Besluit van 28 november 2013, houdende regels ter uitvoering van de Wet basisregistratie personen (Besluit basisregistratie personen)
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 oktober 2013, nr. 2013-0000602327;
Gelet op richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) en de artikelen 1.6, 1.10, eerste lid, 1.14, tweede en derde lid, 2.6, 2.7, tweede en vierde lid, 2.31, 2.33, 2.34, derde lid, 2.37, 2.43, vijfde lid, 2.49, derde en vierde lid, 2.65, 2.67, tweede lid, 2.69, tweede lid j° 2.7, tweede en vierde lid, 2.70, tweede lid, 2.77, 2.78, derde lid, 2.79, tweede en derde lid, 3.1, tweede lid, 3.2, zevende lid, 3.3, eerste lid, 3.3, derde lid j° 3.2. zevende lid, 3.5, vierde lid, 3.6, tweede lid, 3.6, derde lid j° 3.5, vierde lid, 3.11, tweede lid, 3.12, 3.13, 3.14, tweede lid, 3.22, vierde lid, 4.3, vijfde lid, 4.4, tweede lid, 4.5, derde en vierde lid j° 4.4, tweede lid, 4.6 j° 4.4, tweede lid, 4.8, eerste lid, 4.12, 4.15, derde lid en 4.16, derde lid, van de Wet basisregistratie personen;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 november 2013, nr. W04.13.0369/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 november 2013, nr. 2013-0000697925;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
een autorisatiebesluit: een besluit als bedoeld in artikel 3.2 of artikel 3.3 van de wet;
de systeembeschrijving: de beschrijving, bedoeld in artikel 4;
de wet: de Wet basisregistratie personen .
Artikel 2
Authentieke gegevens over ingezetenen als bedoeld in artikel 1.6 van de wet zijn als zodanig aangeduid in de tabel die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.
1.
Onze Minister stelt een systeembeschrijving vast.
2.
De systeembeschrijving kan een onderdeel bevatten dat is toegesneden op gemeenten die gebruikmaken van een oude gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van de wet, en een onderdeel dat is toegesneden op gemeenten die gebruik maken van een nieuwe gemeentelijke voorziening als bedoeld in dat lid.
3.
Voor het onderdeel dat is toegesneden op gemeenten die gebruikmaken van een oude voorziening kan verwezen worden naar de systeembeschrijving zoals deze laatstelijk werd gehanteerd onder de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens .
4.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de uitwisseling van berichten met een overheidsorgaan waaraan of een derde aan wie systematisch gegevens worden verstrekt, met dien verstande dat het betreft de in artikel 4.16 van de wet bedoelde oude en nieuwe berichtuitwisseling.
Artikel 4
De systeembeschrijving geeft een beschrijving van de aspecten die zijn aangeduid in de tabel die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.
Artikel 5
Een college van burgemeester en wethouders, Onze Minister, een aangewezen bestuursorgaan, een overheidsorgaan en een derde dragen er zorg voor dat zij uitvoering geven aan de wet op een wijze die overeenstemt met de systeembeschrijving. De uitvoering voor zover die op hen betrekking heeft, is aangeduid in de tabel die als bijlage 3 bij dit besluit is gevoegd.
1.
Het college van burgemeester en wethouders treft ten aanzien van de gemeentelijke voorziening passende technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van de in de basisregistratie opgenomen gegevens tegen verlies of aantasting van deze gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking van deze gegevens.
2.
Onze Minister treft ten aanzien van de centrale voorzieningen passende technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van de in de basisregistratie opgenomen gegevens tegen verlies of aantasting van deze gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking van deze gegevens.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen omvatten ten minste:
a. maatregelen gericht op personen die werkzaam zijn voor de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisregistratie;
b. maatregelen gericht op de toegang tot gebouwen en ruimten waar in de basisregistratie opgenomen gegevens aanwezig zijn;
c. maatregelen gericht op een deugdelijke werking en beveiliging van de apparatuur en programmatuur;
d. maatregelen voor het geval de geheimhouding of integriteit van in de basisregistratie opgenomen gegevens is geschaad;
e. maatregelen bij calamiteiten.
4.
Onze Minister kan regels stellen omtrent de bewaring van geschriften en andere bescheiden, ongeacht hun vorm, die de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisregistratie gebruikt of heeft gebruikt in verband met de verwerking van gegevens in de basisregistratie.
1.
De door een bewerker in opdracht van het college van burgemeester en wethouders te verrichten werkzaamheden worden vastgelegd in een door het college en de bewerker te sluiten schriftelijke overeenkomst.
2.
De bewerker verbindt zich in de overeenkomst te handelen in overeenstemming met de in de artikelen 8 en 9 gestelde eisen. Waar in die artikelen wordt gesproken over persoonsgegevens wordt daaronder verstaan de door het college van burgemeester en wethouders aan de bewerker voor het verrichten van de werkzaamheden ter beschikking gestelde persoonsgegevens en de door de bewerker daaruit afgeleide persoonsgegevens.
Artikel 8
De bewerker voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
a. de bewerker maakt de persoonsgegevens uitsluitend dienstbaar aan de in de overeenkomst vastgelegde werkzaamheden;
b. bij het verrichten van de werkzaamheden handelt de bewerker in overeenstemming met de bij en krachtens de wet gegeven voorschriften zoals die voor het college van burgemeester en wethouders zouden gelden indien het college de werkzaamheden zelf had verricht;
c. de bewerker stelt het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid toezicht op het naleven van de overeenkomst uit te oefenen, waarbij hij de medewerking verleent die hem door dat college wordt verzocht;
d. op vordering van het college van burgemeester en wethouders schort de bewerker de werkzaamheden op en stelt hij de persoonsgegevens ter beschikking van dat college;
e. indien de bewerker werkzaamheden voor een college van burgemeester en wethouders verricht, besteedt hij deze slechts uit aan een andere bewerker, voor zover het college dat in de overeenkomst uitdrukkelijk toestaat.
1.
De bewerker treft passende technische en organisatorische maatregelen ter verzekering van de deugdelijke uitvoering van zijn werkzaamheden, de beveiliging van de gegevensbestanden en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze maatregelen omvatten ten minste:
a. maatregelen gericht op personen die werkzaam zijn voor de bewerker;
b. maatregelen gericht op de toegang tot gebouwen en ruimten, in gebruik bij de bewerker, waar persoonsgegevens aanwezig zijn;
c. maatregelen gericht op een deugdelijke werking en beveiliging van de apparatuur en programmatuur;
d. maatregelen gericht op het beheer van persoonsgegevens;
e. maatregelen voor het geval de geheimhouding van de persoonsgegevens is geschaad;
f. maatregelen bij calamiteiten.
2.
Onze Minister kan nadere regels stellen over de in het eerste lid bedoelde maatregelen.
Artikel 10
In deze paragraaf, artikel 51 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 1.14, eerste lid, van de wet;
b. de bijdrage: de bijdrage van de betrokkene in de kosten in verband met de uitvoering van de wet, bedoeld in artikel 1.14, eerste lid, van de wet;
c. een bericht: een logische eenheid van gegevens die wordt verzonden of verstrekt:
via het stelsel van berichtuitwisseling, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, van de wet;
met behulp van alternatieve media, of
op schriftelijke wijze;
d. een jaar: een kalenderjaar.
1.
Berichten tussen een gemeente en de centrale voorziening komen ten laste van de gemeente, waarbij een bericht dat door een gemeente via de centrale voorziening wordt verzonden aan een andere gemeente, ten laste komt van de gemeente die het bericht verzendt.
2.
Berichten aan of van een overheidsorgaan, anders dan organen van een gemeente, waaraan of een derde aan wie op grond van artikel 3.2, 3.3 of 3.13 van de wet gegevens worden verstrekt, komen ten laste van dat overheidsorgaan of die derde, met uitzondering van berichten in verband met hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 4, van de wet.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. berichten aan of van de centrale voorziening in verband met de bijhouding van gegevens;
b. berichten in verband met de verstrekking van gegevens door een college van burgemeester en wethouders;
c. synchronisatieberichten;
d. berichten in verband met artikel 2.34 van de wet.
1.
Categorieën van kosten, als bedoeld in artikel 1.14, tweede lid, van de wet zijn de kosten in verband met:
a. het beheer en het gebruik van de centrale voorzieningen;
b. de verzending en ontvangst van berichten, waaronder begrepen de kosten in verband met het stelsel van berichtuitwisseling.
2.
De bijdrage van een betrokkene in de in het eerste lid bedoelde kosten wordt vastgesteld op basis van het aantal berichten dat ten laste van de betrokkene komt.
1.
Onze Minister stelt elk jaar de abonnementsstructuur vast die hij in het volgende jaar zal hanteren. De abonnementsstructuur bestaat uit verschillende abonnementsklassen met daarbij behorende bandbreedten van aantallen berichten en het daarbij behorende tarief in euro’s.
2.
Onze Minister bepaalt de abonnementsstructuur, gelet op:
a. de voor het volgende jaar te verwachten kosten als bedoeld in artikel 12, verminderd met het saldo over het vorige jaar;
b. het voor het volgende jaar te verwachten aantal berichten dat ten laste van de betrokkenen komt.
3.
Het saldo over het vorige jaar wordt gevonden door de in artikel 14, eerste tot en met derde lid, bedoelde bijdragen over dat jaar te verminderen met de kosten, bedoeld in artikel 12, in dat jaar.
4.
Onze Minister deelt de abonnementsstructuur in september van elk jaar mede aan de betrokkenen.
1.
De bijdrage van een betrokkene, bedoeld in artikel 12, tweede lid, bestaat uit een jaarlijkse betaling. Hiertoe brengt Onze Minister het abonnementstarief voor het lopende jaar in rekening dat behoort bij de abonnementsklasse waarin de betrokkene valt, gelet op het aantal berichten dat in het voorafgaande jaar ten laste van hem kwam.
2.
Indien het aantal berichten over het lopende jaar dat ten laste van de betrokkene komt, in een hogere abonnementsklasse valt dan de in het eerste lid bedoelde klasse, brengt Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, het abonnementstarief voor het lopende jaar in rekening dat behoort bij die hogere klasse.
3.
Onze Minister stelt het jaarlijks in rekening te brengen bedrag voor een betrokkene op nul vast, voor zover een voorziening is getroffen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken die in de plaats treedt van de bijdrage van de betrokkene.
1.
Categorieën van kosten, als bedoeld in artikel 1.14, tweede lid, van de wet, zijn tevens de kosten in verband met de afstemming van gegevens van een betrokkene op de gegevens in de basisregistratie.
2.
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke berichten voor de toepassing van dit artikel worden aangemerkt als afstemmingsberichten.
3.
Als afstemmingsbericht wordt slechts aangemerkt een bericht:
a. dat nodig is voor de systematische verstrekking van gegevens ter afstemming van de gegevens van een overheidsorgaan of derde op de gegevens in de basisregistratie;
b. waarvan de verzending en ontvangst geschiedt op een wijze die op grond van artikel 4 is beschreven in de systeembeschrijving, en
c. dat als doel heeft de in het vijfde lid bedoelde verstrekking van gegevens mogelijk te maken.
4.
Voor afstemmingsberichten brengt Onze Minister, in afwijking van de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14, bij de overheidsorganen en derden een tarief per geregistreerde persoon in rekening.
5.
Onder geregistreerde persoon als bedoeld in het vierde lid wordt verstaan de persoon over wie het overheidsorgaan of de derde verzoekt gegevens verstrekt te krijgen op de wijze die is beschreven in artikel 37, eerste lid, onderdeel a.
6.
De kosten in verband met de afstemming bestaan uit de kosten die naar verwachting zijn verbonden aan de verzending en ontvangst van afstemmingsberichten over het stelsel van berichtuitwisseling of met behulp van alternatieve media.
7.
Het tarief wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister. Het tarief wordt op een zodanige wijze vastgesteld dat door het totaal van de in rekening te brengen tarieven de kosten, bedoeld in het zesde lid, worden gedekt.
8.
Het autorisatiebesluit bepaalt met betrekking tot het overheidsorgaan of de derde het aantal geregistreerde personen als bedoeld in het vijfde lid en het aantal afstemmingsberichten dat door het overheidsorgaan of de derde over het stelstel van berichtuitwisseling wordt verzonden en ontvangen.
9.
Onze Minister stelt een raming vast van de verwachte kosten, alsmede van het verwachte aantal afstemmingsberichten.
1.
Categorieën van kosten, als bedoeld in artikel 1.14, tweede lid, van de wet, zijn tevens de kosten in verband met de verzending van berichten met behulp van alternatieve media, tenzij deze kosten vallen onder artikel 15 of de verzending verband houdt met een infrastructurele wijziging ten aanzien van een gemeente.
2.
Onze Minister kan bij de betrokkene aan wie de berichten worden verzonden in verband met de kosten, bedoeld in het eerste lid, een bijdrage in rekening brengen. Deze bijdrage kan in rekening worden gebracht naast de bijdrage die op grond van de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voor de betrokkene wordt vastgesteld.
3.
Bij regeling van Onze Minister wordt vastgesteld welke bijdragen ten hoogste in rekening kunnen worden gebracht.
1.
Categorieën van kosten, als bedoeld in artikel 1.14, tweede lid, van de wet, zijn tevens de kosten in verband met de schriftelijke verstrekking van gegevens.
2.
Een college van burgemeester en wethouders dat schriftelijk gegevens verstrekt, kan bij de betrokkene aan wie de gegevens worden verstrekt in verband met de kosten, bedoeld in het eerste lid, een bijdrage in rekening brengen. Voor zover de verstrekking geschiedt door Onze Minister, kan deze bijdrage in rekening worden gebracht naast de bijdrage die op grond van de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voor de betrokkene wordt vastgesteld.
3.
Bij regeling van Onze Minister wordt vastgesteld welke bijdragen ten hoogste in rekening kunnen worden gebracht.
1.
Categorieën van kosten, als bedoeld in artikel 1.14, tweede lid, van de wet, zijn tevens de kosten in verband met:
a. de verstrekking van gegevens op grond van artikel 3.13 van de wet;
b. de verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c.
2.
De bijdrage van een betrokkene in de in het eerste lid bedoelde kosten wordt vastgesteld op basis van de kosten van de verstrekking, met uitzondering van de kosten waartoe door de betrokkene al wordt bijgedragen op grond van de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14.
3.
De bijdrage kan door Onze Minister of door een college van burgemeester en wethouders in rekening worden gebracht. Voor zover de verstrekking geschiedt door Onze Minister, kan deze bijdrage in rekening worden gebracht naast de bijdrage die op grond van de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voor de betrokkene wordt vastgesteld.
1.
Categorieën van kosten, als bedoeld in artikel 1.14, tweede lid, van de wet, zijn tevens de kosten in verband met het ter beschikking stellen van informatie op grond van artikel 3.14 van de wet.
2.
De bijdrage van een betrokkene in de in het eerste lid bedoelde kosten wordt, in afwijking van de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14, vastgesteld op basis van de kosten van de terbeschikkingstelling.
Artikel 20
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vaststelling en de betaling van de bijdragen.
1.
Voor inschrijving als ingezetene komen niet in aanmerking:
a. de personen die door Onze Minister van Buitenlandse Zaken zijn aangewezen in verband met hun bijzondere verblijfsrechtelijke status;
b. de in Nederland hun dienst uitoefenende militairen behorend tot de krijgsmacht van een vreemde mogendheid, aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie;
c. de in Nederland hun dienst uitoefenende leden van het burgerpersoneel, die in dienst zijn bij de krijgsmacht van een vreemde mogendheid als bedoeld in onderdeel b, of die in dienst zijn van een hoofdkwartier als bedoeld in artikel 3 van het op 28 augustus 1952 te Parijs tot stand gekomen Protocol bij het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag – nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten – nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noordatlantisch Verdrag (Trb. 1953, 11) en beschikken over een door het hoofdkwartier afgegeven identiteitsbewijs;
d. de echtgenoten of geregistreerde partners van personen als bedoeld in onderdeel b of c;
e. de inwonende minderjarige kinderen van personen als bedoeld in onderdeel b, c of d;
f. vreemdelingen die geen toelating hebben tot Nederland en verblijven in een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen, gedurende de eerste zes maanden van het verblijf in Nederland.
2.
Het eerste lid, aanhef en onderdelen b, c, d en e, is niet van toepassing op aldaar bedoelde personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten.
3.
Het eerste lid, aanhef en onderdelen c, d, en e, is niet van toepassing op:
a. aldaar bedoelde personen die reeds gedurende een jaar als ingezetene zijn ingeschreven;
b. aldaar bedoelde personen die geen onderdaan zijn van een staat die is aangesloten bij de Noordatlantische Verdragsorganisatie;
c. aldaar bedoelde personen die staatloos zijn.
4.
Het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing op de aldaar bedoelde personen van wie het verblijf in Nederland aanvangt door geboorte en omtrent wie door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland een geboorteakte is opgemaakt.
1.
Een persoon kan door Onze Minister van Buitenlandse Zaken worden aangewezen als persoon bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel a, indien hij geen Nederlander is en behoort tot een van de volgende categorieën van personen:
a. de leden van diplomatieke zendingen en van consulaire posten;
b. de leden van het administratieve en technische personeel van diplomatieke zendingen en van consulaire posten;
c. de inwonende gezinsleden van de in onderdeel a en b bedoelde personen;
d. andere personen die krachtens internationaal recht een bijzondere verblijfsrechtelijke status hebben.
2.
Een persoon ten aanzien van wie een aanwijzing van kracht wordt, terwijl hij reeds als ingezetene is ingeschreven, wordt aangemerkt als een ingeschrevene die wegens zijn vertrek uit Nederland niet als ingezetene is ingeschreven.
3.
Een aanwijzing wordt niet van kracht of beëindigd voordat het college van burgemeester en wethouders de in artikel 25 bedoelde mededeling heeft ontvangen.
4.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een persoon die nog niet gedurende een jaar als ingezetene is ingeschreven en op wie artikel 21, eerste lid, aanhef en onderdeel c, d of e, van toepassing wordt.
1.
De in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde algemene gegevens over ingezetenen zijn als zodanig nader bepaald in de tabel die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.
2.
De in de tabel in bijlage 1 bij dit besluit bedoelde gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling en de in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel b, van de wet genoemde administratieve gegevens worden nader bepaald bij regeling van Onze Minister.
1.
Het college van burgemeester en wethouders zendt een afschrift van een beslissing om op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de wet gegevens over een huwelijk, een geregistreerd partnerschap, een erkenning, of de geboortedatum van de betrokken persoon niet in de basisregistratie op te nemen, aan de korpschef als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 .
2.
Het eerste lid is slechts van toepassing indien de in dat lid bedoelde gegevens betrekking hebben op een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 .
1.
Onze Minister van Buitenlandse Zaken doet van een aanwijzing als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel a, of van de beëindiging daarvan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de mededelingen worden gedaan.
Artikel 26
Bij het voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 4, van de wet, wordt door een overheidsorgaan, indien bekend, het burgerservicenummer vermeld van de persoon of personen ten aanzien van wie gegevens, bescheiden of inlichtingen worden verstrekt of met betrekking tot wie mededelingen worden gedaan.
1.
Een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de wet, alsmede een bestuursorgaan dat op grond van artikel 2.34, tweede of vierde lid, van de wet is aangewezen, doet mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van door hem geconstateerde afwijkingen tussen enerzijds gegevens die hij verstrekt heeft gekregen uit de basisregistratie of waarvan de verstrekking achterwege is gebleven en anderzijds gegevens waarvan hij op andere wijze kennis heeft gekregen, alsmede van de grond van zijn gerede twijfel als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de wet.
2.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de gevallen waarin en regels over de wijze waarop de mededeling wordt gedaan.
1.
Het college van burgemeester en wethouders stelt het bestuursorgaan dat een mededeling als bedoeld in artikel 2.34 van de wet heeft gedaan, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de mededeling ervan in kennis of deze mededeling aanleiding is geweest voor verbetering, aanvulling of verwijdering van gegevens in de basisregistratie, dan wel dat bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 2.26 van de wet is geplaatst in verband met het doen van een onderzoek naar de onjuistheid van het gegeven.
2.
Indien het college van burgemeester en wethouders besluit een aantekening als bedoeld in artikel 2.26 van de wet te plaatsen, stelt het college het bestuursorgaan dat de mededeling heeft gedaan na afloop van het onderzoek ervan in kennis of naar aanleiding van de mededeling gegevens in de basisregistratie zijn verbeterd, aangevuld of verwijderd.
1.
Niet verplicht tot het doen van aangifte van vertrek is de ingezetene die vanaf het tijdstip van het vertrek uit Nederland naar redelijke verwachting niet langer dan twee jaar buiten Nederland verblijft en die gedurende zijn verblijf buiten Nederland beroepshalve vaart aan boord van een schip dat in Nederland de thuishaven heeft.
2.
Het eerste lid is alleen van toepassing indien de betrokkene gedurende zijn verblijf buiten Nederland beschikt over een adres in Nederland.
1.
De gevallen waarin de verplichtingen, vermeld in artikel 2.38 van de wet, kunnen worden vervuld door de in artikel 2.49, eerste lid, van de wet bedoelde personen zijn de gevallen waarin de betrokkene zelf niet in staat is om in persoon te verschijnen vanwege:
a. de toestand van zijn gezondheid, zo nodig onder overlegging van een schriftelijke verklaring ter zake van een behandelend arts, of
b. verblijf in een penitentiaire instelling.
2.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is de betrokkene, in afwijking van artikel 2.38, eerste lid, van de wet, niet verplicht zich in persoon te melden bij het college van burgemeester en wethouders.
3.
Artikel 2.49, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde gevallen.
4.
De gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, zijn tevens de in artikel 2.49, vierde lid, van de wet bedoelde gevallen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
De volgende bestuursorganen zijn wat betreft de genoemde taken bevoegd om Onze Minister een verzoek als bedoeld in artikel 2.68, eerste lid, van de wet of een opgave als bedoeld in artikel 2.70, derde lid, onderdeel a, van de wet te doen:
a. de volgende organen binnen de Belastingdienst:
de heffing van rijksbelastingen op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van andere heffingen, premies of bijdragen van het rijk voor zover bij of krachtens de wet opgedragen;
de invordering van belastingen, andere heffingen van het rijk en tegemoetkomingen op grond van de Invorderingswet 1990 ;
de heffing en invordering van invoerrechten en accijnzen op grond van de Algemene douanewet ;
de toepassing van de Algemene douanewet met betrekking tot de taken, voortvloeiende uit het bepaalde in artikel 1:1 van de Algemene douanewet;
2°. de Belastingdienst/Toeslagen, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, wat betreft de uitkering en terugvordering van tegemoetkomingen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ;
b. de Sociale Verzekeringsbank wat betreft de taken op grond van hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen met uitzondering van de taken op grond van artikel 35 van die wet ten aanzien van verzekerden en bij de verzekerden behorende personen in de verzekerdenadministratie;
c. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wat betreft de taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen met uitzondering van de taken op grond van artikel 33 van die wet;
d. het College voor zorgverzekeringen wat betreft de taken op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet;
e. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
f. Onze Minister van Buitenlandse Zaken wat betreft de taken omtrent personen die in Nederland voorrechten en immuniteiten genieten op grond van het op 18 april 1961 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer met twee protocollen (Trb. 1962, 101), het op 24 april 1963 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, met twee protocollen (Trb. 1965, 40), zetelovereenkomsten met in Nederland gevestigde internationale organisaties, Europese regelgeving of volkenrechtelijk gebruik.
1.
De in artikel 2.69, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde algemene gegevens over niet-ingezetenen zijn als zodanig nader bepaald in de tabel die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.
2.
De in de tabel in bijlage 1 bij dit besluit bedoelde gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling en de in artikel 2.69, eerste lid, onderdeel b, van de wet genoemde administratieve gegevens worden nader bepaald bij regeling van Onze Minister.
1.
Onze Minister neemt bij een inschrijving als bedoeld in artikel 2.67 van de wet ten minste de volgende gegevens over de betrokkene op:
a. over de burgerlijke staat: de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland of -gebied en het geslacht;
b. over de nationaliteit: de nationaliteit of nationaliteiten, dan wel een aanduiding dat de betrokkene geen nationaliteit bezit, of een aanduiding dat de nationaliteit van de betrokkene niet kan worden vastgesteld.
2.
Onze Minister neemt daarnaast de data ingang en beëindiging rechtsgeldigheid van de in het eerste lid bedoelde gegevens op voor zover deze bij de inschrijving kunnen worden vastgesteld.
3.
Onze Minister neemt daarnaast andere algemene gegevens op voor zover de betrokkene daarom verzoekt en de gegevens bij de inschrijving kunnen worden vastgesteld.
1.
Een aangewezen bestuursorgaan legt bij een verzoek om inschrijving als bedoeld in artikel 2.68 van de wet ten minste een opgave over van de volgende gegevens over de burgerlijke staat van de betrokkene: de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum en het geslacht.
2.
Het aangewezen bestuursorgaan legt daarnaast een opgave over van de data ingang en beëindiging rechtsgeldigheid van de in het eerste lid bedoelde gegevens voor zover deze bij het verzoek om inschrijving kunnen worden vastgesteld.
3.
Het aangewezen bestuursorgaan kan daarnaast een opgave overleggen van andere algemene gegevens voor zover de gegevens bij het verzoek om inschrijving kunnen worden vastgesteld.
4.
Een aangewezen bestuursorgaan legt bij een opgave als bedoeld in artikel 2.70, derde lid, van de wet, in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, ten minste de volgende gegevens over de betrokkene over: het burgerservicenummer en de gegevens die voor bijhouding in aanmerking komen.
Artikel 35
Degene die in persoon verschijnt in verband met een verzoek als bedoeld in artikel 2.79 van de wet, legt daarbij ten minste over:
a. een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, of
b. een buitenlands paspoort of ander reisdocument dan wel een buitenlandse nationale identiteitskaart.
Artikel 36
Een persoon die aan Onze Minister een verzoek richt als bedoeld in artikel 2.81, derde lid, in samenhang met artikel 2.55, derde lid, van de wet, is een recht verschuldigd dat gelijk is aan het recht dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de inschrijfvoorziening is ondergebracht heft op grond van artikel 229 van de Gemeentewet voor het uitvoeren van eenzelfde verzoek dat aan het college is gericht op grond van artikel 2.81, vierde lid, van de wet.
1.
De in artikel 3.1, tweede lid, van de wet bedoelde systematische verstrekking van gegevens aan overheidsorganen betreft de volgende wijzen van verstrekking overeenkomstig de systeembeschrijving:
a. spontane verstrekking, zijnde de eenmalige verstrekking van de in een autorisatiebesluit vermelde gegevens over de door het overheidsorgaan aangegeven personen die deel uitmaken van de in het autorisatiebesluit aangegeven categorie van personen, of over personen over wie de in de basisregistratie opgenomen gegevens voldoen aan de in het autorisatiebesluit genoemde voorwaarden, gevolgd door de verstrekking van de wijzigingen die zich voordoen in deze gegevens;
b. selectie- en conditionele verstrekking, zijnde de eenmalige of periodieke verstrekking van de in een autorisatiebesluit opgenomen gegevens over personen over wie de in de basisregistratie vermelde gegevens voldoen aan de in het autorisatiebesluit genoemde voorwaarden;
c. verstrekking op basis van een zoekvraag, zijnde een verstrekking op verzoek van het overheidsorgaan, van gegevens die deel uitmaken van de in een autorisatiebesluit vermelde gegevens over, per verzoek, een in het autorisatiebesluit gemaximeerd aantal personen die deel uitmaken van de in het autorisatiebesluit bepaalde categorie van personen en over wie de gegevens voldoen aan de gegevens die in het verzoek van het overheidsorgaan zijn vermeld.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de systematische verstrekking van gegevens aan derden als bedoeld in artikel 3.3 van de wet.
Artikel 38
Bij de indiening van een verzoek tot het nemen van een autorisatiebesluit maakt een overheidsorgaan of een derde gebruik van een door Onze Minister vastgesteld formulier.
Artikel 39
De door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang, bedoeld in artikel 3.3 van de wet, de categorieën van derden die in verband met die werkzaamheden in aanmerking komen voor de systematische verstrekking van gegevens, de beperkingen ten aanzien van de gegevens die kunnen worden verstrekt en de bepaling of artikel 3.21 van de wet op de verstrekking van toepassing is, zijn aangeduid in de tabel die als bijlage 4 bij dit besluit is gevoegd.
Artikel 40
Het college van burgemeester en wethouders weigert een verzoek tot verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 3.5 of artikel 3.6 van de wet, indien het aantal verstrekkingen per jaar aan het overheidsorgaan of de derde naar redelijke verwachting van het college meer zal zijn dan vijfduizend verstrekkingen.
Artikel 41
De door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang, bedoeld in artikel 3.6 van de wet, de categorieën van derden die in verband met die werkzaamheden in aanmerking komen voor de verstrekking van gegevens, de beperkingen ten aanzien van de gegevens die kunnen worden verstrekt en de bepaling of artikel 3.21 van de wet op de verstrekking van toepassing is, zijn aangeduid in de tabel die als bijlage 5 bij dit besluit is gevoegd.
Artikel 42
Ter uitvoering van artikel 3.11 van de wet wordt van systematische verstrekking van gegevens geen aantekening gehouden voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor:
a. de uitvoering van taken door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten 2002, met inbegrip van werkzaamheden die ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst worden verricht op grond van artikel 60 van die wet;
b. de uitvoering van taken door de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002;
c. de uitvoering van taken door de politie op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 of door de Koninklijke marechaussee op grond van artikel 4 van die wet, die verband houden met de bestrijding van zware of georganiseerde criminaliteit;
d. de uitvoering van taken door de rijksrecherche op grond van artikel 49 van de Politiewet 2012 die verband houden met onderzoeken in opdracht van het College van Procureurs-Generaal.
1.
Indien door een ingezetene aangifte is gedaan van vertrek naar Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, verstrekt Onze Minister de gegevens over de betrokkene die daartoe zijn aangewezen in de tabel die als bijlage 6 bij dit besluit is gevoegd aan de desbetreffende verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het desbetreffende openbaar lichaam.
2.
Een college van burgemeester en wethouders verstrekt op verzoek van een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een openbaar lichaam aan deze gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn in verband met de bijhouding van de basisadministratie van de verantwoordelijke. De verstrekking kan uitsluitend betrekking hebben op de gegevens over de betrokkene die daartoe zijn aangewezen in de tabel die als bijlage 6 bij dit besluit is gevoegd.
3.
Onze Minister kan op verzoek van een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen aan hem gegevens verstrekken, ter bevordering van de afstemming van de basisadministratie van de verantwoordelijke op de basisregistratie. De verstrekking kan uitsluitend betrekking hebben op de gegevens over de betrokkene die daartoe zijn aangewezen in de tabel die als bijlage 6 bij dit besluit is gevoegd.
1.
Artikel 3.13 van de wet is van toepassing op een verstrekking uit de basisregistratie voor zover:
a. het verzoek daartoe is gedaan door een instelling als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek , een onderzoeksafdeling van een overheidsorgaan of een onderzoeksbureau;
b. het onderzoek een algemeen belang dient;
c. de verwerking voor het betreffende onderzoek noodzakelijk is;
d. de verzoeker heeft aangetoond dat de nodige voorzieningen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat de verdere verwerking van de verstrekte gegevens uitsluitend geschiedt ten behoeve van het onderzoek en dat ook overigens is voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad, en
e. de gegevens slechts in geanonimiseerde vorm aan anderen beschikbaar worden gesteld, tenzij de ingeschrevene uitdrukkelijk met de voorgenomen openbaarmaking van de hem betreffende gegevens heeft ingestemd.
2.
De verstrekking geschiedt door Onze Minister of door een college van burgemeester en wethouders
3.
Verstrekking door Onze Minister geschiedt overeenkomstig hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald ten aanzien van systematische verstrekkingen, met uitzondering van artikel 3.2, achtste lid, van de wet.
4.
Onze Minister maakt slechts gebruik van zijn bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, voor zover:
a. de verzoeker heeft aangetoond dat het voor een goede uitvoering van het onderzoek noodzakelijk is dat verstrekking plaatsvindt overeenkomstig hetgeen krachtens de artikelen 3.1 en 3.2 van de wet is bepaald;
b. aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, is voldaan, en
c. het College bescherming persoonsgegevens over het verzoek is gehoord.
1.
Een overheidsorgaan of een derde die Onze Minister een verzoek doet om informatie ter beschikking te stellen die is verkregen door bewerking van gegevens uit de basisregistratie, verschaft bij dat verzoek:
a. inlichtingen over het doel waarvoor de informatie wordt gevraagd;
b. een precieze beschrijving van de informatie die wordt gevraagd;
c. een aanduiding van het tijdstip waarop de informatie nodig is en de reden waarom de informatie op dat tijdstip nodig is.
2.
Het overheidsorgaan of de derde geeft aan waarom de informatie niet of niet tijdig op een andere manier kan worden verkregen.
3.
Onze Minister kan een verzoek in ieder geval weigeren voor zover:
a. de verstrekking overwegend commercieel gebruik tot doel heeft;
b. de behandeling van het verzoek of de verstrekking zodanig is dat het regulier beheer in de knel komt;
c. de informatie niet tijdig ter beschikking kan worden gesteld, of
d. de informatie tijdig op een andere manier kan worden verkregen.
Artikel 46
Het college van burgemeester en wethouders of Onze Minister voldoet in ieder geval niet aan een verzoek van een betrokkene als bedoeld in artikel 3.22, eerste en tweede lid, en 3.23, eerste lid, van de wet, voor zover de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie heeft plaatsgevonden voor de uitvoering van de hieronder bedoelde taken en voor zover het overheidsorgaan waaraan of de derde aan wie de gegevens ter uitvoering van die taken zijn verstrekt, heeft aangegeven dat aan het verzoek van de betrokkene niet kan worden voldaan:
a. taken op grond van de artikelen 3, 4 en 49 van de Politiewet 2012 die worden uitgevoerd in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;
1.
De onderzoeken, bedoeld in artikel 4.3 van de wet, geschieden jaarlijks, uiterlijk op 30 september.
2.
De uitvoering van deze onderzoeken geschiedt met behulp van een door Onze Minister beschikbaar gesteld evaluatie-instrument.
3.
Onze Minister verstrekt ten behoeve van het onderzoek door een college van burgemeester en wethouders aan het college een op de ingezetenen van de gemeente betrekking hebbend overzicht van aandachtspunten.
4.
De uittreksels, bedoeld in artikel 4.3 van de wet, bevatten de geaggregeerde resultaten van het onderzoek. Bij regeling van Onze Minister wordt voor de verschillende typen uittreksels het aggregatieniveau bepaald.
5.
De uittreksels worden jaarlijks, uiterlijk op 31 oktober, verzonden.
6.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van de onderzoeken en de inhoud van de uittreksels.
1.
De op grond van artikel 4.6 van de wet aan het college van burgemeester en wethouders verstrekte gegevens worden toegevoegd aan het persoonsregister.
2.
Onze Minister kan regels stellen omtrent de zorg voor het persoonsregister, het persoonskaartenarchief en het schakelregister. Daarbij kan worden bepaald dat het persoonsregister op een andere wijze dan in de vorm van persoonskaarten, bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding, kan worden aangehouden en kan de vernietiging van persoonskaarten worden geregeld.
Artikel 49
Onze Minister stelt regels omtrent heffingen in verband met de verstrekking van gegevens uit:
a. het persoonskaartenarchief, bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding;
b. het schakelregister, bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding;
c. het centraal archief van overledenen, bestaande uit de persoonskaarten, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van het Besluit bevolkingsboekhouding.
1.
Onze Minister raadpleegt de desbetreffende gemeenten, overheidsorganen waaraan en derden aan wie systematisch gegevens worden verstrekt, inzake de overgang, bedoeld in de artikelen 4.15 en 4.16 van de wet.
2.
Onze Minister stelt een schema vast waarin voor een betrokkene of groep van betrokkenen een tijdstip wordt vastgesteld voor de overgang van de oude naar de nieuwe voorzieningen of berichtuitwisseling.
3.
Onze Minister kan verschillende tijdstippen vaststellen voor verschillende delen van de organisatie van de gemeente, het overheidsorgaan of de derde, of voor verschillende wijzen van verstrekking van gegevens.
4.
De betrokkenen dragen er zorg voor dat zij op het desbetreffende tijdstip gereed zijn om uitvoering te geven aan de wet met behulp van de nieuwe voorzieningen of de nieuwe berichtuitwisseling.
1.
Onze Minister stelt in september van ieder kalenderjaar een korting vast voor het volgende jaar in verband met de toename van de kosten, bedoeld in artikel 12, die gedurende dat jaar in verband met de overgang van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens naar de basisregistratie personen plaatsvindt.
2.
De ingevolge het eerste lid vastgestelde korting wordt in mindering gebracht op de kosten in verband met dat kalenderjaar bij de vaststelling van de abonnementsstructuur op grond van artikel 13.
1.
Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald in welke gevallen artikel 26 niet van toepassing is in verband met de overgang van de oude naar de nieuwe voorzieningen of de overgang van de oude naar de nieuwe berichtuitwisseling.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld in verband met de overgang, waarbij kan worden afgeweken van de hoofdstukken 2 en 3 van dit besluit, voor zover de afwijking noodzakelijk is in verband met een goede bijhouding en verstrekking van gegevens in de basisregistratie gedurende de overgang van de oude naar de nieuwe voorzieningen of de overgang van de oude naar de nieuwe berichtuitwisseling.
1.
In afwijking van artikel 13 geldt voor het jaar 2014 de abonnementsstructuur die Onze Minister voor dat jaar heeft vastgesteld op grond van artikel 6 van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zoals dat luidde op de laatste dag voor de intrekking van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens .
2.
Voor de toepassing van artikel 13, derde lid, wordt wat betreft het vaststellen van de abonnementsstructuur voor het jaar 2015, uitgegaan van vermindering van de bijdragen met de kosten, bedoeld in artikel 4 van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zoals dat luidde op de laatste dag voor de intrekking van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens .
3.
Voor de toepassing van artikel 14 wordt wat betreft het bij een betrokkene in rekening te brengen abonnementstarief voor het jaar 2014 gelet op het aantal netwerkberichten dat in het jaar 2013 ten laste van hem kwam op grond van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zoals dat gold op de laatste dag voor de intrekking van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens .
Artikel 54
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kunnen andere tijdstippen worden vastgesteld waarop de onderdelen van artikel 31 in werking treden.
Artikel 55
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit basisregistratie personen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Wassenaar, 28 november 2013
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de negende december 2013
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De bijhouding van de basisregistratie
+ Hoofdstuk 3. De verstrekking
+ Hoofdstuk 4. Toezicht, overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht