Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van regels ten aanzien van de bezoldiging van de politie
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3219;
Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nummer WO4.93.0763;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/419;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
Dit besluit verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
b. aspirant: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als aspirant en die is toegelaten tot een initiële opleiding;
c. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gelijk wordt gesteld aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012;
d. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, werkzaam bij het LSOP en de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche, wordt gelijkgesteld met ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012;
e. ambtenaar van de rijksrecherche: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Politiewet 2012;
f. vakantiewerker: een scholier of student die ten tijde van onderbreking van zijn opleiding wegens vakantie voor een periode van ten hoogste acht weken is aangesteld voor het verrichten van ondersteunende werkzaamheden;
g. [vervallen;]
h. het LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
i. ambtenaar: de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de ambtenaar van de rijksrecherche en de vakantiewerker;
j. bevoegd gezag:
1. de korpschef, bedoeld in artikel 27, Politiewet 2012, voor zover het betreft de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die werkzaam is bij een eenheid zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012;
2. de raad van toezicht van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
3. het college van bestuur van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
4. het College van procureurs-generaal, voor zover het betreft de ambtenaar van de rijksrecherche;
k. volledige betrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week omvat;
l. deelbetrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 36 uur per week omvat;
m. salaris: het bedrag dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de ambtenaar is vastgesteld aan de hand van één van de bijlagen van dit besluit, inclusief de op grond van artikel 9a toegekende periodieken;
n. salaris per uur: 1/157 deel van het salaris bij een volledige betrekking;
o. salarisschaal: een als zodanig in één van de bijlagen van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen;
p. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal, die in een salarisschaal bij een salaris is vermeld;
q. maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal;
r. functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het daartoe bevoegde gezag is opgedragen, of het samenstel van door de ambtenaar te verrichten opgedragen werkzaamheden, zoals vastgelegd in het LFNP;
s. toelagen: alle toelagen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
t. vergoedingen: alle vergoedingen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
u. uitkeringen: alle uitkeringen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
v. bezoldiging: de som van het salaris, de toelagen, met uitzondering van de toelagen, bedoeld in de artikelen 12b, 12c, 12d en 16, eerste lid, alsmede de uitkering, bedoeld in artikel 25a, indien Onze Minister zulks bepaalt;
w. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
x. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet ;
y. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
z. beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, of een beroepsziekte als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Regeling vredesmissies politie;
aa. dienstongeval: een ongeval, welke in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, of een ongeval als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Regeling vredesmissies politie;
bb. beroepsincident: een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;
cc. herplaatsen: het op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opdragen van een andere functie of de eigen functie onder andere voorwaarden;
dd. herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het Pensioenreglement;
ee. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement;
ff. medisch advies: een advies van de deskundige persoon of de arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 50 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
gg. gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
hh. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
ii. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
jj. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
kk. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
ll. pensioengevend inkomen: het pensioengevend inkomen bedoeld in hoofdstuk 3 van het Pensioenreglement vermeerderd met de toelagen genoemd in artikel 12b, 12c en 12d;
mm. [vervallen;]
nn. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ;
oo. WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO ;
pp. ZW: de Ziektewet ;
qq. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet;
rr. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de Ziektewet;
ss. initiële opleiding: een door Onze Minister aangewezen opleiding, gericht op de voorbereiding van de uitvoering van algemene politietaken waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;
tt. theoretisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant aan een opleidingsinstituut in het kader van de initiële opleiding onderwijs volgt;
uu. praktische opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant de politietaak bij een regionale eenheid of een landelijke eenheid uitvoert in het kader van de initiële opleiding;
vv. LFNP: Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie: het door Onze Minister vastgestelde geheel van functiebeschrijvingen, onderverdeeld naar vakgebieden, inclusief de waardering, en de aan het gebouw verbonden en omschreven werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten;
ww. OVW punten: Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden punten, zoals die met toepassing van het functiewaarderingssysteem zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, worden vastgesteld;
xx. OVW periodieken: Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden periodieken, welke kunnen worden toegewezen op grond van artikel 9a.
2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de niet-gehuwde ambtenaar die met een levenspartner samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.
Artikel 2
De bepaling van de salarisschaal, de waardering van de functie, de vaststelling, de toekenning, de intrekking, de verhoging onderscheidenlijk de vermindering van het salaris, de toelagen, de vergoedingen, de uitkeringen, de tegemoetkoming in de representatiekosten, het salaris van de aspirant, en de gratificatie geschieden door het bevoegd gezag.
1.
Voor de aspirant geldt een salarisschaal die is opgenomen in bijlage II van dit besluit.
2.
Bij aanstelling wordt het salaris vastgesteld:
a. op het minimumbedrag van schaal 2a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 2;
b. op het minimumbedrag van schaal 3a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 3;
c. op het minimumbedrag van schaal 4a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 4;
d. op het minimumbedrag van schaal 5a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 5;
e. op het minimumbedrag van schaal 6a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 6.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt voor de aspirant die direct voorafgaand aan de datum van aanstelling ten minste twaalf maanden aaneengesloten inkomen uit arbeid genoot het salaris bij aanstelling zodanig vastgesteld dat het salaris, vermeerderd met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, gelijk is dan wel direct ligt onder dit genoten inkomen:
a. in de volgens het tweede lid bij het opleidingsniveau behorende salarisschaal, of
b. in de na afronding van de opleiding toepasselijke salarisschaal, bedoeld in het zevende lid, met dien verstande dat het salaris ten hoogste wordt vastgesteld op salarisregel 6 van de salarisschalen 4, 8 of 9, dan wel ten hoogste op salarisregel 7 van de salarisschalen 6 of 7.
4.
Voor de hoogte van het inkomen uit arbeid, bedoeld in het derde lid, wordt uitgegaan van het gemiddelde vaste bruto inkomen over de periode van twaalf maanden, vermeerderd met de vakantie-uitkering en met een eventuele eindejaarsuitkering of dertiende maand.
5.
Indien de aspirant, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren functioneert, wordt het salaris telkens na het verstrijken van de periode die in de desbetreffende salarisschaal staat vermeld verhoogd tot het naasthogere bedrag in de schaal.
6.
Indien de aspirant
a. die is ingeschaald zoals bedoeld in het derde lid onderdeel a, naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren functioneert, wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag in de bij het opleidingsniveau behorende salarisschaal. Zodra het maximum van die salarisschaal is bereikt wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag in de na afronding van de opleiding toepasselijke salarisschaal, tot maximaal salarisregel 5 van die schaal.
b. die is ingeschaald zoals bedoeld in het derde lid onderdeel b, naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren functioneert, wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag in de na afronding van de opleiding toepasselijke salarisschaal, tot ten hoogste het in het derde lid, onderdeel b, bedoelde salarisregel.
7.
Na het succesvol afronden van de opleiding vindt aanstelling plaats:
a. in een functie waaraan salarisschaal 4 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 2;
b. in een functie waaraan salarisschaal 6 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 3;
c. in een functie waaraan salarisschaal 7 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 4;
d. in een functie waaraan ten minste salarisschaal 8 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 5;
e. in een functie waaraan ten minste salarisschaal 9 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 6,
waarbij het salaris wordt vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan of hoger is dan het bij het desbetreffende opleidingsniveau behorende garantiebedrag zoals genoemd in bijlage III van dit besluit.
8.
In uitzonderlijke individuele situaties kan het bevoegd gezag ten gunste van de aspirant afwijken van de leden twee tot en met zes.
1.
In afwijking van artikel 3, eerste tot en met zesde lid, wordt voor aspiranten die de opleiding beginnen in de periode van 1 november 2010 tot en met 31 oktober 2013 het op grond van artikel 3, eerste tot en met zesde lid, geldende salaris gedurende de gehele opleidingsperiode gedurende het theoretisch opleidingsdeel met 50% verminderd. Artikel 17a is niet van toepassing.
2.
Onze Minister kan, in afwijking van het eerste lid, besluiten de vermindering van de salarissen van de aspiranten, bedoeld in het eerste lid, gelijkelijk te verdelen over het theoretische en het praktische opleidingsdeel.
3.
Het bevoegd gezag kan, in geval van langdurige ziekte bij een aspirant, die op grond van dit artikel zijn salaris ontvangt, besluiten de vermindering van het salaris, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing te laten.
1.
Dit artikel is van toepassing op aspiranten die beginnen met de initiële opleiding vanaf 1 november 2013.
2.
Dit artikel is niet van toepassing op aspiranten die voorafgaand aan hun aanstelling minimaal twee jaar werkervaring hebben, waarbij zij minimaal 28 uur gemiddeld per week werkten met bijbehorende inkomsten van minimaal het minimumloon. Op deze aspiranten is artikel 3 van toepassing.
3.
Gedurende het eerste leerjaar bedraagt de tegemoetkoming voor de opleidingen de bij het opleidingsniveau genoemde bedrag in bijlage IV van dit besluit.
4.
Gedurende het tweede leerjaar ontvangen aspiranten een salaris dat is opgenomen in bijlage V van dit besluit.
5.
Gedurende het derde leerjaar ontvangen aspiranten een salaris dat is opgenomen in bijlage VI van dit besluit.
6.
Gedurende het vierde leerjaar ontvangen aspiranten een salaris als bedoeld in bijlage II .
7.
Gedurende het eerste leerjaar hebben de aspiranten geen recht op de toelagen en vergoedingen genoemd in dit besluit.
8.
Gedurende het tweede, derde en indien van toepassing vierde leerjaar is artikel 50, eerste lid, van toepassing.
9.
Gedurende de gehele initiële opleiding is artikel 17a niet van toepassing.
10.
Na het succesvol afronden van de opleiding vindt aanstelling plaats:
a. in een functie waaraan salarisschaal 4 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 2;
b. in een functie waaraan salarisschaal 6 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 3;
c. in een functie waaraan salarisschaal 7 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 4;
d. in een functie waaraan ten minste salarisschaal 8 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 5;
e. in een functie waaraan ten minste salarisschaal 9 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 6,
waarbij het salaris wordt vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan of hoger is dan het bij het desbetreffende opleidingsniveau behorende garantiebedrag zoals genoemd in bijlage III van dit besluit.
11.
De bedragen genoemd in bijlage IV worden gewijzigd conform artikel 17 van het Besluit studiefinanciering 2000.
1.
Het salaris van de vakantiewerker wordt vastgesteld op het maandbedrag van het minimumloon dat krachtens de artikelen 7 en 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de vakantiewerker, aangevuld met € 80,75 per maand.
2.
Het salaris, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met 15,7%.
1.
Het salaris, de toelagen en de vergoedingen worden maandelijks betaald.
2.
De aanspraak op het salaris, de toelagen, de vergoedingen en de uitkeringen vangt aan met ingang van de dag waarop de aanstelling ingaat.
3.
Wanneer het salaris, een toelage als bedoeld in de artikelen 12b, 12c, 12d, 15, 16, 17, 19, 20 en 21 of een uitkering als bedoeld in artikel 23, tweede lid, moet worden berekend over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand.
Artikel 4b
Op het salaris van de ambtenaar, met uitzondering van de ambtenaar op wie artikel 88 van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing is, wordt door het bevoegd gezag de helft van de voor het PartnerPlusPensioen Politie, bedoeld in artikel 1 van bijlage C van het Pensioenreglement, verschuldigde premie ingehouden.
Artikel 5
De ambtenaar ontvangt geen bezoldiging over de tijd gedurende welke hij opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten.
1.
Voor de ambtenaar geldt een salarisschaal.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de functies en de bij de functies behorende waardering. Tevens worden regels gesteld over de overgang van ambtenaren naar een functie die is opgenomen in het LFNP.
3.
Indien nog geen sprake is van volledige functievervulling, geldt voor de ambtenaar voor de duur van een jaar een lagere salarisschaal dan voor hem op grond van het tweede lid zou gelden. Het bevoegd gezag kan beslissen om de periode van een jaar tot twee jaar te verlengen.
4.
Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een andere functie uitoefent, blijft de voordien voor de ambtenaar geldende salarisschaal van toepassing.
5.
Anders dan bij wijze van disciplinaire straf op grond van hoofdstuk IX van het Besluit algemene rechtspositie politie, kan zonder voorafgaand ontslag, niet zijnde een ontslag dat de ambtenaar is verleend om een initiële opleiding te gaan volgen, voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
6.
Het vijfde lid is niet van toepassing indien:
a. bij de bepaling van de salarisschaal, bedoeld in het tweede lid, tevens is bepaald dat de functie van de ambtenaar een tijdelijk karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden;
b. indien de ambtenaar in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een andere functie;
c. het salaris van de ambtenaar na het succesvol afronden van de opleiding wordt vastgesteld, met toepassing van artikel 3, zevende lid;
d. indien de ambtenaar, die is aangewezen als herplaatsingkandidaat als bedoeld in hoofdstuk VII.B van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt herplaatst in een andere functie.
7.
De lagere salarisschaal op grond van het zesde lid, onderdeel d, gaat niet eerder voor de ambtenaar gelden dan drie jaar nadat hij is herplaatst. Afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van drie jaar verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
dienstjaren: verlenging:
25 of meer dienstjaren één jaar
30 of meer dienstjaren twee jaren
35 of meer dienstjaren drie jaren
40 of meer dienstjaren vier jaren

Ingeval artikel 55ob van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing is, gaat de hiervoor genoemde termijn pas lopen vanaf het tijdstip dat de ambtenaar het tweede aanbod, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, dan wel het aanbod op het oorspronkelijke functieniveau voor invoering van het LFNP, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, heeft geweigerd.
8.
De lagere salarisschaal uit het zesde lid, onderdeel d, en het zevende lid, geldt niet indien de uitzondering van artikel 55ra van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing is. De lagere salarisschaal geldt ook niet indien de ambtenaar niet op grond van het bepaalde in artikel 55ob van het Besluit algemene rechtspositie politie teruggeplaatst kan worden in een functie op zijn niveau van voor de invoering van het LFNP, omdat dit niveau niet passend is.
9.
De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijke opgedragen werkzaamheden ten minste één jaar afwijken van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de behandeling van deze aanvraag.
10.
Voor de ambtenaar die in het kader van een detachering, bedoeld in artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie, tijdelijk een andere functie uitoefent waaraan op grond van artikel 6, tweede lid, een hogere salarisschaal is verbonden, geldt deze hogere salarisschaal.
11.
De regeling bedoeld in het tweede lid is ook van toepassing in het kader van het vaststellen van de salarisschaal van passende arbeid bij arbeidsongeschiktheid. Hierbij is de eigen of een andere functie uit het LFNP, of een deel van één of meerdere functies uit het LFNP bepalend.
12.
Indien een herplaatsingkandidaat, bedoeld in artikel 55oa van het Besluit algemene rechtspositie politie drie jaar na plaatsing op een lagere passende functie nog geen twee maal een passende functie op het oude functieniveau, inclusief ten minste 24 OVW punten is aangeboden, behoudt hij zijn oorspronkelijke salarisschaal, de inmiddels verworven OVW periodieken en de aanspraak op eventueel nog mogelijke OVW periodieken.
13.
Indien een herplaatsingkandidaat, bedoeld in artikel 55oa van het Besluit algemene rechtspositie politie voor de tweede maal een aanbod van een passende functie op het niveau van de functie waarin hij was geplaatst voor aanwijzing als herplaatsingkandidaat, inclusief ten minste 24 OVW punten weigert, geldt met ingang van de eerste dag van de tweede maand nadat het tweede aanbod is gedaan, het salaris behorende bij de functie waarop de ambtenaar op dat moment is geplaatst.
1.
De ambtenaar die zich niet kan verenigen met de waardering van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, bedoeld in artikel 6, tweede lid, kan het bevoegd gezag verzoeken deze waardering in heroverweging te nemen.
2.
Onze Minister stelt regels over de behandeling van het verzoek, bedoeld in het eerste lid.
1.
Bij de aanstelling wordt het salaris vastgesteld op het minimum van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal van bijlage I bij dit besluit.
2.
Van het eerste lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.
3.
Bij de aanstelling van de korpschef wordt zijn salaris vastgesteld conform bijlage IA .
1.
Het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd tot het naasthogere bedrag in de schaal, indien deze naar het oordeel van het bevoegd gezag de functie naar behoren vervult.
2.
Het salaris van de ambtenaar kan worden verhoogd tot een hoger bedrag in de schaal, indien deze naar het oordeel van het bevoegd gezag de functie zeer goed of uitstekend vervult.
3.
Vervult de ambtenaar de functie naar het oordeel van het bevoegd gezag niet naar behoren, dan blijft de in het eerste lid bedoelde salarisverhoging achterwege.
4.
De in het eerste en tweede lid bedoelde salarisverhoging wordt voor de eerste maal toegekend met ingang van de eerste dag van de maand waarin sinds de aanstelling een jaar is verstreken en nadien telkens na één jaar, tot het maximumsalaris van de geldende salarisschaal is bereikt.
5.
Het tijdstip waarop ingevolge het vierde lid een salarisverhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd ingeval daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.
6.
Het oordeel van het bevoegd gezag over het vervullen van de functie door de ambtenaar, bedoeld in het tweede of derde lid, is gebaseerd op een bekrachtigde beoordeling als bedoeld in artikel 71, tweede en vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, die betrekking heeft op een tijdvak dat eindigt binnen een jaar vóór de datum van het oordeel, bedoeld in het tweede of derde lid.
7.
Voor de ambtenaar die na het succesvol afronden van de opleiding is aangesteld met toepassing van artikel 3, zevende lid, vindt de eerstvolgende salarisverhoging in afwijking van het vierde lid plaats een jaar na de laatste salarisverhoging, bedoeld in artikel 3, vijfde of zesde lid.
8.
In afwijking van het zevende lid vindt voor de ambtenaar die tijdens de opleiding was ingeschaald op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel b, de eerstvolgende salarisverhoging plaats in de eerstvolgende kalendermaand na het voltooien van de opleiding waarin een geheel aantal jaren is verstreken sinds de aspirant het maximum salarisbedrag op grond van artikel 3, zesde lid, onderdeel b, heeft bereikt.
1.
De ambtenaar die het maximum van de schaal behorende bij een functie met 24 of meer OVW punten, zoals opgenomen in bijlage 3, heeft bereikt, wordt, met behoud van deze schaal en met inachtneming van het tweede lid, extra periodieken ter hoogte van de in de volgende salarisschaal opgenomen periodieken toegekend.
2.
Het toekennen van de periodieken bedoeld in het eerste lid, gebeurt overeenkomstig artikel 9.
3.
Uitgezonderd van het eerste lid is:
a. de ambtenaar die een functie bekleedt welke wordt gewaardeerd met schaal 15 of hoger;
b. de ambtenaar die leiding geeft aan een onderdeel of team waarin hoofdzakelijk ambtenaren werken met een functie met minder dan 24 OVW punten, of
c. de ambtenaar die recht heeft op Flexibel Pensioen en Uittreden.
4.
Het verkrijgen van de periodieken als bedoeld in het eerste lid heeft geen gevolgen voor de aan de functie gekoppelde rang.
5.
De periodieken die op grond van dit artikel worden verkregen vervallen bij een vrijwillige overstap naar een functie met minder dan 24 OVW punten.
1.
Ingeval van indeling in een hogere schaal wordt, met inachtneming van artikel 11, het salaris van de ambtenaar in de nieuwe schaal vastgesteld op het salaris gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar genoot.
2.
In bijzondere gevallen kan het salaris worden vastgesteld op een hoger bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
3.
Indien de datum van indeling in de hogere schaal samenvalt met de datum waarop een verhoging als bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, plaatsvindt, vindt de indeling in de hogere schaal plaats voor de verhoging, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid.
4.
Indien de ambtenaar OVW periodieken heeft verkregen en er sprake is van een vrijwillige overstap naar een functie met minder dan 24 OVW punten, vervallen de verkregen OVW periodieken en worden deze niet meegenomen in de berekening bedoeld in het eerste lid.
Artikel 11
Het salaris van de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige betrekking.
1.
Bij bijzondere prestaties kan een gratificatie worden toegekend.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger bedraagt.
Artikel 12a
In dit hoofdstuk en hoofdstuk 3b wordt onder «berekeningsgrondslag» verstaan: de uitkomst van het pensioengevend inkomen, berekend zonder de toelagen, bedoeld in de artikelen 12b, 12c en 12d, en uitgaand van een volledige betrekkingsomvang, gedeeld door twaalf.
1.
De ambtenaar heeft recht op een maandelijkse toelage inhoudende een algemene levensloopbijdrage van 0,75% van de berekeningsgrondslag. Bij een deelbetrekking wordt de levensloopbijdrage berekend naar rato van de betrekkingsomvang.
2.
In afwijking van het eerste lid bedraagt het in het eerste lid genoemde percentage in 2006 0,45%.
3.
De ambtenaar op wie de artikelen 88 en 88a van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing zijn, heeft geen recht op de toelage bedoeld in het eerste lid.
1.
Aan de volgende ambtenaren, voor wie een salarisschaal geldt die lager is dan salarisschaal 12 van bijlage I , wordt maandelijks een toelage bezwarende functie toegekend:
a. de aspirant, met uitzondering van de aspirant, aangesteld op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
b. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
c. de ambtenaar, aangesteld voor administratieve, technische en andere taken ten dienste van de politie in een functie als bedoeld in artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.
2.
Voor de ambtenaar in de functie van vlieger bij de landelijke eenheid wordt maandelijks de toelage bezwarende functie toegekend ongeacht de salarisschaal.
3.
De toelage bezwarende functie wordt toegekend voor de duur van maximaal 25 jaar en uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de AOW gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Op de maximale duur van 25 jaar wordt in mindering gebracht de periode waarover, voorafgaand aan de invoering van de toeslag bezwarende functie, rechten zijn genoten of opgebouwd waarvoor de toelage bezwarende functie in de plaats is gekomen.
4.
De toelage bezwarende functie bedraagt 1,8% van de berekeningsgrondslag. Bij een deelbetrekking wordt de toelage berekend naar rato van de betrekkingsomvang.
5.
In afwijking van het vierde lid bedraagt de toelage bezwarende functie in 2006 1,6% van de berekeningsgrondslag. Bij een deelbetrekking wordt de toelage berekend naar rato van de betrekkingsomvang.
6.
Bij een onderbreking van het dienstverband en een nieuwe aanstelling in politiedienst wordt een eventueel bestaand recht op de toelage bezwarende functie voortgezet. Er ontstaat geen recht op een nieuwe termijn van 25 jaar.
7.
De ambtenaar op wie de artikelen 88 en 88a van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing zijn, heeft geen recht op de toelage bedoeld in het eerste of tweede lid.
1.
Aan de ambtenaar wordt maandelijks een inhaaltoelage bezwarende functie toegekend, indien de ambtenaar:
a. op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 een functie vervulde waarvoor tot 1 januari 2001 een leeftijdsgrens gold op grond van artikel 88, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, zoals dat luidde direct voor die datum;
b. op 1 januari 2001 jonger was dan 50 jaar; en
c. vanaf 1 januari 2001 ononderbroken is aangesteld door een bevoegd gezag of opeenvolgend door meer dan één bevoegd gezag.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt niet als onderbreking aangemerkt:
a. een onderbreking van maximaal twee maanden;
b. een onderbreking van maximaal vijf jaren gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid en het tijdstip waarop de ambtenaar wederom de hoedanigheid van ambtenaar heeft verworven;
c. een onderbreking van maximaal achttien maanden gelegen tussen een tijdstip met ingang waarvan de ambtenaar, al dan niet na ontslag, recht op een ontslaguitkering of een wachtgelduitkering of een uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie , heeft verkregen en het tijdstip waarop die ambtenaar opnieuw de hoedanigheid van ambtenaar heeft verworven;
d. een onderbreking van maximaal vier jaren gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met zorgtaken en het tijdstip waarop de ambtenaar opnieuw de hoedanigheid van ambtenaar heeft verworven.
3.
De inhaaltoelage bezwarende functie wordt toegekend tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
4.
De inhaaltoelage bezwarende functie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag. Het percentage wordt bepaald door het bevoegd gezag die daartoe wordt geadviseerd door de Stichting pensioenfonds ABP. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de berekeningsgrondslag.
5.
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die bij eerste indiensttreding in een functie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, 35 jaar of ouder was, komt in aanmerking voor een aanvullend percentage bovenop het percentage, bedoeld in vierde lid. Het aanvullende percentage wordt bepaald door het bevoegd gezag die daartoe wordt geadviseerd door de Stichting pensioenfonds ABP. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld.
6.
In het geval de ambtenaar niet of niet volledig in het genot is van zijn volledige bezoldiging, heeft dit geen gevolgen voor de toekenning van de inhaaltoelage bezwarende functie.
7.
Eenmaal vastgesteld loopt de inhaaltoelage bezwarende functie door tot het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt dan wel de politie vóór die leeftijd verlaat. Veranderingen van functie, betrekkingsomvang, status of salarisschaal hebben geen effect op de duur en het vastgestelde percentage.
Artikel 12e
De ambtenaar kan het bevoegd gezag verzoeken de bijdrage en toelagen, bedoeld in de artikelen 12b tot en met 12d, aan te wenden voor de ingevolge artikel 47a Besluit algemene rechtspositie politie getroffen levensloopvoorziening. Bij het uitblijven van een dergelijk verzoek keert het bevoegd gezag deze bijdragen en toelagen uit als onderdeel van de maandelijkse salarisbetaling.
1.
Onder ambtenaar in dit artikel wordt verstaan de ambtenaar, die op 1 januari 2006 recht heeft op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2008 recht heeft verkregen op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen .
2.
De ambtenaar kan het bevoegd gezag melden de bijdrage en toelagen, bedoeld in de artikelen 12b tot en met 12d, in afwijking van artikel 12e, te willen besteden, door:
a. geheel of gedeeltelijk verlof op te nemen;
b. de waarde van de levensloopbijdrage geheel of ten dele uit te laten betalen;
c. geheel of ten dele af te zien van de levensloopbijdrage; of
d. een combinatie van onderdelen a, b en c te kiezen.
3.
Indien de ambtenaar kiest voor besteding van de bijdrage en toelagen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, merkt het bevoegd gezag op zijn verzoek de levensloopbijdrage bij uitbetaling eenmalig niet als pensioengevend inkomen aan.
4.
De in het tweede lid vermelde keuzes worden:
a. eenmalig gemaakt, waar het de uitvoering betreft over de periode 2006 tot en met 2013, en
b. jaarlijks gemaakt ten aanzien van de uitvoering vanaf het kalenderjaar 2014.
5.
Indien de levensloopbijdragen, bedoeld in de artikelen 12b tot en met 12d, die betrekking hebben op de in het vierde lid, onder a genoemde periode, reeds zijn uitbetaald of zijn aangewend voor de ingevolge artikel 47a Besluit algemene rechtspositie politie getroffen levensloopvoorziening, is het tweede lid niet van toepassing.
6.
Bij ministeriele regeling worden nadere regels gesteld over de melding, bedoeld in het tweede lid.
1.
Aan de ambtenaar wordt een operationele toelage toegekend.
2.
De operationele toelage wordt berekend per periode van vier weken en bedraagt voor elk uur waarop de ambtenaar werkelijke dienst verricht dan wel werkelijke dienst zou hebben verricht indien de ambtenaar niet binnen een tijdvak van vier dagen direct daaraan voorafgaande door het bevoegde gezag tot dienstverrichting op andere tijdstippen geroepen was:
a. over de uren in het tijdvak van maandag tot en met donderdag van 21.00 tot 07.00 uur, op vrijdag van 21.00 tot 22.00 uur, en op zaterdag en zondag van 07.00 tot 22.00 uur, € 3,82; en
b. over de uren in het tijdvak van 22.00 tot 07.00 uur in de weekendnachtdiensten, daaronder begrepen de diensten in de nacht voor en de nacht na een weekend of een feestdag, genoemd in het derde lid, € 5,73.
3.
Hetgeen in het tweede lid ten aanzien van het verrichten van dienst op zaterdag en zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van dienst op de Nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd.
4.
De operationele toelage wordt in gevallen van zwangerschap en ziekte van de ambtenaar gesteld op het bedrag dat de ambtenaar in de drie perioden van vier weken, onmiddellijk voorafgaande aan de periode van vier weken waarin de ziekte is aangevangen, gemiddeld aan toelage op grond van dit artikel heeft genoten.
5.
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger bedraagt.
1.
De ambtenaar van wie de bezoldiging voldoet aan de volgende voorwaarden, wordt een aflopende toelage toegekend:
a. de bezoldiging van de betreffende ambtenaar heeft als gevolg van het beëindigen of verminderen van de operationele toelage een blijvende of tijdelijke verlaging ondergaan;
b. het gemiddelde bedrag dat de ambtenaar aan operationele toelage heeft genoten in de twaalf maanden voorafgaande aan de verlaging bedraagt ten minste 3% van het salaris van de ambtenaar in de nieuwe situatie op het moment dat de verlaging ingaat;
c. de ambtenaar heeft, tenzij sprake is van een tijdelijke verlaging van de bezoldiging als bedoeld onder a, direct voorafgaande aan het tijdstip van de beëindiging of de vermindering de operationele toelage gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking genoten; en
d. het beëindigen of verminderen van de operationele toelage, bedoeld onder a, is veroorzaakt buiten toedoen van de betrokken ambtenaar zelf, tenzij de vermindering het gevolg is van een verplaatsing of wijziging van de plaats van tewerkstelling op eigen verzoek, dan wel een aanstelling in een andere functie binnen het eigen korps op eigen verzoek, dan wel een aanstelling bij een ander korps ten behoeve van het uitoefenen van een functie bij een bovenregionale samenwerkingsvoorziening.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55 jaar of ouder wiens bezoldiging als gevolg van het beëindigen of verminderen van de operationele toelage, bedoeld in artikel 14, een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, mits de ambtenaar eerstbedoelde toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van deze beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten en mits wordt voldaan aan de in het eerste lid onder b en d genoemde voorwaarden.
3.
De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage na een blijvende verlaging van de bezoldiging gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en onmiddellijk vóór de aanvang van die toelage gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking de operationele toelage, bedoeld in artikel 14 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het tweede lid.
4.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
5.
Voor de ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en geen door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult als bedoeld in artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt in het tweede en derde lid van dit artikel in plaats van «55 jaar» telkens gelezen: 60 jaar.
6.
Onze Minister stelt nadere regels vast over de berekeningswijze van de toelage en over de gevallen waarin sprake is van een blijvende of tijdelijke verlaging van de bezoldiging als bedoeld in het eerste lid.
7.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger bedraagt.
1.
Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie kan voor de duur van een jaar een toelage worden toegekend aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt indien de salarisschaal niet meer dan schaal 14 bedraagt.
2.
Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie en daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan een toelage voor een langere duur dan een jaar worden toegekend.
3.
De toelage bedraagt voor de ambtenaar:
a. ingedeeld in schaal 1 tot en met 9 van bijlage I van dit besluit: ten hoogste 6% van het voor de ambtenaar geldende maximumsalaris;
b. ingedeeld in schaal 10, 11, 12 of 13 van bijlage I van dit besluit: ten hoogste 9% van het voor de ambtenaar geldende maximumsalaris;
c. ingedeeld in schaal 14 van bijlage I van dit besluit: ten hoogste 12% van het voor de ambtenaar geldende maximumsalaris.
1.
Aan de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger is kan het bevoegd gezag een incidentele toelage toekennen vanwege uitzonderlijke prestaties die het voldoende functioneren overtreffen.
2.
De toekenning uit het eerste lid is alleen mogelijk in de volgende situaties:
a. het behalen van uitzonderlijke resultaten waarover vooraf werk- en prestatieafspraken zijn gemaakt; of
b. het leveren van eenmalige onvoorziene uitzonderlijke prestaties.
3.
De incidentele toelage bedraagt op jaarbasis maximaal één maandsalaris.
1.
Aan de ambtenaar die bij wijze van waarneming tijdelijk een functie uitoefent die bij toepassing van artikel 6, tweede lid, zou leiden tot een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, kan voor de duur van die waarneming een toelage worden toegekend. Onder waarneming wordt verstaan het krachtens een daartoe strekkende aanwijzing van het bevoegd gezag tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere functie vormt dan die van de ambtenaar zelf.
2.
De toelage wordt, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, slechts toegekend wanneer de waarneming een tijdvak van ten minste dertig dagen heeft geduurd.
3.
Bij volledige waarneming van de functie, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten, wanneer de salarisschaal met het hogere maximumsalaris met ingang van de dag waarop de waarneming is begonnen, voor hem zou hebben gegolden. Onder volledige waarneming wordt verstaan een zodanige waarneming dat in plaats van de eigen functie het volledige samenstel van werkzaamheden van de waargenomen functie, met de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden, wordt uitgeoefend.
4.
Voor de toepassing van het derde lid wordt onder salaris mede verstaan de toelagen, bedoeld in de artikelen 14, 15, 18 en 20.
5.
Bij niet volledige waarneming wordt de toelage, afhankelijk van de mate van onvolledigheid van de waarneming, vastgesteld op 50% of 75% van de toelage bij volledige waarneming.
6.
De ambtenaar voor wie het een onderdeel is van de eigen functie om als plaatsvervanger op te treden van degene wiens functie moet worden waargenomen, komt bij niet volledige waarneming van die functie niet in aanmerking voor een toelage.
1.
Indien het salaris behorend bij een volledige werktijd minder is dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt deze een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.
2.
Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking, wordt de toelage als bedoeld in het eerste lid naar evenredigheid vastgesteld.
1.
Aan de ambtenaar aan wie consignatie wordt opgelegd, wordt, behoudens het derde lid, een toelage toegekend. Onder consignatie wordt verstaan het zich in opdracht van het daartoe bevoegde gezag bereikbaar en beschikbaar houden teneinde bij oproep dienst te gaan verrichten. Consignatie wordt slechts opgedragen boven de voor de ambtenaar krachtens artikel 12 van het Besluit algemene rechtspositie politie vastgestelde diensttijden.
2.
Consignatie kan niet worden opgedragen boven een door het bevoegd gezag of een daartoe aangewezen ambtenaar vast te stellen aantal uren per jaar, met dien verstande dat dit maximum niet geldt voor de Commissie LSOP.
3.
Voor consignatie gedurende een tijdvak van korter dan een half uur boven de voor de ambtenaar vastgestelde dagelijkse diensttijd wordt geen toelage toegekend.
4.
De toelage voor consignatie bedraagt € 1,00 voor elk uur dat de ambtenaar consignatie is opgelegd.
5.
De in het vierde lid genoemde toelage wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk bij gelegenheid van de tweede salarisbetaling volgende op de periode van vier weken waarin consignatie is verricht.
6.
Van de in het vijfde lid gestelde termijn kan worden afgeweken indien het dienstbelang dat vereist of, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, op verzoek van de ambtenaar. Voor de hier bedoelde gevallen wordt een nieuwe uiterste termijn vastgesteld.
7.
Indien een ambtenaar aan wie consignatie is opgelegd, binnen het tijdvak van consignatie werkzaamheden moet verrichten, is voor de duur van die werkzaamheden sprake van het verrichten van arbeid.
8.
Voor de toepassing van dit artikel worden gedeelten van uren, voorzover daarmee het half uur, bedoeld in het derde lid, wordt overschreden, berekend over een periode van vier weken, opgeteld en naar boven afgerond op halve uren.
9.
De toelage voor consignatie wordt in geval van ziekte van de ambtenaar gesteld op het bedrag dat de ambtenaar in de drie perioden van vier weken, onmiddellijk voorafgaande aan de periode van vier weken waarin de ziekte is aangevangen, gemiddeld aan toelage op grond van dit artikel heeft genoten.
10.
Voor de toepassing van dit artikel berust het oordeel omtrent het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel bij de door deze aangewezen ambtenaar.
11.
Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger bedraagt.
1.
Aan de ambtenaar kan een toelage worden toegekend om reden van werving of behoud tot een maximum van € 45.400,– per kalenderjaar.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger bedraagt.
1.
Aan de ambtenaar kan als tegemoetkoming in de representatiekosten een toelage worden toegekend tot een maximum van 5% van het salaris.
2.
De ambtenaar die een vergoeding als bedoeld in het eerste lid ontvangt, kan de volgende kosten niet declareren:
a. kosten in verband met aanschaf van kleding en schoeisel;
b. kosten in verband met aanpassing en inrichting van de eigen woning;
c. kosten in verband met persoonlijke verzorging;
d. kosten in verband met ontvangsten van bescheiden omvang in de eigen woning;
e. fooien;
f. het aanbieden van een drankje en rookwaar aan een zakenrelatie tijdens een bespreking, anders dan een lunch of een diner;
g. het aanbieden van attenties of geschenken ter zake van recepties, jubilea en dergelijke aan medewerkers, collega’s of zakenrelaties;
h. vakliteratuur, abonnementen en kantoorbenodigdheden, voor zover deze niet rechtstreeks door de werkgever worden betaald;
i. contributies vakvereniging, niet zijnde een beroepsvereniging.
1.
Aan een ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger is, kan een periodieke toelage worden toegekend door het bevoegd gezag in het kader van de individuele ontwikkeling in de functie, het individueel structureel goed functioneren, werving en behoud of een andere gewichtige reden.
2.
De maximale hoogte van de periodieke toelage is voor:
a. de landelijke korpschef € 21.000,– per jaar;
b. korpsleiding, plaatsvervangend korpschef en politiechefs 11% van het persoonlijke salaris per jaar;
c. overige ambtenaren van schaal 15 tot en met 18 11% van het persoonlijke salaris per jaar.
3.
Het besluit tot toekennen en de hoogte van de periodieke toelage zal jaarlijks aan het eind van elk kalenderjaar opnieuw worden getoetst.
1.
In uitzonderlijke gevallen kan aan de ambtenaar of aan een groep van ambtenaren een toelage worden toegekend op andere gronden dan die vermeld in de artikelen 16 tot en met 20.
2.
Een in het eerste lid bedoelde toelage kan aan de ambtenaar worden toegekend nadat Onze Minister ter zake nadere regels heeft vastgesteld.
Artikel 22
Een krachtens artikel 16, 19 of 21 toegekende toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage wordt toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.
1.
De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering die 8% van de genoten bezoldiging bedraagt.
2.
De vakantie-uitkering bedraagt ten minste € 144,25 per maand, met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd indien:
a. de bezoldiging van de ambtenaar niet op de eerste dag van een maand aanvangt, dan wel indien de ambtenaar in een deel van een maand geen bezoldiging heeft genoten;
b. de ambtenaar in de loop van een maand slechts een gedeelte van zijn bezoldiging heeft genoten wegens verleend verlof, in verband met non-activiteit, bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing.
3.
Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking naar evenredigheid vastgesteld.
4.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de ambtenaar geacht in het genot van de volle bezoldiging te zijn, indien hij
a. niet zijn volledige bezoldiging geniet op grond van de artikelen 13a, 28b en 41 van het Besluit algemene rechtspositie politie of op grond van de artikelen 32 tot en met 37 en 38,
b. een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg ontvangt,
c. een aanvulling op zijn ZW-uitkering geniet op grond van artikel 39a, of
d. niet zijn volledige salaris geniet vanwege een inhouding op dat salaris op grond van de Regeling levensloop politie.
Is het feitelijk genot van de bezoldiging teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage dan wordt hij voor de toepassing van het eerste lid geacht geen bezoldiging te genieten.
5.
De ambtenaar, bedoeld in artikel 33, geniet de vakantie-uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.
Artikel 24
Artikel 23 is mede van toepassing op de gewezen ambtenaar die ingevolge artikel 42 nog bezoldiging geniet.
1.
De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar betaald over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.
2.
Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met het ontslag van de ambtenaar gelijkgesteld de beëindiging van de doorbetaling van de bezoldiging van de gewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24.
1.
Aan de ambtenaar kan een incidentele eindejaarsuitkering of een eenmalige uitkering worden toegekend.
2.
Ten aanzien van de incidentele eindejaarsuitkering of eenmalige uitkering, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister nadere regels vast met betrekking tot de hoogte van de uitkering en het tijdstip van uitbetaling, en bepaalt Onze Minister of de uitkering behoort tot de bezoldiging.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger bedraagt.
1.
De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 8% van het door hem in dat jaar genoten salaris.
2.
De eindejaarsuitkering bedraagt tenminste € 144,25 per maand met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd indien:
a. het salaris van de ambtenaar niet op de eerste dag van een maand is aangevangen, dan wel indien de ambtenaar een deel van een maand geen salaris heeft genoten;
b. de ambtenaar in de loop van een maand slechts een gedeelte van zijn salaris heeft genoten.
3.
Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking naar evenredigheid vastgesteld.
4.
In afwijking van het eerste en tweede lid heeft de ambtenaar:
a. in het jaar 2001 recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van 2,50% van het door hem in dat jaar genoten salaris;
b. in het jaar 2002 recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van 5,25% van het door hem in dat jaar genoten salaris, doch ten minste € 81,40 per maand gedurende de eerste helft van dat jaar en ten minste € 82,21 per maand gedurende de tweede helft van dat jaar, met dien verstande dat dit bedrag overeenkomstig het tweede en derde lid naar evenredigheid wordt verminderd.
5.
Indien de ambtenaar recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet , de Wet arbeid en zorg of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , wordt voor de toepassing van dit artikel het salaris in acht genomen zoals dit zou zijn genoten indien geen sprake zou zijn geweest van recht op een uitkering op grond van de Ziektewet , de Wet arbeid en zorg of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering .
6.
Indien de ambtenaar vanwege een inhouding op grond van de Regeling levensloop politie niet zijn volledige salaris geniet, wordt voor de toepassing van dit artikel het salaris in aanmerking genomen zoals dit zou zijn genoten indien geen sprake zou zijn geweest van een inhouding op het salaris vanwege die regeling.
7.
Indien voor de ambtenaar het feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt hij voor de toepassing van dit artikel geacht geen salaris te genieten.
8.
De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.
9.
Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats conform het bepaalde in het tweede en zesde lid over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatste verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.
1.
Aan de ambtenaar kan een uitkering worden toegekend om redenen van werving of behoud tot een maximum van € 45 400,- per kalenderjaar.
2.
De uitkering wordt toegekend aan het einde van een tijdvak dat tevoren is vastgesteld door het bevoegd gezag.
3.
Aan de toekenning van de uitkering kunnen door het bevoegd gezag voorwaarden worden gesteld.
4.
Aan de ambtenaar die niet heeft kunnen voldoen aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan de ambtenaar zelf te wijten oorzaak, kan de uitkering gedeeltelijk worden toegekend.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger bedraagt.
1.
Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 13 van bijlage I van dit besluit en die overwerk verricht, wordt, behoudens het zesde lid, een vergoeding toegekend.
2.
Aan de ambtenaar die is ingedeeld in salarisschaal 13 of 14 van bijlage I van dit besluit wordt de in dit artikel bedoelde vergoeding toegekend indien hij overwerk verricht in het kader van:
a. deelname aan een rampenstaf;
b. deelname aan grootschalig bijzonder optreden;
c. inzet als lid van een mobiele eenheid;
d. deelname aan een team grootschalige opsporing.
3.
Onder overwerk wordt verstaan dienst in opdracht van het daartoe bevoegde gezag buiten de voor de ambtenaar krachtens artikel 12 van het Besluit algemene rechtspositie politie vastgestelde arbeidstijden, voorzover daardoor de per dienstdag vastgestelde totale arbeidstijd wordt overschreden.
4.
Overwerk kan niet worden opgedragen boven een door het bevoegd gezag of een door deze aangewezen ambtenaar, vast te stellen aantal uren per jaar.
5.
Het opdragen van overwerk mag niet tot gevolg hebben dat de ambtenaar per periode van vier weken minder dan vier vrije dagen en per kalenderjaar minder dan dertien vrije zondagen, waarvan elf aansluitend aan een vrije dag, geniet.
6.
Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur aansluitend aan de vastgestelde dagelijkse arbeidstijd wordt verricht, wordt geen vergoeding toegekend.
7.
Overwerk wordt naar de keuze van het bevoegd gezag vergolden door middel van een bedrag in geld dan wel door middel van verlof of door middel van een combinatie van een bedrag in geld en verlof. Bij de keuze van de vorm van vergoeding wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.
8.
De vergoeding voor elk uur overwerk is een bedrag in geld ter grootte van het salaris per uur van de ambtenaar dan wel verlof voor de duur van één uur, vermeerderd met € 6,00 dan wel verlof voor de duur van een half uur, bij wijze van toeslag.
9.
De in het achtste lid genoemde vergoeding door middel van een bedrag in geld wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk bij gelegenheid van de tweede salarisbetaling volgende op de periode van vier weken waarin het overwerk is verricht. De vergoeding is niet pensioengevend.
10.
In geval vergoeding van overwerk plaatsvindt door middel van verlof, wordt het verlof zo spoedig mogelijk verleend, doch uiterlijk in de periode van vier weken waarin de in het negende lid bedoelde salarisbetaling plaatsvindt.
11.
Van de in het negende en tiende lid gestelde termijnen kan worden afgeweken indien het dienstbelang dat vereist of, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, op verzoek van de ambtenaar. Voor de hier bedoelde gevallen wordt een nieuwe uiterste termijn vastgesteld.
12.
De tijdstippen waarop het verlof, bedoeld in het achtste lid, wordt verleend, worden zo tijdig mogelijk vastgesteld, waarbij zoveel mogelijk rekening gehouden wordt met de wensen van de ambtenaar.
13.
Het verlof, bedoeld in het achtste lid, dat aan het einde van een kalenderjaar niet is verleend, wordt naar wens van de ambtenaar bij gelegenheid van de eerste salarisbetaling in het daarop volgend kalenderjaar conform het achtste lid uitbetaald dan wel doorgestort naar een rekening in het kader van de Regeling levensloop politie.
14.
Voor de toepassing van dit artikel worden gedeelten van uren, voor zover daarmee het half uur, bedoeld in het zesde lid, wordt overschreden, berekend over een periode van vier weken, opgeteld en naar boven afgerond op halve uren.
15.
Voor de bepaling van de duur van de overschrijding van de per dienstdag vastgestelde totale arbeidstijd gelden uren waarop krachtens het Besluit algemene rechtspositie politie vakantie of verlof is genoten dan wel wegens ziekte of schorsing geen dienst is verricht, als uren waarop feitelijk dienst is verricht.
16.
Voor de toepassing van dit artikel berust het oordeel omtrent het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel bij de door deze aangewezen ambtenaar.
17.
Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger bedraagt.
1.
Indien de ambtenaar dienst verricht op aan hem volgens het dagrooster verleende vakantie-uren, wordt hem een vergoeding toegekend.
2.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de toeslag als bedoeld in artikel 27, achtste lid. De vergoeding voor delen van een uur wordt vastgesteld op een evenredig deel van de toeslag.
3.
De vergoeding die is uitgekeerd in geld, is niet pensioengevend.
1.
Aan de ambtenaar die is ingedeeld in salarisschaal 12 of lager, wordt een vergoeding toegekend als er sprake is van een verschuiving in de vastgestelde roosters, bedoeld in artikel 12, negende, tiende of twaalfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, indien de verschuiving plaatsvindt in het dienstbelang en geen verband houdt met een omstandigheid als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet. Voor de toepassing van dit lid berust het oordeel omtrent het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel bij de door deze aangewezen ambtenaar.
2.
Aan de ambtenaar die is ingedeeld in salarisschaal 13 of 14, wordt een vergoeding als bedoeld in het eerste lid toegekend indien er sprake is van een verschuiving van diensten in het kader van:
a. deelname aan een rampenstaf;
b. deelname aan grootschalig bijzonder optreden;
c. inzet als lid van een mobiele eenheid;
d. deelname aan een team grootschalige opsporing.
3.
De vergoeding wordt berekend per gewerkt verschoven uur en is gelijk aan de toeslag in geld bij overwerk, bedoeld in artikel 27, achtste lid.
4.
Een verschuiving van een vrije zondag of een dag die in de wekelijkse rusttijd valt, bedoeld in artikel 12, negende lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt gesteld op acht uren, ongeacht de betrekkingsomvang of werktijdenmodaliteit van de ambtenaar.
5.
De vergoeding voor een verschuiving in het dagrooster, bedoeld in artikel 12, twaalfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt slechts toegekend indien de verschuiving ten minste een half uur bedraagt.
6.
De vergoeding voor een verschuiving in de roosters, bedoeld in artikel 12, negende of tiende lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt eerst toegekend indien meer dan acht uren zijn verschoven op grond van één van deze leden of beide leden gezamenlijk.
7.
Voor de toepassing van dit artikel worden verschoven uren en gedeelten van uren berekend over een periode van vier weken, opgeteld en naar boven afgerond op hele uren.
8.
De vergoeding kan niet samenvallen met de vergoeding voor overwerk, bedoeld in artikel 27. De vergoeding wordt ook niet toegekend aan de ambtenaar die als gevolg van arbeidsongeschiktheid feitelijk niet werkzaam is volgens het rooster waarin de wijziging plaatsvindt.
9.
De vergoeding wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk bij gelegenheid van de tweede salarisbetaling volgende op de periode van vier weken waarin de verschuiving heeft plaatsgevonden.
10.
Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar die deel uitmaakt van een eenheid als bedoeld in artikel 59, eerste lid, Politiewet 2012.
Artikel 28
Onze Minister stelt regels vast terzake van een maaltijdvergoeding bij overwerk, voor zover de ambtenaar ingevolge hoofdstuk III van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politieter zake geen aanspraak op vergoedingen voor maaltijden heeft.
1.
Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 12 van bijlage I van dit besluit en die daadwerkelijk wordt ingezet als lid van een mobiele eenheid wordt een vergoeding toegekend.
2.
Het tijdvak gedurende hetwelk de ambtenaar is ingezet, blijft voor de toepassing van de artikelen 18, tweede lid, en 27, vierde lid, buiten beschouwing.
3.
De vergoeding bedraagt € 29,65 per kalenderdag.
4.
Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 12 van bijlage I van dit besluit en geen lid is van de mobiele eenheid wordt de vergoeding zoals bedoeld in het derde lid toegekend indien hij daadwerkelijk wordt ingezet ten behoeve van de mobiele eenheid en:
a. de mobiele eenheid is opgeroepen in het kader van een grootschalig of bijzonder optreden, en
b. de betrokken ambtenaar door het bevoegd gezag wordt opgeroepen voor een inzet als bedoeld in onderdeel a, waarbij voor die ambtenaar achteraf wordt vastgesteld dat gevaarzetting heeft gegolden ter handhaving van de openbare orde.
1.
Aan de ambtenaar die op grond van artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie voor een periode van tenminste twee weken wordt gedetacheerd, wordt, indien hij dagelijks heen en weer reist, een vergoeding toegekend voor de tijd waarmee de totale reistijd per dag 90 minuten overschrijdt.
2.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de vergoeding, bedoeld in artikel 27, achtste lid, die de ambtenaar bij overwerk zou ontvangen. De vergoeding voor delen van een uur wordt vastgesteld op een evenredig deel van de uurvergoeding.
3.
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste en tweede lid beslissen in individuele gevallen waarin dit artikel naar zijn oordeel niet of niet in redelijkheid voorziet.
1.
Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt wordt gedurende zijn ontheffing een non-activiteitswedde toegekend. De non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijk door hem in zijn ambt genoten bezoldiging het gezamenlijk bedrag van alle aan de werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college verbonden inkomsten, overschrijdt.
2.
Toekenning van de non-activiteitswedde vindt plaats op de voet van het bepaalde in de artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en 5 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op degene die een non-activiteitswedde geniet uit hoofde van artikel 4, eerste lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.
Artikel 32
De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging slechts voor zover hem bij of krachtens de artikelen 33 tot en met 37 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld in de aan hem toegekende vakantie, behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
1.
De ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet, onverminderd artikel 85 van het Besluit algemene rechtspositie politie, de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning, met dien verstande dat indien de ambtenaar ongehuwd is, hij slechts de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet, voor zover 70 procent daarvan meer bedraagt dan zijn militaire beloning.
2.
Zo nodig in afwijking van het eerste lid blijft de ambtenaar, bedoeld in dat lid, in ieder geval de aan zijn ambt verbonden bezoldiging genieten tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
3.
Ongehuwde enige kostwinners worden voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met gehuwden. Het bevoegd gezag beslist of een ongehuwde als enig kostwinner wordt beschouwd.
4.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens het genot van voeding en huisvesting.
5.
De regels die op basis van artikel 18, vijfde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn vastgesteld met betrekking tot hetgeen onder militaire beloning wordt verstaan, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Artikel 33 is eerst van toepassing, nadat de ambtenaar als militair de opleiding en oefening heeft volbracht.
2.
De ambtenaar die ingevolge een wettelijke verplichting voor de opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende deze opleiding en oefening de aan zijn ambt verbonden bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van ambtenaren op wie bij koninklijk besluit de artikelen 32 en 33 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
4.
Indien de ambtenaar bij opkomst in militaire dienst voldoet aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, of indien ingevolge het derde lid bij opkomst in militaire dienst deze voorwaarde niet voor hem geldt, geniet hij, in afwijking van artikel 33, gedurende twee weken na zijn opkomst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
1.
De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende twee weken na zijn opkomst in militaire dienst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging. Daarna wordt de militaire beloning in mindering gebracht op de aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
Artikel 33, tweede, vierde en vijfde lid is van toepassing.
2.
Voor zover nodig, bepaalt Onze Minister van Defensie welke dienst als herhalingsoefening wordt beschouwd.
3.
Voor de toepassing of voortgezette toepassing van het eerste lid worden, met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de Kaderwet dienstplicht of in de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht en onverminderd artikel 85 van het Besluit algemene rechtspositie politie met herhalingsoefeningen gelijk gesteld:
a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp waarvan de militair verdacht of beklaagd wordt;
b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven ten einde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;
c. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens:
1°. ziekte;
2°. het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte;
3°. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;
d. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de Kroon of bij Onze Minister van Defensie ingediend bezwaarschrift onderscheidenlijk beroepschrift.
Artikel 36
Indien de ambtenaar als militair in werkelijke dienst zijnde overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 46, verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering die uit hoofde van de militaire dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan.
Artikel 37
De artikelen 32 tot en met 36 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:
a. de ambtenaar die is tewerkgesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;
b. de ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het reservepersoneel der krijgsmacht of
c. de ambtenaar die op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke militaire of daarmee gelijk te stellen dienst is, terzake waarvan dit bij koninklijk besluit is bepaald.
1.
De ambtenaar die 55 jaar of ouder is kan op zijn aanvraag, een functie worden opgedragen waaraan een salaris is verbonden met een lager maximum dan het maximum van de reeds voor hem geldende salarisschaal. In dat geval wordt op zijn salaris een inhouding toegepast.
2.
De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het maximumsalaris behorende bij de salarisschaal direct onder de voor de ambtenaar geldende salarisschaal met dien verstande dat dit bedrag niet negatief mag zijn.
3.
In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk van de inhouding afzien.
4.
Onze Minister kan nadere regels stellen.
1.
De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 104 weken recht op de doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de volgende tabel:
de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;
de derde 26 weken 80% van de bezoldiging;
vervolgens 70% van de bezoldiging.
2.
In afwijking van het eerste lid, behoudt de ambtenaar, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt door een beroepsincident, zijn aanspraak op doorbetaling van 100% van zijn bezoldiging.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
4.
Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging, indien het bevoegd gezag de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op grond van dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de vertraging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO, zoals dat artikel luidde op 31 december 2003, indien de wachttijd met toepassing van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd;
c. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO heeft vastgesteld.
5.
Ingeval van verlenging op grond van het vierde lid, kan het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, niet méér dan 156 weken belopen.
6.
De ambtenaar die langer dan 26 weken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en die loonvormende arbeid of reintegratieactiviteiten verricht, ontvangt over deze uren een beloning naast de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid.
7.
De beloning, bedoeld in het zesde lid, tezamen met de doorbetaling van de bezoldiging bij ziekte bedraagt:
a. 35% van de bezoldiging en 65% van de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid indien de ambtenaar maximaal 35% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid;
b. 80% van de bezoldiging en 20% van de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid indien de ambtenaar meer dan 35% en maximaal 80% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid;
c. 100% van de bezoldiging indien de ambtenaar meer dan 80% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid.
8.
De doorbetaling van de bezoldiging eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie passende arbeid verricht en daartoe is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of
d. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
9.
De ambtenaar die op grond van artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie passende arbeid verricht en daartoe is herplaatst, voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 94, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op een aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van zijn herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel recht zou hebben gehad indien hem geen andere betrekking zou zijn opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde arbeidstijd zijn eigen betrekking; en
b. de som van zijn bezoldiging na herplaatsing, een uit zijn arbeidsongeschiktheid voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, een invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage.
10.
De ambtenaar die op grond van artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie passende arbeid verricht en daartoe is herplaatst, heeft tevens aanspraak op een aanvullende uitkering nadat de termijn van 104 weken is verstreken, indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, ter grootte van het verschil tussen:
a. een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit de oorspronkelijke betrekking voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, invaliditieitspensioen en een herplaatsingstoelage.
11.
Het percentage, bedoeld in het tiende lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
12.
De aanvullende uitkering, bedoeld in het negende en tiende lid, eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelleden genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt; of
d. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
1.
De ambtenaar met recht op een ZW-uitkering heeft aanspraak op een aanvulling van die uitkering tot het niveau van de bezoldiging.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt de ZW-uitkering waarop de ambtenaar recht heeft steeds aangemerkt als een uitkering die door deze onverminderd is genoten.
1.
De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident.
2.
De gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident.
3.
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar worden geacht een aanvraag te hebben ingediend als bedoeld in het eerste en tweede lid indien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens een dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 mei 2006.
1.
De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, niet zijnde een ontslag op grond van artikel 88a dan wel artikel 94, eerste lid, aanhef en onderdeel e of f, van het Besluit algemene rechtspositie politie nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 78 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de volgende tabel:
a. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
b. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;
c. de derde 26 weken 80% van de bezoldiging.
2.
De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag ongeschikt wordt wegens ziekte een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang betrokkene ongeschikt is tot werken wegens ziekte, maar niet langer dan 52 weken, aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest overeenkomstig de volgende tabel:
a. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
b. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging.
3.
Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 78 weken, bedoeld in het eerste lid, en het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
4.
De doorbetaling van de bezoldiging bedoeld in het eerste en tweede lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
5.
De gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een WAO-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft aanspraak op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door beroepsincident.
6.
De in het vijfde lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het verschil tussen:
a) een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; en
b) de som van de ambtenaar toegekende WAO-uitkering, een hem toegekend invaliditeitspensioen, een hem toegekende herplaatsingstoelage dan wel in voorkomend geval een hem toegekende suppletie op grond van het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie .
7.
Het percentage, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 90,02%;
65 tot 80%: 65,26%;
55 tot 65%: 54,01%;
45 tot 55%: 45,01%;
35 tot 45%: 36,01%;
25 tot 35%: 27,01%;
15 tot 25%: 18,00%.
8.
De aanvullende uitkering, bedoeld in het vijfde lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoeld artikellid genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
9.
De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond van artikel 88d van het Besluit algemene rechtspositie politie met het oog op pensioen als bedoeld in artikel 7.3 van het pensioenreglement, voor zover dat is ingegaan voor de AOW-gerechtigde leeftijd, heeft tot uiterlijk de AOW-gerechtigde leeftijd slechts aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging voor zover deze tezamen met zijn pensioen op grond van artikel 7.3 van het Pensioenreglement de laatstelijk genoten bezoldiging niet overschrijdt.
10.
Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de voorgaande leden, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.
1.
De gewezen ambtenaar die waarschijnlijk zal bevallen binnen vier maanden na de datum van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
2.
De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot zestien weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan zestien weken heeft bedragen.
3.
De gewezen ambtenaar van wie de bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na de datum van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
4.
Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge het eerste of derde lid toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot werken of binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 39. De termijn van 52 weken loopt vanaf de eerste dag na de bevalling.
5.
Ongeschikt tot werken, in de zin van het vierde lid is de gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.
7.
Dit artikel is niet van toepassing als het Besluit suppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie , van toepassing is. Het recht op grond van dit artikel leidt in dat geval niet tot uitkering en evenmin tot wijziging van de berekening van de perioden daarvan.
8.
Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de voorgaande leden, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.
1.
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging:
a) indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen;
b) indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
c) indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c respectievelijk artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit algemene rechtspositie politie en blijkt dat de ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van geschiktheid voor de desbetreffende functie ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2.
De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon of bezoldiging, dan wel op een ZW-uitkering.
1.
Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging of een bovenwettelijke ziekte-uitkering vangt aan op de eerste dag waarop:
a) wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt;
b) het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is gestaakt;
c) wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt;
d) het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.
2.
Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag volgende op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.
1.
De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk gedurende de eerste 104 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
e) verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;
g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;
i) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;
j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;
k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
n) vóór de betaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
q) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop zijn gericht om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;
r) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;
s) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
2.
De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke ziekte-uitkering, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.
3.
De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.
4.
Het bevoegd gezag kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke ziekte-uitkering niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.
5.
Voor zover het bevoegd gezag van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, worden de niet uitbetaalde bezoldiging of de bovenwettelijke ziekte-uitkering alsnog aan de ambtenaar uitbetaald, indien de in artikel 51, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie bedoelde commissie van artsen ten gunste van de ambtenaar heeft geoordeeld.
1.
De aanspraken van de ambtenaar op grond van dit hoofdstuk na de eerste 104 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de ambtenaar:
a) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;
b) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;
c) geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of  28, onder a of b, van de WAO.
2.
De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.
3.
Na het tijdvak van 104 weken, bedoeld in de artikelen 38 en 39, is op de aanspraak die de ambtenaar heeft op doorbetaling van de bezoldiging, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO-uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
5.
Indien ten aanzien van de WAO-uitkering die de ambtenaar genieten een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door het bevoegd gezag zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast, op doorbetaling van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid waarop de ambtenaar aanspraak hebben.
1.
Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk met een uitkering krachtens een wettelijke verzekering, wordt de aanspraak krachtens dit hoofdstuk verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de wettelijke verzekering, tenzij het betreft:
a) een tegemoetkoming of een vergoeding die vergelijkbaar is met de tegemoetkoming of de vergoeding, bedoeld in de artikelen 53 en 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
b) een ZW-uitkering ingeval van meer dan een betrekking. In dat geval wordt de ZW-uitkering naar rato van de bezoldiging toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald krachtens dit hoofdstuk en de andere betrekking of betrekkingen.
c) een WAO-uitkering ingeval van meer dan één betrekking. In dat geval wordt de WAO-uitkering naar rato van de bezoldiging toegerekend aan de betrekking ter zake waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald krachtens dit hoofdstuk en de andere betrekking of betrekkingen.
2.
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft, in mindering gebracht, tenzij:
a) de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds voor het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot; en
b) de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
1.
De aanspraak van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op de bovenwettelijke ziekte-uitkering of de doorbetaling van de bezoldiging na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt zoveel mogelijk op gelijke wijze gewijzigd als een aan hem toegekende ZW-uitkering of een WAO-uitkering.
2.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak op een ZW-uitkering of een WAO-uitkering hebben wegens ongeschiktheid tot werken voor een betrekking die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft vervuld naast zijn betrekking ter zake waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar op een uitkering krachtens dit hoofdstuk aanspraak heeft, voor zover de ZW-uitkering of de WAO-uitkering naar de inkomsten uit die andere betrekking wordt berekend of geacht kan worden te zijn berekend.
1.
Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven de artikelen van hoofdstuk X van dit besluit van toepassing zoals deze luidden op 31 december 2005.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3.1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
1.
De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden. Artikel 26, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, is van overeenkomstige toepassing
2.
Met inachtneming van het vijfde lid wordt zo spoedig mogelijk na het overlijden aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf bij de berekening van het in de eerste volzin bedoelde bedrag geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging welke de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of, indien hij op die dag aanspraak maakt op een ZW-uitkering of een WAO-uitkering en een bovenwettelijke ziekte-uitkering of een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 10, zou hebben genoten indien hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest. De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan driemaal dat van de vakantieuitkering over een maand, berekend op de voet van hoofdstuk 6, naar de bezoldiging die de ambtenaar in de maand van het overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was van de operationele toelage, bedoeld in artikel 14, of van de aflopende toelage, bedoeld in artikel 15 of van een toelage op grond van artikel IV van het koninklijk besluit van 4 september 1968 tot wijziging van het Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 477) wordt het gedeelte van de in de eerste volzin bedoelde uitkering dat betrekking heeft op deze toelagen, gesteld op het bedrag dat de overleden ambtenaar in de drie kalendermaanden voorafgaand aan de dag van het overlijden aan zodanige toelagen is toegekend.
3.
Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
4.
Ontbreken ook kinderen als bedoeld in het derde lid, dan geschiedt de uitkering, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.
5.
Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid nalaat, kan het daartoe bedoelde bedrag door het bevoegd gezag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
6.
Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt reeds vóór zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak in mindering gebracht. Indien de ambtenaar voor zijn overlijden te veel vakantie heeft genoten, is artikel 26, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, van overeenkomstige toepassing. Het aldus verschuldigde bedrag wordt eveneens in mindering gebracht op de uitkering, bedoeld in het tweede lid.
7.
Op het bedrag, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewetof op grond van artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.
Artikel 46a
Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van artikel 39 in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 46 bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering worden in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewet of op grond van artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.
1.
Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van:
a) indien het gaat om de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, vijf zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP en de voor pensioen geldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
b) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de voor pensioen geldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
c) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, twee zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de voor pensioen geldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
2.
De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgende op de datum van het hertrouwen.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie artikel 38, zesde lid, toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat artikel.
1.
Aan de ambtenaar of zijn nagelaten betrekking kan een tegemoetkoming worden verleend in de premie voor een ziektekostenverzekering volgens door Onze Minister te stellen regels.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar, jonger dan 65 jaar, of zijn nagelaten betrekkingen.
1.
Bij vermissing van de ambtenaar zijn, behoudens het tweede lid, de bepalingen van artikel 46 van overeenkomstige toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door het bevoegd gezag te bepalen dag.
2.
Het tweede lid van artikel 46 is niet van toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
3.
Indien blijkt, dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van het bevoegd gezag de bezoldiging worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
4.
Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering, voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositie, is toegekend over het tijdvak, waarover naar het oordeel van het bevoegd gezag geen aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen.
5.
De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.
Artikel 48
Voor gevallen, waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt door Onze Minister een bijzondere regeling getroffen.
Artikel 48a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor aanvragen om de werkzaamheden en functie met elkaar in overeenstemming te brengen, verzonden uiterlijk 23 mei 2011, waarop nog geen onherroepelijke beslissing is genomen, blijven artikel 1, eerste lid, onderdeel r. en artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie, zoals die golden op de dag voor inwerkingtreding van dit artikel, van toepassing.
Artikel 48b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor aanvragen over de heroverweging van de waardering van de functie waarop nog geen onherroepelijke beslissing is genomen, blijven artikel 1, eerste lid, onderdeel r. en artikel 7, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie, zoals die golden op de dag voor inwerkingtreding van dit artikel, van toepassing.
Artikel 48c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De regels gesteld op grond van artikel 6, tweede lid, tweede volzin, zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel, blijven van toepassing op bezwaar- en beroepsprocedures in het kader van de toekenning van en overgang naar een functie zoals vastgelegd in het LFNP.
1.
Een ambtenaar die op grond van afdeling 1, hoofdstuk 2, artikel 1, van de Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel het Korps landelijke politiediensten is overgegaan en die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 aanspraken had op grond van het Bezoldigingsreglement politie 1958 en op grond van artikel VII van het Besluit van 24 juni 1992, houdende wijziging van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, het Bezoldigingsreglement politie 1958, het Besluit geneeskundige verzorging politie 1984 en het Besluit overleg en medezeggenschap politie in verband met het tot stand brengen van een eenvormige rechtspositie voor alle politieambtenaren behoudt deze aanspraken.
2.
Een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de LSOP-wet aanspraken had op grond van het Bezoldigingsbesluit LSOP, behoudt deze aanspraken.
3.
Indien aan een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP, op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de LSOP-wet een salaris was toegekend dat voorkwam in één van de salarisschalen opgenomen in een van de bijlagen van het Bezoldigingsbesluit LSOP, vindt inschaling plaats in een salarisschaal van bijlage 1 van dit besluit waarvan het maximumsalaris gelijk is aan dan wel gelegen is onmiddellijk onder het maximumsalaris van de salarisschaal volgens welke de ambtenaar werd bezoldigd voor de inwerkingtreding van de LSOP-wet .
Het salaris dat aan de ambtenaar wordt toegekend is gelijk aan dan wel gelegen onmiddellijk onder het salaris dat hem was toegekend voor de inwerkingtreding van de LSOP-wet . Indien aan de ambtenaar een salaris wordt toegekend dat is gelegen onmiddellijk onder het salaris dat hij ontving voor de inwerkingtreding van de LSOP-wet , heeft hij tot het moment dat hij in een hogere salarisschaal wordt geplaatst, aanspraak op het verschil tussen bedoelde salarissen.
1.
Voor degene die op 30 juni 2007 met toepassing van artikel 4a van het Besluit algemene rechtspositie politie is aangesteld in tijdelijke dienst, blijft artikel 6a, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing tot en met het tijdstip waarop hij hernieuwd in vaste dienst wordt aangesteld.
2.
Voor degene die op 30 juni 2007 vanwege een verplaatsing aanspraak heeft op een vergoeding als bedoeld in artikel 30a, blijft dat artikel, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing voor de duur van die verplaatsing.
3.
Voor degene die op 30 juni 2007 is gedetacheerd en een functie uitoefent waaraan op grond van artikel 6 een hogere salarisschaal is verbonden, blijven de artikelen 4, 6 en 17b, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing voor de duur van die detachering.
4.
Degene die in de periode van 1 juli 2007 tot 1 januari 2008 op grond van artikel 4a, zoals dat gold op 30 juni 2007, tijdelijk is aangesteld of op grond van artikel 62 is gedetacheerd ter vervulling van een hoger gewaardeerde functie dan de salarisschaal waarin hij bezoldigd is en deze functie langer dan twee jaar na aanstellen of detachering onafgebroken heeft bekleed, heeft recht op behoud van die hogere salarisschaal, bij beëindiging van de tijdelijke aanstelling of detachering.
Artikel 49d
De ambtenaar die opleidingsniveau 4 succesvol heeft afgerond, wordt uiterlijk per 1 augustus 2011 aangesteld in een functie waaraan ten minste salarisschaal 7 van bijlage I van dit besluit is verbonden.
Artikel 49e
Van de ambtenaar die voor 1 maart 2010 een salaris genoot met toepassing van bijlage I , zoals deze luidde voor die datum, wordt het salaris op 1 maart 2010 vastgesteld in de schaal met hetzelfde nummer van de bij dit besluit behorende bijlage I als de schaal uit bijlage I die voor 1 maart 2010 van toepassing was, in de periodiek met het bedrag dat overeenkomt met het oude salaris, dan wel bij gebreke daarvan, met het salarisbedrag dat onmiddellijk boven het bedrag van het oude salaris ligt.
1.
Voor de ambtenaar ontstaat aanspraak op de salarisschaal, toelagen, vergoedingen en uitkeringen behorende bij de functie die hem naar aanleiding van de invoering van het LFNP is toegekend, vanaf het moment van het bekendmaken van het besluit genomen op grond van de regels gesteld op grond van artikel 6, tweede lid, tweede volzin, zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel, strekkende tot toekenning van een functie die is opgenomen in het LFNP aan de ambtenaar. Deze aanspraak werkt terug tot en met het moment waarop de ambtenaar deze functie is toegekend, doch uiterlijk tot en met 1 januari 2010.
2.
Indien aan de functie, bedoeld in het eerste lid, een lagere salarisschaal is verbonden dan voor de ambtenaar gold voor toekenning van deze functie, behoudt hij zijn oude salarisschaal en salarisnummer, inclusief de verhoging tot naasthogere bedragen in deze schaal, bedoeld in artikel 9.
3.
Indien aan de functie, waarnaar de ambtenaar is overgegaan naar aanleiding van de invoering van het LFNP, geen recht is verbonden op een toelage, vergoeding of uitkering die verbonden was aan de functie van voor de invoering van het LFNP, heeft de ambtenaar aanspraak op de toelage, vergoeding en uitkering behorende bij de functie die hij vervulde voor de invoering van het LFNP tot op de dag dat het samenstel van werkzaamheden wijzigt naar aanleiding van de plaatsing in de in het eerste lid bedoelde functie dan wel naar aanleiding van de aanwijzing als herplaatsingskandidaat in het kader van de reorganisatie Politiewet 2012 als bedoeld in artikel 55ia van het Besluit algemene rechtspositie politie.
1.
De artikelen 6 tot en met 10, 14 tot en met 17, 18, 20, 27 tot en met 30 zijn niet van toepassing op de aspirant met dien verstande dat de artikelen 14, 18, 27, 27a, 27b en 28 wel van toepassing zijn op de aspirant gedurende het praktisch opleidingsdeel.
2.
De artikelen 6 tot en met 30 zijn niet van toepassing op de vakantiewerker.
Artikel 50a
De bijlagen, behorende bij dit besluit, alsmede de bedragen, genoemd in de artikelen 3a, 14, 18, 23, 25b, 27 en 29 kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd, met dien verstande dat met uitzondering van de bedragen, genoemd in de artikelen 14, 18 en 27, deze bijlagen en bedragen slechts worden aangepast overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.
Artikel 51
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Artikel 52
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bezoldiging politie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 maart 1994
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de negenentwintigste maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemeen
+ Hoofdstuk 2. Salaris
+ Hoofdstuk 3. Gratificatie
+ Hoofdstuk 3a. Bijdrage levensloopregeling
+ Hoofdstuk 3b. Toelage bezwarende functies
+ Hoofdstuk 3c. Te gelde maken algemene levensloopbijdrage, toelage bezwarende functie en inhaaltoelage bezwarende functie
+ Hoofdstuk 4. Inconveniëntentoelage
+ Hoofdstuk 5. Overige toelagen
+ Hoofdstuk 6. Vakantie-uitkering
+ Hoofdstuk 7. Uitkeringen
+ Hoofdstuk 8. Vergoedingen in verband met extra diensten en verschoven diensten
+ Hoofdstuk 8a
+ Hoofdstuk 9. Bijzondere situaties
+ Hoofdstuk 10. Voorzieningen in verband met ziekte
+ Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht