekend naar rato van de subsidieperiode waarover recht op MEP subsidie bestaat.
Het naar boven bijstellen van de raming voor enig jaar is gedurende de resterende looptijd van de beschikking niet toegestaan.
4. Onderscheid
Bij de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie wordt een onderscheid gemaakt naar verschillende soorten productie-installaties. Dit onderscheid hangt samen met de diversiteit en betrouwbaarheid van de gebruikte energiebron (bv zon ten opzichte van biomassa) en de kosten die gemoeid zijn met het omzetten van de energiebron in elektriciteit. Dit resulteert in verschillende onrendabele toppen voor verschillende soorten productie-installaties. Tot slot wordt de subsidie voor wind op land die vòòr 1 januari 2007 is verleend in de Elektriciteitswet 1998 door middel van een aantal vollasturen gemaximeerd.
In deze beleidsregel wordt ook een onderscheid gemaakt naar verschillende soorten productie-installaties. Het opstellen van een betrouwbare raming en de mogelijkheid daar (substantieel) van af te wijken kan per soort productie-installatie variëren. In de volgende paragrafen wordt hier nader op in gegaan.
5. Wind, zon en waterkracht
Het opwekken van duurzame elektriciteit uit de energiebronnen wind, zon en water is afhankelijk van de beschikbaarheid van deze energiebronnen. De producent kan zelf weinig/geen invloed uitoefenen op het maximaal aantal vollasturen dat zijn productie-installatie kan draaien.
Om deze reden zal de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de ramingen voor wind, zon en waterkracht, zelf (ambtshalve) vaststellen. Onder ambtshalve vaststellen wordt verstaan dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet het aantal vollasturen en het nominaal opgesteld elektrisch vermogen van de producent en het product hiervan (de raming van de hoeveelheid op te wekken duurzame elektriciteit) vastlegt in een ramingformulier.
Het aantal vollasturen is door de Minister van Economische Zaken in deze beleidsregels per categorie vastgelegd. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet zal de ambtshalve raming dus baseren op deze vastgestelde vollasturen. Op deze wijze worden bovendien de administratieve lasten die verbonden zijn aan de uitvoering van artikel II, voor deze categorieën productie-installaties, tot een minimum beperkt. In principe zijn de administratieve lasten nihil, tenzij een producent het niet eens is met de vastgestelde raming van de hoeveelheid op te wekken en te subsidiëren duurzame elektriciteit. In dat geval zal hij moeten aantonen waarom in zijn geval het maximum hoger moet worden vastgesteld.
5.1. Wind op land
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet houdt bij wind op land bij het ambtshalve vaststellen van de raming rekening met het feit dat de producent na afloop van de subsidieperiode de mogelijkheid moet hebben gehad om het totaal aan vollasturen die op grond van de Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit op de producent van toepassing zijn te behalen. Het totaal aantal van vollasturen van 18000 of 20000 (afhankelijk van het jaar waarin de productie-installatie in gebruik wordt genomen en voorschotten worden uitbetaald) levert een jaarlijks aantal van 1800 onderscheidenlijk 2000 op. Het toepassen van dit aantal bij het berekenen van de raming van de elektriciteitsproductie heeft het ongewenste effect dat indien in enig jaar minder vollasturen zijn behaald (bijvoorbeeld omdat er langere periodes van weinig wind waren, of vanwege onvoorzien onderhoud), die vollasturen niet in een volgend jaar kunnen worden gemaakt. Om deze reden is het aantal van 1800 en 2000 verhoogd tot 2400.
6. Biomassa
Biomassa is onder te verdelen in 2 categorieën:
1. Biomassa-installaties ?10 MWe
2. Biomassa-installaties > 10 MWe en Afvalverbrandingsinstallaties
6.1. Biomassa-installaties ?10 MWe
In paragraaf 7 zijn voor de diverse soorten productie-installaties een aantal vollasturen opgenomen. Het aantal vollasturen voor kleinschalige biomassa-installaties (inclusief stortgas) bedraagt volgens dit overzicht 7000.
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet zal dit aantal vollasturen in het ramingformulier opnemen en op grond hiervan de raming van de hoeveelheid te produceren duurzame elektriciteit berekenen.
6.2. Biomassa-installaties > 10 MWe en afvalverbrandingsinstallaties
Voor biomassa-installaties met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 10 MWe en voor afvalverbrandingsinstallaties zijn geen vollasturen in het overzicht in paragraaf 7 opgenomen. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet kan daarom geen generiek reëel ramingsgetal invullen op basis van deze beleidsregels. Gezien het feit dat de marktomstandigheden van grote invloed zijn op de productie is het niet mogelijk een aantal vollasturen dat gelijk is voor alle installaties in deze groepen te bepalen. Daarnaast zijn de verschillen in typen productie-installaties en in typen brandstoffen te groot om voor iedere installatie een zelfde aantal vollasturen toe te passen. Om deze reden zal de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de ramingen voor biomassa-installaties > 10 MWe en afvalverbrandingsinstallaties individueel vastleggen door de oorspronkelijk afgegeven raming in MWh/ jaar, (de raming van de hoeveelheid jaarlijks op te wekken duurzame elektriciteit) op te nemen in een ramingformulier.
In de gevallen dat de oorspronkelijk afgegeven raming in verhouding met bijvoorbeeld gerealiseerde productie of huidige vergunde ruimte onrealistisch hoog is, zal de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet de raming baseren op de gerealiseerde en bij de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet bekende productiecijfers uit een voorafgaand kalenderjaar. De procedure is in paragraaf 8 nader beschreven.
7. Overzicht maximaal aantal geraamde vollasturen
  maximaal aantal vollasturen [uur]
Wind op Land 2400
Wind op Zee 4000
Zon 1000
Water 6000
Biomassa ? 10 MWe incl. stortgas 7000
Biomassa > 10 MWe individuele raming
AVI’s individuele raming
8. Procedure indienen raming
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet zal bij iedere producent aan wie MEP-subsidie is verleend of die MEP-subsidie heeft aangevraagd een raming opvragen teneinde te kunnen bepalen wat de maximale hoogte van de te verkrijgen subsidie zal zijn, gelet op artikel II.
Hiertoe zal de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet een ramingformulier toezenden aan alle producenten van duurzame elektriciteit. Dit formulier is als bijlage gevoegd bij deze beleidsregel en dient te worden gebruikt. De gegevens in de kolommen kunnen worden voorgedrukt door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, voor zover deze reeds bekend zijn. Het maximum aantal vollasturen zoals weergegeven in het overzicht in paragraaf 7 wordt eveneens voorgedrukt voor de productiecategorieën wind, zon, water en biomassa-installaties ? 10 MWe. Als peildatum voor de status van de installatie en de daarop gebaseerde raming geldt de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels.
De producent krijgt een door de landelijk netbeheerder te bepalen redelijke termijn om een origineel van het toegezonden ramingformulier in te vullen en te retourneren. Indien het bedoelde formulier niet binnen een door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet gestelde termijn is geretourneerd dient de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet er vanuit te gaan dat de raming van de productie zoals is voorgedrukt op het toegezonden formulier juist is.
9. Controle van ramingen
Voor de biomassa-installaties > 10 MWe en afvalverbrandingsinstallaties geeft de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet op grond van deze beleidsregel een individuele productieraming af. Voor de biomassa-installaties ? 10 MWe en bij alle overige categorieën geeft de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet op grond van deze beleidsregel een productieraming af, die is gebaseerd op het aantal vollasturen zoals opgenomen in paragraaf 7. In beide gevallen geldt dat, indien een producent deze afgegeven productieraming onjuist acht, hij binnen een door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet te bepalen termijn onderbouwd aannemelijk kan maken wat zijn raming wel moet zijn.
Indien een producent van deze mogelijkheid gebruik maakt dient de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de door de producent opgegeven raming te toetsen op realiteitsgehalte. Dit kan worden gedaan door onder meer de raming te vergelijken met de gerealiseerde en bekende productiecijfers alsmede met de eerder ingediende ramingen. Als blijkt dat het verschil tussen gerealiseerde cijfers en eerder afgegeven ramingen aan de ene kant en de nieuwe ramingen aan de andere kant, naar het overwogen oordeel van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet te groot is en de producent dit verschil naar het oordeel van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet onvoldoende kan onderbouwen, stelt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de raming bij tot de voorgestelde waarde in het ramingformulier. Bij deze overweging kan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de zogenaamde ‘vergunde ruimte’ betrekken die de betreffende productie-installatie heeft op het moment van ramen op grond van de bouw-, milieu- en/of andere door het bevoegde gezag voor de productie-installatie afgegeven bindende vergunning. In het voorgedrukte ramingformulier wordt derhalve gevraagd naar het aantal MWh die de producent op basis van de vergunning mag produceren. Een producent mag nooit meer produceren dan hetgeen is vergund, doet hij dit wel dan is er sprake van een illegale activiteit en dient het bevoegde gezag te handhaven. Derhalve kan een producent zijn productie nimmer hoger ramen dan de vergunde ruimte.
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet kan in bovengenoemde gevallen aan de producent een afschrift vragen van de betreffende vergunning, waarbij de producent eenduidig en onderbouwd dient aan te geven welk getal in MWh vergund is.
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet vult in de ramingformulieren zoals bedoeld in paragraaf 8 van deze beleidsregels enkele productiegegevens in, zoals het nominale vermogen van de installatie, voor zover deze reeds bij de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bekend zijn. De producent verklaart met het voor akkoord ondertekenen van dit formulier dan wel door het niet retourneren binnen de gestelde termijn, akkoord te gaan met de op het formulier weergegeven raming.
De raming geldt voor de productie-installatie waarvoor de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet reeds een beschikking tot subsidieverlening heeft afgegeven ofwel waarvoor het een aanvraag in behandeling heeft. Een eventuele uitbreiding van de productie-installatie in de toekomst kan niet worden gezien als onderbouwing van een hoger raminggetal dan hetgeen is voorgedrukt.
Indien een producent van wind op land zijn installatie niet direct bij aanvang van de subsidieverlening in gebruik neemt of heeft genomen maar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 72t van de Elektriciteitswet 1998 (oud) geeft en hij binnen 3 jaar na datum subsidieverlening zijn installatie in gebruik neemt geldt, zoals vermeld in paragraaf 5.1, dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bij het vaststellen van de raming rekening houdt met het feit dat de producent na afloop van de subsidieperiode de mogelijkheid moet hebben gehad om het totaal aan vollasturen, die op grond van de Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit op de producent van toepassing zijn, te behalen. Dat betekent dat indien een dergelijke producent gebruik maakt van de mogelijkheid zijn eigen raming in te dienen, het vorenstaande als onderbouwing kan worden gegeven voor een hoger raminggetal dan het op het ramingsformulier voorgedrukte aantal vollasturen.
Als een dergelijke producent de installatie toch eerder in gebruik neemt dan de datum op grond waarvan de raming zoals hiervoor bedoeld is vastgesteld en op grond waarvan de nieuwe beschikking zoals bedoeld in paragraaf 11 van deze beleidsregel is afgegeven, zal de producent een nieuwe raming af moeten geven aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet op grond waarvan deze de genoemde beschikking kan wijzigen
10. Bagatelbepaling
De MEP-subsidie voor de productie van duurzame elektriciteit is gekoppeld aan garanties van oorsprong die een minimale grootte hebben van 1 MWh. De raming dient dus ook in hele MWh-en opgegeven te worden. Voor een aantal producenten (bijvoorbeeld van zonnestroom) kan dit een probleem opleveren. Indien de elektriciteitsproductie bijvoorbeeld 1,25 MWh per jaar bedraagt, kan er moeilijk een nauwkeurige en realistische raming ingediend worden: 1 MWh is te laag en 2 MWh is niet realistisch hoog. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningnet hoeft geen nieuwe raming op te vragen bij alle producenten met een opgesteld vermogen kleiner dan of gelijk aan 0,1 MWe.
Indien blijkt dat een producent met een aanvankelijk opgesteld vermogen kleiner dan of gelijk aan 0,1 MWe boven dit vermogen komt, dient de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet alsnog om een nieuwe realistische raming te vragen op grond waarvan vervolgens een begrenzing in de te verstrekken MEP subsidie kan worden aangebracht. De in deze gevallen nieuw op te vragen raming mag niet meer bedragen dan 876 MWh (=0,1 X 8760) per jaar.
11. Beschikkingen wijzigen
In artikel II is bepaald dat slechts subsidie wordt verstrekt voor de hoeveelheid opgewekte elektriciteit die overeenkomt met de in artikel 72r, tweede lid, onder a, van de Elektriciteitswet 1998 (oud) genoemde raming.
Dit impliceert een begrenzing aan de te verstrekken subsidie. In de beschikkingen die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet heeft afgegeven is deze begrenzing niet opgenomen. Derhalve zal de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, nadat de ramingcijfers zijn bepaald en conform hetgeen in deze beleidsregel staat, de reeds afgegeven beschikkingen wijzigen. In de wijzigingsbeschikking zal komen te staan dat de producent in enig jaar niet meer subsidie kan krijgen dan hetgeen is geraamd.
Indien een producent een ontheffing heeft gekregen zoals bedoeld in artikel 72 m lid 3 en in artikel 72s lid 2 van de Elektriciteitswet 1998 en de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet hiervoor een beschikking heeft afgegeven, worden zowel deze beschikkingen als de oorspronkelijke beschikking gewijzigd conform deze beleidsregel.
De begrenzing van de subsidie over een gebroken jaar wordt berekend naar rato van het aantal dagen van het betreffende jaar waarvoor de producent recht heeft op MEP-subsidie gedeeld door 365 respectievelijk 366 in een schrikkeljaar.
12. Inwerkingtreding
De inwerkingtreding van deze beleidsregels volgt op de publicatie van het koninklijk besluit in het Staatsblad waarin is bepaald dat de wijziging van de wet van 28 juni 2006 houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 in verband met enkele aanpassingen van de wijze van stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsvoorziening op 1 januari 2007 in werking treedt.
De in de gewijzigde beschikking opgenomen begrenzing aan de te verkrijgen subsidie die wordt aangebracht op grond van de raming geldt per jaar en gaat in op 1 januari 2007.
De beleidsregels treden op de tweede dag na publicatie in de Staatscourant in werking.
Den Haag, 14 december 2006
De
Minister
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Definitie
3. Ramingen
4. Onderscheid
5. Wind, zon en waterkracht
5.1. Wind op land
6. Biomassa
6.1. Biomassa-installaties ?10 MWe
6.2. Biomassa-installaties > 10 MWe en afvalverbrandingsinstallaties
7. Overzicht maximaal aantal geraamde vollasturen
8. Procedure indienen raming
9. Controle van ramingen
10. Bagatelbepaling
11. Beschikkingen wijzigen
12. Inwerkingtreding
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht