Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot verscheidene bijzondere prudentiële maatregelen, het beleggerscompensatie- en het depositogarantiestelsel op grond van de Wet op het financieel toezicht (Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr. FM 2006-01568;
Gelet op de richtlijn nr. 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L135), de richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L84) en de artikelen 3:116, 3:132, tweede lid, 3:136, derde lid, 3:156, tiende lid, 3:259, derde en vierde lid, en 3:266, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht;
De Raad van State gehoord, advies van 17 augustus 2006, nr. W06.06.0258/IV;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006 nr. FM 2006-01983;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. gedelegeerde verordening bijdragen afwikkelingsfonds: gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PbEU 2015, L 11);
b. groep banken of groep financiële ondernemingen: twee of meer banken onderscheidenlijk financiële ondernemingen die met elkaar zijn verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur;
c. wet: Wet op het financieel toezicht .
Artikel 2
Een aanvraag ter verkrijging van instemming met een overdracht als bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, 3:113, eerste lid, 3:114, eerste lid, 3:114a, eerste lid, 3:115, eerste lid, 3:126, eerste lid, 3:127, eerste lid, 3:127a, eerste lid, 3:130, eerste lid, 3:131, eerste lid, 3:131a, eerste lid, of 3:131b, eerste lid, van de wet geschiedt, onverminderd artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onder opgave van een ontwerpovereenkomst met de volgende ter toelichting dienende stukken:
a. een omschrijving van de rechten en verplichtingen, bedoeld in artikel 3:112, eerste lid 1, 3:113, eerste lid, 3:114, eerste lid, 3:114a, eerste lid of 3:115, eerste lid, van de wet, die door de verzekeraar worden overgedragen;
b. ontwerpteksten van de mededelingen die de overdragende verzekeraar zal doen op grond van artikel 3:119, eerste lid, van de wet;
c. een opgave van de verkrijgingsprijs van de rechten en verplichtingen, bedoeld in onderdeel a, door de verkrijgende verzekeraar;
d. een opgave van de veranderingen in het eigen vermogen als gevolg van de overdracht en, voor zover de overdracht van materiële betekenis is, van de verwachte ontwikkeling van dat eigen vermogen in de twaalf maanden volgend op die overdracht van betrokken verzekeraars met dien verstande dat indien sprake is van een gehele overdracht dit laatste alleen geldt voor de overnemende verzekeraar;
e. een opgave van de omvang van de aan te houden technische voorzieningen in verband met de rechten en verplichtingen, bedoeld in onderdeel a;
f. een opgave van de aard en omvang van de over te dragen beleggingen ter dekking van de technische voorzieningen; en
g. ingeval van winstdeling, een beschrijving van de winstdefinitie.
1.
De Nederlandsche Bank beoordeelt of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3:132, eerste lid, van de wet aan de hand van artikel 37, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk X, afdeling 1, van de verordening solvabiliteit II, bedoeld in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wft, en bepaalt de hoogte van de op te leggen kapitaalopslag aan de hand van artikel 37, tweede lid, van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk X, afdeling 2, van de verordening solvabiliteit II.
2.
Een verzekeraar waaraan de Nederlandsche Bank een kapitaalopslag heeft opgelegd op een van de gronden, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen b en c, van de richtlijn solvabiliteit II, stelt al het nodige in het werk om de tekortkomingen die geleid hebben tot het opleggen van een kapitaalopslag te verhelpen.
Artikel 3
Het door een verzekeraar met zetel in Nederland bij de Nederlandsche Bank in te dienen herstelplan, bedoeld in artikel 3:135, eerste lid, van de wet, voldoet aan de eisen die ingevolge artikel 142, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II worden gesteld aan het in artikel 138, tweede lid, van die richtlijn bedoelde saneringsplan, met inachtneming van de door de Europese Commissie op grond van artikel 143, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn solvabiliteit II vastgestelde uitvoeringsmaatregelen.
Artikel 3a
Artikel 142, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II en de door de Europese Commissie op grond van artikel 143, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn solvabiliteit II vastgestelde uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot het herstelplan zijn van overeenkomstige toepassing op de volgende verzekeraars, voor zover zij hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 4
Het door een verzekeraar met zetel in Nederland bij de Nederlandsche Bank in te dienen financieel kortetermijnplan, bedoeld in artikel 3:136, eerste lid, van de wet, voldoet aan de eisen die ingevolge artikel 142, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II worden gesteld aan het in artikel 139, tweede lid, van die richtlijn bedoelde financieel kortetermijnplan, met inachtneming van de door de Europese Commissie op grond van artikel 143, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn solvabiliteit II vastgestelde uitvoeringsmaatregelen. Indien ingevolge artikel 3:135, eerste lid, van de wet een herstelplan is vastgesteld waaraan instemming is verleend, vermeldt het financieel kortetermijnplan tevens hoe het herstelplan daarin wordt verwerkt.
Artikel 4a
Artikel 142, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II en de door de Europese Commissie op grond van artikel 143, tweede lid, tweede alinea, van die richtlijn vastgestelde uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot het financieel kortetermijnplan zijn van overeenkomstige toepassing op de volgende verzekeraars, voor zover zij hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.
1.
Indien overeenkomstig paragraaf 3.5.4.1 van de wet portefeuilleoverdracht aan een opvanginstelling heeft plaatsgevonden, doet de opvanginstelling daarvan onverwijld mededeling in de Staatscourant. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat de opvanginstelling van de portefeuilleoverdracht tevens mededeling doet op een andere, door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. De inhoud van deze mededelingen behoeft de voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.
2.
De portefeuilleoverdracht wordt ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken levensverzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de overdracht is meegedeeld.
3.
De Nederlandsche Bank geeft van de portefeuilleoverdracht kennis:
a. indien het een levensverzekeraar met zetel in Nederland betreft: aan de toezichthoudende instanties in de andere lidstaten waar de levensverzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht vanuit zijn vestigingen in een lidstaat;
b. indien het een levensverzekeraar betreft met zetel in een staat die geen lidstaat is: aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waarheen hij diensten verricht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
4.
Voordat de portefeuilleoverdracht plaatsvindt en na hiertoe machtiging te hebben verkregen als bedoeld in artikel 3:154 van de wet, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties, bedoeld in het derde lid, in kennis van de voorgenomen portefeuilleoverdracht, tenzij het met de opvang te bereiken doel daardoor in gevaar komt.
1.
Een levensverzekeraar aan wie een aanslag wordt opgelegd ingevolge artikel 3:156, zesde lid, van de wet, voldoet de aanslag aan de opvanginstelling binnen een door de Nederlandsche Bank te bepalen termijn.
2.
De Nederlandsche Bank kan bepalen dat een levensverzekeraar het bedrag van de aanslag geheel of gedeeltelijk aan een ander voldoet, om deze in staat te stellen zijn aandelen in de opvanginstelling aan deze verzekeraar over te dragen.
1.
De Nederlandsche Bank stelt, gehoord de vertrouwenscommissie, een vergoedingsplan voor de opvang vast.
2.
Onverminderd de bevoegdheden die in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend aan de organen van de opvanginstelling, vindt de uitkering van dividend en de teruggave van kapitaal aan de aandeelhouders van de opvanginstelling, alsmede de rentevergoeding voor en de terugbetaling van de aan de opvanginstelling verstrekte achtergestelde lening plaats volgens het vergoedingsplan.
3.
De Nederlandsche Bank kan, indien dringende omstandigheden dit vergen en gehoord de vertrouwenscommissie, het vergoedingsplan wijzigen.
Artikel 7a
Voor de toepassing van deze paragraaf:
a. wordt een overbruggingsstichting, overbruggingsonderneming of entiteit voor activa- en passivabeheer aangemerkt als een overbruggingsinstelling in de zin van afdeling 3.5.4a van de wet, voor zover belast met de taken, bedoeld in artikel 7b, tweede lid, onderdeel b, 7c, tweede lid, onderdeel a, of 7d, tweede lid, onderdeel a;
b. wordt een overbruggingsstichting of overbruggingsonderneming aangemerkt als een overbruggingsinstelling in de zin van paragraaf 3A.2.5.2 van de wet, voor zover belast met de taken, bedoeld in artikel 7b, tweede lid, onderdeel c, of 7c, tweede lid, onderdeel b;
c. wordt onder verzekeraar mede verstaan: moedermaatschappij van een verzekeraar.
1.
De Nederlandsche Bank is belast met het oprichten van overbruggingsstichtingen.
2.
Een overbruggingsstichting heeft tot taak om:
a. aandelen in een of meer overbruggingsondernemingen of entiteiten voor activa- en passivabeheer te houden;
b. tijdelijk aandelen in een verzekeraar te houden die ingevolge een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c van de wet aan haar worden overgedragen; of
c. tijdelijk eigendomsinstrumenten te houden die zijn uitgegeven door of met medewerking van een entiteit in afwikkeling en die ingevolge een besluit op grond van artikel 3A:36 van de wet op haar overgaan.
3.
De statuten van een overbruggingsstichting zijn in overeenstemming met de artikelen 40 en 41 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, voor zover de taken, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, zich niet daartegen verzetten, indien de overbruggingsstichting met deze taken is belast.
4.
Wijziging van de statuten van een overbruggingsstichting behoeft de goedkeuring van de Nederlandsche Bank.
1.
De Nederlandsche Bank is belast met het oprichten, of het door een overbruggingsstichting doen oprichten, van overbruggingsondernemingen.
2.
Een overbruggingsonderneming heeft tot taak om tijdelijk activa of passiva te houden die:
a. ingevolge een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c van de wet van een verzekeraar aan haar worden overgedragen, en het daaraan verbonden bedrijf uit te oefenen; of
b. ingevolge een besluit op grond van artikel 3A:36 van de wet van een entiteit in afwikkeling op haar overgaan, en het daaraan verbonden bedrijf uit te oefenen.
3.
De statuten van een overbruggingsonderneming zijn in overeenstemming met de artikelen 40 en 41 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, voor zover de taak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zich niet daartegen verzet, indien de overbruggingsstichting met deze taak is belast.
4.
Indien een overbruggingsstichting een overbruggingsonderneming opricht, behoeft de vaststelling en wijziging van de statuten van de overbruggingsonderneming de goedkeuring van de Nederlandsche Bank.
5.
Indien de Nederlandsche Bank een overbruggingsonderneming opricht, draagt zij de aandelen in de overbruggingsonderneming onverwijld over aan een overbruggingsstichting.
1.
De Nederlandsche Bank is belast met het oprichten, of het door een overbruggingsstichting doen oprichten, van een of meer entiteiten voor activa- en passivabeheer.
2.
Een entiteit voor activa- en passivabeheer heeft tot taak om de activa en passiva te beheren die:
a. ingevolge een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c van de wet van een verzekeraar aan haar worden overgedragen; of
b. ingevolge een besluit op grond van artikel 3A:41 van de wet van een entiteit in afwikkeling of overbruggingsinstelling op haar overgaan.
3.
De statuten van een entiteit voor activa- en passivabeheer zijn in overeenstemming met artikel 42 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, voor zover de taak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zich niet daartegen verzet, indien zij met deze taak is belast.
4.
Artikel 7c, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een entiteit voor activa- en passivabeheer.
1.
Verkoop door een overbruggingsstichting, overbruggingsonderneming of entiteit voor activa- en passivabeheer van door deze gehouden aandelen, andere eigendomsinstrumenten, of activa of passiva, vindt niet plaats dan op aanwijzing of met goedkeuring van de Nederlandsche Bank.
2.
Bij een verkoop door een overbruggingsstichting of overbruggingsonderneming worden de vereisten, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen in acht genomen, voor zover dat zich niet verzet tegen het doel waarmee de overbruggingsstichting of overbruggingsonderneming aandelen in een verzekeraar, onderscheidenlijk van een verzekeraar overgedragen activa of passiva, houdt, indien zij met deze taak is belast.
1.
De Nederlandsche Bank beëindigt het functioneren van een overbruggingonderneming waaraan of waarop activa of passiva zijn overgedragen onderscheidenlijk overgegaan, of doet een dergelijke overbruggingsonderneming door een overbruggingsstichting beëindigen indien:
a. alle of vrijwel alle activa en passiva zijn verkocht aan derden; of
b. de activa volledig zijn vereffend en de passiva volledig zijn voldaan.
2.
Een overbruggingsonderneming verkoopt haar activa en passiva uiterlijk twee jaar nadat voor het laatst activa of passiva ingevolge de toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling aan haar zijn overgedragen, onderscheidenlijk op haar zijn overgegaan, indien binnen die termijn geen van de situaties, bedoeld in het eerste lid, zich heeft voorgedaan.
3.
De Nederlandsche Bank kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, telkens met ten hoogste een jaar verlengen, indien dit:
a. bevorderlijk is voor het bereiken van de situatie waarin alle of vrijwel alle activa en passiva zijn verkocht aan derden of de activa volledig zijn vereffend en de passiva volledig zijn voldaan;
b. nodig is om de continuïteit van essentiële bankdiensten of financiële diensten te verzekeren; of
c. nodig is om het doel te verwezenlijken waartoe de overbruggingsonderneming van een verzekeraar overgedragen activa of passiva houdt.
1.
Op de leden van het bestuur van het afwikkelingsfonds, bedoeld in artikel 3A:68, eerste lid, van de wet, is artikel 14, vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing.
2.
Op de taakuitoefening van het afwikkelingsfonds zijn de artikelen 20, 23, eerste en tweede lid, en 41, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuurorganen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «Onze Minister» wordt gelezen: de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank stelt Onze Minister onverwijld in kennis van door haar getroffen voorzieningen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
3.
Het afwikkelingsfonds legt verantwoording af over haar taakuitoefening overeenkomstig de artikelen 18, eerste lid, met uitzondering van de laatste volzin, 26, 34, eerste lid, en 35, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, met dien verstande dat voor «Onze Minister» wordt gelezen: de Nederlandsche Bank.
1.
De Nederlandsche Bank heft de periodieke bijdragen, bedoeld in artikel 3A:71, eerste lid, van de wet, tot 1 januari 2025, onverminderd het vierde lid.
2.
Op het vaststellen van de hoogten van de periodieke bijdragen van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3A:71, eerste lid, onderdeel a, van de wet, is artikel 20, vijfde lid, van de gedelegeerde verordening bijdragen afwikkelingsfonds van toepassing.
3.
Op het vaststellen van de hoogten van de periodieke bijdragen van banken en beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3A:71, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, van de wet, zijn de artikelen 10 tot en met 14 en 17 van de gedelegeerde verordening bijdragen afwikkelingsfonds van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. uitsluitend de vermogenspositie en activiteiten van het in Nederland gelegen bijkantoor in aanmerking worden genomen;
b. indien de totale waarde aan passiva, minus eigen vermogen en gegarandeerde deposito’s, bedoeld in artikel 10 van de verordening, groter is dan 300.000.000 euro, de periodieke bijdrage 75.000 euro per jaar bedraagt, vermeerderd met:
1°. 25.000 euro voor elke 100.000.000 euro waarmee het bedrag van 300.000.000 euro wordt overschreden; en
2°. 35.000 euro voor elke 100.000.000 euro waarmee het bedrag van 1.000.000.000 euro wordt overschreden.
4.
Indien financiële middelen van het afwikkelingsfonds zijn aangewend, heft de Nederlandsche Bank, onverminderd de heffingen ingevolge het eerste lid, periodieke bijdragen totdat een bedrag ter grootte van het bedrag aan aangewende middelen is geheven.
5.
Het bedrag waarvoor een overeenkomst, bedoeld in artikel 3A:74, tweede lid, van de wet is aangegaan, telt voor de toepassing van het eerste en derde lid mee voor de berekening van de hoogte van de in het afwikkelingsfonds aanwezige middelen.
1.
De hoogte van een buitengewone bijdrage als bedoeld in artikel 3A:72, eerste lid, van de wet bedraagt per jaar ten hoogste drie maal de voorafgaande periodieke bijdrage van de bank of beleggingsonderneming, geheven op grond van artikel 3A:71 van de wet.
2.
De Nederlandsche Bank kan de betaling van de buitengewone bijdrage voor ten hoogste zes maanden geheel of gedeeltelijk opschorten indien de betaling daarvan de liquiditeit of de solvabiliteit van de betrokken bank of beleggingsonderneming zou bedreigen. Op verzoek van de onderneming kan de termijn worden verlengd.
1.
Een entiteit in afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet of de Nederlandsche Bank kan, indien noodzakelijk voor een effectieve afwikkeling, voor de identificatie van houders van kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten of van schuldeisers persoonsgegevens verwerken en maakt gebruik van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, indien zij daarover beschikt.
2.
Een verzekeraar ten aanzien waarvan de noodregeling of het faillissement is uitgesproken kan, indien noodzakelijk om een overdracht van rechten en verplichtingen krachtens verzekering mogelijk te maken, voor de identificatie van polishouders persoonsgegevens verwerken en maakt gebruik van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, indien zij daarover beschikt.
1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
depositobasis: het totaal van de bij een bank aangehouden gegarandeerde deposito’s;
depositogarantiefonds: het depositogarantiefonds, bedoeld in artikel 3:259a, eerste lid, van de wet;
depositogarantiestelsel: het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet;
gegarandeerd deposito: een deposito voor zover dat gegarandeerd wordt uit hoofde van het depositogarantiestelsel;
uitvoeringsverordening rapportage kapitaalvereisten: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 191).
2.
Een wijziging van de richtlijn depositogarantiestelsels gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de datum waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
1.
Het beleggerscompensatiestelsel is van toepassing op:
a. financiële ondernemingen die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 van de wet hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank en waaraan het is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen op grond van artikel 2:97, eerste lid, onderdeel c, van de wet;
b. financiële ondernemingen die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:69b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, voor zover het betreft het beheren van individuele vermogens, financiële ondernemingen die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:65, aanhef en onderdeel a, van de wet, voor zover het betreft het verrichten van de activiteiten of het verlenen van de diensten, bedoeld in artikel 2:67a, tweede lid, of financiële ondernemingen die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:96 van de wet voor zover het betreft het verlenen van beleggingsdiensten;
c. financiële ondernemingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 van de wet hebben en waaraan het is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen op grond van artikel 2:97, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
d. financiële ondernemingen als bedoeld in artikel 3:266, eerste lid, onderdelen a en c, van de wet, voorzover het betreft hun vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitgeoefende bedrijf; en
e. financiële ondernemingen ten aanzien waarvan een besluit is genomen als bedoeld in artikel 3:267, eerste lid, van de wet, voorzover het hun vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitgeoefende bedrijf betreft.
2.
Het beleggerscompensatiestelsel is niet van toepassing op financiële ondernemingen die uitsluitend beleggingsactiviteiten verrichten als bedoeld in artikel 1:1 van de wet en financiële ondernemingen die uitsluitend beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in onderdeel d van de definitie van het verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet.
Artikel 9
Indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wet heeft besloten tot het in werking stellen van het beleggerscompensatiestelsel, komen vorderingen van de hierna te noemen categorieën van personen voor zover deze personen niet behoren tot een van de in bijlage A bij dit besluit genoemde categorieën, voor voldoening overeenkomstig dit hoofdstuk in aanmerking:
a. personen die in verband met beleggingsdiensten op eigen naam en voor eigen rekening geld of financiële instrumenten aan de betalingsonmachtige financiële onderneming hebben toevertrouwd;
b. personen die tezamen met een persoon als bedoeld in onderdeel a op eigen naam al dan niet voor eigen rekening geld of financiële instrumenten in verband met beleggingsdiensten aan de betalingsonmachtige financiële onderneming hebben toevertrouwd; en
c. derden ten behoeve van wie een persoon als bedoeld in onderdeel a of b, niet zijnde een beleggingsinstelling of een icbe, krachtens overeenkomst of wet op eigen naam geld of financiële instrumenten in verband met beleggingsdiensten aan de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft toevertrouwd.
1.
Voor voldoening ingevolge het beleggerscompensatiestelsel komen in aanmerking vorderingen die voortvloeien uit het onvermogen van de betalingsonmachtige financiële onderneming om overeenkomstig de wettelijke en contractuele voorwaarden:
a. geld terug te betalen dat zij aan personen als bedoeld in artikel 9 verschuldigd is en voor hen wordt gehouden in verband met het verlenen van beleggingsdiensten; of
b. financiële instrumenten terug te geven die door haar voor personen als bedoeld in artikel 9 worden gehouden, geadministreerd of beheerd in verband met het verlenen van beleggingsdiensten.
2.
Vorderingen van derden als bedoeld in artikel 9, onderdeel c, komen slechts voor voldoening in aanmerking indien de identiteit van de derde is of kan worden vastgesteld voordat de Nederlandsche Bank heeft geconstateerd dat de financiële onderneming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, betalingsonmachtig is als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet.
1.
Het bedrag dat ingevolge het beleggerscompensatiestelsel wordt uitgekeerd als gevolg van betalingsonmacht van een bank, wordt door de banken, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vergoed aan de Nederlandsche Bank volgens het door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 12 vast te stellen omslagpercentage.
2.
De bijdrageverplichting, bedoeld in het eerste lid, ontstaat op het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de betalingsonmacht van een bank constateert als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet. Banken die na dat tijdstip niet langer voldoen aan de in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, genoemde criteria blijven de bijdrage verschuldigd.
3.
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek van een groep banken, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen, bepalen dat een tot deze groep behorende bank, die in het verzoek dient te worden aangewezen, alle door de tot deze groep behorende banken in totaal verschuldigde bijdragen betaalt. De Nederlandsche Bank voldoet in elk geval aan het verzoek indien de tot de groep behorende banken zijn geconsolideerd in de balans van de aangewezen bank.
4.
De bijdrage van banken die zijn aangesloten bij een centrale kredietinstelling wordt in een bedrag betaald door de centrale kredietinstelling.
5.
De verschuldigde bijdrage van iedere bank afzonderlijk wordt bepaald door het omslagpercentage voor die bank te vermenigvuldigen met het totaalbedrag dat ingevolge het beleggerscompensatiestelsel wordt uitgekeerd.
6.
De Nederlandsche Bank kan maandelijks de verschuldigde bijdragen van de banken met betrekking tot de op dat moment ingevolge artikel 27, tweede lid, betaalde vergoeding, bij de banken in rekening brengen.
7.
De Nederlandsche Bank kan bepalen dat bijdragen beneden een door haar, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen vast te stellen bedrag, niet behoeven te worden voldaan.
1.
De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van representatieve vertegenwoordigingen en na overleg met deze vertegenwoordigingen, het voor elke bank geldende omslagpercentage vast aan de hand van de door deze bank aan de Nederlandsche Bank overgelegde geconsolideerde balans voorafgaand aan het tijdstip waarop betalingsonmacht als bedoeld in artikel 2:295, tweede lid, van de wet door de Nederlandsche Bank is geconstateerd. Na overleg met representatieve vertegenwoordigingen bepaalt de Nederlandsche Bank nader welke bedrijfseconomische balansen gebruikt worden en welke posten uit deze balansen voor deze berekening in aanmerking worden genomen. Daarbij wordt het totaalbedrag van deze posten van elke bank gedeeld door het totaalbedrag van deze posten van alle banken gezamenlijk en het verkregen getal vermenigvuldigd met 100 procent. Hierbij worden de posten van de betalingsonmachtige bank niet meegeteld.
2.
Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 11, zevende lid, heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt zij vast, op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid, welke banken op grond van artikel 11, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of meer banken geen bijdrage behoeven te voldoen, en stelt zij een nieuw omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige bank en van de banken die op grond van artikel 11, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.
3.
De Nederlandsche Bank kan een voorlopige bijdrage vaststellen. Daarvan wordt 70 procent bij wijze van voorschot aan de Nederlandsche Bank betaald. Betaalde voorschotten worden met de definitieve bijdragen verrekend. Artikel 3:262, tweede volzin, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bedrag dat ingevolge het beleggerscompensatiestelsel wordt uitgekeerd als gevolg van betalingsonmacht van een financiële onderneming die geen bank is, wordt als volgt aan de Nederlandsche Bank vergoed:
a. ten laste van het compensatiefonds, bedoeld in artikel 16, eerste lid, tot een bedrag dat gelijk is aan de in het fonds aanwezige middelen;
b. door de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 8, die geen bank zijn: het meerdere, met inachtneming van artikel 14, tot een maximum van € 11,3 miljoen.
2.
Het na de toepassing van het eerste lid, eventueel resterende bedrag wordt met inachtneming van artikel 15 vergoed door de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
3.
De bijdrageverplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, en het tweede lid, ontstaan op het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de betalingsonmacht van de financiële onderneming constateert als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet. Financiële ondernemingen die na dat tijdstip niet langer voldoen aan de in artikel 8 genoemde criteria, blijven de bijdrage verschuldigd.
4.
De Nederlandsche Bank kan op verzoek van een groep financiële ondernemingen die geen bank zijn, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen, bepalen dat een tot deze groep behorende financiële onderneming die in het verzoek dient te worden aangewezen, alle door de tot deze groep behorende financiële ondernemingen in totaal verschuldigde bijdragen betaalt. De Nederlandsche Bank voldoet in elk geval aan het verzoek indien de tot de groep behorende financiële ondernemingen zijn geconsolideerd in de balans van de aangewezen financiële onderneming.
5.
De bijdrage van banken die zijn aangesloten bij een centrale kredietinstelling wordt in een bedrag betaald door de centrale kredietinstelling.
6.
De Nederlandsche Bank kan maandelijks de verschuldigde bijdragen met betrekking tot de op dat moment ingevolge artikel 27, tweede lid, betaalde vergoeding in rekening brengen.
7.
De Nederlandsche Bank kan bepalen dat bijdragen beneden een door haar, in overleg met representatieve vertegenwoordigingen, vast te stellen bedrag, niet behoeven te worden voldaan.
1.
De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van representatieve vertegenwoordigingen, en na overleg met deze vertegenwoordigingen, het bedrag vast van de bijdrage van iedere financiële onderneming als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b. Dat bedrag is gelijk aan de som van:
a. een vast bedrag dat gelijk is voor alle financiële ondernemingen; en
b. een variabel bedrag dat wordt verkregen door het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid of, indien van toepassing, het derde lid, te vermenigvuldigen met het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, en verminderd met de som van de onder a bedoelde vaste bedragen.
2.
De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van de representatieve vertegenwoordigingen, na overleg met deze vertegenwoordigingen, ten behoeve van de berekening van het in het eerste lid bedoelde bedrag een omslagpercentage vast aan de hand van de door de in dat lid bedoelde financiële ondernemingen aan de Nederlandsche Bank overgelegde gegevens over een door de Nederlandsche Bank nader vast te stellen periode betreffende het aantal personen wier vorderingen ingevolge artikel 9 voor voldoening in aanmerking komen. Daarbij wordt het aantal van deze personen per financiële onderneming gedeeld door het totale aantal van deze personen bij alle financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid gezamenlijk en het verkregen getal vermenigvuldigd met 100 procent. Hierbij worden de gegevens van de betalingsonmachtige financiële ondernemingniet meegeteld.
3.
Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 13, zevende lid, heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt de Nederlandsche Bank vast, op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid, welke financiële ondernemingen op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of meer financiële ondernemingen geen bijdrage behoeven te voldoen, stelt de Nederlandsche Bank een nieuw omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige financiële onderneming en van de financiële ondernemingen die op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.
4.
De Nederlandsche Bank kan een voorlopige bijdrage vaststellen. Van de voorlopig vastgestelde bijdrage betalen financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid 70 procent bij wijze van voorschot aan de Nederlandsche Bank. Betaalde voorschotten worden met de definitieve bijdragen verrekend. Financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid voldoen de voorschotten binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
1.
De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van representatieve vertegenwoordigingen, na overleg met deze vertegenwoordigingen, het bedrag vast van de bijdrage van iedere in artikel 13, tweede lid, bedoelde financiële onderneming. Dat bedrag wordt verkregen door het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid of, indien van toepassing, het derde lid te vermenigvuldigen met het bedrag, bedoeld in artikel 13, tweede lid.
2.
De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van representatieve vertegenwoordigingen, na overleg met deze vertegenwoordigingen, het voor iedere financiële onderneming, bedoeld in artikel 8, eerste lid, geldende omslagpercentage vast aan de hand van de door deze financiële onderneming aan de Nederlandsche Bank overgelegde geconsolideerde balans voorafgaand aan het tijdstip waarop betalingsonmacht als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet door de Nederlandsche Bank is geconstateerd. Na overleg met representatieve vertegenwoordigingen bepaalt de Nederlandsche Bank nader welke bedrijfseconomische balansen gebruikt worden en welke posten uit deze balansen voor deze berekening in aanmerking worden genomen. Daarbij wordt het totaalbedrag van deze posten van elke financiële onderneming gedeeld door het totaalbedrag van deze posten van alle financiële ondernemingen gezamenlijk en het verkregen getal vermenigvuldigd met 100 procent. Hierbij worden de gegevens van de betalingsonmachtige financiële onderneming, bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet, niet meegeteld.
3.
Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 13, zevende lid, heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt de Nederlandsche Bank vast, op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid, welke financiële ondernemingen op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of meer financiële ondernemingen geen bijdrage behoeven te voldoen, stelt de Nederlandsche Bank een nieuw omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige financiële onderneming en van de financiële ondernemingen die op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.
4.
De Nederlandsche Bank kan een voorlopige bijdrage vaststellen. Van de voorlopig vastgestelde bijdrage betalen financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid 70 procent bij wijze van voorschot aan de Nederlandsche Bank. Betaalde voorschotten worden met de definitieve bijdragen verrekend. Financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid voldoen de voorschotten binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
1.
De Stichting Beleggers Compensatiefonds draagt zorg voor het beheer en de instandhouding van een compensatiefonds dat is bestemd voor het aan de Nederlandsche Bank vergoeden van bedragen die deze heeft uitgekeerd ingevolge het beleggerscompensatiestelsel.
2.
De Nederlandsche Bank is bevoegd om, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen, de statuten van de Stichting Beleggers Compensatiefonds te wijzigen.
3.
Wijziging van de statuten behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan goedkeuring weigeren in het belang van een goede uitvoering van het beleggerscompensatiestelsel of wegens onverenigbaarheid van de gewijzigde statuten met de wet of dit besluit.
4.
Het compensatiefonds wordt gevormd door bijdragen van de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, die geen bank zijn en heeft een doelvermogen van € 11,3 miljoen.
5.
De Nederlandsche Bank stelt periodiek, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen, de omvang van de noodzakelijk geachte totale bijdrage aan het compensatiefonds vast. Indien het doelvermogen van het compensatiefonds niet is bereikt, bedraagt de omvang van de totale bijdrage aan het compensatiefonds jaarlijks ten minste € 750.000. Wanneer de Nederlandsche Bank, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen, besluit tot een verhoging van de bijdrage, wordt deze verhoging ineens opgelegd of over een door haar te bepalen periode gespreid. De door de Nederlandsche Bank vastgestelde totale bijdrage wordt over de in het vierde lid bedoelde financiële ondernemingen omgeslagen.
6.
Onverminderd het hiervoor bepaalde, wordt bij het bepalen van de omvang van de totale bijdrage een voor alle in het vierde lid bedoelde financiële ondernemingen gelijke heffing vastgesteld, vermeerderd met een variabel bedrag dat voor de afzonderlijke financiële ondernemingen wordt berekend naar rato van het aantal personen wier vorderingen ingevolge artikel 9 voor voldoening in aanmerking komen per financiële onderneming. Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.
De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van een instelling die na de inwerkingtreding van dit besluit financiële onderneming wordt als bedoeld in artikel 8 bepalen dat deze financiële onderneming, gedurende een alsdan vast te stellen termijn en frequentie, een bijdrage doet, waarvan de omvang door de Nederlandsche Bank wordt vastgesteld.
8.
Indien het vermogen van het compensatiefonds het doelvermogen overschrijdt, kan de Nederlandsche Bank, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen, het meerdere overeenkomstig een door haar vast te stellen verdeelsleutel laten uitkeren aan de financiële ondernemingen, bedoeld in het vierde lid.
1.
Het in enig kalenderjaar door een bank ingevolge artikel 11, eerste lid en 13, tweede lid, te betalen bedrag, vermeerderd met het op grond van paragraaf 6.2 te betalen bedrag, is niet groter dan vijf procent van haar eigen vermogen. Een eventueel excedent wordt door de Nederlandsche Bank renteloos voorgeschoten.
2.
Het in enig kalenderjaar door een financiële onderneming die geen bank is, ingevolge artikel 13, eerste en tweede lid en artikel 16, vijfde lid, te betalen bedrag is niet groter dan drie procent van haar eigen vermogen. Een eventueel excedent wordt door de Nederlandsche Bank renteloos voorgeschoten.
3.
Indien de solvabiliteits- of liquiditeitspositie van een bank, of de solvabiliteitspositie van een beleggingsonderneming daartoe aanleiding geeft, kan de Nederlandsche Bank voor die bank, onderscheidenlijk beleggingsonderneming, een lager percentage vaststellen.
1.
De Nederlandsche Bank doet de mededeling, bedoeld in artikel 3:260, derde lid, van de wet, in de Staatscourant zo spoedig mogelijk na het nemen van het in het eerste lid van dat artikel bedoelde besluit tot het in werking stellen van het beleggerscompensatiestelsel.
2.
Tevens doet de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk nadat zij betalingsonmacht heeft vastgesteld mededeling door middel van advertenties in door haar te bepalen landelijke nieuwsbladen dat:
a. zij het beleggerscompensatiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, van de wet, in werking geeft gesteld; en
b. de personen, bedoeld in artikel 9, binnen vijf maanden na de datum van de bekendmaking in de Staatscourant met gebruikmaking van een daartoe door de Nederlandsche Bank vast te stellen formulier een aanvraag tot vergoeding van de in artikel 10 bedoelde vorderingen bij haar kunnen indienen.
3.
De Nederlandsche Bank verzoekt de bewindvoerders of curatoren van de betalingsonmachtige financiële onderneming om in hun correspondentie met de personen, bedoeld in artikel 9, te wijzen op het in werking stellen van het beleggerscompensatiestelsel.
4.
De Nederlandsche Bank neemt aanvragen die na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn ingediend niet in behandeling, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is.
1.
De Nederlandsche Bank stelt het bestaan en de waarde van de ingediende en ingevolge artikel 10 voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen vast aan de hand van de op de vorderingen toepasselijke wettelijke bepalingen en contractuele voorwaarden, de administratie van de betalingsonmachtige financiële onderneming en eventuele andere relevante documenten.
2.
De Nederlandsche Bank baseert zich bij de waardevaststelling van vorderingen die in vreemde valuta luiden op de referentiekoersen van de Europese Centrale Bank zoals deze golden op de dag waarop de Nederlandsche Bank de betalingsonmacht constateerde.
1.
Vorderingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel a, die door de Nederlandsche Bank zijn vastgesteld, worden voldaan in de vorm van terugbetaling tot het in het vierde lid genoemde maximum.
2.
Vorderingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, die door de Nederlandsche Bank zijn vastgesteld, worden voorzover mogelijk voldaan door het teruggeven van de in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, genoemde financiële instrumenten. Indien dit niet mogelijk is, wordt de vordering in geld voldaan tot het in het vierde lid genoemde maximum. In het laatste geval wordt de waarde van de vordering, tenzij wettelijk of contractueel anders is bepaald, vastgesteld op de marktwaarde van de financiële instrumenten op het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de betalingsonmacht bij de financiële onderneming constateerde.
3.
Bij het vaststellen van de waarde van een vastgestelde vordering houdt de Nederlandsche Bank rekening met mogelijke bevoegdheden om die vordering en andere vorderingen onderling op grond van de wet of overeenkomst te verrekenen.
4.
Voor voldoening komen in aanmerking vorderingen tot maximaal € 20.000 per persoon als bedoeld in artikel 9 per betalingsonmachtige financiële onderneming.
5.
Tenzij contractueel is bepaald dat de personen, bedoeld in artikel 9, onderdeel b, in een andere verhouding gerechtigd zijn tot de vorderingen, ontvangen zij ieder een vergoeding ter grootte van een evenredig deel van het totaal van de vastgestelde vorderingen met inachtneming van hetgeen in het tweede lid is bepaald.
6.
Is er meer dan een derde als bedoeld in artikel 9, onderdeel c, dan wordt het aandeel van elk van hen en de vergoeding als bedoeld in het tweede lid aan elk van hen berekend op de voet van het vijfde lid van dit artikel.
7.
Onze Minister kan besluiten dat, in afwijking van het vierde lid, andere maxima gelden voor de voor voldoening in aanmerking komende vorderingen. Onze Minister maakt het besluit daartoe bekend in de Staatscourant.
1.
In geval van een vergoeding op grond van het beleggerscompensatiestelsel betaalt de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen drie maanden nadat een van de volgende tijdstippen zich als eerste heeft voorgedaan:
a. het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de beleggerscompensatieregeling in werking heeft gesteld ingevolge artikel 3:260, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
b. het tijdstip waarop de rechtbank de noodregeling heeft uitgesproken;
c. het tijdstip waarop de rechtbank het faillissement heeft uitgesproken.
2.
De betaling vindt plaats op een door de aanvrager aangewezen rekening bij een bank met zetel in een lidstaat of bij een in een lidstaat gelegen bijkantoor van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is.
3.
De betaling vindt slechts plaats indien de aanvrager eventuele rechten tot teruggave of terugbetaling van financiële instrumenten jegens derden tot de hoogte van het uitbetaalde bedrag overdraagt aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 28
Indien een aanvrager strafrechtelijk wordt vervolgd ter zake van een misdrijf dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld kan de Nederlandsche Bank de termijnen, bedoeld in artikel 27, eerste lid, opschorten. Deze opschorting eindigt zodra de vervolging is beëindigd of de beslissing van de bevoegde rechterlijke instantie onherroepelijk is.
1.
De Nederlandsche Bank verhaalt, voorzover mogelijk, de aan haar ingevolge artikel 27,derde lid, overgedragen vorderingen of de rechten waarin zij overeenkomstig artikel 3:261, derde lid, van de wet is getreden, op de betalingsonmachtige financiële onderneming.
2.
De baten die door de Nederlandsche Bank worden ontvangen ingevolge het in het eerste lid bedoelde verhaal, worden door haar uitgekeerd aan de financiële ondernemingen die op grond van de artikelen 11 en 13 een bijdrage hebben gedaan. Bij de uitkering zal het vastgestelde omslagpercentage worden gebruikt.
1.
Het depositogarantiestelsel garandeert deposito’s aangehouden bij:
a. banken met een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 van de wet, met uitzondering van deposito’s die worden aangehouden bij een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is;
b. banken als bedoeld in artikel 3:266, eerste lid, onderdeel b, van de wet, voor zover het deposito’s betreft die worden aangehouden bij een in Nederland gelegen bijkantoor;
c. banken als bedoeld in artikel 3:267, tweede lid, van de wet, voor zover het deposito’s betreft die worden aangehouden bij een in Nederland gelegen bijkantoor.
2.
Het depositogarantiestelsel is niet van toepassing op:
a. deposito’s van:
1°. banken, voor zover het deposito’s betreft die door een bank in eigen naam en voor eigen rekening wordt aangehouden;
2°. financiële instellingen;
3°. beleggingsondernemingen;
4°. depositohouders die zich niet hebben geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
5°. verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 13, onderdelen 1 tot en met 6, van de richtlijn solvabiliteit II;
6°. beleggingsinstellingen, beheerders van beleggingsinstellingen, icbe’s en beheerders van icbe’s;
7°. pensioenfondsen;
8°. overheden;
b. instrumenten die vallen onder de definitie van eigen vermogen in de zin van de verordening kapitaalvereisten;
c. door een bank uitgegeven schuldbewijzen en schulden die voortvloeien uit eigen accepten en promessen;
d. deposito’s uit hoofde van transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken vanwege het witwassen van geld;
e. bankspaardeposito’s eigen woning, voor zover deze ingevolge artikel 3:265d van de wet worden verrekend met een verbonden eigenwoningschuld.
1.
Ingevolge het depositogarantiestelsel zijn deposito’s als bedoeld in artikel 29.01 gegarandeerd tot een bedrag van € 100.000 per depositohouder per bank.
2.
Ingeval van een gezamenlijke rekening geldt de garantie voor elk van de depositohouders afzonderlijk voor een evenredig aandeel in het deposito, tenzij contractueel anders is bepaald.
3.
Indien een depositohouder een deposito aanhoudt op eigen naam doch ten behoeve van een derde krachtens overeenkomst of wettelijk voorschrift, geldt de garantie voor deze derde en wordt deze voor de toepassing van deze paragraaf als depositohouder aangemerkt, mits diens identiteit kan worden vastgesteld voorafgaand aan het tijdstip waarop op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wetbesloten is tot toepassing van het depositogarantiestelsel.
4.
Onverminderd het eerste lid, is een deposito voor zover dat direct verband houdt met de nakoming van een koopovereenkomst die betrekking heeft op een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gegarandeerd tot een bedrag van € 500.000 per depositohouder per bank. Deze garantie geldt gedurende drie maanden na storting van het deposito.
1.
Een bank verstrekt met betrekking tot het toepasselijke depositogarantiestelsel aan depositohouders de informatie, bedoeld in artikel 16 van de richtlijn depositogarantiestelsels, met inachtneming van hetgeen in artikel 16 van die richtlijn ten aanzien van de verstrekking van die informatie is bepaald.
2.
Een bank stelt houders van bankspaardeposito’s eigen woning voor het aangaan van de deposito-overeenkomst in kennis van de verrekening van die deposito’s ingevolge artikel 3:265d van de wet bij de toepassing van het depositogarantiestelsel.
1.
Indien de Nederlandsche Bank besluit tot toepassing van het depositogarantiestelsel op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wet, doet zij daarvan onverwijld mededeling in de Staatscourant alsmede in door haar te bepalen landelijke nieuwsbladen.
2.
In de mededeling wordt vermeld op welke wijze en gedurende welke termijn depositohouders die menen voor vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel in aanmerking te komen hun aanspraken kenbaar kunnen maken.
3.
De Nederlandsche Bank verzoekt bewindvoerders of curatoren van de betalingsonmachtige bank in hun correspondentie met depositohouders te wijzen op de toepasselijkheid van het depositogarantiestelsel.
1.
De vergoedingen uit hoofde van het depositogarantiestelsel die de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:261, eerste lid, van de wet toekent, worden toegekend ten laste van het depositogarantiefonds.
2.
Het depositogarantiefonds maakt de ingevolge het eerste lid toegekende vergoedingen onverwijld beschikbaar voor uitkering.
3.
Behoudens de in het vierde en vijfde lid genoemde gevallen, wordt een vergoeding toegekend en beschikbaar gemaakt voor uitkering binnen de volgende termijn te rekenen vanaf het tijdstip waarop op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wet besloten is tot toepassing van het depositogarantiestelsel:
a. tot en met 31 december 2018: binnen twintig werkdagen;
b. vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020: binnen vijftien werkdagen;
c. vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023: binnen tien werkdagen;
d. vanaf 1 januari 2024: binnen zeven werkdagen.
4.
In afwijking van het derde lid geldt voor het toekennen en beschikbaar maken voor uitkering van een vergoeding aan een derde als bedoeld in artikel 29.02, derde lid, een termijn van drie maanden na het tijdstip waarop op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wet besloten is tot toepassing van het depositogarantiestelsel.
5.
Het toekennen van een vergoeding kan worden uitgesteld in de gevallen, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels.
1.
De Nederlandsche Bank kent de vergoedingen uit hoofde van het depositogarantiestelsel toe aan de hand van de op de gegarandeerde deposito’s toepasselijke wettelijke bepalingen of contractuele voorwaarden, de administratie van de betalingsonmachtige bank en eventuele andere relevante documenten.
2.
Indien op gegarandeerde deposito’s rente is aangegroeid die nog niet is gecrediteerd op het tijdstip waarop op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wet besloten is tot toepassing van het depositogarantiestelsel, wordt het aangegroeide rentebedrag gerekend tot de deposito’s.
3.
De vaststelling van de waarde van deposito’s die worden aangehouden in vreemde valuta wordt gebaseerd op de referentiekoersen van de Europese Centrale Bank, zoals deze golden op het tijdstip, bedoeld in het tweede lid.
4.
De vergoeding wordt bepaald op nihil indien er met betrekking tot de betrokken deposito’s gedurende vierentwintig maanden voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, geen transactie door of namens de depositohouder heeft plaatsgevonden en de hoogte van een vergoeding voor een depositohouder lager zou zijn dan de kosten van het uitkeren van de vergoeding.
1.
Gedurende drie maanden na de mededeling tot toepassing van het depositogarantiestelsel kunnen depositohouders schriftelijk of door in te loggen op een daartoe ingerichte website bewerkstelligen dat toegekende en beschikbaar gemaakte vergoedingen worden uitgekeerd door het nummer en de tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking kan worden uitgevoerd, mede te delen.
2.
Toegekende vergoedingen kunnen worden uitgekeerd in de munteenheden, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels. De Nederlandsche Bank bepaalt in welke munteenheid vergoedingen worden uitgekeerd.
3.
Toegekende vergoedingen worden uitgekeerd mits depositohouders geen gebruik hebben gemaakt en verklaren af te zien van het gebruik van hun bevoegdheden om hun vorderingen, voor zover deze voor vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel in aanmerking komen, te verrekenen.
4.
De Nederlandsche Bank kan besluiten dat de uitkering van een toegekende vergoeding wordt opgeschort indien een depositohouder wordt vervolgd ter zake van een misdrijf dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld. De opschorting eindigt zodra de vervolging is beëindigd of de beslissing van de bevoegde rechterlijke instantie onherroepelijk is.
1.
Zolang vergoedingen uit hoofde van het depositogarantiestelsel niet binnen zeven werkdagen kunnen worden toegekend en beschikbaar gemaakt, kent de Nederlandsche Bank op verzoek van een depositohouder binnen vijf werkdagen na dat verzoek aan deze een passend bedrag toe om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit bedrag wordt toegekend ten laste van het depositogarantiefonds.
2.
Het depositogarantiefonds maakt een ingevolge het eerste lid toegekend bedrag onverwijld doch uiterlijk binnen vijf werkdagen na het verzoek beschikbaar voor uitkering.
3.
Het bedrag is niet hoger dan de door de depositohouder bij de betalingsonmachtige bank aangehouden deposito’s.
4.
Indien ingevolge dit artikel een bedrag is uitgekeerd, wordt dat bedrag verrekend met de ingevolge artikel 29.05, eerste lid, toegekende vergoeding.
5.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de indiening van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en de hoogte van het passende bedrag.
Artikel 29.09
Onder toepassing van artikel 3:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geschiedt de bekendmaking van een besluit op grond van artikel 29.05, eerste lid, tot toekenning van een vergoeding aan een depositohouder die heeft ingelogd op de website, bedoeld in artikel 29.07, eerste lid, door publicatie van dat besluit door de Nederlandsche Bank op die website.
1.
Op de leden van het bestuur van het depositogarantiefonds, bedoeld in artikel 3:259a van de wet, is artikel 14, vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing.
2.
Op de taakuitoefening van het depositogarantiefonds zijn de artikelen 20, 23, eerste en tweede lid, en 41, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «Onze Minister» wordt gelezen: de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank stelt Onze Minister onverwijld in kennis van door haar getroffen voorzieningen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
3.
Het depositogarantiefonds legt verantwoording af over haar taakuitoefening met overeenkomstige toepassing van de artikelen 18, eerste lid, met uitzondering van de laatste volzin, 26, 34, eerste lid, en 35, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, met dien verstande dat voor «Onze Minister» wordt gelezen: de Nederlandsche Bank.
1.
Het depositogarantiefonds bestaat uit een individueel gedeelte, bestaande uit het totaal van de individuele saldi van de banken, bedoeld in artikel 29.01, eerste lid, en een algemeen gedeelte.
2.
De doelomvang van het individueel saldo van een bank is 0,4% van diens depositobasis. De doelomvang van het algemeen gedeelte is 0,4% van de depositobases van de banken gezamenlijk.
3.
De hoogte van de ingevolge deze paragraaf verschuldigde bijdragen wordt zodanig vastgesteld dat het depositogarantiefonds de doelomvang, bedoeld in het tweede lid, bereikt binnen de termijn die volgt uit artikel 10, tweede lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels.
1.
Een bank als bedoeld in artikel 29.01, eerste lid, is aan het depositogarantiefonds elk kwartaal een bijdrage verschuldigd indien het individueel saldo van de bank of de omvang van het algemeen gedeelte van het depositogarantiefonds lager is dan de doelomvang van het individueel saldo onderscheidenlijk van het algemeen gedeelte, bedoeld in artikel 29.11, tweede lid. De bijdrage is gebaseerd op de depositobasis van een bank.
2.
De Nederlandsche Bank stelt de hoogte van de bijdrage vast, alsmede de termijn waarbinnen deze bijdrage wordt voldaan.
3.
De hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage B bij dit besluit en bestaat uit de volgende onderdelen:
a. een basisbijdrage;
b. een suppletie;
c. een risicobijdrage;
d. een risicosuppletie.
4.
De hoogte van de risicobijdrage en risicosuppletie is tevens afhankelijk van een benadering van de soliditeit van een bank, uitgedrukt in een risicowegingspercentage. Het risicowegingspercentage van een bank wordt vastgesteld met behulp van risicoindicatoren overeenkomstig bijlage C bij dit besluit. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het gebruik en de weging van de risicoindicatoren.
5.
De Nederlandsche Bank kan in verband met de economische vooruitzichten en het verwachte macroprudentiële effect van de ingevolge deze paragraaf verschuldigde bijdragen op de banken overeenkomstig bijlage B een correctiefactor toepassen bij de berekening van de bijdrage. De correctiefactor overschrijdt niet de bandbreedte als bepaald in bijlage B bij dit besluit.
1.
De door de banken verschuldigde basisbijdragen en suppleties komen ten goede aan de individuele saldi van de banken in het individuele gedeelte van het depositogarantiefonds. De door de banken verschuldigde risicobijdragen en risicosuppleties komen ten goede aan het algemene gedeelte van het depositogarantiefonds.
2.
Indien het depositogarantiefonds vergoedingen uitkeert, keert zij deze uit ten laste van achtereenvolgens:
a. het individuele saldo van de betalingsonmachtige bank of bank die in afwikkeling is in het individuele gedeelte;
b. het algemene gedeelte;
c. de individuele saldi van de overige banken in het individuele gedeelte naar rato van de depositobases.
1.
Indien binnen het depositogarantiefonds de financiële middelen ontoereikend zijn, worden ter verkrijging van de benodigde financiële middelen buitengewone bijdragen geheven. De buitengewone bijdragen worden geheven van banken die op het moment waarop de financiële middelen in het fonds ontoereikend worden, een bank zijn als bedoeld in artikel 29.01, eerste lid.
2.
De financiële middelen binnen het depositogarantiefonds zijn ontoereikend indien onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor:
a. het uitkeren van vergoedingen uit hoofde van het depositogarantiestelsel indien op grond van artikel 3:260, eerste lid van de wet is besloten tot toepassing van het depositogarantiestelsel; of
b. het uitkeren van het bedrag dat ingevolge artikel 3A:265e van de wet ten laste van het depositogarantiestelsel beschikbaar wordt gesteld.
3.
De Nederlandsche Bank stelt de hoogte van de verschuldigde buitengewone bijdragen vast overeenkomstig bijlage D bij dit besluit, alsmede het aantal termijnen waarin de bijdrage wordt voldaan aan het depositogarantiefonds. Bij de vaststelling wordt de begrenzing van de hoogte van de buitengewone bijdragen die volgt uit artikel 10, achtste lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels in acht genomen. De Nederlandsche Bank kan overeenkomstig artikel 10, achtste lid, van de richtlijn de betaling van een buitengewone bijdrage opschorten indien de solvabiliteits- of liquiditeitspositie van een bank daartoe aanleiding geeft.
4.
Het depositogarantiefonds kan, voor het geval dat de buitengewone bijdragen niet onmiddellijk beschikbaar of ontoereikend zijn, overeenkomsten aangaan tot het verkrijgen van financiering van derden. Artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van overeenkomstige toepassing.
5.
Het bestuur van het depositogarantiefonds stelt een financieringsplan vast voor het verkrijgen van kortetermijnfinanciering voor het geval dat de buitengewone bijdragen niet onmiddellijk beschikbaar of toereikend zijn.
1.
De Nederlandsche Bank restitueert baten die worden verkregen door de uitoefening van het verhaalsrecht, bedoeld in artikel 3:265, eerste lid, van de wet, aan banken uitsluitend voor zover die banken buitengewone bijdragen hebben betaald.
2.
Voor zover na restitutie baten resteren, komen deze ten goede aan het depositogarantiefonds, eerst aan de individuele saldi in het individuele gedeelte voor zover aangesproken, naar rato van de depositobases van de banken, vervolgens aan het algemene gedeelte.
1.
Voor het vaststellen van de ingevolge deze paragraaf door een bank verschuldigde bijdragen wordt in aanmerking genomen de depositobasis van de bank zoals vermeld in de staten, bedoeld in artikel 130, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit prudentiële regels Wft, die de bank in het voorafgaande kwartaal heeft overgelegd.
2.
Indien een bank niet tijdig de staten heeft overgelegd, schat de Nederlandsche Bank de omvang van de depositobasis en stelt zij op basis van die schatting de bijdragen vast.
1.
De Nederlandsche Bank kan banken toestaan een deel van de ingevolge deze paragraaf verschuldigde bijdragen te voldoen in de vorm van betalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, punt dertien, van de richtlijn depositogarantiestelsels.
2.
De in artikel 10, derde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels gestelde limiet aan het toestaan van betalingsverplichtingen is van toepassing.
1.
Een groep banken met een vrijstelling als bedoeld in artikel 3:111, eerste lid, van de wet wordt gezamenlijk als een bank aangemerkt voor de toepassing van deze paragraaf. Van die groep is uitsluitend de centrale kredietinstelling de ingevolge deze paragraaf te betalen bijdragen verschuldigd.
2.
De Nederlandsche Bank kan op verzoek van een groep banken voor de toepassing van deze paragraaf die banken als één bank aanmerken. De Nederlandsche Bank bepaalt daarbij welke rechtspersoon binnen de groep de ingevolge deze paragraaf te betalen bijdragen bij uitsluiting verschuldigd is. Bij uittreding van een bank uit de groep wordt het opgebouwde individuele saldo, bedoeld in artikel 29.11, van de groep naar rato van de depositobases op het laatste voorafgaande toetsmoment verdeeld tussen de uittredende bank en de rest van de groep. Bij toetreding van een bank tot een groep worden de opgebouwde individuele saldi van de toetredende bank en de groep bij elkaar opgeteld.
1.
De financiële middelen van het depositogarantiefonds worden aangehouden in contant geld, deposito’s, betalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 29.17, en activa met een laag risico en kunnen worden geliquideerd binnen de termijn, bedoeld in artikel 29.05, derde lid.
2.
Activa met een laag risico zijn activa die vallen in de eerste of tweede categorie van tabel 1 van artikel 336 van de verordening kapitaalvereisten of activa die door de Nederlandsche Bank in vergelijkbare mate veilig en liquide worden geacht.
3.
De financiële middelen van het depositogarantiefonds worden op voldoende gediversifieerde wijze belegd.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het beleggingsbeleid.
1.
Indien gegarandeerde deposito’s als gevolg van een bedrijfsverplaatsing niet langer worden aangehouden bij een bank als bedoeld in artikel 29.01, eerste lid, maar bij een bank met zetel in een andere lidstaat, wordt ten laste van het depositogarantiefonds een door de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 14, derde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels te bepalen bedrag voldaan aan het depositogarantiestelsel in de andere lidstaat dat van toepassing wordt op de verplaatste gegarandeerde deposito’s.
2.
De bank, bedoeld in het eerste lid, geeft ten minste zes maanden voorafgaand aan de voorgenomen verplaatsing schriftelijk kennis van dat voornemen aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 29a
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. het Nederlandse beleggerscompensatiesatiestelsel: het beleggerscompensatiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, van de wet;
b. het Nederlandse depositogarantiestelsel: het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet;
c. de Nederlandse vangnetregeling: het Nederlandse beleggerscompensatiesatiestelsel of het Nederlandse depositogarantiestelsel.
1.
Een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling als bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, onderdeel c, van de wet, met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent onderscheidenlijk beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die op grond van artikel 3:266, tweede, derde of vierde lid, van de wet voornemens is aanvullend deel te nemen aan de Nederlandse vangnetregeling, geeft de Nederlandsche Bank schriftelijk kennis van dat voornemen.
2.
Met betrekking tot het voornemen legt de financiële onderneming een beschrijving over van de omvang en reikwijdte van de dekking van de desbetreffende toepasselijke vangnetregeling in de andere lidstaat en in hoeverre deze afwijkt van de Nederlandse vangnetregeling waaraan de financiële onderneming voornemens is aanvullend deel te nemen.
3.
De financiële onderneming neemt slechts aanvullend deel aan de Nederlandse vangnetregeling indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. er zijn geen operationele of juridische risico’s die een goede uitvoering van de Nederlandse vangnetregeling in de weg staan als gevolg van de wederzijdse verplichtingen van de betrokken vangnetregelingen of als gevolg van de aanvullende deelname van de financiële onderneming;
b. de financiële onderneming en de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft, hebben aangetoond dat er voldoende waarborgen zijn dat zij de verplichtingen die voortvloeien uit deelname door de financiële onderneming aan de Nederlandse vangnetregeling zullen naleven;
c. de financiële onderneming en de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft, hebben in voldoende mate aan de Nederlandsche Bank aannemelijk gemaakt dat de aanvullende deelname de Nederlandse vangnetregeling niet zodanig beïnvloedt dat een eventueel beroep door de beleggers of depositohouders van de aanvullend deelnemende financiële onderneming de stabiliteit van de Nederlandse financiële sector of de bescherming door de Nederlandse vangnetregeling van beleggers of depositohouders in gevaar brengt;
d. tussen de Nederlandsche Bank en de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft, is een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin ten minste de wederzijdse verplichtingen op grond van de betrokken vangnetregelingen en de juridische en operationele aspecten van de uitvoering ervan zijn vastgelegd; en
e. tussen de Nederlandsche Bank en de financiële onderneming is een toetredingsovereenkomst gesloten, waarin in elk geval de juridische en operationele aspecten van de uitvoering van de Nederlandse vangnetregeling zijn vastgelegd.
4.
De financiële onderneming voldoet aan de toetredingsovereenkomst.
5.
Aan de aanvullende deelname aan de Nederlandse vangnetregeling kunnen door de Nederlandsche Bank voorschriften worden verbonden en beperkingen gesteld met het oog op de stabiliteit van de Nederlandse financiële sector of de bescherming door de Nederlandse vangnetregeling van beleggers of depositohouders.
1.
Indien de financiële onderneming, bedoeld in artikel 29b, niet voldoet aan het vierde lid van dat artikel of aan hetgeen overigens bij of krachtens de wet is bepaald, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat hiervan in kennis.
2.
De Nederlandsche Bank kan, na de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft daarvan in kennis te hebben gesteld, het besluit nemen dat de betrokken financiële onderneming geen nieuwe overeenkomsten in Nederland mag afsluiten, indien deze niet voldoet aan artikel 29b, vierde lid, of aan hetgeen overigens bij of krachtens de wet is bepaald:
a. in weerwil van de maatregelen, getroffen door die toezichthoudende instantie;
b. in het geval deze maatregelen ontoereikend zijn; of
c. in het geval die toezichthoudende instantie geen maatregelen heeft getroffen.
3.
De Nederlandsche Bank kan tevens, na de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft daarvan in kennis te hebben gesteld met de toestemming van de toezichthouder van de andere lidstaat de overeenkomst, bedoeld in artikel 29b, derde lid, onderdeel e, opzeggen met een termijn van ten minste twaalf maanden indien de financiële onderneming niet voldoet aan verplichtingen uit die overeenkomst of aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald:
a. in weerwil van de maatregelen, getroffen door die toezichthoudende instantie;
b. in het geval deze maatregelen ontoereikend zijn; of
c. in het geval die toezichthoudende instantie geen maatregelen heeft getroffen.
4.
Indien het derde lid is toegepast, eindigt de aanvullende deelname op de dag waartegen de overeenkomst is opgezegd.
1.
In de samenwerkingsovereenkomst en toetredingsovereenkomst, bedoeld in artikel 29b, derde lid, onderdeel d onderscheidenlijk e, wordt in ieder geval vastgelegd dat de Nederlandsche Bank de samenwerkingsovereenkomst onderscheidenlijk de toetredingsovereenkomst met onmiddellijke ingang kan wijzigen of met onmiddellijke ingang beëindigen en de aanvullende deelname met onmiddellijke ingang kan beëindigen indien:
a. de financiële onderneming of de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere overeenkomst zou hebben geleid;
b. de financiële onderneming of de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de overeenkomsten werden aangegaan zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de Nederlandsche Bank de overeenkomsten, of een van beide overeenkomsten, niet zou zijn aangegaan;
c. de financiële onderneming of de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft niet meer voldoet aan de ingevolge de wet gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de voorwaarden die aan de aanvullende deelname zijn verbonden;
d. de financiële onderneming of het bijkantoor haar of zijn activiteit heeft beëindigd;
e. de financiële onderneming of de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft in gebreke blijft bij de naleving van haar of zijn verplichtingen;
f. zich onvoorziene omstandigheden voordoen welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de samenwerkingsovereenkomst of toetredingsovereenkomst niet mag worden verwacht door de financiële onderneming of de uitvoerder van de vangnetregeling van de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft; of
g. de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 van de wet of artikel 29f, eerste lid, gevolg heeft gegeven.
2.
Voorts wordt in de samenwerkingsovereenkomst onderscheidenlijk de toetredingsovereenkomst vastgelegd dat, onverminderd artikel 29c, indien de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft of de financiële onderneming niet binnen een door de Nederlandsche Bank gestelde redelijke termijn instemt met de wijziging van de samenwerkingsovereenkomst onderscheidenlijk de toetredingsovereenkomst, deze overeenkomst van rechtswege is ontbonden na het verstrijken van die termijn.
1.
Ingeval de aanvullende deelname eindigt ingevolge artikel 29c, vierde lid, of op de wijze, voorzien in artikel 29d, eerste lid, vallen de vorderingen van de beleggers en de deposito’s onder de dekking van het Nederlandse depositogarantiestelsel tot de datum waarop zij verschuldigd worden.
2.
De financiële onderneming stelt de beleggers en de depositohouders in kennis van de beëindiging van de aanvullende dekking.
1.
In de toetredingsovereenkomst, bedoeld in artikel 29b, derde lid, onderdeel e, wordt in ieder geval vastgelegd dat de Nederlandsche Bank, indien een financiële onderneming die aanvullend deelneemt aan de Nederlandse vangnetregeling niet voldoet aan verplichtingen uit de overeenkomst, bedoeld in artikel 29b, derde lid, onderdeel e, of de stabiliteit van de financiële sector of de bescherming van beleggers of depositohouders in gevaar komt door de aanvullende deelname van de financiële onderneming aan de Nederlandse vangnetregeling, de financiële onderneming door middel van een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 van de wet kan verplichten om binnen een door haar gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
2.
De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, dient erop gericht te zijn dat de financiële onderneming aan de verplichtingen die voortvloeien uit deelname aan de Nederlandse vangnetregeling, voldoet of dat de stabiliteit van de Nederlandse financiële sector of de bescherming door de Nederlandse vangnetregeling van beleggers of depositohouders niet langer in gevaar komen door de aanvullende deelname van de financiële onderneming aan de Nederlandse vangnetregeling.
Artikel 29g
Op het bedrag van de vergoeding dat overeenkomstig artikel 26, vierde lid, is berekend, wordt in mindering gebracht het bedrag dat, ingevolge de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft, is vastgesteld voor de betreffende depositohouder of belegger door de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft.
1.
De Nederlandsche Bank besluit tot toepassing van een Nederlandse vangnetregeling waaraan een bank, beleggingsmaatschappij, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of financiële instelling met zetel in een andere lidstaat aanvullend deelneemt, indien de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële ondernemer haar zetel heeft, op die financiële onderneming wordt toegepast.
2.
De Nederlandsche Bank doet mededeling van de toepassing van de Nederlandse vangnetregeling in de Staatscourant. Tevens doet de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk nadat zij het besluit, bedoeld in het eerste lid, heeft genomen, mededeling door middel van advertenties in door haar te bepalen landelijke nieuwsbladen dat:
a. zij het beleggerscompensatiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, van de wet of het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet in werking heeft gesteld; en
b. de personen, bedoeld in artikel 9 of artikel 19, met gebruikmaking van een door de Nederlandsche Bank vast te stellen formulier een aanvraag tot vergoeding van de in artikel 10 onderscheidenlijk artikel 20 bedoelde vorderingen bij haar kunnen indienen, binnen een termijn die aanvangt op het moment van de plaatsing van de advertenties en die verstrijkt vijf maanden na de datum waarop zij een vergoeding hebben ontvangen van de uitvoerder van de vangnetregeling in de andere lidstaat.
Artikel 29i
De Nederlandsche Bank neemt een aanvraag voor vergoeding uit hoofde van een vangnetregeling waaraan een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling met zetel in een andere lidstaat deelneemt in behandeling indien de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft, heeft vastgesteld wat de hoogte van de vergoeding voor de desbetreffende depositohouder of belegger is.
1.
Indien een aanvullende deelname aan de Nederlandse vangnetregeling door een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling met een zetel in een andere lidstaat wordt beëindigd, blijven deposito’s, aangehouden op de dag waarop de aanvullende deelname eindigt, aanvullend gedekt.
2.
De dekking, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het bedrag van het deposito op de datum waarop de aanvullende deelname is beëindigd, tot het maximum, bedoeld in artikel 26, vierde lid of het ingevolge artikel 26, zevende lid vastgestelde maximum, dan wel, indien het bedrag na die datum kleiner is geworden, tot het lagere bedrag.
3.
Deposito’s die worden geopend na de datum waarop de aanvullende deelname eindigt, worden niet aanvullend gedekt.
1.
Onverminderd artikel 16 voorziet de Nederlandsche Bank gedurende de periode dat het doelvermogen van het compensatiefonds niet bereikt is, doch uiterlijk tot en met 31 december 2008, in een renteloos voorschot ten behoeve van uitkeringen die ten laste van het compensatiefonds komen op grond van artikel 13, eerste lid, onder a.
2.
Het in het eerste lid bedoelde voorschot betreft een bedrag dat door de Nederlandsche Bank wordt vastgesteld en maximaal € 1 miljoen bedraagt. Dit voorschot wordt, voorafgaand aan een omslag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, beschikbaar gesteld indien het compensatiefonds door een uitkering in de zin van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, uitgeput is geraakt.
3.
Een uitgekeerd renteloos voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt aan de Nederlandsche Bank terugbetaald door de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 16, vierde lid, na 1 januari 2009. De Nederlandsche Bank stelt, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen, de modaliteiten omtrent de terugbetaling van dit renteloos voorschot vast, waarbij zij er voor zorgt dat de in artikel 17 beschreven maximumbijdrage per kalenderjaar voor een financiële onderneming als bedoeld in artikel 8 niet wordt overschreden.
Artikel 31
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instanties die in andere lidstaten zijn belast met taken met betrekking tot een beleggerscompensatiestelsel in kennis van een wijziging in het beleggerscompensatiestelsel.
Artikel 32
Het koninklijk besluit van 17 december 1998 ter uitvoering van artikel 9, onder c, van de Bankwet 1998 (Stbl. 719) wordt ingetrokken.
Artikel 33
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 34
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 oktober 2006
De Minister van Financiën ,
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities
+ Hoofdstuk 2. Portefeuilleoverdracht, fusies en splitsingen
+ Hoofdstuk 2a. Kapitaalopslag
+ Hoofdstuk 3. Herstelplan
+ Hoofdstuk 4. Financieel kortetermijnplan
+ Hoofdstuk 5. Opvanginstrument levensverzekeraars
+ Hoofdstuk 5a. Afwikkeling
+ Hoofdstuk 6. Beleggerscompensatiestelsel en depositogarantiestelsel
+ Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht