Let op. Deze wet is vervallen op 13 april 2012. U leest nu de tekst die gold op 12 april 2012.

Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar dienst Stadswerken, groep Toezicht en Handhaving gemeente Utrecht 2007

Uitgebreide informatie
Besluit van de Minister van Justitie van 12 juni 2007, nr. 5489097/Justis/07, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de afdeling SW/GOR/Toezicht en Handhaving van de gemeente Utrecht
De Minister van Justitie,
Handelende in overeenstemming met de betrokken Ministers;
Gelezen het verzoek van het hoofd van de groep afdeling Toezicht en Handhaving van de gemeente Utrecht;
Gelet op:
– artikel 142, eerste lid, onder b en c, en het derde lid, van het Wetboek van Strafvordering;
– artikel 17, eerste lid, aanhef en onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten;
– artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993;
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar, de door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aangestelde buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de dienst Stadswerken, groep Toezicht en Handhaving van de gemeente Utrecht.
Artikel 2
Maximaal 80 personen werkzaam bij de dienst Stadswerken, groep Toezicht en Handhaving van de gemeente Utrecht en belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
1.
De in artikel 2 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten genoemd in domein I Openbare Ruimte, van bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar , voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
2.
De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
3.
De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het domein waarin hij is aangesteld.
Artikel 4
De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, van dit besluit genoemde strafbare feiten, gebruik te maken van de bevoegdheden bedoeld in:
b. artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993 , hij gedraagt zich daarbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
1.
De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn dienst als buitengewoon opsporingsambtenaar gebruik maken van handboeien en een korte wapenstok, beiden van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type.
2.
De buitengewoon opsporingsambtenaar wordt daadwerkelijk uitgerust met handboeien en een korte wapenstok nadat de direct toezichthouder heeft vastgesteld dat betrokkene beschikt over de vereiste bekwaamheid ten aanzien van het gebruik van het omgaan met handboeien en een korte wapenstok.
1.
Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Utrecht.
2.
Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de korpschef van het regionaal politiekorps Utrecht.
1.
Het college van burgemeester en wethouders of namens hen de directeur van de dienst Stadswerken van de gemeente Utrecht brengt jaarlijks, voor 1 april, over het jaar daaraan voorafgaand aan de Minister van Justitie verslag uit over:
a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was binnen de dienst;
b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;
c. de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd.
2.
Dit verslag dient te worden toegezonden aan de toezichthouder en de direct toezichthouder, als bedoeld in artikel 5 van dit besluit, alsmede aan het Ministerie van Justitie, dienst JUSTIS, afd. BTR/BOA, Postbus 20300, 2500 EH Den Haag.
Artikel 8
De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het besluit van 12 juni 2007, nr. 5489097/Justis/07, worden geacht mede te zijn afgegeven op basis van het onderhavige besluit.
Artikel 9
Het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar milieuopsporingsambtenaren gemeente Utrecht 2002 , kenmerk 5151817/DBZ/02, alsmede het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar dienst Toezicht en Handhaving gemeente Utrecht 2007 , kenmerk 5456474/Justis/06, worden ingetrokken.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt vijf jaar na inwerkingtreding.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar dienst Stadswerken, groep Toezicht en Handhaving gemeente Utrecht 2007.
Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
Den Haag, 12 juni 2007
De
Minister
teammanager BTR
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht