Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2016. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit College van afgevaardigden

Uitgebreide informatie
Besluit van 10 december 2001, houdende regels omtrent de samenstelling en inrichting van het College van afgevaardigden en de afvaardiging van de leden (Besluit College van afgevaardigden)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 november 2001, nr. 5130704/01/6;
Gelet op artikel 90, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 3 december 2001, nr. W03.01.0582/I);
Gelet op het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 6 december 2001, nr. 5138130/01/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. College: het College van afgevaardigden, bedoeld in artikel 90 van de Wet op de rechterlijke organisatie;
b. appèlgerechten: de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
c. commissie: de commissie, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
1.
Het College bestaat uit achtentwintig leden, waarvan
a. dertien leden rechterlijk ambtenaar zijn,
b. dertien leden gerechtsambtenaar zijn, en
c. twee leden rechterlijk ambtenaar in opleiding zijn.
2.
De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden per ressort afgevaardigd. Het aantal leden per ressort bedraagt:
a. namens het ressort Amsterdam: zes;
b. namens het ressort Arnhem-Leeuwarden: acht;
c. namens het ressort Den Haag: zes;
d. namens het ressort 's-Hertogenbosch: zes;
waarvan telkens de helft gerechtsambtenaar is. Voor de toepassing van dit besluit wordt de Centrale Raad van Beroep gerekend bij het ressort Amsterdam en het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij het ressort Den Haag.
3.
Per ressort wordt ten hoogste één lid van een gerechtsbestuur afgevaardigd.
4.
De leden, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden aangewezen door de rechterlijke ambtenaren in opleiding.
5.
De leden van het College worden afgevaardigd voor een termijn van vier jaar. Zij kunnen na afloop van die termijn slechts eenmaal voor een zelfde termijn worden afgevaardigd.
6.
In geval van langdurige afwezigheid of van schorsing van een lid van het College neemt een plaatsvervanger zijn plaats in.
1.
Per ressort is er een commissie die de leden van het College, bedoeld in artikel 2, tweede lid, en hun plaatsvervangers aanwijst. De leden en hun plaatsvervangers worden aangewezen uit de rechterlijke ambtenaren en gerechtsambtenaren die werkzaam zijn bij de rechtbanken en appèlgerechten waarvan het rechtsgebied binnen het ressort is gelegen.
2.
De commissie bestaat uit een rechterlijk ambtenaar en een gerechtsambtenaar van elke rechtbank en elk appèlgerecht, waarvan het rechtsgebied binnen het ressort is gelegen. De leden van de commissie worden aangewezen voor een periode van zes jaar. Het gerechtsbestuur draagt er zorg voor dat binnen zijn rechtbank of appèlgerecht vergaderingen worden georganiseerd, waarin de rechterlijke ambtenaren het lid van de commissie aanwijzen dat rechterlijk ambtenaar is en de gerechtsambtenaren het lid van de commissie dat gerechtsambtenaar is.
Artikel 4
Als lid van het College kunnen niet worden afgevaardigd rechterlijke ambtenaren die uitsluitend als rechter- of raadsheer-plaatsvervanger optreden.
1.
Het lidmaatschap van het College wordt beëindigd:
a. op eigen verzoek;
b. indien het lidmaatschap onverenigbaar is met de artikelen 2, eerste of derde lid, of  4;
c. indien een lid van het College niet meer als rechterlijk ambtenaar of gerechtsambtenaar werkzaam is bij een rechtbank of appèlgerecht of bij een van de rechtbanken of appèlgerechten in het ressort waarvoor dat lid is afgevaardigd;
d. indien een lid van het College wordt ontslagen als rechterlijk ambtenaar of gerechtsambtenaar.
2.
Een lid van het College kan worden geschorst indien dat lid wordt geschorst als rechterlijk ambtenaar of gerechtsambtenaar.
1.
Het College kiest uit zijn midden een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en een secretaris.
2.
Het College kiest uit zijn midden een dagelijks bestuur. De voorzitter van het College is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur. De plaatsvervangend voorzitter en de secretaris maken deel uit van het dagelijks bestuur.
Artikel 7
Bij de uitoefening van zijn werkzaamheden wordt het College administratief bijgestaan door het Bureau van de Raad voor de rechtspraak.
1.
De vergaderingen van het College zijn openbaar, tenzij het College op grond van bijzondere omstandigheden besluit dat een vergadering niet openbaar is.
2.
De zienswijzen van het College, bedoeld in artikel 92, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, zijn openbaar. De overige adviezen van het College zijn eveneens openbaar, tenzij het College op grond van bijzondere omstandigheden besluit dat een advies niet openbaar is.
1.
Het College stelt een huishoudelijk reglement vast, dat in ieder geval de volgende onderwerpen bevat: de werkwijze, de wijze van vergaderen, het bijeenroepen van een vergadering en de besluitvorming.
2.
Het reglement wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 10
De leden van het College ontvangen een vergoeding voor reis- en verblijfskosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.
1.
In afwijking van de artikelen 2, tweede lid, en 5, eerste lid, aanhef en onder c, behoudt een lid van het College dat ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel II van de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie niet meer als rechterlijk ambtenaar of gerechtsambtenaar werkzaam is bij een rechtbank in het ressort waarvoor dat lid is afgevaardigd, het lidmaatschap namens dat ressort totdat de termijn waarvoor dat lid is afgevaardigd, is verstreken.
2.
De leden van een commissie als bedoeld in artikel 3 die als rechterlijk ambtenaar of gerechtsambtenaar werkzaam zijn bij een rechtbank die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II van de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie overgaat naar een ander ressort, maken van rechtswege deel uit van de commissie in dat andere ressort.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit College van afgevaardigden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 december 2001
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de twintigste december 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Algemene bepalingen
+ Paragraaf 2. Samenstelling, inrichting en afvaardiging
+ Paragraaf 3. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht