Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2012. U leest nu de tekst die gold op -.

Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang

Uitgebreide informatie
Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 november 2004, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/KO/2004/69683, houdende werkwijze toezichthouder kinderopvang (Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang)
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op de artikelen 64 en 101 van de Wet kinderopvang;
Besluit:
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Wet kinderopvang ;
b. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in artikel 61 van de wet ;
c. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;
d. buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, alsmede gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties;
e. inspectierapport: het inspectierapport, bedoeld in artikel 63 van de wet ;
f. college: college van burgemeester en wethouders.
Artikel 2. Werkzaamheden toezichthouder
De werkzaamheden van de toezichthouder bestaan uit:
a. het beoordelen van de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden van een gastouderbureau of houder van een voorziening voor gastouderopvang op basis van het verrichten van onderzoek naar de naleving van de bij hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, van de Wet kinderopvang gegeven voorschriften en de bij de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang gegeven voorschriften;
b. het bij de uitoefening van de onder a bedoelde werkzaamheden voeren van overleg met betrokkenen van het betreffende kindercentrum , gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, met dien verstande dat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de wet ten minste overleg plaatsvindt met de houder of diens vertegenwoordiger, met personeel en met één of meer vertegenwoordigers van de oudercommissie, evenals het voeren van overleg met vertegenwoordigers van de gemeente waar het betreffende kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang is gevestigd, tenzij dit naar het oordeel van de toezichthouder in verband met de kwaliteit van de kinderopvang bij het betreffende kindercentrum respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden van het betreffende gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, niet noodzakelijk wordt geacht; en
c. het rapporteren over de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum respectievelijk over de uitvoering van de werkzaamheden bij een gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang.
1.
De toezichthouder verricht een onderzoek als bedoeld in artikel 62, eerste, tweede of derde lid, van de wet aan de hand van een toetsingskader.
2.
Voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang wordt een toetsingskader ingericht, overeenkomstig het model in bijlagen 1 , 2 , 3 en 4 bij deze regeling.
1.
Voordat de toezichthouder een onderzoek verricht als bedoeld in artikel 3 stelt hij aan de hand van bijlagen 1 , 2 , 3 en 4 , bedoeld in artikel 3, tweede lid, vast of sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang in de zin van de wet en of een aanvraag is gedaan in de zin van de wet voor deze opvang.
2.
Indien de toezichthouder oordeelt dat geen sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang in de zin van de wet, dan vindt artikel 3, eerste lid, geen toepassing. In dat geval informeert de toezichthouder het college van de gemeente waar de opvang, niet zijnde kinderopvang in de zin van de wet,voorkomt.
3.
Indien naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van niet-gemelde kinderopvang in een kindercentrum of niet-gemelde gastouderopvang die door tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvindt, dan informeert de toezichthouder het college van burgemeester en wethouders waar de niet-gemelde kinderopvang of de niet-gemelde gastouderopvang voorkomt.
1.
Binnen drie maanden nadat een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie is genomen, vindt een onderzoek als bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de wet plaats, behoudens bijzondere omstandigheden.
2.
Het eerste lid is tot en met 31 december 2010 niet van toepassing ten aanzien van voorzieningen voor gastouderopvang.
Artikel 6. Nader onderzoek
Onverminderd de artikelen 65 en 66 , alsmede hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de wet verricht de toezichthouder, afhankelijk van de ernst van de in het inspectierapport geconstateerde tekortkomingen, nader onderzoek, indien is gebleken dat de houder van het desbetreffende kindercentrum, gastouderbureau of de desbetreffende voorziening voor gastouderopvang de kwaliteitsverbeteringen niet binnen de in het inspectierapport gestelde termijn heeft gerealiseerd. Artikel 3 is van toepassing.
1.
Binnen zes weken na afloop van een onderzoek als bedoeld in artikel 62, tweede en derde lid van de wet ontvangt de houder het ontwerprapport.
2.
Binnen twee weken na de ontvangst van het ontwerprapport, bedoeld in het eerste lid, wordt door de GGD-ambtenaar met de houder overleg gevoerd over de inhoud van het ontwerprapport.
3.
De houder krijgt twee weken de gelegenheid zijn zienswijze over de inhoud van het ontwerprapport schriftelijk kenbaar te maken.
4.
De toezichthouder stelt het inspectierapport binnen twee weken na het tijdstip bedoeld in het tweede of derde lid, vast. De toezichthouder stelt het college daarvan in kennis.
5.
Indien ingevolge artikel 62, derde lid, tweede volzin, van de wet geen openbaar inspectierapport wordt opgemaakt, stelt de toezichthouder de houder en het college van de gemeente waar het kindercentrum of gastouderbureau is gevestigd daarvan in kennis.
1.
Een inspectierapport bevat:
a. de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang waar een onderzoek is uitgevoerd, evenals de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de houder;
b. de soort opvang die is onderzocht;
c. de naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;
d. de naam en het adres van de vestiging van de GGD waar de ambtenaar die het onderzoek heeft uitgevoerd werkzaam is;
e. de aanleiding voor een onderzoek;
f. de datum en tijdstip van een onderzoek;
g. de wijze waarop een onderzoek aan de hand van een toetsingskader is uitgevoerd; en
h. een betekenisvolle beschouwing, waarin onderzoeksresultaten en conclusies congrueren en een onderscheid is aangebracht tussen de naleving van de wettelijke kwaliteitsvoorschriften en de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang .
2.
Voorts bevat een inspectierapport zo nodig:
a. een opgave van de kwaliteitsvoorschriften waaraan niet of niet in voldoende mate is voldaan, waarbij wordt aangegeven welk voorschrift van de wet of van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang het betreft, met dien verstande dat bij een onderzoek na een aanvraag als bedoeld in artikel 45 van de wet tevens wordt aangegeven welke voorschriften vooralsnog niet kunnen worden beoordeeld;
b. ingeval van afwijking van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang tevens de redenen van de houder tot afwijking daarvan;
c. een overzicht van gemaakte afspraken;
d. de aankondiging van een nader onderzoek; en
e. een advies aan het college van de gemeente waar het betreffende kindercentrum, gastouderbureau of de betreffende voorziening voor gastouderopvang is gevestigd, daaronder mede begrepen voorstellen over mogelijk te treffen maatregelen.
3.
Voor dagopvang, buitenschoolse opvang, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus wordt een inspectierapport ingericht, overeenkomstig de bijlagen 5 , 6 , 7 en 8 bij dit besluit.
4.
In de definitieve versie van het inspectierapport, bedoeld in het derde lid, wordt in ieder geval de datum opgenomen waarop het rapport definitief is vastgesteld.
1.
In afwijking van artikel 8 wordt in plaats van bijlage 7 in het kalenderjaar 2010 en het kalenderjaar 2011 voor voorzieningen voor gastouderopvang volstaan met een brief welke in ieder geval bevat:
a. naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de houder van een voorziening voor gastouderopvang;
b. soort van opvang die is onderzocht;
c. naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;
d. naam en adres van de vestiging van de GGD waar de desbetreffende ambtenaar werkzaam is;
e. aanleiding van het onderzoek;
f. een beknopte weergave van de onderzoeksresultaten; en
g. de zienswijze van de houder van een voorziening voor gastouderopvang (indien beschikbaar).
2.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2012.
1.
In afwijking van artikel 4, verricht de toezichthouder in de periode 1 juli 2010 tot en met 31 december 2011 een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, van de wet naar een voorziening voor gastouderopvang ten minste aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel A .
2.
Indien de toezichthouder het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend heeft verricht aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel A , en indien werd voldaan aan dat gedeelte van het toetsingskader, verricht de toezichthouder uiterlijk op 31 december 2011 alsnog een onderzoek aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel B, naar een voorziening voor gastouderopvang waarbij de opvang plaatsvindt op het woonadres van de gastouder,
3.
Een onderzoek aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel B kan uiterlijk 31 december 2011 eveneens plaatsvinden bij een andere voorziening voor gastouderopvang dan die, bedoeld in het tweede lid, indien sprake is van een ernstig vermoeden dat bij die andere voorziening de exploitatie niet zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, van de wet, dan wel op basis van een steekproef.
4.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2012.
Artikel 9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en geldt voor kalenderjaren die aanvangen op of na 1 januari 2005.
Artikel 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 1 tot en met 4 liggen met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage bij de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
's-Gravenhage, 10 november 2004
De
Minister
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Algemeen
+ Paragraaf 2. Werkwijze toezichthouder
+ Paragraaf 3. Overgangs- slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht