Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2012. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2012.

Besluit College van toezicht op de kansspelen

Uitgebreide informatie
Besluit van 6 december 1995, houdende vaststelling van het Besluit College van toezicht op de kansspelen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie, gedaan mede namens Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, J. Kohnstamm, en Onze Minister van Economische Zaken, van 28 september 1995, Directie Wetgeving, nr. 517163/95/6;
Gelet op de artikelen 30 g , derde lid, 35, tweede lid, en 37 van de Wet op de kansspelen, artikel III van de Wet van 18 mei 1995, Stb. 300, houdende wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het instellen van een College van toezicht op de kansspelen, artikel 1 a , eerste lid, onder d , van de Wet Nationale ombudsman en artikel 1 a , onder d , van de Wet openbaarheid van bestuur;
De Raad van State gehoord (advies van 10 november 1995, nr. W03.95.0529);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie, uitgebracht mede namens Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, J. Kohnstamm, en Onze Minister van Economische Zaken, van 28 november 1995, Directie Wetgeving, nr. 527406/95/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de kansspelen ;
b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
c. Onze Ministers wie het mede aangaat: Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
d. het College: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in artikel 33 van de wet.
1.
Een verzoek om advies aan het College kan worden gedaan door Onze Minister of door een van Onze Ministers wie het mede aangaat door tussenkomst van Onze Minister.
2.
Het College zendt zijn adviezen aan Onze Minister en aan Onze Ministers wie het mede aangaat.
1.
Adviezen als bedoeld in artikel 34, eerste en derde lid, van de wet worden niet vastgesteld dan nadat de betrokken rechtspersoon in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken.
2.
Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; of
b. de betrokken rechtspersoon tegen het advies naar verwachting geen bedenkingen zal hebben.
1.
Aanwijzingen door Onze Minister of een van Onze Ministers wie het mede aangaat aan de rechtspersonen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet worden ingevolge de verleende vergunning niet gegeven dan nadat het College is gehoord.
2.
Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.
Artikel 5
Door Onze Minister of door een van Onze Ministers wie het mede aangaat door tussenkomst van Onze Minister kan aan het College het verzoek worden gedaan een onderzoek in te stellen naar de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en van zijn statuten en reglementen door een rechtspersoon waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet.
Artikel 7
De ingevolge artikel 35, eerste lid, van de wet door het College vastgestelde voorstellen bevatten de vermelding tot wie zij zijn gericht. Zij worden ter kennis gebracht aan Onze Minister en aan Onze Ministers wie het mede aangaat.
Artikel 8
Met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens de wet en in het belang van het voorkomen en tegengaan van negatieve maatschappelijke effecten kan het College de instellingen en personen waaraan door Onze Minister of een van Onze Ministers wie het mede aangaat vergunning is verleend ingevolge de wet, aanbevelingen doen met betrekking tot:
a. de wijze van werving en reclame;
b. het waarborgen van een eerlijk en betrouwbaar spelverloop en het voorkomen van fraude en misbruik;
c. de vestiging van voor het publiek opengestelde inrichtingen waar gelegenheid wordt gegeven tot beoefening van een kansspel of waar deelnamebewijzen aan een kansspel verkrijgbaar worden gesteld, alsmede elke overige wijze waarop de deelname aan een kansspel mogelijk wordt gemaakt.
1.
Een aanbeveling overeenkomstig artikel 8 wordt niet vastgesteld dan nadat degene tot wie deze is gericht in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken.
2.
Indien de aanbeveling is gericht tot tien of meer vergunninghouders, wordt het voornemen tot vaststelling daarvan bekend gemaakt in de Staatscourant . Vaststelling van een aanbeveling als bedoeld in de vorige volzin geschiedt niet dan nadat vier weken na die bekendmaking zijn verstreken.
3.
Door het College vastgestelde aanbevelingen worden ter kennis gebracht aan Onze Minister en aan Onze Ministers wie het mede aangaat.
Artikel 10
Indien het College van oordeel is dat een overeenkomstig artikel 8 gegeven aanbeveling niet, of niet voldoende, wordt nageleefd door een instelling of persoon tot wie de aanwijzing is gericht, brengt het College daaromtrent rapport uit aan Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat.
Artikel 11
Het College bestaat uit zeven onafhankelijke leden, te weten:
a. een lid, tevens voorzitter; en
b. zes onafhankelijke leden.
Artikel 12
De voordracht tot benoeming van de voorzitter en de overige leden van het College geschiedt door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat.
Artikel 13
De voorzitter en de overige leden van het College worden benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming is terstond mogelijk en kan telkens voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
1.
De secretaris van het College wordt benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat. De secretaris is terstond weder benoembaar. Voor de secretaris kan tevens een plaatsvervanger worden benoemd.
2.
De overige leden van het bureau van het College worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.
Artikel 15
De voorzitter, de leden en de secretaris van het College kunnen te allen tijde op eigen verzoek worden ontslagen.
1.
De voorzitter, de leden en de secretaris van het College kunnen worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
2.
Onder zwaarwegende gronden wordt mede verstaan het verkrijgen van een direct of indirect persoonlijk belang bij de exploitatie van kansspelen, alsmede het niet-nakomen van de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht .
3.
De voordracht tot ontslag ingevolge het eerste lid geschiedt door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat. Een daartoe strekkende voordracht geschiedt niet dan nadat de betrokkene en het College zijn gehoord.
Artikel 17
Indien Onze Minister voornemens is een voordracht te doen als bedoeld in artikel 16, derde lid, kan de voorzitter, een lid of de secretaris van het College bij koninklijk besluit worden geschorst, op voordracht van Onze Minister. Een schorsing vervalt door een tijdsverloop van dertien weken of door ontslag binnen dertien weken na de schorsing.
1.
Beslissingen kunnen slechts door het College worden genomen indien ten minste de helft van het aantal leden van het College aan de stemming heeft deelgenomen.
2.
Beslissingen worden vastgesteld bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
Artikel 19
Van de door het College vastgestelde adviezen, voorstellen en aanbevelingen wordt mededeling gedaan door publikatie in het verslag, bedoeld in artikel 33, derde lid, van de wet. Artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.
1.
Het College stelt met toestemming van Onze Minister een reglement van orde op, bevattende nadere regels ten aanzien van zijn werkwijze.
2.
Het reglement van orde van het College bevat in ieder geval regels met betrekking tot het uit zijn midden aanwijzen van plaatsvervangende voorzitters, de openbaarheid van zijn vergaderingen en de wijze waarop door het College vastgestelde voorstellen en aanbevelingen worden bekendgemaakt.
3.
Van het reglement van orde wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant .
1.
Het College kan ten behoeve van zijn werkzaamheden commissies instellen.
2.
De bevoegdheid tot het vaststellen van adviezen, voorstellen en aanbevelingen kan niet worden gedelegeerd of gemandateerd aan een commissie.
1.
Het College zendt jaarlijks vóór 1 september aan Onze Minister een bestedingsplan voor het daaropvolgende kalenderjaar met betrekking tot de aan de taakvervulling van het College verbonden uitgaven.
2.
Onze Minister bekostigt de uitgaven van het College overeenkomstig het goedgekeurde bestedingsplan.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt het bestedingsplan voor het kalenderjaar 1996 opgesteld door Onze Minister.
Artikel 23
Het besluit van 27 februari 1975, Stb. 63, tot uitvoering van artikel 27 i , zesde lid, van de Wet op de kansspelen wordt ingetrokken.
Artikel 24
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 25
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 26
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 28
De bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Raad voor de Casinospelen worden uiterlijk op de dag dat de Raad zijn werkzaamheden beëindigt door de secretaris van de Raad overgedragen aan Onze Minister.
Artikel 29
Gedurende het in artikel III van de Wet van 18 mei 1995, Stb. 300, houdende wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het instellen van een College van toezicht op de kansspelen bedoelde tijdvak worden de taken en bevoegdheden die ingevolge de in dat artikel bedoelde vergunningen zijn toegekend aan de Raad voor de Casinospelen uitgeoefend door het College van toezicht op de kansspelen.
Artikel 30
De Wet van 18 mei 1995, Stb. 300, houdende wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het instellen van een College van toezicht op de kansspelen treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.
Artikel 31
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996, met uitzondering van artikel 28 dat in werking treedt op 20 december 1995 en artikel 27 dat in werking treedt op 1 april 1996.
Artikel 32
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit College van toezicht op de kansspelen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 december 1995
De Staatssecretaris van Justitie,
Uitgegeven de veertiende december 1995
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsomschrijvingen
+ § 2. Adviezen
+ § 3. Toezicht
+ § 4. Voorstellen
+ § 5. Aanbevelingen
+ § 6. Samenstelling en benoeming
+ § 7. Werkwijze
+ § 8. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht