Besluit van 5 juli 1997, houdende regelen ter vaststelling van de aanspraken op nabestaandenpensioen voor enkele bijzondere groepen militairen (Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 1 april 1997, nr. P/97001845;
Gelet op artikel 31 van de Wet privatisering ABP;
De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1997, nr. W07.97.018);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 27 juni 1997, nr. P/97004149;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. Nabestaandenreglement militairen: het op artikel 28, eerste lid, van de Wet Privatisering ABP berustende pensioenreglement voor de nabestaanden van militair personeel;
c. militair: de beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige dan wel de gewezen of gepensioneerde beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige in de zin van de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet;
d. partner:
1e. de echtgenoot van de militair;
2e. de geregistreerde partner, of
3e. degene die op grond van artikel 2 als partner is aangemerkt.
e. wees: het kind dat op het moment van overlijden van de militair jonger is dan 21 jaar en niet gehuwd is dan wel gehuwd is geweest dan wel een partner heeft of heeft gehad als bedoeld in onderdeel d, onder 2e of 3e en:
1e. is geboren uit of is geadopteerd tijdens een partnerrelatie als bedoeld in dat onderdeel;
2e. deel uitmaakte van het gezin van de militair, niet zijnde een onder 1e bedoeld kind, voor wie hij de kosten van levensonderhoud droeg;
3e. kind is van de vrouwelijke militair, niet zijnde een onder 1e bedoeld kind, met wie de familierechtelijke betrekking niet door adoptie is opgehouden te bestaan, of
4e. ten opzichte van wie aan de mannelijke militair ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijke Wetboek was opgelegd of ten opzichte van wie door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend.
f. nabestaanden: de partner van de militair op het moment van overlijden en de wees;
g. nabestaandenpensioen: het de partner of de wees ingevolge dit besluit toekomende pensioen;
h. partnerpensioen: het de partner ingevolge dit besluit toekomende pensioen;
i. wezenpensioen: het de wees ingevolge dit besluit toekomende pensioen;
j. tijdelijk pensioen: het pensioen dat de als zodanig aan te merken partner of wees van de vermiste militair ingevolge dit besluit toekomt;
k. voortdurend pensioen: het pensioen dat de partner of wees van de overleden militair ingevolge dit besluit toekomt;
l. AOW-pensioen: een tot een jaarbedrag herleid en met de vakantie-uitkering verhoogd pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet ;
m. AWW-pensioen: een tot een jaarbedrag herleid en met de vakantie-uitkering verhoogd pensioen of de aldus herleide en verhoogde tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
n. laag AWW-pensioen: het AWW-pensioen, bedoeld in artikel 19, elfde lid, onder a , van de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
o. hoog AWW-pensioen: het AWW-pensioen, bedoeld in artikel 19, elfde lid, onder b , van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
1.
De militair doet ter verzekering van de aanspraak op partnerpensioen melding van een door hem gesloten samenlevingscontract.
2.
Indien de militair deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in de zin van het Nabestaandenreglement militairen is en er op grond van dat reglement een partner is of kan worden aangemeld, blijft in afwijking van het eerste lid de aanmerking op grond van dit artikel achterwege. In dat geval is een partner in de zin van dat reglement voor hetzelfde tijdvak partner in de zin van dit besluit.
3.
De partner, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts als zodanig aangemerkt indien:
a. de eventuele eerdere aanmelding van een andere partner is beëindigd en
b. de aangemelde partner ongehuwd is en 18 jaar of ouder en
c. de partners als ingezetenen met hetzelfde woonadres zijn ingeschreven in de basis-administratie, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en
d. de partners zich blijkens een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben verplicht om over en weer bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en
e. de partners geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.
4.
In afwijking van het derde lid kan Onze Minister regels stellen omtrent het aanmerken als partner van degene die niet in de eerdergenoemde basisadministratie is ingeschreven.
5.
De aanmerking als partner, bedoeld in het eerste lid, wordt beëindigd met ingang van:
a. de dag waarop een van de partners huwt of wordt aangemerkt als partner van een ander;
b. de dag waarop er blijkens de eerdergenoemde basisadministratie niet langer sprake is van een gezamenlijk woonadres, tenzij omstandigheden buiten de wil van de partners om daartoe noodzaakten;
c. de dag volgende op het overlijden van een van de partners, of
d. de dag waarop van een van de partners een schriftelijke aanvraag daartoe is ontvangen.
6.
Aan degene die de aanmelding heeft gedaan kan periodiek de bevestiging worden gevraagd dat nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden voor de aanmerking als partner.
7.
Indien de schriftelijke bevestiging niet binnen zes weken na het verzoek daartoe wordt gedaan, wordt de in het zesde lid bedoelde vraag herhaald.
8.
Indien de schriftelijke bevestiging niet binnen zes weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, wordt de aanmerking als partner beëindigd met ingang van de eerste dag volgende op die termijn van zes weken.
Artikel 3. Werkingssfeer
Dit besluit is van toepassing op:
a. de nabestaanden van de militair die is overleden ten gevolge van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of daarmee overeenkomende bepalingen in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, en
b. de nabestaanden van de militair die is overleden ten gevolge van ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11a van de Amp-wet en
c. de nabestaanden van de als gevolg van andere oorzaken overleden militair, die op het moment van zijn overlijden op grond of mede op grond van de onder a bedoelde verwonding, ziekten of gebreken recht op militair pensioen kon of zou kunnen doen gelden, tenzij er voor de betrokkenen in verband of mede in verband met diezelfde verwonding, ziekten of gebreken aanspraak bestaat op een pensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen en
d. de nabestaanden, voor zover niet vallend onder a, van de militair die uitsluitend recht heeft op het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E 3, tweede lid, onder a, of artikel E 4, onder a, van de Amp-wet.
1.
De vraag of er verband bestaat tussen het overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken, bedoeld in artikel 3, onder a , wordt beantwoord met inachtneming van de resultaten van een geneeskundig onderzoek naar het ontstaan, tot uiting komen of verergeren, de aard en de gevolgen van die verwonding, ziekten of gebreken. De voor dat onderzoek geldende procedure wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de vraag of er verband bestaat tussen het overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken, bedoeld in artikel 3, onderdeel b .
3.
Indien ter zake van hetzelfde overlijden voor dezelfde nabestaande recht bestaat op meerdere militaire pensioenen, kan de vraag of er verband bestaat tussen dat overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken, bedoeld in het eerste en tweede lid, uitsluitend positief worden beantwoord voor dat pensioen dat is gekoppeld aan de periode van werkelijke dienst waarin die verwonding, ziekten of gebreken zijn ontstaan.
4.
Indien er op het moment van overlijden een invaliditeit met dienstverband als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of in een vergelijkbaar artikel in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet bestond van tenminste 60%, wordt die invaliditeit, tenzij het tegendeel wordt aangetoond, beschouwd als oorzaak van het overlijden.
5.
Indien na toepassing van het eerste tot en met vierde lid blijkt dat het daar bedoelde verband tussen het overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken van de militair niet aannemelijk dan wel uitgesloten moet worden geacht, wordt er voor de verdere toepassing van dit besluit uitgegaan van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of in een vergelijkbaar artikel in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet die op het moment van overlijden bestond. Een nog bij leven van de militair aangevangen onderzoek naar de mate van zijn invaliditeit of arbeidsongeschiktheid met dienstverband leidt daarbij niet tot een lager percentage dan het laatstelijk voor hem vastgestelde.
6.
Indien er naar het oordeel van de nabestaanden op het moment van overlijden sprake was van een op een te laag niveau vastgestelde mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of in een vergelijkbaar artikel in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, richt het in het eerste lid bedoelde onderzoek zich mede op de aannemelijkheid van die stellingname. De laatste volzin van het vijfde lid is op de uitkomst van dat deel van het onderzoek van overeenkomstige toepassing.
7.
De nabestaanden van de militair, bij wie op het moment van overlijden geen invaliditeit of arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of in een vergelijkbaar artikel in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet was vastgesteld, kunnen, tenzij een eerder verzoek van de desbetreffende militair om tot een dergelijke vaststelling te komen is afgewezen, alsnog om de vaststelling daarvan verzoeken. De verzoeker motiveert zijn aanvraag en legt de gegevens waarop zijn verzoek steunt aan de met de beoordeling daarvan belaste autoriteit over.
1.
De nabestaanden van de in artikel 3 bedoelde militair hebben te rekenen van de dag volgende op diens overlijden recht op partner- of wezenpensioen.
2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt, voor zolang niets anders vaststaat, vermissing in de uitoefening van de militaire dienst of ten gevolge van bijzondere omstandigheden die zich bij de uitoefening van die dienst hebben voorgedaan, gelijkgesteld met een overlijden in de zin van artikel 3, onder a , en vermissing onder andere omstandigheden gelijkgesteld met een overlijden in de zin van onderdeel c van dat artikel .
1.
De nabestaandenpensioenen worden afgeleid van een eigen pensioen. Dat eigen pensioen bedraagt:
a. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onderdeel a : 100 procent van de grondslag die, naar het welvaartsvaste niveau van het moment van overlijden, ingevolge de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar gold of zou hebben gegolden en voor de vaststelling van de invaliditeitsverhoging of het invaliditeitspensioen ingevolge die wetten in aanmerking zou zijn genomen, dan wel, indien dat bedrag hoger is, het uitsluitend naar diensttijd berekende en op die invaliditeitsverhoging of dat invaliditeitspensioen in mindering te brengen welvaartsvaste pensioen van de overledene, zoals dat, inclusief de eventuele tropenverhoging en zonder toepassing van de voor dat pensioen geldende franchisebepalingen, genoemd in het derde lid, bij het bereiken van die leeftijd is of zou zijn vastgesteld;
b. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onderdeel b : tot de eerste dag van de maand waarin de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt 90,02 procent van de in onderdeel a van dit lid bedoelde grondslag en vanaf dat moment het in dat onderdeel bedoelde naar diensttijd berekende pensioen;
c. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onderdeel c : zoveel procent van de in onderdeel a van dit lid bedoelde grondslag als wordt aangegeven door de mate van invaliditeit met dienstverband die, als gevolg van de daar bedoelde verwonding ziekten of gebreken, ten aanzien van de overledene laatstelijk is vastgesteld, bij een overlijden voor 1 januari 1996 te maximeren op 70, dan wel, indien dat bedrag hoger is, het in onderdeel a van dit lid bedoelde naar diensttijd berekende pensioen;
d. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onderdeel d : het bedrag van het daar bedoelde pensioen.
2.
Indien terzake van hetzelfde overlijden en gekoppeld aan dezelfde diensttijd meerdere van de in het eerste lid aangegeven situaties van toepassing zijn, worden de nabestaandenpensioenen afgeleid van het hoogst gevonden eigen pensioen.
3.
Indien na de in het eerste lid onder a of c bedoelde afweging is komen vast te staan dat een nabestaandenpensioen dient te worden afgeleid van het naar diensttijd berekende eigen pensioen van de overledene, wordt dat eigen pensioen, in afwijking van die onderdelen van het eerste lid en voor zover de betreffende diensttijd daartoe aanleiding geeft, vastgesteld met inachtneming van artikel F 3, zesde lid, onder a, en F 3, achtste lid, van de Amp-wet. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de pensioenberekening vanaf het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde moment.
4.
In afwijking van het eerste lid wordt het naar een invaliditeitspercentage of een vast percentage te berekenen eigen pensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onder c, van de Amp-wet, van de reservist of dienstplichtige die is ontslagen na 31 december 1985 berekend met toepassing van artikel F 7, zestiende lid, onder a, van de Amp-wet.
1.
Het partnerpensioen bedraagt vijf zevende gedeelten van het eigen pensioen, verminderd met de voor dezelfde uitbetalingstermijn, zonder de daarop te verlenen toeslagen, vast te stellen aanspraak op bijzonder partnerpensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen.
2.
De in het eerste lid bedoelde vermindering wordt onveranderd voortgezet indien de rechthebbende op een in mindering te brengen pensioen overlijdt en vindt, naar de bedragen die zouden zijn genoten, ook plaats indien een pensioen als daar wordt bedoeld ingevolge het daaromtrent bepaalde in het Nabestaandenreglement militairen wordt afgekocht.
3.
Indien het in mindering te brengen pensioen op grond van het bepaalde in artikel 23 van het Nabestaandenreglement militairen met terugwerkende kracht wordt toegekend, leidt dat niet met terugwerkende kracht tot een vermindering in de zin van dit artikel.
1.
Het partnerpensioen, waarop voor de eventuele aftrek van een bijzonder partnerpensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen aanspraak bestaat, wordt bij een volgend huwelijk van de rechthebbende, een volgende registratie of een volgende aanmerking als partner vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller, tot een minimum van 20, bestaat uit de voor pensioen geldige diensttijd in de zin van de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, die de militair op het moment van zijn overlijden kon aanwijzen, en de noemer gelijk is aan 40.
2.
De in het eerste lid bedoelde nadere vaststelling is blijvend en gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op die waarin het daar bedoelde huwelijk of de daar bedoelde registratie of aanmerking heeft plaatsgevonden.
1.
Het wezenpensioen bedraagt van het eigen pensioen
a. indien aan hetzelfde overlijden door de verzorger van de wees recht op een partnerpensioen dan wel recht op een bijzonder partnerpensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen wordt ontleend, een zevende gedeelte en,
b. in alle andere gevallen, twee zevende gedeelten.
2.
Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag, gelijk aan vijf zevende gedeelten van het eigen pensioen waarvan zij zijn afgeleid, niet te boven.
3.
Indien wegens toepassing van het vorige lid de wezenpensioenen een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid naar de omvang van de onverminderde bedragen daarvan.
1.
Op een nabestaandenpensioen ingevolge dit besluit wordt, indien dat nabestaandenpensioen wordt of mede wordt berekend naar diensttijd die niet wordt bestreken door de in artikel 6, derde lid , bedoelde franchises dan wel wordt afgeleid van het pensioen, bedoeld in artikel 3, onder c , of wordt berekend naar invaliditeit met dienstverband in de zin van artikel E 11 van de Amp-wet of van een daarmee overeenkomend artikel in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, terwijl de in artikel 6, vierde lid , bedoelde franchise niet van toepassing is, in verband met het recht op AOW- of AWW-pensioen een bedrag in mindering gebracht.
2.
Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag gelden de volgende regels:
1e. de vermindering beperkt zich tot dat deel van de gelijktijdige aanspraak op AOW- of AWW-pensioen dat geacht kan worden betrekking te hebben op de voor pensioen geldige diensttijd, tot een maximum van 40 jaren, waarnaar het militair pensioen waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid is of geacht moet worden te zijn berekend;
2e. er wordt niet uitgegaan van een hoger AOW-pensioen dan dat voor een ongehuwde;
3e. er wordt slechts gerekend met, tenzij het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid van een pensioen, als bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onder c, van de Amp-wet, de voor 1 januari 1986 liggende voor pensioen geldige diensttijd;
4e. rekening wordt gehouden met het bepaalde in de artikelen M 1, tweede lid, M 2, tweede, derde en vierde lid , alsmede de artikelen M 3 tot en met M 9 van de Amp-wet, met dien verstande dat daar waar in die artikelen leeftijdsgrenzen een rol spelen niet die van de gepensioneerde maar van de overledene zullen gelden en dat het in artikel M 3, onder b, bepaalde mede geldt voor vrijwillige premiebetaling in de zin van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
3.
Indien het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid van een eigen pensioen dat wordt berekend naar invaliditeit met dienstverband in de zin van artikel E 11 van de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet wordt voor de toepassing van het tweede lid:
1e. voor de nabestaandenpensioenen die oorspronkelijk zijn toegekend krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van de Amp-wet, het eigen pensioen waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid geacht te zijn berekend naar een diensttijd welke zich verhoudt tot 40 jaren als het bedrag van dat eigen pensioen zich verhoudt tot het maximumbedrag van dat pensioen;
2e. voor de pensioenen die ingevolge de Amp-wet zijn toegekend aan de nabestaanden van de militair die is ontslagen voor 1 januari 1986 en overleden voor 1 januari 1996, het eigen pensioen waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid geacht te zijn berekend naar een diensttijd welke zich verhoudt tot 40 jaren, als het bedrag van dat eigen pensioen zich verhoudt tot 70 procent van de hoogste bij dat eigen pensioen behorende pensioen- of berekeningsgrondslag;
3e. voor de nabestaanden van de militair die is ontslagen voor 1 januari 1986 en overleden na 31 december 1995, het met dat lid gegeven stelsel gevolgd in een zin als hiervoor onder 1e bedoeld.
4.
Voor de nabestaanden van de na 31 december 1985 ontslagen beroepsmilitair wordt, indien hun pensioen moet worden afgeleid van een eigen pensioen dat naar een invaliditeitspercentage of een van de in artikel 6, eerste lid, onderdelen a of b , bedoelde vaste percentages is berekend, in afwijking van het tweede en derde lid, de korting vastgesteld op zoveel procent van het AOW-pensioen voor een ongehuwde of op zoveel procent van het AWW-pensioen waarop recht bestaat als wordt aangegeven door dat percentage.
1.
De partner die recht heeft op een partnerpensioen dat is afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel F 3, zesde lid, of artikel F 7, zestiende lid, van de Amp-wet is toegepast, de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op een AWW-pensioen, heeft, tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn pensioen.
2.
De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt in het geval van de toepassing van het daar genoemde artikel F 3 voor elk jaar van de tussen 31 december 1985 en 1 januari 1996 liggende en voor de berekening geldende diensttijd 2,5 procent van het lage AWW-pensioen.
3.
De toeslag als gevolg van de toepassing van het zestiende lid van artikel F 7 van de Amp-wet is een percentage van het lage AWW-pensioen, gelijk aan het berekeningspercentage dat bij de vaststelling van het eigen pensioen, waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid, wordt gehanteerd.
4.
Indien het partnerpensioen overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 nader is vastgesteld, wordt de via de voorgaande leden berekende toeslag vermenigvuldigd met de daar bedoelde breuk.
1.
De wees die recht heeft op een wezenpensioen dat is afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel F 3, zesde lid, of artikel F 7, zestiende lid, van de Amp-wet is toegepast en geen recht heeft op AWW-pensioen, heeft, tenzij de overlevende ouder recht heeft op het hoge AWW-pensioen, recht op een toeslag op zijn pensioen.
2.
De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt in het geval van de toepassing van het daar genoemde artikel F 3 voor elk jaar van de tussen 31 december 1985 en 1 januari 1996 liggende en voor de berekening geldende diensttijd 0,375 procent van het hoge AWW-pensioen voor de wees, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a , en 0,75 procent van het hoge AWW-pensioen voor de wees bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b .
3.
De toeslag als gevolg van de toepassing van het zestiende lid van artikel F 7 van de Amp-wet is voor de wees, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a , gelijk aan zoveel procent van 15 procent van het hoge AWW-pensioen als het voor de vaststelling van het eigen pensioen, waarvan het wezenpensioen moet worden afgeleid, vastgestelde berekeningspercentage beloopt en voor de wees, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b , dat percentage van 30 procent van dat AWW-pensioen.
1.
De partner die recht heeft op een partnerpensioen en die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag ten bedrage van 15 procent van zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen en van de toeslag, bedoeld in artikel 11 .
2.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de partner wiens partnerpensioen met toepassing van artikel 8 nader is vastgesteld.
3.
De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt niet meer dan 15 procent van f 64 066,05.
1.
De wees die recht heeft op een wezenpensioen heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 15 jaar bereikt recht op een toeslag ten bedrage van 15 procent van zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen en van de toeslag, bedoeld in artikel 12 .
2.
De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt niet meer dan 15 procent van f 64 066,05.
1.
Indien op grond van de Amp-wet als gevolg van een algemene bezoldigingswijziging de pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen worden afgeleid zouden zijn bijgesteld, worden de nabestaandenpensioenen met ingang van dezelfde datum aangepast door ze nader af te leiden van dat nieuw gevonden pensioen.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de maximale bedragen, bedoeld in de artikelen 13 en 14 .
3.
Indien op de in het eerste lid bedoelde eigen pensioenen bij wijze van salarismaatregel met een algemeen karakter een uitkering-ineens zou worden verstrekt, wordt die uitkering-ineens naar evenredigheid doorvertaald naar de nabestaandenpensioenen.
4.
Indien de AOW- of AWW-bedragen een algemene wijziging ondergaan, worden de kortingen en toeslagen die van het niveau van die bedragen afhankelijk zijn met ingang van dezelfde datum aangepast.
1.
De pensioenen en toeslagen worden op een jaarbedrag vastgesteld.
2.
Het nabestaandenpensioen gaat in op de dag die volgt op het overlijden waaraan het wordt ontleend. Over de toekenning van dat pensioen wordt beslist op aanvraag door of namens de belanghebbende.
3.
Het tijdelijk pensioen gaat in op een door Onze Minister te bepalen dag, die niet kan liggen voor de dag waarop laatstelijk aanspraak op bezoldiging of militair pensioen bestond.
4.
De toeslagen gaan in op de dag waarop het recht daarop ontstaat. De laatste zin van het tweede lid is op de toekenning van een toeslag van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien een aanvraag om een pensioen of een toeslag niet is ingekomen voor het moment waarop dat pensioen of die toeslag had kunnen ingaan, wordt dat pensioen of die toeslag toegekend met een terugwerkende kracht, te rekenen van de dag van binnenkomst van het verzoek, van maximaal een jaar.
6.
Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van de pensioengrondslagen, berekeningsgrondslagen, pensioenen en pensioenverhogingen zoals die op grond van de Aanpassingsregeling pensioenen en de daarop aansluitende andere regels zijn gebracht op het welvaartsvaste niveau van het moment van ingang van het nabestaandenpensioen.
1.
Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden.
2.
Indien degene aan wiens vermissing het wordt ontleend in leven blijkt te zijn, eindigt het tijdelijk pensioen met ingang van een door Onze Minister te bepalen dag. Zodra vaststaat dat de vermiste is overleden, eindigt het tijdelijk pensioen door overgang in een voortdurend pensioen.
3.
Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin:
a. de rechthebbende de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt of, voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd in het huwelijk is getreden dan wel als partner is geregistreerd of is aangemerkt als partner als bedoeld in artikel 2 van dit besluit of het daarmee overeenkomende artikel in het Nabestaandenreglement militairen;
b. de rechthebbende wettig kind is geworden van een ander dan de partner die aan hetzelfde overlijden recht op partnerpensioen in de zin van dit besluit of bijzonder partnerpensioen in de zin van het Nabestaandenreglement militairen ontleent.
4.
Het recht op een toeslag vervalt vanaf het moment dat niet meer aan de voorwaarden voor de toekenning daarvan wordt voldaan.
1.
De betaling van de pensioenen en toeslagen geschiedt in maandelijkse termijnen.
2.
De ingevolge artikel 7, vierde lid, van het Nabestaandenreglement militairen verstrekte voorschotten worden verrekend met de eerste betaling op grond van dit besluit en rechtstreeks aan de uitvoerder van dat reglement overgemaakt.
Artikel 19. Bijzondere gevallen
Onze Minister kan de artikelen 5 tot en met 15 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op de belangen die die artikelen beogen te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 20
Het Tijdelijk besluit bijzondere regels voor de samenloop van een militair nabestaandenpensioen en een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet is van overeenkomstige toepassing op de pensioenen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a , van dit besluit, met dien verstande dat:
a. voor de in artikel 2 van die regeling genoemde inbouw- en kortingsbepalingen het bepaalde in artikel 10 van dit besluit in de plaats treedt;
b. de toepassing van die regeling niet leidt tot een lager bedrag als partnerpensioen dan het bedrag van het partnerpensioen, met eventuele toeslagen en compensatie, zoals dat ingevolge dit besluit zou zijn vastgesteld, indien de militair ten gevolge van andere oorzaken dan verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet zou zijn overleden;
c. voor de vaststelling van de in de artikelen 3 en 4 van die regeling genoemde toeslagen niet wordt uitgegaan van de daar genoemde toeslagen uit hoofdstuk H van de Amp-wet, maar van de vergelijkbare toeslagen, genoemd in de artikelen 11 tot en met 14 of in het derde lid van artikel 22 .
1.
Indien ter zake van het overlijden van een deelnemer of gepensioneerde recht op partnerpensioen krachtens dit besluit ontstaat, heeft de partner die recht heeft op dat pensioen, anders dan een pensioen waarop artikel 20 van toepassing is, recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van zijn pensioen in aanmerking is genomen, indien de partner geen recht of niet langer recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet .
2.
De toeslag bedraagt per voor diensttijd in aanmerking te nemen jaar, met een maximum van 40 jaar, 2,5 procent van de ingevolge de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering, vermenigvuldigd met de factor
a. 0,85, indien het overlijden een gevolg is van:
1°. andere oorzaken dan verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of daarmee overeenkomende bepalingen in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, terwijl de militair op het moment van zijn overlijden op grond of mede op grond van die verwonding, ziekten of gebreken recht op militair pensioen kon of zou kunnen doen gelden, hetzij
2°. verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11a van de Amp-wet, dan wel;
b. 0,75 indien onderdeel a, onder 1° of 2° niet van toepassing is, terwijl de militair op het moment van zijn overlijden op grond of mede op grond van de in dat onderdeel, onder 2°, bedoelde verwonding, ziekten of gebreken recht op militair pensioen kon of zou kunnen doen gelden.
3.
Indien de partner bij de toekenning van het partnerpensioen geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en jonger is dan 40 jaar, wordt de toeslag toegekend voor een periode van 12 maanden.
4.
Het recht op de toeslag gaat in met ingang van de maand waarin wordt voldaan aan de voorwaarden voor het recht.
5.
Het recht op de toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de partner de 65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de partner op wiens toeslag de factor, genoemd in het tweede lid, onderdeel a van toepassing is, na het overlijden ter zake waarvan hij aanspraak heeft op pensioen huwt;
c. met ingang van de maand volgend op die waarin de partner op wiens toeslag de factor, genoemd in het tweede lid, onderdeel b van toepassing is, na het overlijden ter zake waarvan hij aanspraak heeft op pensioen huwt dan wel als partner wordt geregistreerd of aangemerkt, of als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt;
6.
De toeslag is geen pensioen als bedoeld in artikel 1, onderdeel g tot en met o .
7.
In afwijking van het tweede lid van dit artikel bedraagt de toeslag op een pensioen dat naar invaliditeit met dienstverband is berekend of een pensioen dat wordt afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel F 7, zestiende lid, van de Amp-wet is toegepast, en een berekening naar diensttijd niet mogelijk is, zoveel zeventigste gedeelten van de in het tweede lid bedoelde nabestaandenuitkering, als wordt aangegeven door het berekeningspercentage, waarnaar het eigen pensioen, waarvan het partnerpensioen moet worden afgeleid, wordt vastgesteld, met dien verstande dat
a. dat die breuk niet leidt tot een hogere uitkomst dan de ingevolge de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering;
b. vervolgens de in het tweede lid bedoelde vermenigvuldigingsfactor 0,85 of 0,75 op die uitkomst wordt toegepast.
8.
Voor de vaststelling van de toeslag wordt de te hanteren nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vastgesteld op een jaarbedrag en verhoogd met de vakantie-uitkering.
9.
De toeslag wordt met ingang van 1 januari en 1 juli nader vastgesteld aan de hand van de ontwikkeling van de uitkeringsbedragen ingevolge de Algemene nabestaandenwet vanaf 1 juli 1999.
1.
Indien ter zake van het overlijden van een deelnemer of gepensioneerde recht op partnerpensioen krachtens dit besluit ontstaat, heeft de partner die recht heeft op dat pensioen, anders dan een pensioen waarop artikel 20 van toepassing is, recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van dat pensioen in aanmerking is genomen, zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet , die is verminderd wegens inkomen uit of in verband met arbeid als bedoeld in die wet.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voorzover het partnerpensioen in de periode van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 aan de partner is toegekend.
3.
De toeslag bedraagt per voor diensttijd in aanmerking te nemen jaar, met een maximum van 40 jaar, 2,5 procent van het verschil tussen de ingevolge de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet met en zonder de in artikel 18 van die wet bedoelde vermindering vastgestelde nabestaandenuitkering, vermenigvuldigd met de factor
a. 0,85, indien het overlijden een gevolg is van:
1°. andere oorzaken dan verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of daarmee overeenkomende bepalingen in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, terwijl de militair op het moment van zijn overlijden op grond of mede op grond van die verwonding, ziekten of gebreken recht op militair pensioen kon of zou kunnen doen gelden, hetzij
2°. verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11a van de Amp-wet, dan wel;
b. 0,75, indien onderdeel a, onder 1° of 2° niet van toepassing is, terwijl de militair op het moment van zijn overlijden op grond of mede op grond van de in dat onderdeel, onder 2°, bedoelde verwonding, ziekten of gebreken recht op militair pensioen kon of zou kunnen doen gelden.
4.
De toeslag wordt nader vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari en 1 juli aan de hand van de vaststelling van de uitkeringsbedragen ingevolge de Algemene nabestaandenwet vanaf 1 juli 1999;
b. bij iedere nadere vaststelling van de in het eerste en derde lid bedoelde nabestaandenuitkering als gevolg van artikel 18 van die wet .
5.
In afwijking van het derde lid van dit artikel is de toeslag op een pensioen dat naar invaliditeit met dienstverband is berekend of een pensioen dat wordt afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel F 7, zestiende lid, van de Amp-wet is toegepast, en een berekening naar diensttijd niet mogelijk is, zoveel zeventigste gedeelten van het in het derde lid bedoelde verschil, als wordt aangegeven door het berekeningspercentage, waarnaar het eigen pensioen, waarvan het partnerpensioen moet worden afgeleid, wordt vastgesteld, met dien verstande dat
a. die breuk niet leidt tot een hogere uitkomst dan dat verschil;
b. vervolgens de in het derde lid bedoelde vermenigvuldigingsfactor 0,85 of 0,75 op dat verschil overeenkomstig wordt toegepast.
6.
Het vierde tot en met zesde en achtste lid van artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien ter zake van het overlijden van een deelnemer of gepensioneerde recht op partnerpensioen krachtens dit besluit ontstaat, heeft de partner die op 1 januari 1998 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en recht heeft op pensioen, anders dan een pensioen, waarop artikel 20 van toepassing is, recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van zijn pensioen in aanmerking is genomen, zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet , die krachtens artikel 67, derde lid of negende lid van die wet vanaf die datum wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de partner vanaf een tijdstip vóór 1 juli 1996 met dezelfde persoon ononderbroken ongehuwd samenwoont.
2.
De toeslag bedraagt per voor diensttijd in aanmerking te nemen jaar, met een maximum van 40 jaar, 2,5 procent van het verschil tussen de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering en het bedrag van de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet , zoals deze na toepassing van de vermindering, bedoeld in artikel 18 van de Algemene nabestaandenwet , is vastgesteld, vermenigvuldigd met de factor 0,75. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering. De toeslag wordt wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met in achtneming van de uitkeringsbedragen ingevolge de Algemene nabestaandenwet vanaf die datum en wordt vervolgens nader vastgesteld met ingang van 1 januari en 1 juli aan de hand van de ontwikkeling van de bedragen.
3.
In afwijking van het tweede lid van dit artikel is de toeslag op een pensioen dat naar invaliditeit met dienstverband is berekend of een pensioen dat wordt afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel F 7, zestiende lid van de Amp-wet is toegepast, en een berekening naar diensttijd niet mogelijk is, zoveel zeventigste gedeelten van het in het tweede lid bedoelde verschil, als wordt aangegeven door het berekeningspercentage, waarnaar het eigen pensioen, waarvan het partnerpensioen moet worden afgeleid, wordt vastgesteld, met dien verstande dat
a. die breuk niet leidt tot een hogere uitkomst dan dat verschil;
b. vervolgens de in het tweede lid bedoelde vermenigvuldigingsfactor op dat verschil overeenkomstig wordt toegepast.
4.
Het recht op toeslag vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de partner de 65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand, volgende op die waarin de partner bij wijze van opvolgende gebeurtenis huwt, als partner wordt geregistreerd, als partner wordt aangemerkt dan wel samenwoont in de zin van de Algemene nabestaandenwet ;
c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan wordt gemaakt.
5.
Het vierde, zesde en achtste lid van artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing.
6.
Artikel 21a is niet van toepassing.
1.
Op de op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit ten laste van Onze Minister komende wettelijke nabestaandenpensioenen die niet direct zijn afgeleid van een pensioen- of berekeningsgrondslag, van een naar invaliditeit met dienstverband of naar diensttijd berekend pensioen, dan wel van een pensioen als bedoeld in artikel 3, onderdeel d , blijven voor de verdere looptijd daarvan de bepalingen van toepassing die dat pensioen op die datum beheersten.
2.
De op de in het eerste lid bedoelde dag ten laste van Onze Minister komende andere rechten op een nabestaandenpensioen of een gratificatie of andere uitkering bij wijze van militair nabestaandenpensioen, berusten te rekenen van die dag op dit besluit. Voor de nabestaandenpensioenen die worden ontleend aan een overlijden voor 1 januari 1996 blijft daarbij de inhoud van de artikelen H 8, H 9 en J 2 van de Amp-wet, zoals die wet op 31 december 1995 luidde, van toepassing zolang de daarin aangegeven situatie duurt en voor de nabestaandenpensioenen die worden ontleend aan een overlijden tussen 31 december 1995 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit voor zolang de toepassing ervan een hoger totaal aan nabestaandenpensioen oplevert dan een rechtstreekse berekening via dit besluit.
3.
Indien op het nabestaandenpensioen een toeslag werd verleend ingevolge artikel H 1, twaalfde lid, van de Amp-wet, vervangt, zolang de daar omschreven situatie ononderbroken voortduurt, die toeslag of het samenstel van toeslagen, bedoeld in het elfde en twaalfde lid van dat artikel, de toeslag, bedoeld in artikel 11 .
4.
Een op grond van de Amp-wet ten laste van Onze Minister komend bijzonder nabestaandenpensioen wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met een bijzonder partnerpensioen op grond van het Nabestaandenreglement militairen. De inhoud van artikel H 3 van de Amp-wet, zoals dat op 31 december 1995 luidde, blijft op dat bijzonder nabestaandenpensioen van toepassing. De via het tweede lid van laatstgenoemd artikel gevonden breuk wordt toegepast op het ingevolge artikel 10 van dit besluit ten aanzien van dat pensioen gevonden verminderingsbedrag.
5.
Indien het overlijden waaraan het recht op nabestaandenpensioen wordt ontleend plaatsvond voor 1 januari 1986, wordt de diensttijd, waarnaar het eigen pensioen, waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid, voor de toepassing van de artikelen 6 en 10 geacht geheel voor die datum te liggen en indien dat overlijden plaatsvond tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 wordt dat eigen pensioen vastgesteld met toepassing van artikel F 3 van de Amp-wet zoals dat voor de laatstgenoemde datum luidde.
6.
Een weduwenpensioen, toegekend krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van de Amp-wet, waarvan het recht op uitbetaling is vervallen in verband met een volgend huwelijk, en dat bij toepassing van artikel Y 14 a van de Amp-wet ten laste van Onze Minister zou zijn gekomen, kan op verzoek van de weduwe opnieuw worden toegekend naar de bepalingen van dit besluit. Artikel 8 is op dat pensioen onder alle omstandigheden van toepassing. Het opnieuw toe te kennen pensioen gaat, in afwijking van artikel 16, tweede en vijfde lid , niet eerder dan per 1 januari 1996 in.
7.
Voor de vaststelling van het verband tussen het overlijden en de voor die datum doorgebrachte militaire dienst blijft artikel E 11 van de Amp-wet van kracht, zoals dat voor de daarin bij de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen aangebrachte wijzigingen luidde.
Artikel 23. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt, met uitzondering van de tot en met 1 juli 1996 terugwerkende artikelen 20 en 21 , terug tot en met 1 januari 1996.
Artikel 24. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 juli 1997
De Staatssecretaris van Defensie,
Uitgegeven de veertiende oktober 1997
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Werkingssfeer en onderzoek naar toepasselijkheid
+ § 3. Pensioenaanspraken en pensioenberekening
+ § 4. Toekenning, einde en betaling van de nabestaandenpensioenen
+ § 5. Tijdelijke regels
+ § 6. Overgangsrecht
+ § 7. Inwerkingtreding en citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht