Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming
(authentiek: nl)
De Regering van het Koninkrijk België,
De Regering van het Groothertogdom Luxemburg,
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,
Gelet op artikel 6 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958;
Gelet op het op 18 oktober 1950 te Parijs tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot Bescherming van Vogels, waarbij de drie Beneluxlanden partij zijn;
Bezield door de wens een harmonisatie tot stand te brengen van de beginselen van hun, in het belang van de grondgebruikers, van de landbouw en van een doeltreffende natuurbescherming vastgestelde wettelijke bepalingen op het gebied van de jacht en de bescherming van in het wild levende vogels;
Overwegende dat deze harmonisatie kan bijdragen tot een toenadering tussen de wetgevingen inzake het vervoer van wild en van in het wild levende vogels, alsmede tot de afschaffing van controles en formaliteiten aan de binnengrenzen van Benelux;
Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 25 april 1970;
Zijn het volgende overeengekomen:
1.
Elk der drie Regeringen verbindt zich in haar nationale wetgeving het wild volgens de volgende categorieën te rangschikken: grof wild, klein wild, waterwild, overig wild.
2.
In de zin van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:
a) grof wild: edelherten (Cervus elaphus), reeën (Capreolus preolus), damherten (Dama dama), moeflons (Ovis musimon) en wilde zwijnen (Sus scrofa);
b) klein wild: hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix), patrijzen (Perdix perdix), houtsnippen (Scolopax rusticola);
c) waterwild: alle soorten ganzen en eenden (Anatidae), goudplevieren (Pluvialis apricarius), watersnippen (Gallinago gallinago), poelsnippen (Gallinago media), bokjes (Lymnocryptes minimus) en meerkoeten (Fulica atra);
d) overig wild: houtduiven (Columba palumbus), zwarte en bonte kraaien (Corvus corone corone en Corvus corone cornix), roeken (Corvus frugilegus), kauwen (Corvus monedula), vlaamse gaaien (Garrulus glandarius), eksters (Pica pica), konijnen (Oryctolagus cuniculus), vossen (Vulpes vulpes), wilde katten (Felis sylvestris), verwilderde katten (Felis catus), bunzings (Putorius putorius), hermelijnen (Mustela erminea), wezels (Mustela nivalis), eekhoorns (Sciurus vulgaris), boom- en steenmarters (Martes martes en Martes foina), dassen (Meles meles), otters (Lutra lutra) en zeehonden (Phoca vitulina en Halichoerus grypus).
3.
Het krachtens artikel 15 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie ingestelde Comité van Ministers kan de in lid 2 vermelde opsommingen wijzigen of aanvullen door middel van overeenkomstig artikel 19a) van het Unieverdrag genomen beschikkingen.
4.
In afwachting van de harmonisatie van de categorieën wild kan elk van de Overeenkomstsluitende Partijen andere diersoorten aan deze categorieën toevoegen.
Artikel 2
De drie Regeringen plegen overleg over de data van opening en sluiting van de jacht.
Artikel 3
De terreinen waarop de jacht met het geweer wordt uitgeoefend moeten aan minimale afmetingen voldoen. Deze afmetingen worden in elk land afgestemd op de cynegetische omstandigheden, met dien verstande dat:
a) de minimum aaneengesloten oppervlakte zowel in Nederland als ten noorden en ten westen van de lijn Samber en Maas in België 25 hectare bedraagt, doch ten zuiden van deze lijn in België, evenals in Luxemburg, 50 hectare;
b) de jacht op waterwild toegestaan is op terreinen van geringere oppervlakte, mits deze, op het ogenblik dat die jacht wordt uitgeoefend, een minimum aaneengesloten wateroppervlakte van een hectare omvatten.
Nochtans kan geen van de drie landen geringere minimumoppervlakten vaststellen dan die, welke thans op grond van de nationale wetgeving gelden.
1.
De jacht met het geweer is verboden tenminste gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang.
2.
Bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten mag slechts gebruik worden gemaakt van nader aan te wijzen wapens en munitie, alsmede van nader aan te wijzen andere middelen, tuigen en jachtmethoden, overeenkomstig de procedure aangegeven in lid 4.
3.
De jacht met het geweer op nader aan te wijzen wildsoorten mag slechts worden uitgeoefend volgens een afschotplan overeenkomstig de in lid 4 gestelde procedure en voorwaarden.
4.
a) Het Comité van Ministers stelt vast door middel van overeenkomstig artikel 19 a) van het Unieverdrag genomen beschikkingen en rekening houdende met de cynegetische omstandigheden eigen aan elk land of deel daarvan:
1°. de wapens en munitie alsmede de andere middelen, tuigen en jachtmethoden zoals bedoeld in lid 2;
2°. de wildsoorten en de streken van de Beneluxlanden, waarvoor een afschotplan zal gelden.
b) Voor de jacht met het geweer op de wildsoorten en in de streken als bedoeld onder a) 2° van dit lid dient de houder van het jachtrecht een afschotplan te bezitten dat door of namens de daartoe bevoegde Minister is goedgekeurd.
5.
Elk der drie Regeringen stelt de wijze vast waarop, alsmede de voorwaarden waaronder, uitvoering zal worden gegeven aan het in de leden 1 en 4 bepaalde, zulks met inbegrip van de controlemaatregelen.
1.
Met inachtneming van de nationale sanitaire bepalingen is het vervoer en het in de handel brengen van levend of dood wild toegestaan vanaf de datum van opening tot en met de tiende dag na sluiting van de jacht op dit wild.
2.
Vanaf de elfde dag na sluiting tot de datum van opening van de jacht is het vervoer en het in de handel brengen van levend of dood wild slechts toegestaan overeenkomstig de bepalingen uitgevaardigd door de Regering van het land waar het vervoer of het in de handel brengen plaatsvindt.
Artikel 6
In het verkeer met derde landen is de in-, uit- en doorvoer van levend of dood wild slechts toegestaan overeenkomstig de geldende bepalingen van de partnerlanden waar deze handelingen plaatsvinden.
Artikel 7
De drie Regeringen verbinden zich de in de Beneluxlanden in het wild levende vogelsoorten, andere dan die welke op grond van artikel 1 als wild worden beschouwd, te beschermen; daartoe stelt het Comité van Ministers, onverminderd het bepaalde in artikel 8, de beschermingsmaatregelen, alsmede de vogelsoorten waarop deze betrekking hebben, vast door middel van overeenkomstig artikel 19 a) van het Unieverdrag genomen beschikkingen.
1.
Elk der drie Regeringen verbindt zich haar nationale wetgeving zodanig aan te passen dat het te allen tijde en waar dan ook verboden is vogels, behorende tot de krachtens artikel 7 aangewezen soorten, alsmede hun eieren, ook uitgeblazen, en hun jongen te koop voorhanden te hebben, te verkopen, te kopen en te leveren; dit verbod geldt ook voor opgezette exemplaren van deze soorten, behoudens daarvan verkregen ontheffing door de bevoegde nationale autoriteiten.
2.
Het vervoeren van de in lid 1 bedoelde vogels, alsmede van hun eieren en jongen, is slechts toegestaan overeenkomstig de geldende bepalingen van het land op wiens grondgebied het vervoer plaatsvindt.
Artikel 9
In het verkeer met derde landen is de in-, uit- en doorvoer van alle levende of dode vogels, alsmede van hun eieren en hun jongen, slechts toegestaan met voorafgaande machtiging van de partnerlanden waar deze handelingen plaatsvinden.
Artikel 10
Het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 5, 6, 8 en 9 wordt uitgeoefend in het binnenland van elk der landen, aan de buitengrenzen van Benelux en niet bij gelegenheid van de overschrijding van de binnengrenzen van Benelux.
Artikel 11
Het Comité van Ministers stelt door middel van overeenkomstig artikel 19 a) van het Unieverdrag genomen beschikkingen de maatregelen vast welke, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5 lid 2, 6, 8 lid 2, en 9, in een of meer landen dienen te worden genomen, teneinde te voorkomen dat belangen van partnerlanden worden geschaad.
Artikel 12
Elk der drie landen behoudt de bevoegdheid in zijn wetgeving bepalingen te handhaven of op te nemen waarin aangelegenheden worden geregeld waarvoor in deze Overeenkomst geen regeling is getroffen, mits die bepalingen niet strijdig zijn met de Overeenkomst.
1.
Elk der drie Regeringen behoudt zich het recht voor om, in het belang van de wetenschap, van het natuurbeheer of tot voorkoming van schade, afwijkingen toe te staan van de bepalingen van deze Overeenkomst, mits tevoren dienaangaande overeenstemming is bereikt in het Comité van Ministers door middel van een overeenkomstig artikel 19 a) van het Unieverdrag genomen beschikking.
2.
In dringende gevallen echter, kan elk der Regeringen, in afwachting van de beschikking van het Comité van Ministers, afwijkende maatregelen nemen en toepassen gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden. Van deze voorlopige toepassing wordt door de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie aan de andere Regeringen kennis gegeven.
1.
Ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, worden de bepalingen van deze Overeenkomst, alsmede de ter uitvoering daarvan door het Comité van Ministers genomen beschikkingen, aangewezen als gemeenschappelijke rechtsregels voor de toepassing van de hoofdstukken III en IV van dat Verdrag.
2.
De in het voorgaande lid bedoelde beschikkingen worden in elk der drie Staten bekendgemaakt in de vorm welke aldaar voor de bekendmaking van verdragen is voorgeschreven. De uitleg kan slechts aan het Benelux-Gerechtshof worden gevraagd, indien zij aldus zijn bekendgemaakt in de Staat waarin de vraag van uitleg is gerezen en, sedert de bekendmaking, tien dagen zijn verstreken.
Artikel 15
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst slechts van toepassing op het in Europa gelegen grondgebied.
1.
Deze Overeenkomst zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die de Overeenkomstsluitende Partijen in kennis stelt van de nederlegging van die akten.
2.
Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging valt.
3.
Zij blijft voor een zelfde tijd van kracht als het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
GEDAAN te Brussel, op 10 juni 1970, in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.
Inhoudsopgave
Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht