Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 december 2004, nr. MJZ2004100413, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende aanwijzing van ambtenaren, aan wie taken of bevoegdheden worden opgedragen, onderscheidenlijk verleend in het kader van regelgeving op het terrein van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving)
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Handelende, voor zover nodig in overeenstemming met de Ministers van Defensie, van Economische Zaken, van Financiën, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de Experimentenwet stad en milieu, de Huisvestingswet, de Huursubsidiewet, de Onteigeningswet, de Waterleidingwet, de Wet bescherming Antarctica, de Wet bevordering eigenwoningbezit, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet op de lijkbezorging, de Wet op de openluchtrecreatie, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, de Wet stedelijke vernieuwing, de Woningwet en artikel 30, eerste lid, van de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschappen (PbEG L 30), voor zover nodig juncto artikel 18.4, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer;
Besluit:
1.
Deze regeling vindt mede haar grondslag in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening .
2.
De directeur-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio wordt aangewezen als inspecteur in de zin van:
de Drinkwaterwet ;
de Interimwet stad-en-milieubenadering ;
het Vuurwerkbesluit ;
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;
de Wet bodembescherming ;
de Wet geluidhinder ;
de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden ;
de Wet inzake de luchtverontreiniging ;
de Wet milieubeheer ;
de Wet ruimtelijke ordening ;
de Woningwet , met uitzondering van de aangelegenheden met betrekking tot welke ingevolge de artikelen 2 en 3 van het Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving en de artikelen 3 tot en met 5 van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en WNT mandaat en machtiging is verleend aan de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Instellingbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport.
1.
De directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM worden aangewezen als de ambtenaar, bedoeld in:
2.
De inspecteur-generaal, de hoofddirecteur Uitvoering en de directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren worden aangewezen als als ambtenaren als bedoeld in:
Artikel 3
De inspecteur-generaal, de hoofddirecteur Uitvoering en de directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM en de door hen daartoe aangewezen, onder hun bevelen werkzame ambtenaren worden aangewezen als ambtenaren ten aanzien van wie, in geval van levering van leidingwater door een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet, het ten aanzien van de inspecteur in de artikelen 35, tweede tot en met vierde lid, 36, 37, derde lid, 49, 51 en 52 van de Drinkwaterwet bepaalde van toepassing is, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 12.
1.
De directeur van de Auditdienst VROM en de onder zijn bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn, voor zover het betreft de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Comptabiliteitswet 2001, en de controle, bedoeld in artikel 66 van die wet, belast met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de subsidieregelingen op het beleidsterrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
2.
In opdracht van de directeur van de Auditdienst VROM kunnen door hem aangewezen ambtenaren van auditdiensten van andere ministeries bij die opdracht aangegeven taken als bedoeld in het eerste lid, uitvoeren.
3.
De in het eerste en tweede lid aangewezen toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 7
De inspecteur-generaal, de hoofddirecteur Uitvoering en de directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de Drinkwaterwet ;
de Huisvestingswet ;
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;
de Wet bescherming Antarctica ;
de Wet bevordering eigenwoningbezit ;
de Wet bodembescherming ;
de Wet explosieven voor civiel gebruik ;
de Wet geluidhinder ;
de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden ;
de Wet inzake de luchtverontreiniging ;
de Wet milieubeheer ;
de Wet op de openluchtrecreatie ;
de Wet stedelijke vernieuwing ;
de Woningwet , met uitzondering van de aangelegenheden met betrekking tot welke ingevolge de artikelen 2 en 3 van het Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving en de artikelen 3 tot en met 5 van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en WNT mandaat en machtiging is verleend aan de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Instellingbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport;
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR;
de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
1.
De directeur van de Auditdienst VROM en de onder zijn bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn, voor zover het betreft de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Comptabiliteitswet 2001, en de controle, bedoeld in artikel 66 van die wet, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de subsidieregelingen op het beleidsterrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
2.
In opdracht van de directeur van de Auditdienst VROM kunnen door hem aangewezen ambtenaren van auditdiensten van andere ministeries bij die opdracht aangegeven taken als bedoeld in het eerste lid, uitvoeren.
3.
De in het eerste en tweede lid aangewezen toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 8a
De ambtenaren werkzaam bij de afdeling Toezicht en handhaving van de Nederlandse emissieautoriteit in oprichting, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, voor zover dat betrekking heeft op het aan een ander ter beschikking stellen van brandstoffen ten behoeve van vervoer, 9.2.2.6a en 9.2.3.4, derde lid, titel 9.7 en hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer.
Artikel 9
De ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
het Besluit inzameling afvalstoffen en de Regeling inzameling afvalstoffen;
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Artikel 10
De commandant en de controleurs van het Korps Militaire Controleurs Gevaarlijke Stoffen zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen, de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en het bepaalde bij of krachtens titels 9.2, 9.3 en 9.3a van de Wet milieubeheer, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake het vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn.
Artikel 11
In afwijking van de artikelen 7 en 12 tot en met 18 en artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zijn ten aanzien van inrichtingen die behoren tot categorieën die zijn genoemd in bijlage I, onder C, onder 29.1, onder a tot en met i, van het Besluit omgevingsrecht , en inrichtingen die zijn aangewezen krachtens artikel 2.4, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, uitsluitend de door de inspecteur-generaal, de hoofddirecteur Uitvoering of de directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM daartoe aangewezen, onder hun bevelen werkzame ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;
de Wet bodembescherming ;
de Wet geluidhinder ;
de Wet inzake de luchtverontreiniging ;
de Wet milieubeheer ;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR;
de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
Artikel 12
De inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteurs van het Staatstoezicht op de Mijnen worden aangewezen als ambtenaren ten aanzien van wie, in geval van levering van leidingwater door collectieve watervoorzieningen die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie, aangewezen krachtens de Mijnbouwwet , het ten aanzien van de inspecteur in de artikelen 35, tweede tot en met vierde lid, 36, 37, derde lid, 49, 51 en 52 van de Drinkwaterwet bepaalde van toepassing is.
Artikel 13
De inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteurs van het Staatstoezicht op de Mijnen zijn, voor zover het betreft mijnbouwactiviteiten, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;
de Wet bodembescherming ;
de Wet explosieven voor civiel gebruik ;
de Wet geluidhinder ;
de Wet inzake de luchtverontreiniging ;
de Wet milieubeheer ;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR;
de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
Artikel 15
De ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn, voor zover het de beleidsterreinen van dat ministerie betreft, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde:
bij of krachtens de Wet bescherming Antarctica ;
bij of krachtens de Wet bodembescherming ;
krachtens artikel 1.2 of bij of krachtens titels 9.2, 9.3, 9.3a en 12.3 van de Wet milieubeheer;
de EG-verordening registratie, evaluatie, en autorisatie van chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR;
de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
Artikel 16
De ambtenaren van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
hoofdstuk II van de Wet geluidhinder, voor zover het betrekking heeft op de bescherming van werknemers;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
Artikel 17
De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de door hem daartoe aangewezen onder zijn bevelen werkzame ambtenaren van die inspectie zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de Wet bodembescherming , voor zover het betreft het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IV, paragrafen 5.1 , 5.3 en 5.4 , met betrekking tot rijkswateren en het vervoer van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen;
de Wet milieubeheer , voor zover het betreft:
a. gevaarlijke afvalstoffen,
b. inrichtingen die behoren tot categorieën die zijn genoemd in bijlage I, onder C, onder 2.1, onder a, 3.1 tot en met 3.5, 4.1, onder a, 5 en 14.1, voor zover het spoorwegemplacementen betreft, van het Besluit omgevingsrecht , voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn, of
c. hetgeen bepaald is bij of krachtens de titels 9.2, 9.3, 9.3a, 11A.1 en 12.3 en paragraaf 10.6.3;
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
hoofdstuk III van de Wet explosieven voor civiel gebruik, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 11;
de EG-verordening PRTR;
de EG-verordening registratie, evaluatie, en autorisatie van chemische stoffen;
de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
Artikel 17a
De directeur-generaal van Rijkswaterstaat en de door hem daartoe aangewezen onder zijn gezag werkzame ambtenaren van Rijkswaterstaat zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de Wet bodembescherming , voor zover het betreft het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IV, paragrafen 5.1 , 5.3 en 5.4 , met betrekking tot rijkswateren en het vervoer van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen;
de Wet milieubeheer , voor zover het betreft gevaarlijke afvalstoffen.
Artikel 18
De hoofdinspecteurs van de Voedsel en Waren Autoriteit, de controleambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit en de ambtenaren van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
Artikel 19
Het Besluit aanwijzing toezichtambtenaren VROM-regelgeving , de Regeling aanwijzing bevoegde ambtenaren collectieve watervoorzieningen en collectieve leidingnetten , de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 maart 1995 tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren Wet op de openluchtrecreatie (Stcrt. 1995) en de Regeling aanwijzing toezichtambtenaren Huursubsidiewet worden ingetrokken.
Artikel 20
[Wijzigt de Regeling aanwijzing keuringsinstelling en toezichthoudende ambtenaren Wet explosieven voor civiel gebruik.]
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de wet van 22 oktober 2003 tot wijziging van diverse wetten in verband met de instelling van het Inspectoraat-Generaal VROM en ter verbetering van de doelmatigheid van gegevensverstrekking met het oog op toezicht (Stb. 2003, 449) in werking treedt.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 16 december 2004
De
Minister
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 8a
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 17a
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken