Let op. Deze wet is vervallen op 1 oktober 2010. U leest nu de tekst die gold op 30 september 2010.

Beleidsregels VOG-NP-RP 2008

Uitgebreide informatie
Beleidsregels 2008 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een verklaring omtrent het gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen
De Minister van Justitie,
gelet op de artikelen 28 tot en met 39 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, dat de Beleidsregels 2004 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een verklaring omtrent het gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen, vastgesteld bij besluit van 15 maart 2004 worden ingetrokken en vervangen door onderstaande beleidsregels;
Besluit:

Paragraaf 1. Inleiding

Het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) geeft op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) verklaringen omtrent het gedrag (VOG) af aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Deze beleidsregels zien op de inhoudelijke afweging en de administratieve procedure rondom de VOG.
Bij een VOG-aanvraag wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon en zijn bestuurders. Daarbij wordt het belang van betrokkene afgewogen tegen het risico voor de samenleving in het licht van het doel van de aanvraag. Naar aanleiding hiervan wordt verklaard of al dan niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. Deze beleidsregels zijn van toepassing op de aanvragen voor zowel de VOG natuurlijke personen (VOG-NP) als de VOG rechtspersonen (VOG-RP), tenzij anders is aangegeven.
Achtereenvolgens worden behandeld:
2. De ontvankelijkheid van de aanvraag voor een VOG-NP en een VOG-RP;
3. De beoordeling van de aanvraag ( paragraaf 3.);
3.1 Terugkijktermijn
3.1.1. Periode terugkijktermijn
3.1.2. Uitgangspunt terugkijktermijn
3.2. Het objectieve criterium
3.2.1. Justitiële gegevens
3.2.2. Indien herhaald
3.2.3. Risico voor de samenleving
3.2.4. Belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden
3.3. Het Subjectieve criterium
3.3.1. Advies burgemeester
3.3.2. Subjectieve criterium
3.3.3. Subjectieve criterium – zedendelicten/gezags- of afhankelijkheidsrelatie
3.4. Weigering VOG buiten beoordelingskader
4. Administratieve afhandeling VOG
4.1. Indienen van een aanvraag voor een VOG
4.2. Afhandeling van aanvragen voor een VOG
4.3. Afhandeling van spoedaanvragen voor een VOG
4.4. Wijzigingen van gegevens in de aanvraagformulieren VOG
5. Inwerkingtreding en citeertitel

Paragraaf 2. Ontvankelijkheid van de aanvraag

Het COVOG toetst of een aanvraag voor een VOG ontvankelijk is. Hierbij wordt getoetst of een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager noodzakelijk is om, gelet op het doel van de aanvraag, een risico voor de samenleving te beperken.
De aanvraag voor een VOG is ontvankelijk wanneer de VOG wettelijk verplicht is.
Daarnaast is de aanvraag voor een VOG-NP in elk geval ontvankelijk wanneer deze wordt aangevraagd voor het aangaan dan wel bestendigen van een werkrelatie. Onder een werkrelatie wordt mede verstaan het verrichten van werkzaamheden voor een vereniging of een vrijwilligersorganisatie.
De aanvraag voor een VOG-RP is ontvankelijk indien deze wordt aangevraagd in verband met het aangaan van een zakelijke overeenkomst, contract of aanbesteding dan wel voor het aansluiten bij of lid worden van een brancheorganisatie, vereniging of stichting.
Indien een aanvraag ziet op een doel en/of belanghebbende derde in het buitenland, wordt een aanvraag voor een VOG-NP of VOG-RP alleen dan in behandeling genomen indien de verklaring in een buitenlandse wet als vereiste is opgenomen, ten behoeve van een in die wet duidelijk omschreven doel. De aanvrager dient dit wettelijke vereiste aan te tonen en indien mogelijk het in het betreffende land gehanteerde screeningsprofiel bij te voegen. Indien er geen buitenlands screeningsprofiel bestaat wordt aangesloten bij een vergelijkbaar Nederlands screeningsprofiel.
Een aanvraag voor een VOG-NP of VOG-RP is niet ontvankelijk wanneer:
een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager kennelijk niet noodzakelijk is om, gelet op het doel van de aanvraag, een risico voor de samenleving te beperken;
er geen aanwijsbare belanghebbende derde is;
de te beschermen belangen van privé-aard zijn.

Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag

Bij de beoordeling van de aanvraag wordt in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn.
Aan de aanvrager die in het geheel niet voorkomt in de justitiële documentatie wordt zonder meer een VOG afgegeven.
Wanneer de aanvrager wel voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Paragraaf 3.1. Terugkijktermijn

Voor de terugkijktermijn zijn van belang:
de periode waarover wordt teruggekeken en
het uitgangspunt bij deze termijn.

Paragraaf 3.1.1. Periode terugkijktermijn

In beginsel vindt beoordeling plaats op grond van de justitiële gegevens die voorkomen in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag.
Indien in de voor de aanvraag relevante terugkijktermijn justitiële gegevens zijn aangetroffen, beoordeelt het COVOG alle voor de aanvraag relevante gegevens uit de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag.
Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt afgeweken wanneer:
het justitiële gegevens over zeden betreft zoals opgenomen in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht;
de aanvraag voor de VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen;
de aanvraag voor een VOG ziet op een functie met hoge integriteiteisen;
de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante termijn enige tijd in de detentie heeft doorgebracht dan wel een vrijheidsbeperkende maatregel heeft ondergaan.Artikelen 240b tot en met 250 Wetboek van Strafrecht
Er geldt een afwijkende terugkijktermijn voor justitiële gegevens betreffende de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van deze zedendelicten wordt de gehele justitiële documentatie van de aanvrager zonder enige tijdsbeperking bekeken.Afwijkende termijn in bijzondere wet of regeling
Indien de aanvraag voor de VOG samenhangt met een bijzondere wet- of regeling waarin een andere termijn is opgenomen wordt aangesloten bij de in de desbetreffende wet- of regeling opgenomen termijn.Functie met hoge integriteitseisen
Ook geldt een afwijkende terugkijktermijn voor functies met bijzondere integriteitseisen, zoals voor tolken en vertalers.Tijd in gevangenschap doorgebracht
Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante termijn enige tijd in de detentie heeft doorgebracht dan wel een vrijheidsbeperkende maatregel heeft ondergaan wordt de terug te kijken termijn vermeerderd met de periode die de aanvrager feitelijk in detentie heeft doorgebracht of een maatregel heeft ondergaan.

Paragraaf 3.1.2. Uitgangspunt terugkijktermijn

Voor het bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terug te kijken termijn valt wordt uitgegaan van de datum van uitspraak in eerste aanleg. Dit uitgangspunt geldt ook indien hoger beroep en/of cassatie is ingesteld.
Van dit uitgangspunt wordt in de volgende gevallen afgeweken:
Wanneer tussen de pleegdatum en de datum van uitspraak in eerste aanleg een langere termijn ligt dan twee jaren en er geen sprake is van fraude- en zedendelicten, wordt de pleegdatum als beginpunt genomen;
bij openstaande zaken die geen fraude- en zedendelicten betreffen, wordt eveneens de pleegdatum als beginpunt genomen;
in het geval van openstaande zaken inzake fraude- en zedendelicten wordt als beginpunt genomen het moment waarop vanwege het Openbaar Ministerie jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen. Bij de bepaling van deze datum wordt uitgegaan van de datum waarop de strafzaak bij het Openbaar Ministerie wordt aangebracht en in het Justitieel Documentatie Systeem wordt ingeschreven.

Paragraaf 3.2. Het objectieve criterium

Het objectieve criterium betreft de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit criterium is gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het betreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd.
Ten aanzien van een VOG voor een functie waarbij sprake is van een afhankelijkheidsrelatie en justitiële gegevens betreffende zedendelicten als genoemd in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht zijn aangetroffen, geldt dat in beginsel wordt geacht aan het objectieve criterium reeds te zijn voldaan.
Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen:
1. justitiële gegevens (strafbaar feit);
2. indien herhaald;
3. risico voor de samenleving en
4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of werkzaamheden.

Paragraaf 3.2.1. Justitiële gegevens

De relevante justitiële gegevens die voorkomen in de justitiële documentatie op naam van de aanvrager, of die betrekking hebben op de betreffende rechtspersonen, of daarmee gelijk gestelde organisaties, worden meegewogen bij de beoordeling. Indien een aanvraag wordt gedaan ten behoeve van een rechtspersoon, worden ook de gegevens met betrekking tot relevante strafbare feiten op naam van ieder van de bestuurders, vennoten, maten of beheerders van die rechtspersoon meegewogen.
Ook feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een dagvaarding, een kennisgeving van (niet) verdere vervolging en sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag. Hoe zwaar dergelijke informatie weegt en in welke gevallen deze meeweegt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Paragraaf 3.2.2. Indien herhaald

Het COVOG toetst of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat.
Het betreft een objectief criterium, het is derhalve niet relevant of er een reëel recidivegevaar is.
Toepassing van dit criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie (of het doel) waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is de vraag of het feit plaatsvond tijdens de uitoefening van de functie dan wel in de privé-sfeer niet relevant.

Paragraaf 3.2.3. Risico voor de samenleving

Het risico voor de samenleving is onderverdeeld in risico’s voor:
a. Informatie (het omgaan met gevoelige informatie, het kunnen raadplegen en/of bewerken van vertrouwelijke gegevens die zijn opgenomen in bepaalde systemen);
b. Geld (het omgaan met contante en girale waarden, het hebben van budgetbevoegdheid);
c. Goederen (het verschaffen, aanschaffen, beheren, laden en lossen, inpakken en opslaan van goederen);
d. Diensten (het verlenen van diensten zoals advisering, beveiliging, schoonmaak en catering);
e. Zakelijke relaties (contacten hebben met leveranciers, aanbestedingen doen, het beslissen over offertes en het doen van onderhandelingen);
f. Proces (het instellen, monteren, repareren, onderhouden, ombouwen, en het werken met dan wel het bedienen van productiemachines c.q. apparaten en voertuigen);
g. Aansturen organisatie (in de positie van manager, bedrijfsleider, beheerder of eigenaar van een onderneming) en
h. Personen (het belast zijn met de zorg voor het welzijn van kwetsbare groeperingen of personen in de samenleving).
De toetsing van deze risico’s is nader uitgewerkt in een algemeen screeningsprofiel en specifieke screeningsprofielen. In het algemene screeningsprofiel is uitgewerkt welke risico’s bestaan voor de onder a t/m h genoemde gebieden. In de specifieke screeningsprofielen, bijvoorbeeld het screeningsprofiel voor buitengewone opsporingsambtenaren, zijn de voor het betreffende profiel relevante risico’s opgenomen. Deze specifieke screeningsprofielen zijn in samenspraak met de brancheorganisaties samengesteld. Deze profielen zijn te vinden op de website van het Ministerie van Justitie (www.justitie.nl/VOG).

Paragraaf 3.2.4. Belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden

Of een bepaald justitieel gegeven, naast een risico voor de samenleving, tevens een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheid, heeft te maken met de relatie van het justitiële gegeven tot de functie/taak/opdracht die betrokkene gaat vervullen. Niet elk justitieel gegeven is relevant voor elke functie/taak/opdracht. Zo kan de locatie waar de werkzaamheden worden vervuld van belang zijn voor de beoordeling of een justitieel gegeven, naast een risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheid.
Bij justitiële gegevens betreffende zedendelicten ingevolge de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht wordt voorts gekeken of bij de uitoefening van de betreffende functie/taak/opdracht sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Indien voor de functie, waarvoor de VOG is aangevraagd, sprake is van een afhankelijkheidsrelatie wordt in de volgende gevallen uitgegaan van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheid:
1. De aanvrager is voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een zedendelict als genoemd in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht twee of meer malen veroordeeld tot:
een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf,
(on)voorwaardelijke terbeschikkingstelling aan de staat (TBS),
(on)voorwaardelijke jeugddetentie,
een (on)voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) en/of
een (on)voorwaardelijke taakstraf.
2. De aanvrager is in de twintig jaren voorafgaand het moment van beoordeling ter zake van een zedendelict éénmaal veroordeeld tot:
een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf,
(on)voorwaardelijke TBS,
(on)voorwaardelijke jeugddetentie,
een (on)voorwaardelijke PIJ of
een (on)voorwaardelijke taakstraf.
3. De strafzaak met betrekking tot de aanvrager is in de tien jaren voorafgaand het moment van beoordeling ter zake van een zedendelict voorwaardelijk geseponeerd, de aanvrager is veroordeeld tot een andere straf dan een gevangenisstraf of taakstraf, schuldig verklaard zonder strafoplegging, of heeft een door het Openbaar Ministerie aangeboden transactie geaccepteerd.

Paragraaf 3.3. Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium afgegeven.
Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen aanvragen die zien op functies waarbij sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie en voorts justitiële gegevens zijn aangetroffen over zedendelicten, als bedoeld in de artikelen 240b tot en met artikel 250 van het Wetboek van Strafrecht, en aanvragen die hier geen betrekking op hebben.

Paragraaf 3.3.1. Advies burgemeester

Indien sprake is van een aanvraag van een VOG NP, kan de burgemeester binnen tien dagen na de dag waarop bij hem de aanvraag is ingediend het COVOG adviseren over de bijzondere omstandigheden in zijn gemeente, voor zover deze van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het advies van de burgemeester heeft slechts een ondersteunende functie en is mede daarom slechts van belang indien er tevens relevante antecedenten zijn aangetroffen.

Paragraaf 3.3.2. Het subjectieve criterium

Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Dit criterium geldt ook ten aanzien van zedendelicten wanneer de VOG aanvraag niet ziet op een functie waarin sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie.
Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer
de wijze waarop de strafzaak is afgedaan;
het tijdsverloop;
de hoeveelheid antecedenten.
Omdat de VOG een betrouwbaar beeld dient te geven van de integriteit van de aanvrager kunnen naast justitiële gegevens ook gegevens uit het politieregister in het oordeel worden betrokken. Van deze mogelijkheid kan alleen gebruik worden gemaakt als er justitiële gegevens over de aanvrager zijn aangetroffen. Op grond van het voorgaande kan alleen informatie over de (achtergronden van) andere (strafbare) feiten, dan die in de justitiële documentatie zijn opgenomen, worden opgevraagd. In de politieregisters kunnen bijvoorbeeld mutaties omtrent strafbare feiten aanwezig zijn, opgemaakte processen-verbaal en (dag)rapporten. Ondanks het feit dat deze informatie niet in alle gevallen tot vervolging heeft geleid, kan deze bij de beoordeling van de aanvraag worden meegewogen. Het COVOG maakt in beginsel slechts terughoudend gebruik van deze bevoegdheid.Omstandigheden waaronder het feit is gepleegd
De omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden, zijn alleenrelevant indien COVOG na weging van de subjectieve criteria niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven.
De omstandigheden waaronder het feit is gepleegd kunnen op velerlei zaken zien. Bijvoorbeeld op de vraag of het feit zich al dan niet in de privé-sfeer heeft voorgedaan.

Paragraaf 3.3.3. Subjectief criterium – zedendelicten in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie

Bij zedendelicten als genoemd in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie.
Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.
3.4. Weigering VOG buiten beoordelingskader Wanneer betrokkene binnen de terug te kijken periode niet voorkomt in de justitiële documentatie maar het beoordelingskader ertoe zou leiden dat toekenning van de VOG gelet op de beoogde functie onverantwoord zou zijn, zal de VOG alsnog worden geweigerd. Van deze weigeringsmogelijkheid zal zeer terughoudend en slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.
Deze weigeringgrond kan slechts worden toegepast wanneer toekenning van de VOG gelet op de beoogde functie onverantwoord zou zijn en in de justitiële documentatie van de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag de volgende gegevens zijn aangetroffen:
justitiële gegevens over misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en,
waarvoor de aanvrager is veroordeeld tot:
een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of jeugddetentie en/of
de maatregel van terbeschikkingstelling aan de staat en/of
geplaatst is in een inrichting voor jeugdigen.

Paragraaf 4.1. Indienen van een aanvraag voor een VOG

Voor het aanvragen van een VOG-NP moet gebruik worden gemaakt van het daartoe bestemde aanvraagformulier VOG-NP.
De aanvraag voor de VOG-NP wordt persoonlijk, of door een schriftelijk gemachtigde, ingediend bij de gemeente waar de aanvrager in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) is ingeschreven. Indien de aanvraag door een gemachtigde wordt ingediend, dient bij de aanvraag een duidelijk leesbare kopie van een geldig legitimatiebewijs van de aanvrager te zijn gevoegd. De gemeente draagt zorg voor de controle van de gegevens en voor een onmiddellijke (elektronische) doorzending aan het COVOG.
Indien geen sprake is van een inschrijving in de GBA wordt de aanvraag rechtstreeks bij het COVOG ingediend. In alle gevallen dient de aanvrager en/of diens gemachtigde zich te legitimeren door middel van een geldig legitimatiebewijs.
Een aanvraag van een VOG-RP wordt rechtstreeks bij het COVOG ingediend. Daarvoor moet gebruik worden gemaakt van de drie daarvoor bestemde aanvraagformulieren VOG-RP.
Het betreft de formulieren voor:
de te onderzoeken rechtsperso(o)nen;
de te onderzoeken natuurlijke perso(o)n(en) en
de indiener van de aanvraag.

Paragraaf 4.2. Afhandeling van aanvragen voor een VOG

Het aanvraagformulier dient volledig en correct te zijn ingevuld. De screening vindt plaats op grond van de door de belanghebbende aangekruiste functieaspecten. Bij evidente onjuistheden in de relatie tussen de functieaspecten en het doel van de aanvraag kan het COVOG gedurende de procedure ambtshalve de opgegeven functieaspecten corrigeren.
Bij een VOG-NP dient het aanvraagformulier te zijn ondertekend door de aanvrager én de belanghebbende). Bij een VOG-RP dient het aanvraagformulier te zijn ondertekend door de vertegenwoordiger van de rechtspersoon. Tevens dient het aanvraagformulier voor de VOG-RP vergezeld te zijn van alle voor de aanvraag vereiste bijlagen.
Wanneer de aanvraag niet compleet is, zal deze eenmalig worden geretourneerd aan de aanvrager met het verzoek de gebreken binnen de daartoe gestelde termijn te herstellen. De behandeling van de aanvraag wordt dan opgeschort, totdat de gebreken zijn hersteld. Indien de gebreken niet binnen de gestelde termijn zijn hersteld, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld. Betrokkene wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Er dient dan een nieuwe aanvraag te worden ingediend waarvoor opnieuw leges dienen te worden betaald.

Paragraaf 4.3. Afhandeling van spoedaanvragen voor een VOG

In uitzonderlijke gevallen kan gebruik worden gemaakt van een spoedprocedure voor het aanvragen van een VOG. Een aanvraag wordt alleen met spoed afgehandeld wanneer er geen relevante justitiële gegevens worden aangetroffen. De termijn waarbinnen de VOG dan zal worden afgegeven bedraagt maximaal vijf werkdagen. Wanneer er wel relevante justitiële gegevens worden aangetroffen, wordt de spoedaanvraag omgezet in een reguliere aanvraag en wordt de aanvrager hiervan in kennis gesteld.
Ten aanzien van de VOG-NP kan de spoedprocedure worden gebruikt indien:
de aanvraag betrekking heeft op een werkgever/werkzaamheden/stage in het buitenland of
de aanvraag betrekking heeft op een adoptieprocedure in het buitenland.
Ten aanzien van de VOG-RP kan de spoedprocedure worden gebruikt indien:
de aanvraag betrekking heeft op een aanbestedingsprocedure of
de aanvraag betrekking heeft op activiteiten van de rechtspersoon in het buitenland.

Paragraaf 4.4. Wijzigingen van gegevens in de aanvraagformulieren VOG

Wijzigingen in het aanvraagformulier van de VOG zijn niet mogelijk wanneer deze betrekking hebben op het doel van de aanvraag dan wel de te screenen rechtspersoon en/of natuurlijke persoon. Er dient dan een nieuwe aanvraag te worden ingediend waarvoor opnieuw leges dienen te worden betaald. Restitutie van betaalde leges vindt niet plaats.

Paragraaf 5. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels VOG-NP-RP 2008. De beleidsregels treden in werking op 1 juli 2008.
Inhoudsopgave
Paragraaf 1. Inleiding
Paragraaf 2. Ontvankelijkheid van de aanvraag
+ Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag
+ Paragraaf 4. Administratieve afhandeling VOG
Paragraaf 5. Inwerkingtreding en citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht