Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2008. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2008.

Beleidsregels aanwijzing en erkenning Bouwstoffenbesluit

Uitgebreide informatie
Beleidsregels aanwijzing en erkenning Bouwstoffenbesluit
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 5, 9, 19, 22 en 28 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming en artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluiten:
Artikel 1
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a. accrediteren
het geheel van activiteiten op grond waarvan de Raad voor Accreditatie, of een accreditatieorganisatie uit een van de andere lidstaten van de Europese Unie, of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte:
1°. met een document verklaart dat de monsternemer, het laboratorium of de certificeringsinstelling competent is om bepaalde pakketten van verrichtingen of pakketten van handelingen uit te voeren;
2°. met een document verklaart dat een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de monsternemer, het laboratorium of de certificeringsinstelling voldoet aan de voor de accreditatie geldende normen, en
3°. blijvend toezicht uitoefent op de naleving van de voor de accreditatie geldende normen;
b. AP 04
Accreditatie-programma Bouwstoffenbesluit (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, 2005);
c. de Ministers
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Verkeer en Waterstaat;
d. Bouwstoffenbesluit
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming ;
e. certificeren
het geheel van activiteiten op grond waarvan een aangewezen certificeringsinstelling:
1°. met een document verklaart dat een monsternemer competent is om bepaalde handelingen uit te voeren, of
2°. met een document verklaart dat een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de monsternemer voldoet aan de voor de certificering geldende normen, en
3°. blijvend toezicht uitoefent op de naleving van de voor de certificering geldende normen;
f. certificeringsinstelling
deskundig en onafhankelijk instituut als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder t, van het Bouwstoffenbesluit;
g. laboratorium
instantie als bedoeld in de artikelen 5, 9, 19 en 22 van het Bouwstoffenbesluit, voor het verrichten van de monstervoorbehandeling en het onderzoek naar de samenstelling en uitloging van bouwstoffen;
h. monsternemer
instantie als bedoeld in de artikelen 5, 9, 19 en 22 van het Bouwstoffenbesluit, voor het verrichten van de monstername en monstervoorbehandeling;
i. vestigingsplaats
het adres en de woonplaats waar een producent, monsternemer, laboratorium of certificeringinstelling is gevestigd;
j. SenterNovem
het agentschap SenterNovem, gevestigd te ’s Gravenhage.
1.
De Ministers kunnen op aanvraag een instantie als monsternemer aanwijzen voor een samenhangend pakket van handelingen indien deze daarvoor:
a. is geaccrediteerd op basis van AP 04, of
b. is gecertificeerd door een conform artikel 4, eerste lid, onder b aangewezen certificeringsinstelling op basis van de BRL SIKB 1000 'Beoordelingsrichtlijn Monsterneming voor partijkeuringen Bouwstoffenbesluit' (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, 2005) en de daarbij behorende protocollen.
2.
In geval van uitbesteding van één handeling kunnen de Ministers op aanvraag een monsternemer voor de resterende handelingen van het samenhangend pakket van handelingen aanwijzen, indien deze uitbestede handeling onderdeel uitmaakt van het samenhangend pakket van handelingen van de monsternemer aan wie deze handeling is uitbesteed en deze monsternemer voor dit samenhangend pakket van handelingen overeenkomstig dit, of het eerste lid is aangewezen.
1.
De Ministers kunnen op aanvraag een instantie als laboratorium aanwijzen voor een samenhangend pakket van verrichtingen, indien dat daarvoor is geaccrediteerd op basis van AP 04.
2.
In geval van uitbesteding van één verrichting kunnen de Ministers op aanvraag een laboratorium voor de resterende verrichtingen van het samenhangend pakket van verrichtingen aanwijzen, indien deze uitbestede verrichting onderdeel uitmaakt van het samenhangend pakket van verrichtingen van het laboratorium waaraan deze verrichting is uitbesteed en dit laboratorium voor dit samenhangend pakket van verrichtingen overeenkomstig dit, of het eerste lid is aangewezen.
Artikel 4
De Ministers kunnen op aanvraag een instituut als certificeringsinstelling aanwijzen voor:
a. het afgeven van een kwaliteitsverklaring voor een bouwstof, indien de certificeringsinstelling voor de op die bouwstof betrekking hebbende beoordelingsrichtlijn is geaccrediteerd op basis van EN 45011 (1998), of
b. het certificeren van monsternemers, indien de certificeringsinstelling hiervoor is geaccrediteerd op basis van de BRL SIKB 1000 'Beoordelingsrichtlijn Monsterneming voor partijkeuringen Bouwstoffenbesluit' (2003).
1.
De aanwijzing van een instantie als monsternemer bepaalt ten minste de samenhangende pakketten van handelingen waarvoor deze geldt, de eventueel uitbestede handeling, de vestigingsplaats en de geldigheidsduur.
2.
De aanwijzing van een instantie als laboratorium bepaalt ten minste de samenhangende pakketten van verrichtingen waarvoor deze geldt, de eventueel uitbestede verrichting, de vestigingsplaats en de geldigheidsduur.
3.
De aanwijzing van een instituut als certificeringsinstelling bepaalt ten minste de beoordelingsrichtlijnen waarvoor deze geldt, de vestigingsplaats en de geldigheidsduur.
4.
De aanwijzing wordt voor ten hoogste vier jaar verleend.
Artikel 6
De Ministers kunnen een kwaliteitsverklaring erkennen indien deze op basis van een op grond van de handleiding certificering Bouwstoffenbesluit (Stichting Bouwkwaliteit, december 2002) vastgestelde beoordelingsrichtlijn is afgegeven door een certificeringsinstelling die daartoe conform artikel 4, eerste lid, onder a is aangewezen.
1.
De erkenning van een kwaliteitsverklaring bepaalt ten minste de bouwstof waarvoor deze geldt, de vestigingsplaats en de geldigheidsduur.
2.
Een erkenning wordt voor ten hoogste drie jaar verleend.
1.
Een aanvraag tot aanwijzing of erkenning wordt ingediend bij SenterNovem met gebruikmaking van het in de bij deze beleidsregels behorende bijlage 1 onderscheidenlijk bijlage 2 opgenomen aanvraagformulier.
2.
Bij de aanvraag tot aanwijzing wordt een afschrift overgelegd van het document waaruit blijkt dat de aanvrager is gecertificeerd of geaccrediteerd voor de werkzaamheid waarvoor de aanvraag is ingediend.
3.
Voor zover bij de aanwijzing van een monsternemer of laboratorium sprake is van uitbesteding van één handeling als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderscheidenlijk één verrichting als bedoeld in artikel 3, tweede lid dient bij de aanvraag tevens een afschrift te worden overgelegd van het document waaruit blijkt dat de monsternemer of het laboratorium waaraan deze handeling of verrichting is uitbesteed is gecertificeerd of geaccrediteerd voor het desbetreffende samenhangende pakket van handelingen of verrichtingen.
4.
Bij de aanvraag tot erkenning van een kwaliteitsverklaring wordt een afschrift overgelegd van de kwaliteitsverklaring.
1.
Een aanvraag tot aanwijzing kan geheel of gedeeltelijk worden afgewezen indien:
a. een verleende aanwijzing in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag is geschorst of ingetrokken;
b. ernstig gevaar bestaat dat de aanwijzing mede zal worden gebruikt voor het begaan van een overtreding van een wettelijk voorschrift die in relatie staat tot de samenhangende pakketten van verrichtingen of handelingen waarvoor de aanwijzing is aangevraagd;
c. een juridische, financiële of personele binding bestaat tussen de opdrachtnemer en de opdrachtgever, anders dan door opdrachten tot monstername, laboratoriumonderzoek of certificering;
d. de monsternemer, het laboratorium of de certificeringsinstelling in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag bij de werkzaamheden in het kader van het Bouwstoffenbesluit in strijd heeft gehandeld met de voor de desbetreffende bouwstof geldende beoordelingsrichtlijn;
e. de monsternemer, het laboratorium, of de certificeringinstelling in staat van faillissement verkeert;
f. het document waaruit de certificering of accreditatie blijkt is verlopen, geschorst of ingetrokken.
2.
De mate van het gevaar, bedoeld in het eerst lid, onder b, wordt vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de aanvrager in relatie staat tot overtredingen van wettelijke voorschriften die zijn begaan bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de aanwijzing wordt aangevraagd;
b. de ernst van de overtredingen, ingeval sprake is van een vermoeden daarvan;
c. de aard van de relatie, en
d. de aard en het aantal van de begane overtredingen en de periode die is verstreken sinds de overtreding is begaan.
3.
De aanvrager staat in relatie tot overtredingen als bedoeld in het eerste lid, onder b en het tweede lid, onder a, indien:
a. hij deze overtredingen zelf heeft begaan;
b. hij feitelijk leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een persoon die deze overtredingen heeft begaan, of
c. een ander deze overtredingen heeft gepleegd en deze persoon feitelijk leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan de aanvrager, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.
4.
De afwijzing van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van gevaar, en
b. de ernst van de overtreding van het wettelijk voorschrift, voor zover ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder b bestaat.
5.
Voor zover bij de aanwijzing van een monsternemer of laboratorium sprake is van uitbesteding van één handeling als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderscheidenlijk één verrichting als bedoeld in artikel 3, tweede lid is het eerste lid tevens van toepassing op de instantie waaraan deze handeling onderscheidenlijk verrichting is uitbesteed.
1.
Een aanvraag tot erkenning van een kwaliteitsverklaring kan worden afgewezen indien:
a. een verleende erkenning in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag is geschorst of ingetrokken;
b. bij het afgeven van de kwaliteitsverklaring door de certificeringsinstelling in strijd is gehandeld met de voor die bouwstof geldende beoordelingsrichtlijn;
c. ernstig gevaar bestaat dat de erkenning mede zal worden gebruikt voor het begaan van een overtreding van een wettelijk voorschrift die in relatie staat tot de kwaliteitsverklaring waarvoor erkenning is aangevraagd;
d. bij het afgeven van de kwaliteitsverklaring door de certificeringsinstelling sprake is geweest van een juridische, financiële of personele binding tussen de certificeringsinstelling en de opdrachtgever, anders dan door de opdracht tot certificering;
e. de aanvrager in staat van faillissement verkeert;
f. de kwaliteitsverklaring waarop de aanvraag betrekking heeft is verlopen, geschorst of ingetrokken.
2.
Het tweede tot en met vierde lid van artikel 9 is ten aanzien van het eerste lid, onder c, van overeenkomstige toepassing.
1.
De Ministers kunnen een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 2, 3 of 4 geheel of gedeeltelijk schorsen voor de duur van maximaal zes maanden of intrekken indien:
a. niet langer wordt voldaan aan één of meerdere van de voorwaarden, bedoeld in de onderscheiden artikelen 2, 3, 4, of artikel 9, eerste lid onder b, c, e en f, of
b. de monsternemer, het laboratorium of de certificeringsinstelling bij de werkzaamheden in het kader van het Bouwstoffenbesluit in strijd heeft gehandeld met de voor de desbetreffende bouwstof geldende beoordelingsrichtlijn;
2.
De schorsing of intrekking bepaalt ten minste de aanwijzing waarop de schorsing of intrekking betrekking heeft en de vestigingsplaats. Het besluit tot schorsing bepaalt tevens de termijn waarvoor de schorsing geldt.
1.
De Ministers kunnen een erkenning van een kwaliteitsverklaring schorsen voor de duur van maximaal zes maanden of intrekken indien sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, of in strijd is gehandeld met de voorwaarden bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, d, e en f.
2.
De schorsing of intrekking bepaalt ten minste de erkenning waarop de schorsing of intrekking betrekking heeft en de vestigingsplaats. Het besluit tot schorsing bepaalt tevens de termijn waarvoor de schorsing geldt.
Artikel 13
Een overzicht van aangewezen monsternemers, laboratoria, certificeringsinstellingen en erkende kwaliteitsverklaringen, alsmede de schorsing of intrekking van deze aanwijzingen, of erkenningen wordt tweemaandelijks in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 14
De beleidsregels bedoeld in het besluit van 25 maart 2000/DBO/200029631 (Stcrt. 2000, nr. 66) vervallen met ingang van 1 april 2003.
1.
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 april 2003.
2.
Voor zover een certificeringsinstelling niet voor 1 april 2003 beschikt over de accreditatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, treedt dat vereiste in afwijking van het eerste lid voor de desbetreffende certificeringsinstelling op 1 oktober 2003 in werking.
Artikel 16
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels aanwijzing en erkenning Bouwstoffenbesluit.
Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 maart 2003
De
Staatssecretaris
De
Staatssecretaris
Inhoudsopgave
+ § 1. Definities
+ § 2. Voorwaarden voor aanwijzing
+ § 3. Voorwaarden voor erkenning
+ § 4. Aanvraag
+ § 5. Bestuurlijke maatregelen
+ § 6. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht