Let op. Deze wet is vervallen op 31 december 2004. U leest nu de tekst die gold op 30 december 2004.

Beleidsregels inzake toepassing Wet beheer rijkswaterstaatswerken met betrekking tot installaties in exclusieve economische zone

Uitgebreide informatie
Beleidsregels inzake toepassing Wet beheer rijkswaterstaatswerken met betrekking tot installaties in exclusieve economische zone
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de artikelen 2, 3 en 6 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en de artikelen 3:14, 4:2, tweede lid, en 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Artikel 1
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a. vergunning:
een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken;
b. installatie:
een werk, niet zijnde een kabel, een buisleiding, een schacht of een dijk;
c. wet:
de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ;
d. minister:
de Minister van Verkeer en Waterstaat.
1.
Deze beleidsregels betreffen de toepassing van de artikelen 2, 3 en 6 van de wet met betrekking tot installaties in de exclusieve economische zone.
2.
Deze beleidsregels zijn niet van toepassing met betrekking tot vergunningverlening uit hoofde van artikel II, tweede lid, van de wet van 15 november 2000, houdende uitbreiding van het toepassingsgebied van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken tot de exclusieve economische zone (Stb. 2000, 510) voor installaties die voor 6 december 2000 in de exclusieve economische zone zijn opgericht.
1.
Voor de beslissing op de aanvraag om vergunning voor het oprichten van een installatie zijn ten minste de volgende door de aanvrager te verschaffen gegevens en bescheiden nodig:
a. de coördinaten van de beoogde plaats van de installatie;
b. de aard en het ontwerp van de installatie;
c. gegevens over nut en noodzaak van het oprichten van de installatie in de Noordzee, tenzij uit een plan of gebiedsaanwijzing als bedoeld in artikel 4 blijkt dat een afweging van nut en noodzaak reeds heeft plaatsgevonden;
d. gegevens over de gevolgen voor rechtmatig gebruik van de zee door derden alsmede voor de natuur en het milieu;
e. een oprichtingsplan;
f. een constructieplan;
g. een onderhoudsplan;
h. een veiligheidsplan;
i. een verlichtingsplan;
j. een calamiteitenplan;
k. de beoogde gebruiksduur en
l. een verwijderingsplan.
2.
De beschikking inzake verlening van een aangevraagde vergunning wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstige toepassing van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer.
1.
Bij de voorbereiding en vaststelling van beschikkingen inzake het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning wordt rekening gehouden met de noodzaak van verzekering van doelmatig en veilig gebruik van de Noordzee door derden, alsmede de op de Noordzee betrekking hebbende plannen en gebiedsaanwijzingen op grond van de Wet op de waterhuishouding , de Wet op de Ruimtelijke Ordening , de Natuurbeschermingswet 1998 en de Wet milieubeheer .
2.
Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld in overeenstemming met de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, voorzover het aangelegenheden betreft die mede tot hun verantwoordelijkheid behoren.
3.
Tot een nader te bepalen tijdstip wordt geen vergunning verleend voor het oprichten van windturbines.
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 4 worden aan een vergunning, waar van toepassing, voorschriften verbonden van overeenkomstige strekking als het bepaalde bij en krachtens de hoofdstukken IV en VII van het Mijnreglement continentaal plat, alsmede artikel 3.24 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996.
2.
Bij het opnemen van een verwijderingsplicht als voorschrift bij een vergunning overeenkomstig artikel 68 van het Mijnreglement continentaal plat wordt bepaald dat de verplichting tot verwijdering ingaat bij het verstrijken van de door de minister vastgestelde gebruiksduur van de installatie.
1.
Aan een vergunning worden, onverminderd het bepaalde in artikel 5, de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van de natuur en het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de installatie voor de natuur en het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
2.
De minister beziet regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de in het eerste lid bedoelde voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van de natuur en het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de natuur en het milieu.
3.
De minister wijzigt de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voorzover blijkt dat de nadelige gevolgen die de installatie voor de natuur en het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van de natuur en het milieu verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van de natuur en het milieu, verder moeten worden beperkt.
1.
De minister stelt met toepassing van artikel 6 van de wet een veiligheidszone in rondom een installatie.
2.
De minister verbiedt de toegang tot de veiligheidszone aan een ieder die niet uit hoofde van zijn wettelijke taak dan wel een vergunningvoorschrift toegang moet hebben tot de zone.
3.
De buitengrens van de veiligheidszone wordt zodanig vastgesteld, dat elk punt daarvan zich op een afstand van ten hoogste 500 meter vanaf de installatie bevindt.
Artikel 8
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst.
Artikel 9
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken met betrekking tot installaties in de exclusieve economische zone.
Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Staatssecretaris
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Aanvraag vergunning en voorbereiding beschikking
+ Hoofdstuk 3. Beschikkingen inzake vergunningverlening
+ Hoofdstuk 4. Veiligheidszone
+ Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht