Besluit van 23 augustus 2005, houdende vaststelling van bekwaamheidseisen voor leraren in het basisonderwijs, het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en voor docenten educatie en beroepsonderwijs, alsmede houdende aanwijzing van vakken voor bekwaamheid als vakleerkracht in het primair onderwijs (Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 10 februari 2005, nr. WJZ/2005/2292 (3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onder b.1°, 32, zesde lid, en 32a, eerste en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 3, eerste lid, onder b.1°, 32, zesde lid, en 32a, eerste en vierde lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 35a en 36, eerste, vierde en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en artikel 4.2.3, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van 4 april 2005, nr. W05.05.0034/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 18 augustus 2005, nr. WJZ/2005/36434 (3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. school: school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs ;
b. instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 onder b van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 1.2. Reikwijdte
Dit besluit heeft geen betrekking op leraren of docenten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
Artikel 2.1. Zeven competenties
De bekwaamheid tot het geven van onderwijs omvat de volgende competenties:
a. interpersoonlijke competentie;
b. pedagogische competentie;
c. vakinhoudelijke en didactische competentie;
d. organisatorische competentie;
e. competentie in het samenwerken met collega’s;
f. competentie in het samenwerken met de omgeving;
g. competentie in reflectie en ontwikkeling.
1.
Deze titel heeft, onverminderd het tweede lid, betrekking op:
a. het basisonderwijs, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , en
b. het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in de Wet op de expertisecentra .
2.
Deze titel omvat zintuiglijke en lichamelijke oefening in het primair onderwijs uitsluitend:
a. voor het onderwijs in de groepen 1 en 2 van het basisonderwijs, en
b. voor het speciaal onderwijs in de groepen van leerlingen tot 7 jaren.
Artikel 2.3. Begripsbepaling titel 2
In deze titel wordt verstaan onder:
a. leraar: leraar als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra ;
b. primair onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra .
1.
De leraar onderschrijft zijn interpersoonlijke verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn eigen houding en gedrag en van de invloed daarvan op de kinderen. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van groepsprocessen en communicatie om een goede samenwerking met en van de kinderen tot stand te brengen.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij maakt contact met de kinderen en zorgt ervoor dat zij contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak voelen,
2°. hij geeft de kinderen leiding maar laat hun ook verantwoordelijkheid en geeft hun een eigen inbreng, en
3°. hij schept een goed klimaat voor samenwerking met de kinderen en tussen de kinderen onderling;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen in de leefwereld van de kinderen, en
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele communicatie en kent in het bijzonder de implicaties daarvan voor zijn eigen doen en laten.
1.
De leraar onderschrijft zijn pedagogische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende pedagogische kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige wijze voor het individuele kind en de klas of groep een veilige leeromgeving tot stand te brengen waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig en verantwoordelijk persoon.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van het sociale klimaat in een groep, van het individuele welbevinden van de kinderen en van de vorderingen die zij maken op het gebied van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan een plan van aanpak of een benadering om de kinderen te begeleiden naar een veilig en harmonisch leef- en werkklimaat en om hun sociaal-emotionele en morele ontwikkeling te bevorderen,
3°. hij voert dat plan van aanpak of die benadering uit,
4°. hij evalueert dat plan van aanpak of die benadering en stelt het zonodig bij, voor de hele groep en ook voor individuele kinderen, en
5°. hij signaleert problemen en belemmeringen in de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van kinderen en stelt, eventueel samen met collega’s, een passend plan van aanpak of benadering op;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is vertrouwd met de leefwereld van basisschoolkinderen, hun basisbehoeften, hun verwachtingen, met de culturele bepaaldheid daarvan, en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
2°. hij is bekend met het globale verloop van de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van basisschoolkinderen, met de problemen die zich daarbij kunnen voordoen en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
3°. hij is bekend met ontwikkelings- en opvoedingstheorieën van het jonge en oudere kind, is vertrouwd met verschillende opvoedingspraktijken en met de culturele bepaaldheid daarvan en is zich bewust van de consequenties van die theorieën en praktijken voor het onderwijs en voor zijn doen en laten als leraar, en
4°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij het jonge en oudere kind én van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
1.
De leraar onderschrijft zijn vakinhoudelijke en didactische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van de onderwijsinhouden en de didactiek om op eigentijdse, professionele en planmatige wijze een krachtige leeromgeving tot stand te brengen waarin de kinderen zich de culturele bagage eigen kunnen maken die de maatschappij vereist.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van de mate waarin de kinderen de leerinhoud beheersen en van de manier waarop ze hun werk aanpakken,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan leeractiviteiten of speel- en leeractiviteiten die voor de kinderen uitvoerbaar zijn en die hen aanzetten tot zelfwerkzaamheid,
3°. hij voert die activiteiten samen met de kinderen uit,
4°. hij evalueert die activiteiten en de effecten ervan en stelt ze zonodig bij, voor de hele groep maar ook voor individuele kinderen, en
5°. hij signaleert leerproblemen en -belemmeringen en stelt, zo nodig samen met collega’s, een passend plan van aanpak of benadering op;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij beheerst de leerinhouden van de vak- en vormingsgebieden, zoals beschreven in de kerndoelen, de referentieniveaus Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen voor het primair onderwijs,
2°. hij kent het belang van die leerinhouden voor het dagelijks leven van basisschoolkinderen en weet hoe zij die leerinhouden gebruiken,
3°. hij is vertrouwd met de opbouw van de leerinhouden in leerlijnen en met de samenhang daartussen,
4°. hij heeft kennis van, al dan niet onderzoeksmatig, ontwerpen van onderwijs, didactieken en didactische leermiddelen, waaronder informatie- en communicatietechnologie,
5°. hij is bekend met verschillende leer- en onderwijstheorieën en onderwijsarrangementen voor het jonge en oudere kind en weet hoe hij die in praktijk kan brengen,
6°. hij is vertrouwd met de wijze waarop kinderen leren, wat hun leerbehoeften zijn, hoe hun ontwikkeling verloopt en welke problemen zich daarbij kunnen voordoen en hij weet hoe hij daar mee om kan gaan,
7°. hij heeft kennis van de invloed van taalbeheersing en taalverwerving op het leren en weet hoe hij daar in zijn praktijk rekening mee moet houden,
8°. hij heeft een praktische kennis van veel voorkomende leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen, en
9°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij het jonge en oudere kind, en van de culturele bepaaldheid daarvan en hij weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
1.
De leraar onderschrijft zijn organisatorische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende organisatorische kennis en vaardigheid om in zijn klas en zijn lessen op professionele en planmatige wijze een goed leef- en werkklimaat tot stand te brengen dat overzichtelijk, ordelijk en taakgericht is en in alle opzichten helder voor hemzelf, zijn collega’s en in het bijzonder de kinderen.
2.
Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij hanteert op een consequente manier concrete, functionele en door de kinderen gedragen procedures en afspraken,
2°. hij gebruikt organisatievormen, leermiddelen en leermaterialen die leerdoelen en leeractiviteiten ondersteunen, en
3°. hij houdt een planning aan die bij de kinderen bekend is en gaat adequaat om met tijd;
b. is hij bekend met die aspecten van klassenmanagement die voor zijn onderwijs relevant zijn.
1.
De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het samenwerken met collega’s. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheden om een professionele bijdrage te leveren aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat op zijn school, aan goede werkverhoudingen en een goede schoolorganisatie.
2.
Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis:
a. beschikt de leraar over de volgende vaardigheden:
1°. hij deelt informatie die voor de voortgang van het werk van belang is, met collega’s en maakt gebruik van de informatie die hij van collega’s krijgt,
2°. hij levert een constructieve bijdrage aan verschillende vormen van overleg en samenwerken op school,
3°. hij geeft en ontvangt collegiale consultatie en intervisie, en
4°. hij levert een bijdrage aan de ontwikkeling en verbetering van zijn school;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is op praktisch niveau bekend met methodieken voor samenwerking en intervisie,
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van leerlingvolgsystemen en manieren om zijn eigen werk toegankelijk te administreren,
3°. hij heeft enige kennis van organisatie- en bestuursvormen voor scholen in het primair onderwijs, en
4°. hij is op de hoogte van modellen voor kwaliteitszorg en methodieken voor onderwijsverbetering en schoolontwikkeling.
1.
De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het samenwerken met de omgeving van de school. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met mensen en instellingen die betrokken zijn bij de zorg voor de kinderen en bij zijn school.
2.
Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij geeft op professionele manier aan ouders en andere belanghebbenden informatie over de kinderen en gebruikt de informatie die hij van hen krijgt,
2°. hij neemt op een constructieve manier deel aan verschillende vormen van overleg met mensen en instellingen buiten de school, en
3°. hij verantwoordt zijn professionele opvattingen en werkwijze met betrekking tot een kind aan ouders en andere belanghebbenden en past in gezamenlijk overleg zonodig zijn werk met dat kind aan;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is bekend met de leefwereld van ouders of verzorgers en met de culturele achtergronden van de kinderen en weet hoe hij daar rekening mee moet houden in zijn doen en laten als leraar, en
2°. hij is op de hoogte van de professionele infrastructuur waar zijn school onderdeel van is.
1.
De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigen professionele ontwikkeling. Hij onderzoekt, expliciteert en ontwikkelt zijn opvattingen over het leraarschap en zijn bekwaamheid als leraar.
2.
Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij werkt planmatig aan de ontwikkeling van zijn bekwaamheid, op basis van een goede analyse van zijn competenties,
2°. hij stemt de ontwikkeling van zijn bekwaamheid af op het beleid van de school, en
3°. hij maakt bij die ontwikkeling gebruik van informatie van kinderen en collega’s en ook van collegiale hulp in de vorm van bijvoorbeeld intervisie en supervisie;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij heeft voldoende gedragspsychologische kennis om zijn eigen gedrag en dat van anderen te begrijpen en te analyseren,
2°. hij is op de hoogte van de onderwijspraktijk in andere scholen voor primair onderwijs en vervolgscholen en ook van actuele ontwikkelingen op het gebied van pedagogiek, didactiek, inhouden, werkwijzen en organisatievormen in het primair onderwijs, en
3°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen op het gebied van pedagogiek en didactiek die relevant zijn voor zijn onderwijs.
Artikel 2.11. Reikwijdte titel 3
Deze titel heeft betrekking op:
a. het voorbereidend beroepsonderwijs, het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, de eerste drie leerjaren van het hoger algemeen voortgezet onderwijs en van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, en het praktijkonderwijs, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs ;
b. de educatie en het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs .
Artikel 2.12. Begripsbepaling titel 3
In deze titel wordt verstaan onder:
a. leraar vo: leraar als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs ;
b. bve: beroepsonderwijs en educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs ;
c. docent bve: docent als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs ;
d. leerling: leerling als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs ;
e. deelnemer: deelnemer als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs .
1.
De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn interpersoonlijke verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn eigen houding en gedrag en van de invloed daarvan op de leerlingen of deelnemers. Hij heeft ook voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van groepsprocessen en communicatie om een goede samenwerking met en van de leerlingen of deelnemers tot stand te brengen.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen verrichten:
1°. hij maakt contact met de leerlingen of deelnemers en zorgt ervoor dat zij contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak voelen,
2°. hij biedt een kader waarbinnen de leerlingen of deelnemers hun eigen leerproces kunnen vormgeven en helpt de leerlingen of deelnemers daarbij, en
3°. hij schept een goed klimaat voor samenwerking met de leerlingen of deelnemers en tussen de leerlingen of deelnemers onderling;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende kennis:
1°. hij is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen in de leefwereld van zijn leerlingen of deelnemers en in de praktijk of beroepspraktijk waar zij zich op voorbereiden, en
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele communicatie en kent in het bijzonder de implicaties daarvan voor zijn eigen doen en laten.
1.
De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn pedagogische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende pedagogische kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige wijze voor individuele leerlingen of deelnemers en voor de groepen waarmee hij werkt, een veilige leeromgeving tot stand te brengen waarin leerling of deelnemers zich kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig en verantwoordelijk persoon.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van het sociale klimaat in een groep, van het individuele welbevinden van de leerlingen of deelnemers en van de vorderingen die zij maken op het gebied van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan een plan van aanpak of een benadering om de leerlingen of deelnemers te begeleiden naar een veilig en harmonisch leef- en werkklimaat en om hun sociaal-emotionele en morele ontwikkeling te bevorderen in de richting van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid,
3°. hij voert dat plan van aanpak of die benadering uit,
4°. hij evalueert dat plan van aanpak of die benadering en stelt het zonodig bij, voor de hele groep en ook voor individuele leerlingen of deelnemers, en
5°. hij signaleert problemen en belemmeringen in de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van leerlingen of deelnemers en stelt, zo nodig samen met collega’s, een passend plan van aanpak of benadering op;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende kennis:
1°. hij is vertrouwd met de leefwereld van zijn leerlingen of deelnemers, hun basisbehoeften, hun verwachtingen, met de culturele bepaaldheid daarvan, en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
2°. hij is bekend met bedrijfsculturen waar de leerlingen of deelnemers in of na hun opleiding mee te maken krijgen,
3°. hij is bekend met de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van tieners, jongvolwassenen en volwassenen, met de problemen en belemmeringen die zich daarbij kunnen voordoen en weet hoe hij die problemen in de praktijk kan signaleren en hoe hij daarmee om kan gaan,
4°. hij is bekend met ontwikkelings- en opvoedingstheorieën, is vertrouwd met verschillende opvoedingspraktijken en met de culturele bepaaldheid daarvan en is zich bewust van de consequenties van die theorieën en praktijken voor het onderwijs en voor zijn doen en laten als leraar vo of als docent bve, en
5°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en volwassenen én van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
1.
De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn vakinhoudelijke en didactische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende inhoudelijke en didactische kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige wijze voor de individuele leerlingen of deelnemers en voor de groepen waarmee hij werkt, een krachtige leeromgeving tot stand te brengen waarin leerlingen of deelnemers zich op een goede manier de leerinhouden van een bepaald vak op beroep eigen kunnen maken.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van de mate waarin de leerlingen of deelnemers de leerinhoud beheersen en van de manier waarop ze hun werk aanpakken,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan gevarieerde leeractiviteiten die voor de leerlingen of deelnemers uitvoerbaar zijn, waaruit zij eventueel kunnen kiezen en die hen aanzetten tot zelfwerkzaamheid,
3°. hij voert die leeractiviteiten samen met zijn leerlingen of deelnemers uit,
4°. hij evalueert die leeractiviteiten en de effecten ervan en stelt ze zonodig bij, voor de hele groep maar ook voor individuele leerlingen of deelnemers, en
5°. hij signaleert leerproblemen en -belemmeringen en stelt, zo nodig samen met collega’s, een passend plan van aanpak of benadering op;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende kennis:
1°. hij heeft zelf een grondige kennis en beheersing van de leerinhouden waarvoor hij verantwoordelijk is en is op grond van eigen studie en eventueel werkervaring vertrouwd met de theoretische en praktische of beroepspraktische achtergronden daarvan,
2°. hij kent het belang van die leerinhoud voor het toekomstige beroep en het dagelijks leven van de leerlingen of deelnemers,
3°. hij kent op hoofdlijnen de leerinhoud van andere vakken of beroepen waarmee hij binnen zijn school of opleiding samenwerkt,
4°. hij weet op hoofdlijnen wat en hoe zijn leerlingen of deelnemers geleerd hebben in het voorgaande onderwijs en hoe hij daarop kan aansluiten,
5°. hij heeft kennis van, al dan niet onderzoeksmatig, ontwerpen van onderwijs, didactieken en didactische leermiddelen, waaronder informatie- en communicatietechnologie,
6°. hij is bekend met verschillende onderwijs- en leertheorieën, met verschillende onderwijsarrangementen voor het voortgezet onderwijs en bve, waaronder actuele vormen van beroepsgerichte didactiek, en weet hoe hij die in praktijk kan brengen;
7°. hij is vertrouwd met de wijze waarop leerlingen of deelnemers leren, wat hun leerbehoeften zijn, hoe zij zich ontwikkelen, welke problemen zich daarbij kunnen voordoen en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
8°. hij heeft kennis van de invloed van taalbeheersing en taalverwerving op het leren en weet hoe hij daar in zijn praktijk rekening mee moet houden,
9°. hij heeft praktische kennis van veel voorkomende leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen en weet hoe hij daar mee om kan gaan, en
10°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en volwassenen, en van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
1.
De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn organisatorische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende organisatorische kennis en vaardigheid om in zijn groepen en zijn andere contacten met leerlingen of deelnemers op professionele en planmatige wijze een goed leef- en werkklimaat tot stand te brengen dat overzichtelijk, ordelijk en taakgericht is en in alle opzichten helder voor hemzelf, zijn collega’s en in het bijzonder de leerlingen of deelnemers
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen verrichten:
1°. hij hanteert op een consequente manier concrete, functionele en door de leerlingen of deelnemers gedragen procedures en afspraken,
2°. hij biedt organisatievormen, leermiddelen en leermaterialen aan die leerdoelen en leeractiviteiten ondersteunen, en
3°. hij houdt voor zijn onderwijs een planning aan die bij de leerlingen of deelnemers bekend is en waar zij hun eigen planning op kunnen afstemmen, en hij gaat adequaat om met tijd;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende kennis:
1°. hij is bekend met die aspecten van groeps- of klassenmanagement die voor zijn vorm van onderwijs relevant zijn, en
2°. hij is bekend met de organisatorische aspecten van verschillende soorten leeromgevingen in de school en in het leerbedrijf, zoals open leercentrum, werkplekkenstructuur, beroepspraktijkvorming en praktijklessen.
1.
De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het samenwerken met collega’s. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheden om een professionele bijdrage te leveren aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat van zijn school, aan goede werkverhoudingen en aan een goede schoolorganisatie.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen verrichten:
1°. hij deelt informatie die voor de voortgang van het werk van belang is met collega’s en maakt gebruik van de informatie die hij van collega’s krijgt,
2°. hij levert een constructieve bijdrage aan verschillende vormen van overleg en samenwerken op school,
3°. hij geeft en ontvangt collegiale consultatie en intervisie,
4°. hij werkt met collega’s, al dan niet onderzoeksmatig, samen aan de ontwikkeling en verbetering van zijn school;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende kennis:
1°. hij is op praktisch niveau bekend met methodieken voor samenwerking en intervisie,
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van leerlingvolgsystemen en manieren om zijn eigen werk toegankelijk te administreren,
3°. hij heeft enige kennis van organisatie- en bestuursvormen voor scholen in het voortgezet onderwijs en bve, en
4°. hij is op de hoogte van modellen voor kwaliteitszorg en methodieken voor onderwijsverbetering en schoolontwikkeling.
1.
De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het samenwerken met de omgeving van de school. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met bedrijven of instellingen om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid vorm te geven in het opleiden van de leerling of deelnemer. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met mensen en instellingen die betrokken zijn bij de zorg voor de leerlingen of deelnemers en bij zijn school.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen verrichten:
1°. hij geeft op professionele manier informatie over de leerlingen of deelnemers aan ouders en andere belanghebbenden en maakt gebruik van de informatie die hij van hen krijgt,
2°. hij zorgt in overleg met de leerling en andere betrokkenen voor afstemming tussen het leren in en buiten de school en voor duidelijkheid over ieders verantwoordelijkheid en bijdrage hierin,
3°. hij neemt op een constructieve manier deel aan verschillende vormen van overleg met mensen en instellingen buiten de school, en
4°. hij verantwoordt zijn professionele opvattingen en werkwijze met betrekking tot een leerling aan ouders en andere belanghebbenden en past in gezamenlijk overleg zonodig zijn werk met die leerling of deelnemer aan;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende kennis:
1°. hij is bekend met de leefwereld van ouders of verzorgers en met de culturele achtergronden van de leerlingen of deelnemers en weet hoe hij daar rekening mee moet houden in zijn doen en laten als leraar vo of als docent bve,
2°. hij is op de hoogte van de professionele infrastructuur waar zijn school onderdeel van is,
3°. hij is bekend met de cultuur en de actuele gang van zaken in het bedrijfsleven waarin zijn leerlingen of deelnemers participeren en weet hoe hij daar als leraar vo of als docent bve mee om kan gaan,
4°. hij is bekend met de regelgeving en samenwerkingsprocedures tussen zijn school en bedrijven en instellingen waarmee wordt samengewerkt, en
5°. hij weet hoe hij ervoor kan zorgen dat het binnen- en buitenschoolse leren en de interne en externe begeleiding van zijn leerlingen of deelnemers goed op elkaar zijn afgestemd.
1.
De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigen professionele ontwikkeling. Hij onderzoekt, expliciteert en ontwikkelt zijn opvattingen over het leraarschap en zijn bekwaamheid als leraar vo of als docent bve.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen verrichten:
1°. hij werkt planmatig aan de ontwikkeling van zijn bekwaamheid, op basis van een goede analyse van zijn competenties,
2°. hij stemt de ontwikkeling van zijn bekwaamheid af op het beleid van de school en de ontwikkeling en afspraken binnen het team, en
3°. hij maakt bij die ontwikkeling gebruik van informatie van leerlingen of deelnemers en collega’s, in school en bedrijf, en ook van collegiale hulp in de vorm van bijvoorbeeld intervisie en supervisie;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende kennis:
1°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen in het bedrijfsleven en de maatschappij die relevant zijn voor zijn onderwijs,
2°. hij is op de hoogte van de onderwijspraktijk in andere scholen voor voortgezet onderwijs en bve en van actuele ontwikkelingen op het gebied van inhouden, werkwijzen en organisatievormen in het voortgezet onderwijs en bve,
3°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen op het gebied van de pedagogiek en de didactiek die relevant zijn voor zijn onderwijs, en
4°. hij heeft voldoende gedragspsychologische kennis om zijn eigen gedrag en dat van anderen te begrijpen en te analyseren.
Artikel 2.20. Reikwijdte titel 4
Deze titel heeft betrekking op het voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 2.21. Begripsbepaling titel 4
In deze titel wordt verstaan onder:
a. leraar: leraar als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs ;
b. leerling: leerling als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs .
1.
De leraar onderschrijft zijn interpersoonlijke verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn eigen houding en gedrag en van de invloed daarvan op de leerlingen. Hij heeft ook voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van groepsprocessen en communicatie om een goede samenwerking met en van de leerlingen tot stand te brengen.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij maakt contact met de leerlingen en zorgt ervoor dat zij contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak voelen,
2°. hij biedt een kader waarbinnen de leerlingen hun eigen leerproces kunnen vormgeven en helpt de leerlingen daarbij, en
3°. hij schept een goed klimaat voor samenwerking met de leerlingen en tussen de leerlingen onderling;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen in de leefwereld van zijn leerlingen, en
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele communicatie en kent vooral ook de implicaties daarvan voor zijn eigen doen en laten.
1.
De leraar onderschrijft zijn pedagogische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende pedagogische kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige voor de individuele leerling en voor de groepen waarmee hij werkt, een veilige leeromgeving tot stand te brengen waarin leerlingen zich kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig en verantwoordelijk persoon.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van het sociale klimaat in een groep, van het individuele welbevinden van de leerlingen en van de vorderingen die zij maken op het gebied van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan een plan van aanpak of een benadering om de leerlingen te begeleiden naar een veilig en harmonisch leef- en werkklimaat en om hun sociaal-emotionele en morele ontwikkeling te bevorderen in de richting van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid,
3°. hij voert dat plan van aanpak of die benadering uit,
4°. hij evalueert dat plan van aanpak of die benadering en stelt het zonodig bij, voor de hele groep en ook voor individuele leerlingen, en
5°. hij signaleert problemen en belemmeringen in de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van leerlingen en stelt, zo nodig samen met collega’s, een passend plan van aanpak of benadering op;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is vertrouwd met de leefwereld van zijn leerlingen, hun basisbehoeften, hun verwachtingen, met de culturele bepaaldheid daarvan, en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
2°. hij is bekend met de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van tieners, jongvolwassenen en volwassenen, met de problemen en belemmeringen die zich daarbij kunnen voordoen en weet hoe hij die problemen in de praktijk kan signaleren en hoe hij daarmee om kan gaan,
3°. hij is bekend met ontwikkelings- en opvoedingstheorieën, is vertrouwd met verschillende opvoedingspraktijken en met de culturele bepaaldheid daarvan en is zich bewust van de consequenties van deze theorieën en praktijken voor het onderwijs en voor zijn doen en laten als leraar, en
4°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en volwassenen, en van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
1.
De leraar onderschrijft zijn vakinhoudelijke en didactische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende vakinhoudelijke en didactische kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige wijze voor individuele leerlingen en voor de groepen waarmee hij werkt een krachtige leeromgeving tot stand te brengen waarin leerlingen zich op een goede manier de leerinhouden van een bepaald vak of vakgebied eigen kunnen maken.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van de mate waarin de leerlingen de leerinhoud beheersen en van de manier waarop ze hun werk aanpakken,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan gevarieerde leeractiviteiten die voor de leerlingen uitvoerbaar zijn, waaruit zij eventueel kunnen kiezen en die hen aanzetten tot zelfwerkzaamheid,
3°. hij voert die leeractiviteiten samen met zijn leerlingen uit,
4°. hij evalueert die leeractiviteiten en de effecten ervan en stelt ze zonodig bij, voor de hele groep maar ook voor individuele leerlingen, en
5°. hij signaleert leerproblemen en -belemmeringen en stelt, eventueel samen met collega’s, een passend plan van aanpak of benadering op;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij heeft zelf een grondige praktische en theoretische kennis en beheersing van de leerinhouden van zijn vak of vakgebied,
2°. hij kent het belang van die leerinhoud voor het toekomstige beroep of studie en het dagelijks leven van de leerlingen,
3°. hij heeft een grondige kennis van de wetenschappelijke achtergronden van de leerinhoud van zijn schoolvak, is vertrouwd met de betreffende wetenschappelijke disciplines en de methoden van kennisontwikkeling en kennistoepassing daarbinnen,
4°. hij heeft kennis van, al dan niet onderzoeksmatig, ontwerpen van onderwijs, didactieken en didactische leermiddelen, waaronder informatie- en communicatietechnologie,
5°. hij is bekend met verschillende onderwijs- en leertheorieën en met verschillende onderwijsarrangementen voor het voorbereidend hoger onderwijs en weet hoe hij die in praktijk kan brengen,
6°. hij is bekend met onderwijsarrangementen voor zelfstandig leren, teamleren en onderzoeken in de tweede fase van het voortgezet onderwijs,
7°. hij is vertrouwd met de wijze waarop leerlingen leren, wat hun leerbehoeften zijn, hoe zij zich ontwikkelen, welke problemen zich daarbij kunnen voordoen en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
8°. hij heeft kennis van de invloed van taalbeheersing en taalverwerving op het leren en weet hoe hij daar in zijn praktijk rekening mee moet houden,
9°. hij heeft een praktische kennis van veel voorkomende leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen en weet hoe hij daar mee om kan gaan, en
10°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en volwassenen, en van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
1.
De leraar onderschrijft zijn organisatorische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende organisatorische kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige wijze in zijn groepen en zijn andere contacten met leerlingen een goed leef- en werkklimaat tot stand te brengen dat overzichtelijk, ordelijk en taakgericht is en in alle opzichten helder voor hemzelf, zijn collega’s en in het bijzonder de leerlingen.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij hanteert op een consequente manier concrete, functionele en door de leerlingen gedragen procedures en afspraken,
2°. hij biedt organisatievormen, leermiddelen en leermaterialen aan die leerdoelen en leeractiviteiten ondersteunen,
3°. hij houdt voor zijn onderwijs een planning aan die bij de leerlingen bekend is en waar zij hun eigen planning op kunnen afstemmen, en hij gaat adequaat om met tijd;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is bekend met die aspecten van groeps- of klassenmanagement die voor zijn vorm van onderwijs relevant zijn, en
2°. hij is bekend met de organisatorische aspecten van verschillende soorten leeromgevingen in de school.
1.
De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het samenwerken met collega’s. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheden om een professionele bijdrage te leveren aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat van zijn school, aan goede werkverhoudingen en een goede schoolorganisatie.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij deelt informatie die voor de voortgang van het werk van belang is met collega’s en maakt gebruik van de informatie die hij van collega’s krijgt,
2°. hij levert een constructieve bijdrage aan verschillende vormen van overleg en samenwerken op school,
3°. hij geeft en ontvangt collegiale consultatie en intervisie, en
4°. hij werkt met collega’s samen aan de ontwikkeling en verbetering van zijn school;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is op praktisch niveau bekend met methodieken voor samenwerking en intervisie,
2°. hij is op praktisch niveau op de hoogte van leerlingvolgsystemen en manieren om zijn eigen werk toegankelijk te administreren,
3°. hij heeft enige kennis van organisatie- en bestuursvormen voor scholen in het voorbereidend hoger onderwijs, en
4°. hij is op de hoogte van modellen voor kwaliteitszorg en methodieken voor onderwijsverbetering en schoolontwikkeling.
1.
De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het samenwerken met de omgeving van de school. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met bedrijven of instellingen om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid vorm te geven in het opleiden van de leerling. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met mensen en instellingen die betrokken zijn bij de zorg voor de leerlingen en bij zijn school.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij geeft op professionele manier informatie over de leerlingen aan ouders en andere belanghebbenden en maakt gebruik van de informatie die hij van hen krijgt,
2°. hij zorgt in overleg met de leerling en andere betrokkenen voor afstemming tussen het leren in en buiten de school en voor duidelijkheid over ieders verantwoordelijkheid en bijdrage hierin,
3°. hij neemt op een constructieve manier deel aan verschillende vormen van overleg met mensen en instellingen buiten de school, en
4°. hij verantwoordt zijn professionele opvattingen en werkwijze met betrekking tot een leerling aan ouders en andere belanghebbenden en past in gezamenlijk overleg zonodig zijn werk met die leerling aan;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is bekend met de leefwereld van ouders of verzorgers en weet hoe hij daar rekening mee moet houden in zijn doen en laten als leraar,
2°. hij is op de hoogte van de professionele infrastructuur waar zijn school onderdeel van is,
3°. hij is bekend met de cultuur en de actuele gang van zaken in het bedrijfsleven waarin zijn leerlingen participeren en weet hoe hij daar als leraar mee om kan gaan,
4°. hij is bekend met de regelgeving en samenwerkingsprocedures tussen zijn school en bedrijven en instellingen waarmee wordt samengewerkt, en
5°. hij weet hoe hij ervoor kan zorgen dat het binnen- en buitenschoolse leren en de interne en externe begeleiding van zijn leerlingen goed op elkaar zijn afgestemd.
1.
De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigen professionele ontwikkeling. Hij onderzoekt, expliciteert en ontwikkelt zijn opvattingen over het leraarschap en zijn bekwaamheid als leraar.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij werkt planmatig aan de ontwikkeling van zijn bekwaamheid, op basis van een goede analyse van zijn competenties,
2°. hij stemt de ontwikkeling van zijn bekwaamheid af op het beleid van de school en de ontwikkeling en afspraken binnen het team, en
3°. hij maakt bij die ontwikkeling gebruik van informatie van leerlingen en collega’s, in school en bedrijf, en ook van collegiale hulp in de vorm van bijvoorbeeld intervisie en supervisie;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen in het bedrijfsleven en de maatschappij die relevant zijn voor zijn onderwijs,
2°. hij is op de hoogte van de onderwijspraktijk in andere scholen voor voorbereidend hoger onderwijs en van actuele ontwikkelingen op het gebied van inhouden, werkwijzen en organisatievormen in het voorbereidend hoger onderwijs,
3°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen op het gebied van de pedagogiek en de didactiek die relevant zijn voor zijn onderwijs, en
4°. hij heeft voldoende gedragspsychologische kennis om zijn eigen gedrag en dat van anderen te begrijpen en te analyseren.
1.
Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs kan toestaan dat de leraar die ten aanzien van een vak of combinatie van vakken in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of het hoger algemeen voortgezet onderwijs wel voor de eerste drie leerjaren maar niet voor het voorbereidend hoger onderwijs voldoet aan de bekwaamheidseisen van artikel 36, eerste en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat onderwijs gedurende ten hoogste één schooljaar ook geeft in die hogere leerjaren.
2.
Voorwaarde voor toepassing van het eerste lid is dat:
a. de werkzaamheden waarmee de leraar is belast binnen zijn betrekkingsomvang voor het grootste gedeelte zijn gelegen buiten het voorbereidend hoger onderwijs, en
b. aan een school het totale aantal lessen waarvoor toestemming wordt gegeven op grond van het eerste lid, in het betrokken schooljaar niet groter is dan 5% van het totale aantal lessen dat wordt gegeven in die hogere leerjaren.
a. tekenen;
b. muziek;
c. handvaardigheid;
d. spel en beweging;
e. bevordering van het taalgebruik;
f. Engelse taal;
g. Friese taal;
h. zintuiglijke en lichamelijke oefening;
i. Duitse taal;
j. Franse taal.
a. tekenen;
b. muziek;
c. handvaardigheid;
d. spel en beweging;
e. bevordering van het taalgebruik;
f. Engelse taal;
g. Friese taal;
h. zintuiglijke oefening;
i. lichamelijke oefening;
j. huishoudelijke activiteiten.
Artikel 4.3. Aanwijzing onderwijsactiviteiten vakleerkrachten voortgezet speciaal onderwijs
De op grond van artikel 3, eerste lid, onder b.1°, van de Wet op de expertisecentra aan te wijzen onderdelen en vakken ingevolge de artikelen 14a, tweede lid, 14c en 14f, van die wet, zijn alle in die bepalingen genoemde en bedoelde onderdelen en vakken.
a. tekenen;
b. muziek;
c. handvaardigheid;
d. Nederlands;
e. Engels;
f. rekenen/wiskunde;
g. geschiedenis;
h. aardrijkskunde;
i. biologie;
j. verzorging; en
k. praktijkoriënterende vakken.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23 augustus 2005
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ,
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ,
Uitgegeven de zevenentwintigste september 2005
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Bekwaamheidseisen leraren en docenten
+ Hoofdstuk 3. Tijdelijke afwijking bekwaamheidseisen voortgezet onderwijs
+ Hoofdstuk 4. Aanwijzing onderwijsactiviteiten vakleerkrachten in het primair onderwijs en leerkrachten basisonderwijs in het praktijkonderwijs
+ Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken