Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2011. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2011.

Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten

Uitgebreide informatie
Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2009, nr. IVV/I/2009/7428, tot tijdelijke algemene ontheffing van artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 in verband met deeltijd WW tot behoud van vakkrachten (Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten)
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945;
Besluit:
1.
In afwijking van artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is het een werkgever toegestaan eenmalig de werktijd van een of meer van zijn werknemers gedurende een van tevoren schriftelijk vastgelegde periode over een periode van 13 weken gemiddeld met ten minste 20% en ten hoogste 50% te verkorten indien:
a. de werkgever schriftelijk aantoont dat:
1°. als het de verkorting van de werktijd van 20 of meer werknemers betreft, de belanghebbende verenigingen van werknemers, en bij gebreke daarvan een andere vertegenwoordiging van werknemers, met de verkorting instemmen,
2°. als het de verkorting van de werktijd van minder dan 20 werknemers betreft, een vertegenwoordiging van zijn werknemers met de verkorting instemt;
b. de werkgever met de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers schriftelijk afspraken heeft gemaakt om het loon door te betalen voor zover de betrokken werknemers op grond van de criteria van de Werkloosheidswet geen recht hebben op een uitkering op grond van die wet over de uren waarmee de werktijd is verkort;
c. de werkgever met de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers schriftelijk afspraken heeft gemaakt om in de periode gedurende welke de werktijd wordt verkort:
1°. door middel van scholing, die naar haar aard en omvang daartoe geschikt is, de inzetbaarheid van de werknemers van wie de werktijd wordt verkort in zijn bedrijf of in het bedrijf van een andere werkgever te behouden of te verbeteren,
2°. het verrichten van arbeid door de werknemers waarvan de werktijd wordt verkort in het bedrijf van een andere werkgever mogelijk te maken;
d. de werkgever zich jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schriftelijk heeft verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een vergoeding te betalen als bedoeld in artikel 3, overeenkomstig de modelovereenkomst die als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd;
e. [vervallen.]
f. ingeval de in de aanhef bedoelde periode aanvangt op of na 1 april 2010, de werkgever geen ontheffing heeft gehad op grond van de Bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 of de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 ;
g. de werkgever met de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers schriftelijk het voornemen heeft afgesproken de verkorting van de werktijd na de eerste periode van 13 weken te verlengen met een periode van 13 weken;
h. de dienstbetrekking van een werknemer van wie de werktijd wordt verkort in de periode van werktijdverkorting niet zal eindigen.
2.
In de schriftelijke afspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, 1°, wordt per werknemer vermeld om welke scholing het gaat.
3.
De schriftelijke afspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, 1°, kunnen voor daarin benoemde werknemers inhouden dat, in afwijking van dat onderdeel en het tweede lid, die werknemers geen scholing volgen maar door middel van het geven van scholing de vakbekwaamheid verbeteren van werknemers die nog geen jaar in dienst zijn van de werkgever of die voor de werkgever werkzaam zijn op basis van een stage-overeenkomst. Het aantal werknemers dat scholing geeft mag daarbij in ieder geval niet groter zijn dan het aantal werknemers en stagiairs dat scholing ontvangt.
4.
Indien een vereniging van werknemers of vertegenwoordiging van werknemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet instemt met de verkorting van de werktijd en de weigering is gebaseerd op andere gronden dan met dit besluit worden beoogd, kan de werkgever dit schriftelijk melden aan het meldpunt, genoemd in artikel 3a. Evenzo kunnen een vereniging van werknemers of vertegenwoordiging van werknemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien er een verschil van mening bestaat met de werkgever dat een onoverkomelijke belemmering vormt voor de instemming, dit schriftelijk melden aan het meldpunt, genoemd in artikel 3a.
5.
Bij de melding geeft de werkgever of de desbetreffende vereniging of vertegenwoordiging van werknemers informatie over de redenen van de melding en verstrekt de overige daarbij van belang zijnde gegevens. De werkgever onderscheidenlijk de desbetreffende vereniging of vertegenwoordiging van werknemers doen de andere partij bij het geschil onverwijld mededeling van de melding en de inhoud daarvan.
6.
Het is een werkgever niet langer toegestaan de werktijd op grond van het eerste lid te verkorten indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem heeft medegedeeld dat aan één of meer van zijn werknemers ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is betaald op grond van de Werkloosheidswet als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet, met betrekking tot het voor de werkgever verrichte aantal uren arbeid. Het is een werkgever evenmin langer toegestaan de werktijd op grond van het eerste lid te verkorten indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem heeft medegedeeld dat hetgeen de werkgever en de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers in het schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, hebben verklaard, niet in overeenstemming met de waarheid is.
1.
De periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, bedraagt 13 aaneengesloten kalenderweken en kan aansluitend telkens met een periode van 13 aaneengesloten kalenderweken worden verlengd. In afwijking van de eerste zin bedraagt de periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, dan wel de periode van verlenging minder dan 13 aaneengesloten kalenderweken indien deze op grond van het vijfde lid eindigt voor ommekomst van die 13 weken. Verlenging is alleen toegestaan, indien daarbij wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d en h. Daarnaast geldt als voorwaarde voor verlenging dat uit een schriftelijk verslag van de werkgever en de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers blijkt dat uitvoering is gegeven aan de over de voorafgaande periode gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c.
2.
De verlenging, bedoeld in het eerste lid, is niet toegestaan voor zover het werknemers betreft waarvan de verkorting van de werktijd in de voorafgaande periode gemiddeld niet ten minste 20% bedraagt.
3.
Het aantal verlengingen bedraagt:
a. ten hoogste vier indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b. ten hoogste drie indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c. ten hoogste twee indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%.
4.
Het percentage werknemers waarvoor de werktijd kan worden verkort wordt bepaald door het aantal werknemers waarvan de werktijd in de eerste periode van 13 aaneengesloten kalenderweken kan worden verkort, te vergelijken met het totale aantal werknemers van de werkgever op 1 april 2009.
5.
Indien de periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, is aangevangen op of na 1 april 2010, eindigt die periode of de verlenging daarvan uiterlijk:
a. op 1 juli 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b. op 1 april 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c. op 1 januari 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%,
indien die datum eerder is gelegen dan de eindigingsdatum op grond van het eerste tot en met vierde lid.
1.
De vergoeding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, bedraagt:
a. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken van verkorting van de werktijd de dienstbetrekking met een werknemer van wie de werktijd wordt verkort eindigt;
b. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken de verkorting van de werktijd meer bedraagt dan de omvang waarmee de werktijd mag worden verkort op grond van artikel 1;
c. de helft van het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de totale periode van verkorting van de werktijd indien de werknemer in de periode van 13 weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd geheel of gedeeltelijk werkloos blijft dan wel wordt uit de dienstbetrekking met de werkgever en in verband daarmee recht houdt respectievelijk krijgt op uitkering op grond van de Werkloosheidswet ;
d. het bedrag van de bruto uitkering over de totale periode van verkorting van de werktijd aan alle werknemers van de werkgever van wie de werktijd was verkort, met uitzondering van hetgeen onverschuldigd is betaald, indien aan één of meer werknemers van wie de werktijd was verkort ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is betaald op grond van de Werkloosheidswet als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet, met betrekking tot het voor de werkgever verrichte aantal uren arbeid of indien het schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet in overeenstemming met de waarheid is;
e. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken de verkorting van de werktijd gemiddeld minder bedraagt dan 20%;
f. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de eerste periode indien de verkorting van de werktijd in afwijking van de afspraken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, na de eerste periode niet met dertien weken wordt verlengd.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, geldt in plaats van een periode van 13 weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd een periode, onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd, overeenkomend met een derde van de totale periode van verkorting van de werktijd, indien dat laatste langer is.
3.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, is niet verschuldigd indien de omstandigheid, bedoeld in die onderdelen, het gevolg is van:
a. opzegging van de dienstbetrekking door de werkgever om een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
b. opzegging van de dienstbetrekking door de werknemer dan wel ontbinding van de dienstbetrekking op diens verzoek.
4.
Onder het bedrag van de bruto uitkering wordt verstaan het bedrag van de bruto uitkering op grond van de Werkloosheidswet , vermeerderd met de daarover door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft uitbetaald.
5.
Indien op grond van artikel 2, vijfde lid, een kortere periode dan 13 weken geldt, geldt voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, die periode in plaats van een periode van 13 weken. De eerste zin is eveneens van toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel e, indien het een tweede of volgende verlenging betreft.
1.
Er is een Meldpunt deeltijd WW, ressorterend onder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2.
Het Meldpunt deeltijd WW stelt de daartoe door de centrale organisaties van werkgevers aangewezen vertegenwoordiger alsmede de daartoe door de centrale organisaties van werknemers aangewezen vertegenwoordiger in kennis van een melding met het verzoek om daarover informatie te geven en zo nodig tussen partijen te bemiddelen.
3.
De vertegenwoordigers, bedoeld in het tweede lid, brengen uiterlijk twee weken nadat zij de melding, bedoeld in het tweede lid, hebben ontvangen aan het Meldpunt deeltijd WW een gezamenlijk verslag uit met informatie over de melding en de resultaten van de bemiddeling.
1.
Het is de werkgever toegestaan eenmalig de werktijd van werknemers te verkorten met ten hoogste 50% gedurende een van te voren schriftelijk vastgelegde periode indien:
a. de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vaststelt dat:
1°. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1, vierde lid;
2°. uit het schriftelijke verslag, bedoeld in artikel 3a, derde lid, blijkt dat de bemiddeling niet tot instemming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a heeft geleid dan wel het verslag niet binnen de in artikel 3a, derde lid, genoemde termijn is uitgebracht;
b. de betrokken werknemers instemmen met de verkorting van de werktijd.
1.
Indien door de werkgever aan de voorwaarden voor verkorting van de werktijd is voldaan voor 23 juni 2009 blijft dit besluit, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van het Besluit wederopenstelling deeltijd WW, van toepassing op die werkgever tot de eerstvolgende verlenging na de datum van inwerkingtreding van het Besluit wederopenstelling deeltijd WW.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt voor de daar bedoelde werkgever:
c. de termijn van 13 weken voor de verlenging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onmiddellijk;
d. artikel 2, tweede lid, vanaf de tweede verlenging na de datum van inwerkingtreding van het Besluit wederopenstelling deeltijd WW;
3.
Voor de werkgever, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van artikel 2, vierde lid, het percentage werknemers waarvoor de werktijd kan worden verkort bepaald door het aantal werknemers waarvan de werktijd in de periode van de tweede verlenging kan worden verkort, te vergelijken met het totale aantal werknemers van de werkgever op 1 april 2009.
4.
De werkgever, bedoeld in het eerste lid, is geen vergoeding verschuldigd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, indien de omstandigheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, het gevolg is van beëindiging van de dienstbetrekking met een werknemer wiens werktijd niet kan worden verkort in de periode van de tweede verlenging in verband met de aanpassing van het percentage werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 april 2009 en vervalt met ingang van 1 juli 2011.
2.
In afwijking van het eerste lid blijft dit besluit van toepassing op de afwikkeling van de vergoedingen, bedoeld in artikel 3, op en na 1 juli 2011.
Artikel 5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, die ter inzage wordt gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en tevens worden geplaatst op de website van voornoemd ministerie (www.szw.nl).
Den Haag, 31 maart 2009
De
Minister
Inhoudsopgave
Artikel 1. Ontheffing
Artikel 2. Duur en verlenging
Artikel 3. De vergoeding
Artikel 3a
Artikel 3b
Artikel 3c. Overgangsrecht wederopenstelling
Artikel 4. Inwerkingtreding
Artikel 5. Citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht