Let op. Deze wet is vervallen op 4 mei 2011. U leest nu de tekst die gold op 3 mei 2011.

Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007

Uitgebreide informatie
Besluit van 20 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gebruik van biobrandstoffen in het wegverkeer (Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juli 2006, nr. DJZ2006283324, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (PbEU L 123) en op artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
De Raad van State gehoord (advies van 9 augustus 2006, no. W08.06.0293/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2006, nr. DJZ2006296810, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. accijnsgoederenplaats: accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder d, van de Wet op de accijns;
b. biobrandstof: biobrandstof als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van richtlijn 2003/30/EG, waaronder in elk geval de biobrandstoffen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2003/30/EG, worden verstaan;
c. energie-inhoud: energie-inhoud als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van richtlijn 2003/30/EG;
d. d.. gasolie: gasolie als bedoeld in artikel 26, vierde lid, van de Wet op de accijns, niet zijnde gasolie die wordt belast naar het tarief van artikel 27, derde lid, van die wet;
e. ongelode lichte olie: ongelode lichte olie als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet op de accijns;
f. richtlijn 2003/30/EG: richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (PbEU L 123), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld;
g. uitslag: hetgeen ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de accijns onder dit begrip wordt verstaan;
h. vergunninghouder: persoon op wiens naam de vergunning is gesteld van een of meer accijnsgoederenplaatsen van waaruit uitslag plaatsvindt van ongelode lichte olie of gasolie voor het wegverkeer.
1.
Iedere vergunninghouder levert per kalenderjaar ten minste 4,00% van de door hem uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie en gasolie aan als biobrandstof, waarbij zowel bij de ongelode lichte olie als bij de gasolie ten minste 3,5% bestaat uit biobrandstoffen. Bij de berekening van het percentage kan op bij ministeriële regeling aan te wijzen biobrandstoffen een bij die regeling vast te stellen wegingsfactor worden toegepast. Bij die regeling kan worden bepaald dat de vergunninghouder in bepaalde gevallen aantoont dat een biobrandstof voldoet aan het in die regeling gestelde en op welke wijze dit aangetoond kan worden.
2.
Biobrandstoffen die in aanmerking komen voor een accijnsverlaging of accijnsvrijstelling blijven buiten beschouwing bij de vaststelling van het percentage, bedoeld in het eerste lid.
3.
De biobrandstof die ingevolge het eerste lid wordt geleverd in verband met de uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie bestaat uit een of meer van de volgende producten:
a. bio-ethanol;
b. biomethanol;
c. bioETBE;
d. bioMTBE;
e. synthetische biobenzine;
f. biowaterstof;
g. andere producten die als toegestane componenten zijn gewaarmerkt in EN 228 en in overeenstemming zijn met artikel 2, eerste lid, onder a, van richtlijn 2003/30/EG.
4.
De biobrandstof die ingevolge het eerste lid wordt geleverd in verband met de uitgeslagen hoeveelheid gasolie bestaat uit een of meer van de volgende producten:
a. biodiesel;
b. biodimethylether;
c. biogas;
d. onvermengde plantaardige olie;
e. synthetische biodiesel;
f. andere producten die als toegestane componenten zijn gewaarmerkt in EN 590 en in overeenstemming zijn met artikel 2, eerste lid, onder a, van richtlijn 2003/30/EG.
5.
Het in het eerste lid genoemde percentage wordt als volgt berekend:
energiepercentage biobrandstof = hoeveelheid biobrandstof x onderste verbrandingswaarde biobrandstof / (de totale in een kalenderjaar uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie respectievelijk gasolie x de onderste verbrandingswaarde ongelode lichte olie respectievelijk gasolie).
Indien zich in ongelode lichte olie of gasolie biobrandstoffen bevinden, dan wordt de onderste verbrandingswaarde hiervoor gecorrigeerd.
6.
De biobrandstoffen die niet specifiek dienen ter vervanging van ongelode lichte olie en gasolie als bedoeld in de laatste zinsnede van de eerste volzin van het eerste lid, kunnen andere zijn dan die, genoemd in het derde en vierde lid.
1.
De berekening, bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt gebaseerd op de biobrandstoffenbalans per accijnsgoederenplaats. De hoeveelheden biobrandstoffen worden bijgehouden in liters bij een temperatuur van 15°C.
2.
In de biobrandstoffenbalans is opgenomen de hoeveelheid van iedere biobrandstof als bedoeld in artikel 2, derde, vierde en zesde lid, die:
a. in de accijnsgoederenplaats is geproduceerd;
b. in de accijnsgoederenplaats is ingeslagen;
c. is toegevoegd aan de hoeveelheid ongelode lichte olie onderscheidenlijk gasolie, die in de accijnsgoederenplaats is ingeslagen;
d. uit de accijnsgoederenplaats is uitgeslagen;
e. is toegevoegd aan de hoeveelheid ongelode lichte olie en gasolie die uit de accijnsgoederenplaats is uitgeslagen;
f. is toegevoegd aan ongelode lichte olie onderscheidenlijk gasolie die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns , is overgebracht naar een andere accijnsgoederenplaats, of
g. buiten Nederland is gebracht en die al dan niet is toegevoegd aan ongelode lichte olie onderscheidenlijk gasolie.
3.
Bij de administratie dient een schriftelijke, ondertekende en gedateerde verklaring aanwezig te zijn van de leverancier van de biobrandstoffen, waarin hij verklaart welke hoeveelheid hij van iedere biobrandstof als bedoeld in het tweede lid, onder c, heeft geleverd.
4.
Degene die biobrandstoffen niet door middel van een accijnsgoederenplaats op de markt brengt, dient in zijn administratie aan te tonen dat de betreffende hoeveelheden biobrandstof als brandstof voor het wegverkeer zijn gebruikt.
5.
Vergunninghouders mogen aan hun verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voldoen door hoeveelheden biobrandstoffen als bedoeld in artikel 2, derde, vierde en zesde lid, administratief te verhandelen met andere vergunninghouders of met een ieder, die biobrandstoffen niet door middel van een accijnsgoederenplaats op de markt brengt. Bij de administratie dient een bewijsmiddel te zijn gevoegd.
6.
De vergunninghouder zendt ieder kalenderjaar vóór 1 april van het daarop volgende kalenderjaar een overzicht over het eerst bedoelde kalenderjaar naar Onze Minister met betrekking tot de geleverde hoeveelheden en soorten biobrandstoffen en de geleverde hoeveelheden ongelode lichte olie en gasolie. Uit dit overzicht moet blijken dat is voldaan aan het in artikel 2, eerste lid, genoemde percentage.
7.
De administratie, met inbegrip van de biobrandstoffenbalans, dient ten minste 7 jaar bewaard te blijven.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen met verwijzing naar artikel 3, vierde lid, van richtlijn 2003/30/EG, minimumeisen van duurzaamheid worden vastgesteld. Artikel 2, eerste lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van richtlijn 2003/30/EG, categorieën van biobrandstoffen, waarvan het voldoen aan de minimumeisen van duurzaamheid, bedoeld in het eerste lid, niet kan worden aangetoond, worden aangewezen die buiten beschouwing worden gelaten bij de toepassing van artikel 2, eerste lid.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de administratie, bedoeld in artikel 3.
4.
De regelingen, bedoeld in het eerste en tweede lid treden niet eerder in werking dan zes maanden na publicatie in de Staatscourant en met ingang van 1 januari van enig kalenderjaar.
Artikel 5
Met ingang van 1 januari 2010 komt artikel 2, eerste lid, te luiden:
1. Iedere vergunninghouder levert per kalenderjaar ten minste 4,00% van de door hem uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie en gasolie aan als biobrandstof, waarbij zowel bij de ongelode lichte olie als bij de gasolie ten minste 3,5% bestaat uit biobrandstoffen. Bij de berekening van het percentage kan op bij ministeriële regeling aan te wijzen biobrandstoffen een bij die regeling vast te stellen wegingsfactor worden toegepast. Bij die regeling kan worden bepaald dat de vergunninghouder in bepaalde gevallen aantoont dat een biobrandstof voldoet aan het in die regeling gestelde en op welke wijze dit aangetoond kan worden.
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Artikel 7
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 20 oktober 2006
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,
Uitgegeven de veertiende november 2006
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 5a
Artikel 6
Artikel 7
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht