Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999

Uitgebreide informatie
Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Besluit:
Artikel 1. (Reikwijdte)
Dit besluit bevat beleidsregels die de inspecteur van het Bureau Heffingen toepast bij het opleggen van boeten overeenkomstig hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij de volgende heffingen:-
de forfaitaire mineralenheffingen, bedoeld in artikel 14 van de Meststoffenwet, onderscheiden in de heffing die wordt geheven naar de belastbare hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, en de heffing die wordt geheven naar de belastbare hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof;-
de verfijnde mineralenheffingen, bedoeld in artikel 22 van de Meststoffenwet, onderscheiden in de heffing die wordt geheven naar de belastbare hoeveelheid mineralen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, en de heffing die wordt geheven naar de belastbare hoeveelheid mineralen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof;-
de heffing van intermediaire ondernemingen, bedoeld in artikel 29 van de Meststoffenwet;-
de bestemmingsheffing, bedoeld in artikel 35 van de Meststoffenwet;-
de varkensheffing, bedoeld in artikel 91a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Artikel 2. (Toerekening)
Een handelen of nalaten van een derde die voor of namens de heffingplichtige optreedt, wordt aan de heffingplichtige toegerekend.
1.
De inspecteur legt geen verzuimboete op indien bij de heffingplichtige sprake is van afwezigheid van alle schuld. Indien de heffingplichtige bij bezwaar stelt en bewijst dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld, dan vernietigt de inspecteur de boete.
2.
De inspecteur legt geen vergrijpboete op indien bij de heffingplichtige geen sprake is van opzet, en in voorkomend geval van grove schuld. De inspecteur stelt en bewijst de aanwezigheid van opzet of grove schuld.
1.
De inspecteur maakt een keuze tussen het opleggen van een verzuimboete en het opleggen van een vergrijpboete indien de heffingplichtige:
a. geen aangifte doet van de varkensheffing;
b. niet, gedeeltelijk niet, of niet tijdig de verschuldigde forfaitaire mineralenheffingen, de verschuldigde verfijnde mineralenheffingen, de verschuldigde heffing van intermediaire ondernemingen of de verschuldigde bestemmingsheffing, betaalt.
2.
Een eenmaal opgelegde verzuimboetesluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit. Een eenmaal opgelegde vergrijpboete sluit het opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit.
1.
De vaststelling van een belastingaanslag en de vaststelling van een met deze aanslag samenhangende boetebeschikking vinden in beginsel gelijktijdig plaats.
Uitzonderingen daarop vormen in ieder geval de gevallen, bedoeld in de artikelen 67e, derde lid, en 67f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.
Een afzonderlijke boetebeschikking wordt in beginsel gegeven indien een boete wordt opgelegd terwijl geen belasting verschuldigd is, dan wel geen belastingaanslag wordt of kan worden vastgesteld.
1.
Indien de heffingplichtige niet meer in rechte tegen een hem opgelegde boete op kan komen, gaat de inspecteur na ontvangst van een verzoek om de boete ambtshalve te verminderen na of de boete tot de juiste hoogte is vastgesteld. Indien het de inspecteur blijkt dat de boete tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert hij dit bedrag.
2.
De termijn waarbinnen de heffingplichtige kan verzoeken om vermindering van de boete bedraagt vijf jaar, te rekenen vanaf de dag nadat de boetebeschikking onherroepelijk is geworden.
3.
De inspecteur vermindert in elk geval ambtshalve een opgelegde boete indien deze als gevolg van een wijziging van de grondslag voor de berekening van de boete voor verlaging in aanmerking komt.
Artikel 7. (Dag van betaling)
Voor de toepassing van dit besluit geldt als dag van betaling:
a. bij betalingen via een bankinstelling: de datum van bijschrijving op de rekening van de ontvanger van het bureau heffingen;
b. bij betaling op het postkantoor door storting op de girorekening van de ontvanger van het bureau heffingen: de datum waarop het bedrag is gestort;
c. bij betalingen met een primacheque aan het loket van de ontvanger van het bureau heffingen: de werkdag na inlevering van de primacheque;
d. bij contante betaling aan de kas van de ontvanger van het bureau heffingen: de datum waarop het bedrag aan het loket is betaald.
1.
De aan de heffingplichtige in verband met het opleggen van een boete toekomende waarborgen gelden, met uitzondering van het inzagerecht, bedoeld in artikel 67m van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vanaf het tijdstip waarop de inspecteur een handeling verricht waaraan de heffingplichtige in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete is of zal worden opgelegd.
2.
Het inzagerecht, bedoeld in artikel 67m van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geldt vanaf het moment waarop de inspecteur de heffingplichtige meedeelt dat een verzuimboete is opgelegd of hem ervan in kennis stelt dat een vergrijpboete zal worden opgelegd. Indien het voornemen tot het opleggen van een boete geheel of gedeeltelijk berust op gegevens over derden, worden de desbetreffende bescheiden, voorzover mogelijk, geanonimiseerd.
Artikel 9. (Bijzondere omstandigheden)
De inspecteur onderzoekt bij het vaststellen van het bedrag van de boete op basis van de bepalingen van de hoofdstukken II of III of er sprake is van omstandigheden als bedoeld in hoofdstuk IV, die aanleiding geven om het bedrag van de op te leggen boete te verlagen of te verhogen.
1.
Er is sprake van een verhoor als bedoeld in artikel 67l van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, indien de inspecteur de heffingplichtige in een directe confrontatie ondervraagt in verband met zijn voornemen een boete op te leggen.
2.
Een verhoor vindt niet eerder plaats dan na schriftelijke oproep door de inspecteur. De inspecteur vermeldt in de oproep dat de heffingplichtige tijdens het verhoor niet tot antwoorden is verplicht. De inspecteur herhaalt dit vóór het daadwerkelijke verhoor aanvangt.
3.
De heffingplichtige verschijnt in persoon voor het verhoor, tenzij de inspecteur ermee instemt dat de heffingplichtige zich laat vertegenwoordigen.
4.
De inspecteur maakt na afloop van het verhoor een verslag waarin hij onder meer vermeldt of de heffingplichtige erop is gewezen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De heffingplichtige krijgt een afschrift van dat verslag.
1.
De in artikel 67g, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde mededeling geschiedt schriftelijk.
2.
Bij het opleggen van een verzuimboete vermeldt de mededeling het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de boete, alsmede de voor de berekening van de boete gehanteerde uitgangspunten.
3.
Bij het opleggen van een vergrijpboete vermeldt de mededeling het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de boete alsmede de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen vermeldt de mededeling tevens de bijzondere omstandigheden, bedoeld in hoofdstuk IV, die tot een matiging of een verhoging van de boete hebben geleid.
4.
Indien de inspecteur weet dat noch de heffingplichtige, noch zijn gemachtigde de Nederlandse taal voldoende begrijpt, vult hij de mededeling aan met een vertaling daarvan, althans een korte weergave in een voor de heffingplichtige of zijn gemachtigde begrijpelijke taal.
Artikel 12. (Termijnoverschrijding)
Indien de heffingplichtige niet binnen de in de wet gestelde termijn in bezwaar is gekomen tegen de boetebeschikking en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding aan hem of zijn gemachtigde kan worden toegerekend, verklaart de inspecteur hem ontvankelijk in zijn bezwaar.
Artikel 13. (Overlijden van heffingplichtige)
Indien de inspecteur binnen vijf jaar na het tijdstip van overlijden van de heffingplichtige daarvan kennisneemt en hem geen verzoek heeft bereikt om de boetebeschikking te vernietigen, dan wel de boete te verminderen, past hij artikel 67i, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ambtshalve toe.
1.
De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt schriftelijk.
2.
De inspecteur geeft de heffingplichtige een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten.
3.
Indien de heffingplichtige de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de inspecteur gehoord.
4.
Artikel 11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15. (Samenloop met strafrechtelijke vervolging)
De inspecteur houdt het opleggen van de vergrijpboete aan, zodra hij weet dat het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd, dreigt te verstrijken, treedt de inspecteur tijdig in overleg met de betrokken opsporingsautoriteiten om te bepalen of er definitief voor strafrechtelijke vervolging wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.
1.
Indien de heffingplichtige geen of niet tijdig aangifte doet van de varkensheffing, dan legt de inspecteur een verzuimboete op van 100% van de verschuldigde heffing zoals deze door de inspecteur ambtshalve is vastgesteld. De verzuimboete bedraagt ten hoogste € 1.125.
2.
Indien de heffingplichtige alsnog aangifte doet van de varkensheffing, dan vermindert de inspecteur de boete overeenkomstig het derde lid als er sprake is van een eerste, een tweede of een volgend verzuim.
Van een eerste verzuim is sprake indien de heffingplichtige in geen van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest.
Van een tweede, onderscheidenlijk volgend verzuim is sprake indien de heffingplichtige in één, onderscheidenlijk twee of meer van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Een verzuim ten aanzien waarvan bij de heffingplichtige sprake is van afwezigheid van alle schuld wordt niet in aanmerking genomen.
3.
De inspecteur vermindert ingeval van:
a. een eerste verzuim de verzuimboete tot op 10% van de verschuldigde heffing;
b. een tweede verzuim de verzuimboete tot op 25% van de verschuldigde heffing;
c. een volgend verzuim de verzuimboete tot op 100% van de verschuldigde heffing.
4.
Indien de verschuldigde heffing, vermeerderd met het ingevolge de vorige leden berekende boetebedrag, lager is dan € 11, legt de inspecteur in afwijking van de vorige leden geen verzuimboete op. Dit verzuim wordt wel in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal verzuimen, bedoeld in het tweede lid.
5.
De inspecteur verlaagt de opgelegde verzuimboete naar evenredigheid bij vermindering of teruggaaf van de desbetreffende heffing. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op € 11.
Artikel 17. (Niet of niet tijdig doen van aangifte)
Indien de heffingplichtige geen of niet tijdig aangifte doet van de forfaitaire mineralenheffingen, de verfijnde mineralenheffingen, de heffing van intermediaire onderneming of de bestemmingsheffing, dan legt de inspecteur per heffing waarvan de aangifte niet of niet tijdig is gedaan, een verzuimboete op van € 110.
1.
Indien de heffingplichtige:
a. een verschuldigde forfaitaire mineralenheffing;
b. een verschuldigde verfijnde mineralenheffing;
c. de verschuldigde heffing van intermediaire ondernemingen;
niet, niet tijdig of gedeeltelijk niet betaalt, en van desbetreffende heffing ook geen, of niet tijdig aangifte heeft gedaan, dan legt de inspecteur, onverminderd artikel 17, een verzuimboete op van 100% van het gedeelte van de desbetreffende verschuldigde heffing zoals deze door de inspecteur ambtshalve is vastgesteld, dat niet betaald is. De verzuimboete bedraagt ten hoogste € 4.500.
2.
Indien de heffingplichtige alsnog aangifte doet van de desbetreffende heffing, dan vermindert de inspecteur de boete overeenkomstig het derde lid als er sprake is van een eerste, een tweede of een volgend verzuim.
Van een eerste verzuim is sprake indien de heffingplichtige in geen van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Van een tweede, onderscheidenlijk volgend verzuim is sprake indien de heffingplichtige in één, onderscheidenlijk twee of meer van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Een verzuim ten aanzien waarvan bij de heffingplichtige sprake is van afwezigheid van alle schuld wordt niet in aanmerking genomen.
3.
De inspecteur vermindert ingeval van:
a. een eerste verzuim de verzuimboete tot op 10% van de verschuldigde heffing;
b. een tweede verzuim de verzuimboete tot op 25% van de verschuldigde heffing;
c. een volgend verzuim de verzuimboete tot op 100% van de verschuldigde heffing.
4.
Indien het bedrag van de verschuldigde heffing, vermeerderd met het ingevolge de vorige leden berekende boetebedrag, lager is dan € 11, legt de inspecteur in afwijking van de vorige leden geen verzuimboete op. Dit verzuim wordt wel in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal verzuimen, bedoeld in het tweede lid.
5.
De inspecteur verlaagt de opgelegde verzuimboete naar evenredigheid bij vermindering of teruggaaf van de desbetreffende heffing. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op € 11.
1.
Indien de heffingplichtige:
a. een verschuldigde forfaitaire mineralenheffing;
b. een verschuldigde verfijnde mineralenheffing;
c. de verschuldigde heffing van intermediaire ondernemingen;
niet, niet tijdig of gedeeltelijk niet betaalt, maar van desbetreffende heffing wel tijdig aangifte heeft gedaan, dan legt de inspecteur een verzuimboete op van ten hoogste € 4.500.
2.
De verzuimboete bedraagt ingeval van:
a. een eerste verzuim 1% van het gedeelte van de verschuldigde heffing dat niet of niet tijdig is betaald;
b. een tweede verzuim 5% van het gedeelte van de verschuldigde heffing dat niet of niet tijdig is betaald;
c. een volgend verzuim 10% van het gedeelte van de verschuldigde heffing dat niet of niet tijdig is betaald.
Van een eerste verzuim is sprake indien de heffingplichtige in geen van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Van een tweede, onderscheidenlijk volgend verzuim is sprake indien de heffingplichtige in één, onderscheidenlijk twee of meer van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Een verzuim ten aanzien waarvan bij de heffingplichtige sprake is van afwezigheid van alle schuld wordt niet in aanmerking genomen.
3.
Indien de verschuldigde heffing, vermeerderd met het ingevolge de vorige leden berekende boetebedrag, lager is dan€ 11, legt de inspecteur in afwijking van de vorige leden geen verzuimboete op. Dit verzuim wordt wel in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal verzuimen, bedoeld in het tweede lid.
4.
De inspecteur verlaagt de opgelegde verzuimboete naar evenredigheid bij vermindering of teruggaaf van de desbetreffende heffing. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op € 11.
1.
Indien de heffingplichtige:
a. een verschuldigde forfaitaire mineralenheffing;
b. een verschuldigde verfijnde mineralenheffing;
c. de verschuldigde heffing van intermediaire ondernemingen;
niet, niet tijdig of gedeeltelijk niet betaalt doordat op de desbetreffende aangifte een te lage belastbare hoeveelheid is aangegeven, en het bedrag dat niet betaald is omvangrijk of verhoudingsgewijs omvangrijk is, dan legt de inspecteur, in afwijking van artikel 19, een verzuimboete op van 10% van het gedeelte van de verschuldigde heffing dat niet betaald is. De verzuimboete bedraagt ten hoogste € 4.500.
2.
Indien de heffingplichtige, voordat deze weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is zal worden met het feit dat op de aangifte te weinig belasting is aangegeven, schriftelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en welk bedrag niet of gedeeltelijk niet betaald is, legt de inspecteur, in zoverre in afwijking van het eerste lid, een verzuimboete op van 5% van het gedeelte van de verschuldigde heffing dat niet betaald is, met een maximum van € 4.500.
3.
Indien het gedeelte van de verschuldigde heffing dat niet betaald is, vermeerderd met het ingevolge het eerste of het tweede lid berekende boetebedrag, lager is dan € 11, legt de inspecteur geen verzuimboete op.
4.
De inspecteur verlaagt de opgelegde verzuimboete naar evenredigheid bij vermindering of teruggaaf van de desbetreffende heffing. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan € 11.
1.
Indien de heffingplichtige de verschuldigde bestemmingsheffing niet, niet tijdig of gedeeltelijk niet betaalt, dan legt de inspecteur een verzuimboete op van 100% van het gedeelte van de verschuldigde heffing dat niet betaald is. De verzuimboete bedraagt ten hoogste € 180.
2.
Indien de heffingplichtige de verschuldigde bestemmingsheffing alsnog betaalt, dan vermindert de inspecteur de boete overeenkomstig het derde lid als er sprake is van een eerste, een tweede of een volgend verzuim.
Van een eerste verzuim is sprake indien de heffingplichtige in geen van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Van een tweede, onderscheidenlijk volgend verzuim is sprake indien de heffingplichtige in één, onderscheidenlijk twee of meer van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Een verzuim ten aanzien waarvan bij de heffingplichtige sprake is van afwezigheid van alle schuld wordt niet in aanmerking genomen.
3.
De inspecteur vermindert ingeval van:
a. een eerste verzuim de verzuimboete tot op 10% van de verschuldigde heffing;
b. een tweede verzuim de verzuimboete tot op 25% van de verschuldigde heffing;
c. een volgend verzuim de verzuimboete tot op 100% van de verschuldigde heffing.
4.
Indien het bedrag van de verschuldigde heffing, vermeerderd met het ingevolge de vorige leden berekende boetebedrag, lager is dan € 11, legt de inspecteur in afwijking van de vorige leden geen verzuimboete op. Dit verzuim wordt wel in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal verzuimen, bedoeld in het tweede lid.
5.
De inspecteur verlaagt de opgelegde verzuimboete naar evenredigheid bij vermindering of teruggaaf van de desbetreffende heffing. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op € 11.
1.
Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet.
2.
Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid.
1.
De inspecteur past bij het berekenen van het bedrag van de vergrijpboete de volgende percentages toe: -
ingeval van grove schuld 50%;-
ingeval van opzet 100%.
2.
Indien slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van de heffingplichtige te weinig is geheven of zou zijn geheven dan wel betaald, berekent de inspecteur de op te leggen boete over het desbetreffende aan opzet of grove schuld van de heffingplichtige toe te rekenen gedeelte.
3.
Het tweede lid vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage van toepassing is.
1.
Indien de heffingplichtige met opzet geen aangifte van de varkensheffing heeft gedaan, of met opzet een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, dan legt de inspecteur een vergrijpboete op.
2.
Indien geen aangifte is gedaan berekent de inspecteur de vergrijpboete op basis van het bedrag van de ambtshalve vastgestelde aanslag. Indien de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan, berekent de inspecteur de vergrijpboete op basis van het bedrag van de aanslag dat is toe te rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte die met opzet zijn gedaan.
1.
Indien de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins een te lage varkensheffing is geheven, en dit aan opzet of grove schuld van de heffingplichtige is te wijten, dan legt de inspecteur een vergrijpboete op.
2.
De inspecteur berekent de vergrijpboete op basis van het bedrag van de navorderingsaanslag.
1.
Indien de heffingplichtige een verschuldigde forfaitaire mineralenheffing, een verschuldigde verfijnde mineralenheffing, de verschuldigde heffing van intermediaire ondernemingen of de verschuldigde bestemmingsheffing niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalt, en dit aan opzet of grove schuld van de heffingplichtige is te wijten, dan legt de inspecteur een vergrijpboete op.
2.
De inspecteur berekent de vergrijpboete op basis van het bedrag van de naheffingsaanslag.
3.
Indien de heffingplichtige, voordat deze weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met het feit dat te weinig belasting is betaald, schriftelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald, legt de inspecteur in zoverre in afwijking van het eerste lid, geen vergrijpboete op.
1.
Indien aan de heffingplichtige ter zake van het niet voldoen aan verplichtingen verband houdende met een heffing als bedoeld in artikel 1 ook in de vijf voorafgaande kalenderjaren een vergrijpboete is opgelegd, of de heffingplichtige voor die handeling strafrechtelijk is veroordeeld, past de inspecteur bij de berekening van het bedrag van de vergrijpboete ingeval van grove schuld, in afwijking van artikel 23 een hoger percentage voor grove schuld toe, tot ten hoogste 75%. Met een veroordeling wordt gelijkgesteld het vervallen van het recht op strafvordering op de voet van de artikelen 74 en 74a van het Wetboek van Strafrecht.
2.
Indien de vergrijpboete die in de vijf voorafgaande kalenderjaren is opgelegd naderhand vervalt wegens het ontbreken van opzet dan wel grove schuld, dan corrigeert de inspecteur de verhoging van de vergrijpboete ambtshalve.
Artikel 28. (Andere verzwarende omstandigheden)
De inspecteur past bij de berekening van het bedrag van de vergrijpboete ingeval van grove schuld in afwijking van artikel 23 een hoger percentage voor grove schuld toe, tot ten hoogste 100%, indien:
a. de ernst van de gedraging naar aanleiding waarvan de vergrijpboete wordt opgelegd, daartoe aanleiding geeft; de inspecteur gaat hier in elk toe over indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning;
b. de gedraging naar aanleiding waarvan de vergrijpboete wordt opgelegd tot gevolg zou hebben gehad dat een omvangrijk of verhoudingsgewijs omvangrijk bedrag niet zou zijn betaald;
c. de persoonlijke omstandigheden van de heffingplichtige of de wijze waarop of de omstandigheden waaronder de gedraging naar aanleiding waarvan de vergrijpboete wordt opgelegd heeft plaatsgevonden, daartoe aanleiding geven.
Artikel 29. (Verzachtende omstandigheden)
Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde verzuim- of vergrijpboete te matigen behoren:
a. het geval dat een wanverhouding bestaat tussen de ernst van de gedraging naar aanleiding waarvan de boete wordt opgelegd en de hoogte van de op te leggen boete, en het geval dat deze gedraging haar aanleiding vindt in omstandigheden die buiten de directe invloedssfeer van de heffingplichtige liggen;
b. het geval dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is over-schreden. In uitzonderlijke gevallen kan deze overschrijding leiden tot het vervallen van de boete. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt onder meer gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van de heffingplichtige en de wijze waarop de zaak door de inspecteur is behandeld.
Artikel 30
De inspecteur past deze regels toe met ingang van de dag waarop dit besluit is vastgesteld.
Artikel 31
Het besluit van 17 december 1991, nr. J.9113365, houdende de verklaring van toepassing van de Leidraad administratieve boeten 1984 op de overschotheffing (Stcrt. 250) wordt ingetrokken, met dien verstande dat het van toepassing blijft op de oplegging van naheffingsaanslagen voor verschuldigde overschotheffingen als bedoeld in artikel 13 van de Meststoffenwet, zoals dit artikel luidde vóór inwerkingtreding van artikel I van de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360).
Artikel 32
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 oktober 1999
De
Minister
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Verzuimboeten
+ Hoofdstuk III. Vergrijpboeten
+ Hoofdstuk IV. Bijzondere omstandigheden
+ Hoofdstuk V. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht