Let op. Deze wet is vervallen op 6 juni 2012. U leest nu de tekst die gold op 5 juni 2012.

Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012

Uitgebreide informatie
Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2011, Directie Kinderopvang, nr. KO/2011/22192, tot uitvoering van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen)
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 1.57a, eerste lid, en 2.13, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
Besluit:
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen ;
b. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;
c. buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, evenals gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties;
d. groep: een eenheid die bestaat uit een aantal kinderen met één of meer beroepskrachten;
e. stamgroep: een vaste groep kinderen in de dagopvang in een passend ingerichte vaste groepsruimte;
f. peuterspeelzaalgroep: een vaste groep kinderen met één of meer beroepskrachten in een passend ingerichte vaste groepsruimte;
g. stamgroepruimte: de ruimte waarin de kinderen in de dagopvang het grootste deel van de dag aanwezig zijn;
h. basisgroep: een vaste groep kinderen in de buitenschoolse opvang in een passend ingerichte ruimte;
i. risico-inventarisatie: de risico-inventarisatie, bedoeld in de artikelen 1.51 en 2.9 van de wet;
j. vraagouder: ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt door een gastouder;
k. bemiddelingsmedewerker: de medewerker die zich bezighoudt met de taken, bedoeld in de artikelen 12, 14 en 19 van deze beleidsregels;
l. opvangadres: het woonadres van de gastouder of het woonadres van een van de vraagouders waar de gastouderopvang plaatsvindt.
1.
Ter uitvoering van de artikelen 1.49, eerste lid, en 1.50 van de wet beschikt een kindercentrum over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
2.
Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen;
c. de (spel)activiteiten die kinderen buiten de stamgroep kunnen verrichten; en van
d. de wijze waarop beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen.
3.
Waar nodig wordt in een pedagogisch beleidsplan onderscheid gemaakt tussen dagopvang en buitenschoolse opvang.
4.
De houder en de personen werkzaam bij een kindercentrum handelen in de praktijk van dagopvang of buitenschoolse opvang naar het door de houder vastgestelde pedagogisch beleidsplan.
5.
Een pedagogisch beleidsplan wordt per kindercentrum voor de eerste maal vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de wet, wordt ingediend.
1.
Bij dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien verstande dat in een groep:
a. in de leeftijd tot één jaar gelijktijdig ten hoogste twaalf kinderen aanwezig zijn;
b. in de leeftijd tot en met drie jaar gelijktijdig ten hoogste zestien kinderen aanwezig zijn, waaronder ten hoogste acht kinderen in de leeftijd tot één jaar.
2.
De houder deelt de ouder en het kind mee tot welke stamgroep het kind behoort en welke beroepskrachten op welke dag aan welke groep zijn toegewezen.
3.
Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht werkzaam is in de groep van dat kind. Deze beroepskrachten zijn tevens aanspreekpunt voor de ouders van het kind.
4.
Een kind maakt gedurende de week gebruik van ten hoogste twee verschillende stamgroepruimtes.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing bij speciale activiteiten, beschreven in het pedagogisch beleidsplan.
6.
Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op kinderen die gebruik maken van opvang op dagen die per week verschillen.
7.
Bij dagopvang bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijke aanwezige kinderen ten minste:
a. één beroepskracht per vier kinderen in de leeftijd tot één jaar;
b. één beroepskracht per vijf kinderen in de leeftijd van één tot twee jaar;
c. één beroepskracht per zes kinderen in de leeftijd van twee tot drie jaar;
d. één beroepskracht per acht kinderen in de leeftijd van drie tot vier jaar.
8.
Het aantal beroepskrachten, bedoeld in het zevende lid, bij een gemengde leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van de voor de aanwezige leeftijdscategorieën geldende maximale aantallen kinderen, waarbij aan het eind van de berekening naar boven kan worden afgerond.
9.
Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het eerste lid niet van toepassing.
10.
Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden, kunnen, in afwijking van het zevende, achtste of negende lid, voor ten hoogste drie uren per dag, met uitzondering van de uren tussen 9.30 en 12.30 uur en 15.00 en 16.30 uur, minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het zevende of achtste lid, wordt ingezet. In de periode vóór 9.30 uur en na 16.30 uur kan de in de eerste volzin bedoelde afwijkende inzet van beroepskrachten ten hoogste anderhalf uur aaneengesloten bedragen en in de (pauze)periode tussen 12.30 uur en 15.00 uur, ten hoogste twee uren aaneengesloten en niet langer dan de duur van de middagpauze.
11.
Indien op grond van het tiende lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig te zijn.
12.
Indien op grond van het zevende of achtste lid slechts één beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten te zijn geregeld.
1.
Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in groepen, met dien verstande dat een basisgroep uit ten hoogste twintig kinderen bestaat in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een basisgroep, voor kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt, bestaan uit ten hoogste dertig kinderen.
3.
Bij buitenschoolse opvang bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijk aanwezige aantal kinderen ten minste één beroepskracht per tien kinderen.
4.
Bij buitenschoolse opvang voor kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt in een basisgroep met ten hoogste dertig kinderen, bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijke aantal aanwezige kinderen, in afwijking van het derde lid, ten minste twee beroepskrachten, waarbij de beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door een andere volwassene.
5.
Indien kinderen bij (spel)activiteiten de basisgroep verlaten, is het eerste of tweede lid niet van toepassing.
6.
Bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen, besteedt de houder in het pedagogisch beleidsplan aantoonbaar extra aandacht aan de omgang met de basisgroep.
7.
In afwijking van het derde of vierde lid kunnen voor en na de dagelijkse schooltijd alsmede gedurende vrije middagen voor ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal beroepskrachten wordt ingezet. Op vrije dagen of tijdens de schoolvakanties kan, indien per dag ten minste tien aaneengesloten uren buitenschoolse opvang wordt geboden, de in de vorige volzin bedoelde afwijkende inzet van beroepskrachten ten hoogste drie uur bedragen, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal op grond van het derde of vierde lid vereiste beroepskrachten wordt ingezet en de afwijkende inzet niet plaatsvindt tussen 9.30 uur en 12.30 uur en 15.00 uur en 16.30 uur. Artikel 3, tiende lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
8.
Indien op grond van het zevende lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig te zijn.
9.
Indien ingevolge het derde of vierde lid slechts één beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten te zijn geregeld.
1.
Bij dagopvang beschikt elke stamgroep over afzonderlijke vaste groepsruimte van per kind minimaal 3,5 m 2 bruto-oppervlakte passend ingerichte speelruimte, daaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte.
2.
Voor de buitenschoolse opvang is per kind ten minste 3,5 m 2 bruto-oppervlakte passend ingerichte (speel)ruimte beschikbaar.
3.
Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.
Artikel 6. Slaapruimten voor kinderen
Een kindercentrum, waar dagopvang wordt geboden, beschikt voor kinderen tot de leeftijd van 1,5 jaar over op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte.
1.
Voor dagopvang beschikt een kindercentrum over aangrenzende, voor kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de oppervlakte ten minste 3 m 2 bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt.
2.
Voor buitenschoolse opvang beschikt een kindercentrum over voor kinderen veilige en toegankelijke, vaste en op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum, waarvan de oppervlakte ten minste 3 m 2 bruto oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt. In het geval een buitenspeelruimte niet aangrenzend is, is deze gelegen in de directe nabijheid van een kindercentrum en voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar.
1.
Een risico-inventarisatie als bedoeld in artikel 1.51 van de wet bevat:
a. een beschrijving van de veiligheids- en gezondheidsrisico's die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in een kindercentrum, daaronder mede begrepen de buitenspeelruimte, met zich brengt;
b. een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen en binnen welke termijn deze maatregelen zijn respectievelijk worden genomen in verband de onder a bedoelde risico's en de samenhang daartussen.
2.
De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid, onder a, beschrijft op het terrein van de veiligheid van kinderen in ieder geval de risico's ten aanzien van verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden.
3.
De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid, onder a, beschrijft op het terrein van gezondheid van kinderen in ieder geval de risico's ten aanzien van het voorkomen van ziektekiemen, het binnenmilieu in een kindercentrum, het buitenmilieu bij een kindercentrum en medisch handelen.
4.
Een risico-inventarisatie ten aanzien van de veiligheid van de op te vangen kinderen bevat tevens een lijst van ongevallen waarop de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd, alsmede een overzicht van de maatregelen die de houder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
5.
De houder zorgt er voor dat personen werkzaam bij een kindercentrum kennis kunnen nemen van de voor dat centrum vastgestelde risico-inventarisatie.
6.
De houder stelt voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de wet, wordt ingediend en daarna jaarlijks voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum een risico-inventarisatie op. Onverminderd de eerste volzin stelt de houder een risico-inventarisatie op ingeval van een ingrijpende verbouwing of gewijzigd gebruik van een door hem geëxploiteerd kindercentrum.
1.
Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang.
2.
De inzet van beroepskrachten in opleiding geschiedt overeenkomstig de voorwaarden van de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang.
1.
Personen als bedoeld in artikel 1.50, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag of afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens , voor zover zij als houder, als bestuurder, als stagiair, als werknemer krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of als vrijwilliger structureel werkzaam bij een kindercentrum zijn.
2.
Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij een kindercentrum werkzaam is.
3.
Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 1.50, derde lid, van de wet de eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een kindercentrum aanvangt.
4.
In afwijking van hetgeen omtrent stagiaires in het eerste lid is geregeld geldt tot 1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een kindercentrum, in het bezit zijn van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat voor hen bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring is aangevraagd.
1.
De houder hanteert voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum een meldcode kindermishandeling. In deze meldcode is opgenomen:
a. een definitie van kindermishandeling als bedoeld in de Wet op de Jeugdzorg ;
b. een duidelijke uitsplitsing van verantwoordelijkheden per organisatielaag in taken en bevoegdheden;
c. een duidelijk stappenplan dat ten minste ingaat op de te onderscheiden stappen vermoeden, overleg, plan van aanpak, beslissen, handelen, evaluatie, nazorg en dat is voorzien van een heldere toelichting en een tijdslijn;
d. aandachtspunten voor de gesprekvoering met verschillende partijen en hulpmiddelen voor het doorlopen van het stappenplan;
e. een lijst van signalen per ontwikkelingsgebied uitgesplitst voor kinderen in de leeftijd tot vier jaar en kinderen in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt;
f. praktische informatie over de Bureaus Jeugdzorg en het Advies & Meldpunt Kindermishandeling (AMK).
2.
In de meldcode wordt aandacht besteed aan:
a. de mogelijke situatie waarin een beroepskracht of een andere, bij het kindercentrum werkzame, persoon de vermoedelijke dader is;
b. de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens .
3.
De houder zorgt ervoor dat de beroepskrachten op de hoogte zijn van de meldcode kindermishandeling.
1.
Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, van de wet beschikt een gastouderbureau over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven. Het pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de wet, wordt ingediend.
2.
Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de samenstelling van het aantal kinderen dat door een gastouder wordt opgevangen, met dien verstande, dat een gastouder ten hoogste zes kinderen opvangt, waaronder begrepen de eigen kinderen tot de leeftijd van 10 jaar;
c. de eisen die aan de opvangadres worden gesteld, welke in elk geval overeenkomen met de eisen, bedoeld in artikel 17.
3.
De in het tweede lid, onder c, bedoelde eisen worden jaarlijks door de houder getoetst op naleving tijdens een bezoek op het opvangadres.
4.
Het gastouderbureau informeert de vraagouder over de inhoud van het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in het eerste lid.
1.
Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, van de wet voert de houder van een gastouderbureau een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het opvangadres door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.
2.
De houder van een gastouderbureau legt voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de wet, wordt ingediend en daarna jaarlijks in een risico-inventarisatie vast welke veiligheids- en gezondheidsrisico’s de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes met zich meebrengt. Dit gebeurt samen met de gastouder. Daartoe draagt de houder van een gastouderbureau er zorg voor dat elke ruimte op het opvangadres ten minste één keer per jaar wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het gastouderbureau.
3.
De administratie van het gastouderbureau bevat een door de bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekend origineel van de risico-inventarisatie, bedoeld in het tweede lid.
4.
Op het opvangadres wordt door de houder van een gastouderbureau in een samen met de gastouder opgesteld plan van aanpak aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden genomen in verband met de in het tweede lid bedoelde risico’s.
5.
De risico-inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, is tevens inzichtelijk voor de vraagouders.
6.
Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de in het tweede lid bedoelde risico-inventarisatie.
1.
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat per gastouder wordt beoordeeld of de samenstelling van de groep kinderen die wordt opgevangen, bedoeld in artikel 18 verantwoord is.
2.
Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
1°. Het intakegesprek, bedoeld in artikel 14, vijfde lid;
2°. Werving van de gastouder;
3°. Het intakegesprek, bedoeld in artikel 14, eerste lid;
4°. Scholing en begeleiding van de gastouder;
5°. Het begeleiden van de GGD-toetsing;
6°. De koppeling van gastouder en vraagouder;
7°. Het koppelingsgesprek, bedoeld in artikel 14, tweede lid;
8°. Het evaluatiegesprek, bedoeld in artikel 14, vierde lid;
9°. Vraagbaak voor gastouders;
10°. De bezoeken, bedoeld in artikel 14, zesde lid;
11°. Interne/externe opleiding/training; en
12°. Intern en extern overleg op het gebied van begeleiding en bemiddeling.
3.
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat het gastouderbureau goed bereikbaar is voor de vraag- en de gastouder en informeert deze hierover.
4.
Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, gelden de eisen voortvloeiende uit artikel 1.56, derde lid, van de wet de eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een gastouderbureau aanvangt.
5.
Stagiaires dienen in het bezit te zijn van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 10. In afwijking hiervan geldt tot 1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een gastouderbureau, in het bezit zijn van een dergelijke verklaring, dan wel dat voor hen bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring is aangevraagd.
1.
Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat een intakegesprek met de gastouder plaatsvindt op het opvangadres. De intake bij gastouder wordt persoonlijk uitgevoerd door de bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau.
2.
De houder van een gastouderbureau draagt er zorgt voor dat een koppelingsgesprek plaatsvindt bij elke nieuwe koppeling tussen een vraag- en een gastouder. Het koppelingsgesprek vindt plaats op het opvangadres door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het gastouderbureau.
3.
Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat tenminste jaarlijks een voortgangsgesprek met de gastouder op het opvangadres plaatsvindt. Dit gesprek wordt gevoerd door de bemiddelingsmedewerker.
4.
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat jaarlijks mondeling de gastouderopvang met de vraagouders wordt geëvalueerd en legt deze schriftelijk vast.
5.
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat een intakegesprek met de vraagouder plaatsvindt.
6.
Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat een bemiddelingsmedewerker in ieder geval twee maal per jaar het opvangadres bezoekt.
Artikel 15. Protocol kindermishandeling
Artikel 10a is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘een beroepskracht of een andere, bij het kindercentrum werkzame persoon’ wordt gelezen: een persoon, werkzaam bij het gastouderbureau, een gastouder of een volwassen huisgenoot van de gastouder.
Artikel 16. Kwaliteitseisen gastouder
De gastouder voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
a. goed telefonisch bereikbaar;
b. een goede achterwachtregeling bij de opvang van meer dan drie aanwezige kinderen. Deze achterwacht is beschikbaar en bij calamiteiten binnen aanrijtijd van een ambulance bij het opvangadres aanwezig. Deze persoon is tijdens opvangtijden altijd telefonisch bereikbaar;
c. handelt in de praktijk naar het door de houder van het gastouderbureau vastgesteld pedagogisch beleidsplan.
1.
Het opvangadres:
1°. beschikt over voldoende speel- en slaapruimte voor kinderen, waaronder begrepen een voor kinderen tot de leeftijd van 1,5 jaar op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte;
2°. beschikt over voldoende buitenspeelmogelijkheden, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen; en
3°. is voorzien van voldoende en goed functionerende rookmelders conform de eisen uit het Bouwbesluit 2003 .
2.
De gehele woning waar de opvang plaatsvindt is te allen tijde rookvrij.
1.
Bij een gastouder worden maximaal vijf kinderen gelijktijdig opgevangen, als de kinderen (op te vangen én eigen kinderen) allemaal jonger zijn dan 4 jaar.
2.
Bij een gastouder worden maximaal zes kinderen gelijktijdig opgevangen, als de op te vangen kinderen in de leeftijd van 0 tot 13 jaar zijn. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend.
3.
In de groep, bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen maximaal 4 kinderen van 0 en 1 jaar aanwezig zijn, waarvan maximaal 2 kinderen van 0 jaar.
1.
Er is een originele door de bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekende versie van de in artikel 12 bedoelde risico-inventarisatie aanwezig op het opvangadres. Deze risico-inventarisatie is beschikbaar vóór aanvang van de opvang en wordt daarna jaarlijks opnieuw opgesteld. Deze risico-inventarisatie is in samenwerking met een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau opgesteld.
2.
Ter uitvoering van artikel 1.49, tweede lid, van de wet voert de gastouder een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het opvangadres door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.
3.
De gastouder draagt er zorg voor dat de maatregelen ten aanzien van het opvangadres, bedoeld in artikel 17 binnen de gestelde termijn zijn, respectievelijk worden genomen in verband met de in artikel 12, tweede lid, bedoelde risico’s.
4.
Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de in het tweede lid bedoelde risico-inventarisatie.
5.
Er is een lijst van ongevallen waarop de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd. Alsmede een overzicht van de maatregelen die de gastouder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
1.
Ter uitvoering van de artikelen 2.5, 2.6 en 2.9 van de wet beschikt een houder van een peuterspeelzaal over een pedagogisch beleidsplan waarin de voor die peuterspeelzaal kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
2.
Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de peuterspeelzaalgroep;
c. de (spel)activiteiten waarbij kinderen hun peuterspeelzaalgroep dan wel de peuterspeelzaalgroepsruimte verlaten;
d. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bij hun werkzaamheden met kinderen worden ondersteund door andere niet structureel ingezette personen;
e. de wijze waarop de achterwacht geregeld is in het geval er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op de locatie;
f. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar passende instanties die hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden, en
g. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal worden toegerust voor deze taak en op welke wijze zij daarbij worden ondersteund.
3.
De houder van een peuterspeelzaal en de personen werkzaam bij een peuterspeelzaal handelen in de praktijk van de opvang naar het pedagogisch beleidsplan.
4.
Een pedagogisch beleidsplan wordt per peuterspeelzaal voor de eerste maal vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, wordt ingediend.
Artikel 21. Achterwachtregeling
Elke houder van een peuterspeelzaal heeft een achterwachtregeling. Deze houdt in dat zodra er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op het moment dat er kinderen aanwezig zijn in de peuterspeelzaal, er een volwassen achterwacht beschikbaar is, die in geval van calamiteiten binnen ambulance-aanrijtijden in de peuterspeelzaal aanwezig kan zijn. De houder van een peuterspeelzaal maakt inzichtelijk wie deze persoon is en waar deze telefonisch te bereiken is.
Artikel 22. Veiligheid en gezondheid
Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op peuterspeelzalen, met dien verstande dat voor ‘ artikel 1.51’ wordt gelezen: artikel 2.9 van de wet.
1.
In een peuterspeelzaal vindt de opvang plaats in groepen, met dien verstande dat in een peuterspeelzaalgroep ten hoogste zestien kinderen gelijktijdig aanwezig zijn.
2.
De houder van een peuterspeelzaal deelt de ouder en het kind mee tot welke peuterspeelzaalgroep het kind behoort en welke beroepskrachten op welke dag voor welke peuterspeelzaalgroep verantwoordelijk zijn en welke vrijwilligers op deze dag aanwezig zijn.
3.
Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten in een peuterspeelzaal toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht in een peuterspeelzaal werkzaam is in de peuterspeelzaalgroep van dat kind. Deze beroepskrachten zijn tevens aanspreekpunt voor de ouders van het kind.
4.
In een peuterspeelzaalgroep is ten minste één beroepskracht aanwezig.
5.
Bij werk in een peuterspeelzaalgroep met meer dan acht feitelijk aanwezige kinderen, doch ten hoogste zestien feitelijk aanwezige kinderen, zijn er twee beroepskrachten of een beroepskracht en een vrijwilliger aanwezig.
1.
Beroepskrachten in een peuterspeelzaal beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening.
2.
De houder van een peuterspeelzaal informeert ouders over het aantal, de inzet en de opleiding van het personeel voor zover de ouder dat nodig heeft om een goede keuze te kunnen maken voor een peuterspeelzaal.
1.
Personen als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag , voor zover zij als houder van een peuterspeelzaal, als bestuurder, als stagiair, als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of als vrijwilliger structureel in de peuterspeelzaal werkzaam zijn.
2.
Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij een peuterspeelzaal werkzaam is.
3.
Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 2.6, derde lid, van de wet de eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een peuterspeelzaal aanvangt.
4.
In afwijking van hetgeen omtrent stagiaires in het eerste lid is geregeld geldt tot 1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een peuterspeelzaal, in het bezit zijn van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat voor hen bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring is aangevraagd.
Artikel 26. Protocol kindermishandeling
Artikel 10a is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien er vrijwilligers op de peuterspeelzaal werkzaam zijn, voert de houder van een peuterspeelzaal vrijwilligersbeleid, dat tot uitdrukking komt in een beleidsplan. In dit beleidsplan staan in ieder geval:
a. de minimumeisen waar een op de peuterspeelzaal werkzame vrijwilliger aan dient te voldoen;
b. de afspraken die de houder van een peuterspeelzaal met vrijwilligers maakt, en
c. de taakomschrijvingen waarin wordt omschreven welke bijdrage aan het werk in de peuterspeelzaal van de vrijwilligers wordt verwacht en op welke wijze deze samenhangt met het pedagogisch beleid.
2.
Indien er vrijwilligers op een peuterspeelzaal werkzaam zijn, draagt de houder van een peuterspeelzaal er zorg voor dat deze vrijwilligers tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd zijn.
Artikel 28
De Beleidsregels kwaliteit kinderopvang van 10 november 2004 worden ingetrokken.
Artikel 29. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
Artikel 30. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 8 december 2011
De
Minister
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Algemeen
+ Paragraaf 2. Kwaliteit kindercentra
+ Paragraaf 3. Kwaliteit gastouderbureaus en gastouderopvang
+ Paragraaf 4. Kwaliteit gastouders
+ Paragraaf 5. Kwaliteit peuterspeelzalen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht