Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 29 november 2011, nr. WJZ/11142170, houdende het vaststellen van beleidsregels betreffende de cumulatietoets steun in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Beleidsregels cumulatietoets steun in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie)
De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Artikel 1
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
besluit: het Besluit stimulering duurzame energieproductie ;
cumulatietoets: de toets waarmee wordt vastgesteld of en in welke mate overstimulering optreedt;
exploitatiekosten: de kosten die gemaakt worden bij de exploitatie van een productie-installatie voor duurzame energie;
exploitatiesteun: steunmaatregelen die dienen om de exploitatiekosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compenseren;
investeringssteun: steunmaatregelen die dienen om de investeringskosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compenseren;
investeringskosten: de kosten, inclusief bouwrente, die nodig zijn voor de realisatie van een productie-installatie voor duurzame energie;
milieusteunkader: Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (PbEU 2008/C 82/01);
investeringssteun: steunmaatregelen die dienen om de investeringskosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compenseren;
minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
overstimulering: cumulatie van steun die uitstijgt boven het toegestane steunplafond van het milieusteunkader;
particulier: privépersoon die met het exploiteren van de productie-installatie waarvoor SDE-subsidie is verleend geen economische activiteit(en) uitoefent;
producent: producent die een productie-installatie voor duurzame energie opricht, in stand houdt en exploiteert waarvoor aan hem SDE-subsidie is verleend of waarvoor hij een aanvraag voor SDE-subsidie heeft ingediend;
productie-installatie: productie-installatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van het besluit ;
steunmaatregel: een publiekrechtelijke maatregel op grond waarvan aan een producent steun wordt verleend in de vorm van subsidie, fiscale voordelen of andere voordelen.
1.
De minister stuurt de producent binnen een jaar na ingebruikname van de productie-installatie een brief inclusief een opgaveformuliermet het verzoek de benodigde gegevens met betrekking tot de cumulatietoets aan te leveren.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de producent een particulier is.
3.
Een model van het opgaveformulier is opgenomen in de bij deze beleidsregels behorende bijlage .
1.
De producent zendt het ingevulde opgaveformulier binnen acht weken na ontvangst van het opgaveformulier naar Agentschap NL, Postbus 10073, 8000 GB Zwolle. De minister kan deze termijn op verzoek van de producent eenmalig verlengen met een door de minister te bepalen redelijke termijn.
2.
Het opgaveformulier wordt voorzien van een accountantsverklaring indien op grond van artikel 3, derde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie een accountantsverklaring is vereist.
3.
Indien het opgaveformulier onvolledig of onjuist is ingevuld, kan de minister – overeenkomstig artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht – de producent in de gelegenheid stellen er zorg voor te dragen dat dit formulier juist is ingevuld. Daarbij stelt de minister een door hem te bepalen redelijke termijn.
4.
Indien het opgaveformulierniet tijdig, juist en volledig is ingevuld, dan kan de minister besluiten tot één of meer van de volgende maatregelen:
a. het stopzetten van het uitbetalen van voorschotten;
b. het terugvorderen van reeds uitbetaalde voorschotten;
c. het intrekken van de SDE-subsidie.
1.
Indien uit het opgaveformulier van de producent blijkt dat hij naast SDE-subsidie steun op grond van andere steunmaatregelen geniet, heeft genoten of zal genieten voert de minister een cumulatietoets uit.
2.
In afwijking van het eerste lid voert de minister de cumulatietoets niet uit indien aan de producent SDE-subsidie is verleend en:
a. uit het opgaveformulier van de producent blijkt dat hij naast SDE-subsidie uitsluitend steun op grond van een of meerdere van de volgende steunmaatregelen geniet:
1°. De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 ;
2°. Regeling groenprojecten 2005 , of
b. aan de producent subsidie is verleend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen met een vermogen kleiner of gelijk aan 7,5 kWp.
1.
De cumulatietoets wordt uitgevoerd aan de hand van de in paragraaf 5 opgenomen rekenregels.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt de cumulatietoets voor een productie-installatie die op grond van punt 5.1 van het milieusteunkader voor een nadere beoordeling is aangemeld bij de Europese Commissie, uitgevoerd aan de hand van de rekenmethodiek die in de goedkeurende beschikking van de Europese Commissie is gehanteerd.
Artikel 6
De minister verlaagt de maximale subsidiabele productie in MWh, Nm3 of GJ indien uit de cumulatietoets blijkt dat er sprake is van € 10.000 of meer overstimulering en past de beschikking tot subsidieverlening hierop overeenkomstig aan.
1.
De producent meldt iedere wijziging van de steun die hij ontvangt of zal ontvangen, met uitzondering van de SDE-subsidie, aan de minister.
2.
De minister bepaalt aan de hand van de gewijzigde gegevens en het bepaalde artikel 4, tweede en derde lid, of er alsnog of opnieuw een cumulatietoets dient te worden uitgevoerd en – indien van toepassing – voert de cumulatietoets uit met de gewijzigde gegevens en stelt de producent op de hoogte van de uitkomst van de cumulatietoets.
3.
De minister verlaagt of verhoogt de maximale subsidiabele productie in MWh, Nm3 of GJ indien uit de cumulatietoets blijkt dat er in vergelijking met de op dat moment geldende maximale subsidiabele productie sprake is van € 10.000 meer of minder overstimulering en past de beschikking tot subsidieverlening daarop aan met dien verstande dat de maximale subsidiabele productie in MWh, Nm3 of GJ niet meer bedraagt dan de maximale subsidiabele productie in MWh, Nm3 of GJ die in de oorspronkelijke beschikking tot subsidieverlening is opgenomen.
Artikel 8
Indien op grond van artikel 6 of 7 de maximale subsidiabele productie in MWh, Nm3 of GJ is verlaagd kan de producent op grond van gewijzigde omstandigheden tot drie maanden voor het verstrijken van de subsidieperiode, verzoeken om een nieuwe cumulatietoets.
1.
De minister gaat bij het nemen van een besluit tot vaststelling van de SDE-subsidie na of na de laatste cumulatietoets wijzigingen met betrekking tot de steun op grond van andere steunmaatregelen hebben plaatsgevonden die de producent niet heeft gemeld.
2.
Indien er geen ongemelde wijzigingen hebben plaatsgevonden gebruikt de minister de uitkomst van de laatst uitgevoerde cumulatietoets bij de vaststelling van de SDE-subsidie.
3.
Indien er ongemelde wijzigingen hebben plaatsgevonden voert de minister een cumulatietoets uit en gebruikt de minister de uitkomst van deze cumulatietoets bij de vaststelling van de SDE-subsidie.
Artikel 10
Bij de berekening van de waarde van de maximale SDE-subsidie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
a. Indien het afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de werkelijke productie in MWh, Nm3 of GJ die per jaar voor subsidie in aanmerking komt per jaar vermenigvuldigd met het basisbedrag minus de voor de betreffende kalenderjaren vastgestelde correcties.
b. Indien het nog niet afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de maximale productie in MWh, Nm3 of GJ die voor subsidie in aanmerking komt vermenigvuldigd met het basisbedrag minus de basiselektriciteitsprijs of de basisgasprijs.
Artikel 10a
Bij de berekening van de waarde van de geprognosticeerde SDE-subsidie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
a. indien het afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de werkelijke productie in MWh, Nm3 of GJ die per jaar voor subsidie in aanmerking komt en per jaar vermenigvuldigd met het basisbedrag minus de voor de betreffende kalenderjaren vastgestelde correctiebedragen;
b. indien het nog niet afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de maximale productie in MWh, Nm3 of GJ die voor subsidie in aanmerking komt en per jaar vermenigvuldigd met het basisbedrag minus de geprognosticeerde elektriciteitsprijs, gasprijs of energieprijs voor warmte. De geprognosticeerde elektriciteitsprijs, gasprijs of energieprijs voor warmte worden gebaseerd op de meest recent vastgestelde correctiebedragen, waarbij voor toekomstige jaren rekening gehouden kan worden met inflatie.
1.
Onder de maatregelen voor investeringssteun wordt in elk geval verstaan:
a. de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 ;
b. de Regeling groenprojecten 2005 ;
c. het Besluit subsidies CO 2 -reductieplan ;
d. het Subsidieprogramma Reductie Overige Broeikasgassen op grond van artikel 2.1.1 van de Subsidieregeling milieugerichte technologie;
e. het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten ;
f. het Subsidieprogramma Innovatieve Biobrandstoffen;
g. de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001;
h. de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 ;
i. de Regeling groenprojecten 2010 ;
j. regionale of Europese subsidies.
2.
Bij de berekening van de waarde van de investeringssteun worden de volgende rekenregels gehanteerd:
a. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt
1°. in geval van maximaal 12 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,917*Z*X) - ?NCW Y,2 tm 12 (0,083*Z*X)
2°. in geval van maximaal 15 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,933*Z*X) - ?NCW Y,2 tm 15 (0,067*Z*X) waarbij:
NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij
disconteringspercentage Y in jaar 1;
NCW Y,2 tm 12 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 12;
NCW Y,2 tm 15 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 15;
Z = het meldingsbedrag VAMIL dat in aanmerking komt voor aftrek;
Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13;
X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;
b. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel krachtens de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 bedraagt NCW Y,1 (X*W*V), waarbij: disconteringspercentage Y in jaar 1;
Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13;
X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;
W = het meldingsbedrag EIA dat in aanmerking komt voor aftrek;
V = het EIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering in het kader van de EIA;
c. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001bedraagt NCW Y,1 (X * U * T), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1;
Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13;
X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;
U = het meldingsbedrag MIA dat in aanmerking komt voor aftrek;
T = het MIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de soort investering in het kader van de MIA;
d. de waarde van het genoten en nog te genieten voordeel uit een financiering op grond van de Regeling groenprojecten wordt forfaitair vastgesteld op de netto contante waarde per datum aanvang project van 1% van het jaarlijkse leningsbedrag waarbij wordt uitgegaan van een over een periode van 10 jaar lineair aflopend leningsbedrag;
e. de waarde van het genoten en nog te genieten voordeel uit overige investeringssteunmaatregelen bedraagt de netto contante waarde per datum aanvang project van de op grond van die maatregelen daadwerkelijk ontvangen of verrekende bedragen.
3.
De minister kan bij de berekening van de cumulatietoets afwijkende waarden hanteren, indien:
a. de subsidieaanvrager deze waarden kan aantonen door middel van een accountantsverklaring. Uitgangspunt daarbij is dat de fiscale voordelen worden toegerekend aan het jaar waarin ze in de belastingaangifte zijn geclaimd;
b. er sprake is van een aantoonbare langere bouwtijd dan 1 jaar. In dat geval kunnen de uitkomsten van de rekenregels van het tweede lid, onder a tot en met c, vermenigvuldigd worden met de factor 1 / (1 + Y) (S – 12)/24 , waarbij:
Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13;
S = de bouwtijd in maanden. Hieronder wordt verstaan de tijd tussen de start van de bouw van de installatie de datum ingebruikname van de installatie.
4.
De netto contante waarde van de financieringslasten verbonden aan de investering (rentevergoeding over vreemd vermogen en een billijke kapitaalvergoeding over het geïnvesteerde eigen vermogen) wordt berekend bij een gemiddeld rendement van het geïnvesteerde vermogen van 8% uitgaande van een geïnvesteerd vermogen in de installatie dat lineair afloopt over de periode waarover SDE-subsidie wordt verleend.
5.
De minister kan een afwijkende waarde voor het gemiddelde rendement van het geïnvesteerde vermogen hanteren indien de producent schriftelijk aantoont dat bij de start van de financiering voor hem een andere verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen van toepassing is, waarbij als grenswaarden gelden maximaal 15% als vergoeding voor inbreng van eigen vermogen en maximaal 6% voor inbreng van het vreemd vermogen.
6.
De netto investeringskosten zijn gelijk aan de investeringskosten na aftrek van de investeringssteun.
1.
Met betrekking tot de exploitatielasten en -baten gelden met uitzondering van de categorieën elektriciteit uit biomassa en afvalverbranding en van hernieuwbaar gas de volgende uitgangspunten en rekenregels:
a. voor de exploitatiekosten worden de exploitatiekosten gebruikt zoals vermeld in het ‘ECN-model onrendabele topberekening’ behorende bij de basisprijs die van toepassing is op de producent.
b. wanneer een producent aangeeft dat de exploitatiekosten van zijn productie-installatie hoger zijn dan in het ‘ECN-model onrendabele topberekening’ kan extra steunruimte ontstaan. De producent dient de afwijkende exploitatiekosten te onderbouwen. Indien de exploitatiekosten hoger zijn dan de verkoopinkomsten uit energie wordt getoetst aan artikel 109, lid A, van het milieusteunkader;
2.
Met betrekking tot de exploitatielasten en -baten voor de categorieën elektriciteit uit biomassa en afvalverbranding en van hernieuwbaar gas gaat het opgaveformulier vergezeld van een exploitatieoverzicht van de verwachte exploitatielasten- en baten over de subsidieperiode en gelden de volgende uitgangspunten:
a. de variabele kosten bestaan uit kosten voor inkoop en aanvoer van biomassa, kosten voor afvoer van reststoffen, onderhoudskosten, verzekeringskosten, garantiekosten, administratiekosten en arbeidskosten voor operationeel beheer;
b. de vaste kosten bestaan uit netaansluitingskosten, grondkosten en onroerend zaakbelasting;
c. de variabele exploitatiebaten bestaan uit verkoop van warmte aan derden, poortgelden, verkoop van restproducten en vermeden aardgaskosten.
3.
Bij de berekening van de waarde van de verkoopinkomsten van energie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
a. indien het afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de werkelijke productie in MWh, Nm3 of GJ per jaar vermenigvuldigd met de op grond van het besluit de voor de betreffende kalenderjaren vastgestelde elektriciteitsprijs, gasprijs of energieprijs voor warmte;
b. indien het nog niet afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de verwachte productie in MWh, Nm3 of GJ vermenigvuldigd met de geprognotiseerde elektriciteitsprijs, gasprijs of energieprijs voor warmte;
c. wanneer de producent met facturen aantoont dat zijn verkoopinkomsten afwijken van de vastgestelde energieprijzen, wordt met de door de producent opgegeven prijzen gerekend.
Artikel 13
De minister gebruikt voor de berekening van de netto contante waarde van de SDE-subsidie, de investeringssteun, de investeringskosten, de exploitatielasten, de exploitatiebaten en exploitatiesteun het discontopercentage dat op het moment van de subsidieaanvraag geldt en dat door de Europese Commissie wordt gepubliceerd op de website van de Europese Commissie 1 .
1.
Er is sprake van overstimulering indien [Netto investering + Return on Capital + Exploitatiesaldo] < [ geprognosticeerde SDE subsidie + andere exploitatiesubsidies + verkoopinkomsten energie] of indien [Netto investering + Return on Capital] < [maximale SDE subsidie + andere exploitatiesubsidies].
2.
In afwijking van het eerste lid is er voor de categorieën elektriciteit uit biomassa, afvalverbranding en hernieuwbaar gas sprake van overstimulering indien [Netto investering + Return on Capital + Exploitatiesaldo] < [geprognosticeerde SDE subsidie + andere exploitatiesubsidies + verkoopinkomsten energie].
1.
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst.
2.
Indien een producent de productie-installatie voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels in gebruik heeft genomen, stuurt de minister de producent binnen een jaar na de inwerkingtreding een opgaveformulier aan deze producent.
Artikel 16
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels cumulatietoets steun in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie.
Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst,
Den Haag, 29 november 2011
De
Minister
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsbepalingen
+ § 2. Opgaveformulier
+ § 3. Cumulatietoets in het kader van de SDE-subsidieverlening
+ § 4. Cumulatietoets in het kader van de SDE-subsidievaststelling
+ § 5. Uitvoering cumulatietoets
+ § 5*. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht