Let op. Deze wet is vervallen op 25 mei 2016. U leest nu de tekst die gold op 24 mei 2016.

Beleidsregels verlagen subsidie Plattelandsontwikkelingsprogramma

Uitgebreide informatie
Beleidsregels verlagen subsidie Plattelandsontwikkelingsprogramma
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op artikel 48, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1750/1999 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake de steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (PBEG L 214);
Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluiten:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. ministers:
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of de Minister van Verkeer en Waterstaat,
b. Awb:
de Algemene wet bestuursrecht ,
c. verordening 2419/2001:
Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 december 2001 inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PbEG L 327),
d. plattelandsontwikkelingsprogramma:
het programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling voor Nederland met betrekking tot de programmeringsperiode 2000-2006, zoals goedgekeurd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij beschikking C(2000) 2751 def. van 28 september 2000, inclusief de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurde wijzigingen van dit programmeringsdocument,
e. POP-regeling:
door een of meer ministers ter uitvoering of mede ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma vastgestelde ministeriële regeling, voorzover deze strekt tot uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma,
f. beheerjaar:
zesde deel van een tijdvak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel t, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, zoals deze luidde op 31 december 2006, waarbij een eerste beheerjaar van een tijdvak aanvangt aan het begin van het tijdvak en de volgende beheerjaren aanvangen direct na afloop van een vorig beheerjaar.
1.
Dit besluit bevat beleidsregels die de ministers en gedeputeerde staten toepassen bij
a. het lager vaststellen van de subsidie op grond van artikel 4:46, tweede lid, Awb,
b. het intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigingen van de subsidieverlening op grond van artikel 4:48, eerste lid, Awb, en
c. het intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigingen van de subsidievaststelling op grond van artikel 4:49, eerste lid, Awb
indien subsidieverplichtingen in POP-regelingen of subsidieverplichtingen die in het kader van POP-regelingen door het bevoegde bestuursorgaan zijn opgelegd, niet worden nageleefd.
2.
De beleidsregels, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing voorzover op de gevolgen van het niet naleven van een subsidieverplichting als bedoeld in het eerste lid voor de subsidie, de subsidieverlening of de subsidievaststelling
a. andere wet- of regelgeving dan de Awb ,
b. de artikelen 30, 31 en 32 van verordening 2419/2001, of
c. de artikelen 36, 38, 39, 40, 41 en 42 van verordening 2419/2001
van toepassing zijn.
Artikel 3
Indien aan de administratie van de subsidieontvanger in een POP-regeling of in het kader van de POP-regeling bepaalde eisen zijn gesteld en bij een administratieve of fysieke controle blijkt dat aan deze eisen niet wordt voldaan
a. wordt de subsidieverlening of -vaststelling ingetrokken indien, doordat deze administratie niet aan de gestelde eisen voldoet, niet kan worden vastgesteld of de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit heeft of activiteiten hebben plaatsgevonden,
b. wordt, behoudens overmacht, de subsidie 10% lager vastgesteld of overeenkomstig ten nadele van de ontvanger gewijzigd indien, ondanks het niet voldoen van de administratie aan de gestelde eisen, kan worden vastgesteld of de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit heeft of activiteiten hebben plaatsgevonden.
Artikel 4
Indien de subsidieontvanger overeenkomstig een POP-regeling of in het kader van een POP-regeling verplicht is bepaalde documenten gedurende een bepaalde periode te bewaren en bij een administratieve of fysieke controle blijkt dat een of meer van deze documenten ontbreken in deze periode
a. wordt de subsidieverlening of -vaststelling ingetrokken indien door het ontbreken van deze documenten niet kan worden vastgesteld of de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit heeft of activiteiten hebben plaatsgevonden,
b. wordt behoudens overmacht de subsidie 10% lager vastgesteld of overeenkomstig ten nadele van de ontvanger gewijzigd indien, ondanks het ontbreken van documenten, kan worden vastgesteld of de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit heeft of activiteiten hebben plaatsgevonden.
Artikel 5
Indien de subsidieontvanger verplicht is bepaalde gegevens te melden en deze gegevens worden niet of niet tijdig gemeld
a. wordt de subsidieverlening of -vaststelling ingetrokken indien door het ontbreken van gegevens die moeten worden gemeld niet kan worden vastgesteld of de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit heeft of activiteiten hebben plaatsgevonden,
b. wordt de subsidie 10% lager vastgesteld of overeenkomstig ten nadele van de ontvanger gewijzigd indien, ondanks het ontbreken van bepaalde gegevens die niet of niet tijdig zijn gemeld en waarover de subsidieontvanger de beschikking heeft, de beschikking kan hebben of de beschikking zou moeten hebben, kan worden vastgesteld of de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit heeft of activiteiten hebben plaatsgevonden.
Artikel 6
Indien de subsidieontvanger overeenkomstig een POP-regeling of in het kader van een POP-regeling verplicht is fysieke en administratieve controles toe te laten van aangewezen toezichthouders of bevoegde controleurs en door toedoen van de subsidieontvanger of zijn vertegenwoordiger kunnen een of meer controles niet plaatsvinden, wordt, behoudens overmacht, de subsidieverlening of -vaststelling ingetrokken.
Artikel 7
Het te laat indienen van een aanvraag voor een voorschot leidt tot een verlaging van het voorschot waarop de aanvraag betrekking heeft met 0,5% per werkdag ten opzichte van het voorschot waarop de subsidieontvanger recht zou hebben indien hij de aanvraag voor het voorschot tijdig had ingediend. Indien een aanvraag voor een voorschot meer dan 25 dagen te laat wordt ingediend wordt deze aanvraag niet in behandeling genomen.
1.
Behoudens overmacht leidt het te laat indienen van een aanvraag voor de vaststelling van een subsidie tot een verlaging van de subsidie waarop de aanvraag betrekking heeft met 0,5% per werkdag ten opzichte van de subsidie waarop de subsidieontvanger recht zou hebben indien hij de aanvraag voor de vaststelling van de subsidie tijdig had ingediend. Indien een aanvraag voor de vaststelling van een subsidie meer dan 25 dagen te laat wordt ingediend wordt de subsidieverlening ingetrokken.
2.
In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, leidt het te laat indienen van een aanvraag tot vaststelling van een beheerssubsidie of landschapssubsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zoals deze luidden tot 31 december 2006, tot een verlaging van de subsidie waarop de aanvraag betrekking heeft met 0,5% per werkdag ten opzichte van het bedrag aan subsidie dat betrekking heeft op activiteiten van het laatste beheerjaar van het tijdvak waarvoor de subsidie wordt vastgesteld.
3.
In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, leidt het meer dan 25 dagen te laat indienen van een aanvraag tot vaststelling van een beheerssubsidie of landschapssubsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zoals deze luidden tot 31 december 2006, tot een verlaging van de subsidie met het bedrag aan subsidie dat betrekking heeft op activiteiten van het laatste beheerjaar van het tijdvak waarvoor de subsidie wordt vastgesteld.
1.
Indien -
de aanvrager van een voorschot niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en-
de aanvrager van het voorschot in de gelegenheid is gesteld binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen,-
leidt het aanvullen van de aanvraag na het verstrijken van deze termijn op een wijze dat-
wordt voldaan aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of-
de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag
tot een verlaging van het voorschot waarop de aanvraag betrekking heeft met 0,5% per werkdag ten opzichte van het voorschot waarop de subsidieontvanger recht zou hebben gehad indien hij zou hebben voldaan aan de wettelijk voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende zouden zijn geweest voor de beoordeling van de aanvraag.
2.
Indien het aanvullen van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet heeft plaatsgevonden binnen 25 dagen na afloop van de door het bestuursorgaan gestelde termijn, wordt deze aanvraag niet in behandeling genomen.
1.
Indien -
de aanvrager van een subsidievaststelling niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en-
de aanvrager van de subsidievaststelling in de gelegenheid is gesteld binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen,
leidt het aanvullen van de aanvraag na het verstrijken van deze termijn op een wijze dat-
wordt voldaan aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of-
de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag
tot een verlaging van de subsidie waarop de aanvraag betrekking heeft met 0,5% per werkdag ten opzichte van de subsidie waarop de subsidieontvanger recht zou hebben gehad indien hij zou hebben voldaan aan de wettelijk voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende zouden zijn geweest voor de beoordeling van de aanvraag.
2.
Indien het aanvullen van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet heeft plaatsgevonden binnen 25 dagen na het verstrijken van de door het bestuursorgaan gestelde termijn, wordt, behoudens overmacht, de subsidie 10% lager vastgesteld of overeenkomstig ten nadele van de ontvanger gewijzigd indien, ondanks het achterwege blijven van deze aanvulling, kan worden vastgesteld of de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit heeft of activiteiten hebben plaatsgevonden.
1.
Indien een ontvanger van een beheerssubsidie of landschapssubsidie, welke is verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zoals deze luidde tot 31 december 2006, overeenkomstig die regeling of in het kader van die regeling verplicht is te voldoen aan de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne, en bij een controle blijkt dat aan één of meerdere van deze eisen niet wordt voldaan, wordt, behoudens overmacht, de vast te stellen subsidie verlaagd overeenkomstig de onderstaande leden of wordt de subsidievaststelling overeenkomstig ten nadele van de ontvanger gewijzigd.
2.
De verlaging, bedoeld in het eerste lid, is de som van de bedragen van de onderscheiden verlagingen per beheerjaar, waarbij:
a. de verlaging voor beheerjaren die eindigen voor 1 januari 2010 wordt berekend overeenkomstig de artikelen 11 en 14, zoals deze luidden tot 31 december 2009;
b. de verlaging voor beheerjaren die eindigen op of na 1 januari 2010 wordt berekend overeenkomstig het derde tot en met zevende lid.
3.
Per beheerjaar wordt de verlaging als volgt berekend:
a. de nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne, genoemd in bijlage 1 , zijn in die bijlage ingedeeld in de beleidsterreinen milieu, gezondheid of dierenwelzijn;
b. voor de vaststelling van het kortingspercentage voor een beheerjaar zijn relevant de geconstateerde overtredingen van de normen, genoemd in bijlage I , begaan in dat jaar;
c. per beleidsterrein wordt overeenkomstig bijlage 2 een kortingspercentage bepaald op basis van het aantal geconstateerde overtredingen per beleidsterrein in dat betreffende beheerjaar;
d. het totale kortingspercentage dat behoort bij het beheerjaar komt overeen met de som van de kortingspercentages per beleidsterrein voor dat jaar, met dien verstande dat als de uitkomst van de som hoger is dan 5%, het totale kortingspercentage 5 bedraagt;
e. indien een geconstateerde overtredingen een herhaalde overtreding of een opzettelijke overtreding betreft, wordt deze overtreding in afwijking van de onderdelen a tot en met c, niet meegenomen in het op basis van die onderdelen te bepalen kortingspercentage, en wordt het overeenkomstig de onderdelen a tot en met c, voor dat jaar vastgestelde kortingspercentage verhoogd met 5% per herhaalde overtreding of opzettelijke overtreding waarbij het maximale kortingspercentage voor een beheerjaar 100% bedraagt;
f. de verlaging bedraagt het ingevolge de voorgaande onderdelen vastgestelde percentage van het bedrag aan subsidie dat op grond van de beschikking tot subsidieverlening behoort bij het beheerjaar.
4.
Indien een overtreding zowel een herhaalde overtreding als een opzettelijke overtreding is, wordt die overtreding voor de toepassing van het derde lid, onderdeel e, enkel beschouwd als een opzettelijke overtreding.
5.
Onder herhaalde overtreding wordt verstaan een meer dan eenmaal binnen een periode van drie opeenvolgende jaren door een bevoegde toezichthoudende ambtenaar geconstateerde en al dan niet geverbaliseerde overtreding van eenzelfde norm.
6.
Bij de beoordeling of er sprake is van een opzettelijke overtreding is artikel 8, tweede lid, van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB van overeenkomstige toepassing.
7.
Voor de toepassing van dit artikel zijn enkel overtredingen na indiening van de aanvraag tot subsidieverlening relevant.
1.
Indien de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit voor meer dan 20% niet is gerealiseerd of teniet wordt gedaan wordt de subsidieverlening of -vaststelling ingetrokken.
2.
Indien de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit voor minder dan 20% maar voor meer dan 10% niet is gerealiseerd of teniet wordt gedaan wordt de subsidie lager vastgesteld met twee maal het percentage waarmee de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit niet is gerealiseerd of teniet is gedaan of wordt de subsidievaststelling overeenkomstig ten nadele van de subsidieontvanger gewijzigd.
3.
Indien de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit voor minder dan 10% niet is gerealiseerd of teniet wordt gedaan wordt de subsidie lager vastgesteld met het percentage waarmee de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit niet is gerealiseerd of wordt de subsidievaststelling overeenkomstig ten nadele van de subsidieontvanger gewijzigd.
Artikel 13
Indien de subsidieontvanger verplicht is werkzaamheden ter realisering van de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit of activiteiten voor een bepaald tijdstip aan te vangen of te doen aanvangen, leidt, behoudens overmacht, het na dit tijdstip aanvangen van deze werkzaamheden tot een verlaging van de subsidie waarop de aanvraag betrekking heeft met 0,5% per werkdag ten opzichte van de subsidie waarop de subsidieontvanger recht zou hebben indien hij tijdig een aanvang met de werkzaamheden had gemaakt. Indien de werkzaamheden ter realisering van de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit meer dan 25 dagen na het bovengenoemde tijdstip aanvangen, wordt de subsidieverlening of -vaststelling ingetrokken.
Artikel 15
Elke keer dat de in de artikelen 3 tot en met 6, 8 en 10 tot en met 13 genoemde verplichtingen niet worden nagekomen leidt dit tot het overeenkomstig deze artikelen toepassen van-
een verlaging van de subsidie of het bedrag aan subsidie dat betrekking heeft op de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit of activiteiten in een jaar, of-
tot een overeenkomstig wijziging van de subsidieverlening of de subsidievaststelling ten nadele van de subsidieontvanger.
Artikel 16
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels verlagen subsidie Plattelandsontwikkelingsprogramma.
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2002.
Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Minister
De
Staatssecretaris
De van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,
Minister
voor deze,
de
directeur-generaal
De
Staatssecretaris
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken