Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2011. U leest nu de tekst die gold op -.

Beleidsregeling Subsidies Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit

Uitgebreide informatie
Beleidsregeling Subsidies Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
stelt met toepassing van artikel 50a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de volgende beleidsregels vast, volgens welke aan overheidsorganen subsidie kan worden verstrekt voor investeringen ter bevordering van ruimtelijke kwaliteit, ten laste van het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK).
Van deze regels kan in bijzondere gevallen gemotiveerd worden afgeweken.
De regels worden gevolgd door een toelichting.
Op de subsidie zijn titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede de artikelen 38a tot en met 38j van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van toepassing.
2.
In deze beleidsregeling wordt verstaan onder:
a. subsidie:
bijdrage uit het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK);
b. project:
samenhangend geheel van activiteiten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
c. projectvoorstel:
voorstel in de oriëntatiefase met betrekking tot een project;
d. commissie:
vaste adviescommissie BIRK;
e. de Minister:
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
f. bijlage:
bij deze beleidsregeling behorende bijlage.
Artikel 2
De Minister kan ten laste van het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit subsidies verlenen ter tegemoetkoming in de kosten verbonden aan een project ter bevordering van ruimtelijke kwaliteit.
1.
Ingevolge deze beleidsregeling kan een eenmalige bijdrage worden verstrekt in de noodzakelijke rechtstreeks aan de ruimtelijke kwaliteit van een project toe te rekenen investeringskosten.
2.
De bijdrage bedraagt niet meer dan 20% van de investeringskosten.
3.
Om in aanmerking te komen voor een subsidie dienen de totale investeringskosten ten minste overeen te komen met de financieringsdrempel zoals vermeld in bijlage 2.
1.
Het projectvoorstel kan slechts worden ingediend door een gemeente, provincie of waterschap.
2.
Het projectvoorstel wordt ingediend bij de Minister.
Artikel 5
Voor de in te dienen projectvoorstellen geldt:
1. Alle voorstellen dienen volgens de voorschriften, genoemd in de aanvraagset als bedoeld in bijlage 1, volledig ingevuld, ondertekend en van de noodzakelijke bijlagen voorzien, te worden ingezonden.
2. De indiener zendt het projectvoorstel in afschrift ter kennisneming aan de provincie waarbinnen het project is gelegen.
Artikel 6
Een project waarvoor een projectvoorstel wordt ingediend, dient teneinde in behandeling te kunnen worden genomen, betrekking te hebben op minimaal één van de toepassingsgebieden, zoals neergelegd in bijlage 2.
a. het voorstel niet of in onvoldoende mate voldoet aan de beoordelingscriteria neergelegd in bijlage 2;
b. voor een subsidie geen budgettaire ruimte meer aanwezig is;
c. een project naar het oordeel van de Minister:
1. strijdig is met het rijksbeleid;
2. strijdig is met het provinciaal beleid;
3. niet doeltreffend of doelmatig is.
Artikel 8
Zodra een projectvoorstel in behandeling is genomen, benoemt de Minister een ambtelijke projectleider die namens hem aanspreekbaar is.
Artikel 9
Een ingediend projectvoorstel wordt getoetst aan de vastgelegde beoordelingscriteria, die betrekking hebben op proceskwaliteit en inhoudelijke kwaliteit, zoals nader uitgewerkt in bijlage 2, waarbij de verschillende punten, waar mogelijk, omschreven dienen te worden.
Artikel 10
De Minister beslist, gehoord de commissie, bedoeld in artikel 11, omtrent het al dan niet doorleiden van een ingediend projectvoorstel naar de uitwerkingsfase.
1.
De Minister benoemt een vaste adviescommissie, die belast wordt met het opstellen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in artikel 16, bestaande uit:
a. een voorzitter, zijnde de Directeur Gebiedsontwikkeling;
b. een vertegenwoordiger van DGM;
c. een vertegenwoordiger van DGW;
d. een vertegenwoordiger van DGRGD;
e. een vertegenwoordiger van de Minister van Financiën,
zulks voor een periode van drie jaar.
2.
Tevens benoemt de Minister maximaal 3 externe niet-ambtelijke adviseurs in de commissie.
3.
De voorzitter en/of één of meer leden kunnen tussentijds schriftelijk een verzoek om ontslag indienen, terwijl de Minister de voorzitter en/of één of meer leden, alsmede de adviseurs door middel van een gemotiveerd besluit kan schorsen of ontslaan.
1.
De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris.
2.
De ambtelijk secretaris wordt door de Minister benoemd.
3.
De secretaris is geen lid van de commissie.
4.
De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.
5.
De Minister voorziet in een bureau voor de commissie, dat onder leiding staat van de secretaris.
6.
De Minister stelt voor de uitoefening van de taak van de ambtelijk secretaris een instructie op, in elk geval betrekking hebbende op dossiervorming, voorbereiding van de zitting van de commissie, verslaglegging van de beraadslaging en vorm van advisering van de commissie.
Artikel 13
Een projectvoorstel dat in behandeling wordt genomen, wordt door de Minister voorgelegd aan de commissie.
Artikel 14
De Minister stelt een protocol vast omtrent de wijze waarop de commissie voorgelegde projectvoorstellen moet toetsen en wegen.
1.
De commissie vormt zich een oordeel over de in het projectvoorstel opgenomen gegevens.
2.
De commissie kan de indiener als bedoeld in artikel 4 om nadere informatie verzoeken omtrent de in artikel 5, eerste lid bedoelde gegevens.
1.
Het gemotiveerde advies van de commissie wordt uitgebracht aan de Minister overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.
2.
De vertegenwoordiger van de Minister van Financiën in de commissie kan een minderheidsstandpunt beargumenteerd vanuit de doelmatigheid van de uitvoering van het ruimterlijk beleid laten verwoorden in dit advies.
Artikel 17
De commissie houdt de voorbereidende stukken die betrekking hebben op de door haar uitgebrachte adviezen ter beschikking van de Minister.
1.
De Minister kan verzoeken een nadere uitwerking van het projectvoorstel vergezeld te doen gaan van voorstellen tot optimalisatie van het project die betrekking kunnen hebben op:
a. aanpassing van de in het projectvoorstel opgenomen gegevens;
b. aanpassing van de omvang van het project waarop het projectvoorstel betrekking heeft;
c. aanpassing van de projectorganisatie;
d. aanpassing van de begrotingscijfers voor het project;
e. aanpassing van het planningsschema;
f. de wijze waarop het project nader kan worden uitgewerkt.
2.
Een verzoek wordt niet gedaan dan nadat de indiener in de gelegenheid is gesteld zijn projectvoorstel nader toe te lichten.
1.
De Minister bepaalt, opnieuw gehoord de commissie, welke overheidsorganen die een projectvoorstel hebben ingediend, in de gelegenheid worden gesteld een subsidie-aanvraag, bedoeld in artikel 6.3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, in te dienen.
2.
De subsidie-aanvraag dient binnen 4 weken na ontvangst van de uitnodiging tot indiening door de Minister ontvangen te zijn.
1.
De aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 6.3.5.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, wordt ingericht overeenkomstig bijlage 3 .
2.
Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in artikel 6.3.5.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, wordt ingericht overeenkomstig bijlage 4 .
Artikel 21
De Minister stelt de subsidie vast binnen 8 weken nadat de aanvraag tot vaststelling door hem is ontvangen.
Artikel 22
Projecten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregeling reeds in behandeling zijn genomen vallen buiten de werking van de artikelen 4 tot en met 18.
Artikel 23
Deze beleidsregeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2011.
Artikel 24
Deze beleidsregeling wordt aangehaald als: Beleidsregeling Subsidies Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit.
Deze beleidsregeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Rijnstraat 8 te Den Haag.
Den Haag, 28 januari 2003
De
Minister
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 3. De oriëntatiefase
+ Hoofdstuk 4. De commissie
+ Hoofdstuk 5. De uitwerkingsfase
+ Hoofdstuk 6. De verantwoording en de vaststelling en betaling van de subsidie
+ Hoofdstuk 7. Overgangsbepaling
+ Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht