Besluit van 2 november 2012, houdende regels met betrekking tot dierlijke producten (Besluit dierlijke producten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 juli 2012, nr. 283263, Directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PbEG 2000 L 204), verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139), verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139), verordening (EG) nr. 2075/2005 van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de officiële controles op Trichinella in vlees (PbEU 2005 L 338), verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU 2006 L 93), verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU 2006 L 93), verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007 L 189), verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (PbEU 2007 L 299), verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEU 2008 L 157), verordening (EG) nr. 566/2008 van de Commissie van 18 juni 2008 tot vaststelling van de uitvoeringsbesluiten voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad betreffende de afzet van vlees van runderen die niet ouder zijn dan twaalf maanden (PbEU 2008 L 163), verordening (EG) nr. 589/2008 van de Commissie van 23 juni 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat betreft de handelsnormen voor eieren (PbEU 2008 L 163), verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PbEU 2008 L 250), verordening (EG) nr. 1235/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad wat de regeling voor de invoer van biologische producten uit derde landen betreft (PbEU 2008 L 334), richtlijn nr. 92/52/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding die voor de uitvoer naar derde landen is bestemd (PbEG 1992 L 179), de artikelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.6, 6.3, 7.1 en 10.2 van de Wet dieren en artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Warenwet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 september 2011, nr. W15.12.297/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 31 oktober 2012, nr. WJZ / 12338636, Directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
boerderijmelk: rauwe melk die door een melkveehouder kennelijk bestemd is voor aflevering anders dan aan consumenten;
kaas: product dat wordt verkregen door stremming van melk waaraan al dan niet melkbestanddelen zijn toegevoegd of onttrokken, de verwijdering van wei en de rijping tot voor de consumptie gereed product;
leverantie van boerderijmelk: de transactie waarbij een melkveehouder boerderijmelk ter beschikking van de ontvanger van boerderijmelk stelt en deze de desbetreffende melk in ontvangst neemt met het kennelijke doel deze te bewerken, te verwerken of te verhandelen;
melk: door het melken van één of meer koeien, geiten, schapen of buffelkoeien verkregen product, zonder dat daaraan stoffen worden toegevoegd of onttrokken;
melkveehouder: de natuurlijke of rechtspersoon die bedrijfsmatig melkkoeien of melkgeiten houdt;
ontvanger van boerderijmelk: de natuurlijke of rechtspersoon die op jaarbasis 500.000 kg of meer boerderijmelk bedrijfsmatig ontvangt van één of meer in Nederland gevestigde melkveehouders en ter zake betalingen aan de desbetreffende melkveehouders verricht, met uitzondering van boerderijzuivelbereiders;
rauwe melk: product dat wordt afgescheiden door de melkklier van één of meer koeien of geiten en dat niet verwarmd is tot boven 40°C en dat evenmin een behandeling met een gelijkwaardig effect heeft ondergaan;
Stichting COKZ: Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel te Leusden;
Stichting Skal: Stichting Skal te Zwolle;
verordening (EEG) nr. 2913/92: verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG 1992 L 302);
verordening (EG) nr. 853/2004: verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139);
verordening (EG) nr. 854/2004: verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139);
verordening (EG) nr. 2075/2005: verordening (EG) nr. 2075/2005 van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de officiële controles op Trichinella in vlees (PbEU 2005 L 338);
wet: Wet dieren ;
zuivelproduct:
1°. een product dat uitsluitend is verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van melk, en
2°. een product dat is samengesteld uit melk, dat wil zeggen een product waarvan geen enkel element in de plaats komt van een melkbestanddeel of bedoeld is om daarvoor in de plaats te komen en waarvan de melk een essentieel bestanddeel is, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor deze producten.
1.
Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-besluiten regels gesteld over de productie van vlees na het doden van dieren met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onderdelen a tot en met l, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen verplichten tot invulling van een onderdeel van die rechtshandelingen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-besluiten regels worden gesteld over de productie van vlees na het doden van dieren met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onderdelen a tot en met l, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen de ruimte bieden om een bepaalde handeling of toestand toe te staan of te verbieden.
Artikel 2.2. Rechtstreekse levering op bedrijf geslacht pluimvee en lagomorfen
Rechtstreekse levering van kleine hoeveelheden vlees van op het bedrijf geslacht pluimvee of op het bedrijf geslachte lagomorfen als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van verordening (EG) nr. 853/2004 en de productie van dat vlees vindt zodanig plaats dat:
a. geen verontreiniging plaats kan hebben met voor de gezondheid van de mens schadelijke hoeveelheden van stoffen, of met organismen of virussen die voor die gezondheid onder redelijkerwijs te verwachten omstandigheden schadelijk kunnen zijn of worden, en
b. onder a bedoelde organismen zich niet zodanig kunnen vermeerderen of zodanige toxinen kunnen vormen dat zij voor de gezondheid van de mens schadelijk kunnen zijn.
1.
Het is verboden bij rechtstreekse levering als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) nr. 853/2004 van grof vrij wild te handelen in strijd met bijlage III, sectie IV, hoofdstuk II, onderdelen 1, 2, 4 en 5, van die verordening.
2.
Het is verboden bij rechtstreekse levering als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) nr. 853/2004 van klein vrij wild te handelen in strijd met bijlage III, sectie IV, hoofdstuk III, onderdelen 1, 2 en 4, van die verordening.
3.
Het onderzoek, bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk II, onderdeel 2, en hoofdstuk III, onderdeel 1, van verordening (EG) nr. 853/2004, wordt uitgevoerd door een gekwalificeerd persoon als bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk I, van die verordening.
1.
Bij rechtstreekse levering als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van een karkas van een wild zwijn neemt de gekwalificeerde persoon tijdens het onderzoek, bedoeld in het derde lid van dat artikel, een monster als bedoeld in artikel 2, derde lid, derde alinea, van verordening (EG) nr. 2075/2005.
2.
De bemonstering en het onderzoek van het monster vinden plaats overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk I, onderdeel 1, onderdeel 2, onder c, tweede alinea en onderdeel 3, onder I en II, en bijlage III, aanhef en onderdelen a, d en f, van verordening (EG) nr. 2075/2005.
3.
De gekwalificeerde persoon brengt op een karkas van een wild zwijn een uniek merk aan en vermeldt dat merk bij de gegevens die behoren bij het monster, bedoeld in het eerste lid.
4.
Een karkas van een wild zwijn of een deel daarvan wordt slechts in de handel gebracht bij een negatieve uitslag van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, en gaat bij levering vergezeld van een kopie van de uitslag van het onderzoek of een elektronisch bewijs waaruit de uitslag van het onderzoek blijkt.
5.
Bij een positieve uitslag van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, is het karkas van het wilde zwijn of alle delen daarvan ongeschikt voor consumptie.
6.
De uitslag van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt ten minste drie jaar bewaard door degene die het monster voor onderzoek heeft aangeboden.
1.
De exploitant van een levensmiddelenbedrijf kan herkeuring aanvragen ingeval hij zich met een beslissing met betrekking tot het vlees als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) nr. 854/2004, afkomstig van als een als landbouwhuisdier gehouden hoefdier niet kan verenigen.
2.
Bij de herkeuring wordt de beslissing met betrekking tot het vlees, bedoeld in het eerste lid, heroverwogen.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag, de beslissing op de aanvraag en de uitvoering van een herkeuring.
Artikel 2.6. Uitvoering bindende onderdelen EU-rechtshandelingen
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot:
a. de biologische productie van dierlijke producten;
b. de bescherming van kwaliteitsaanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen van dierlijke oorsprong;
c. handelsnormen voor dierlijke producten;
d. volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding bestemd voor derde landen.
1.
Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van voorschriften in EU-verordeningen of EU-besluiten als bedoeld in artikel 2.6 regels gesteld met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met l, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen verplichten tot invulling van een onderdeel van die rechtshandelingen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van voorschriften in EU-verordeningen of EU-besluiten als bedoeld in artikel 2.6 regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met l, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen de ruimte bieden om een bepaalde handeling of toestand toe te staan of te verbieden.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. benamingen voor kaas;
b. de kwaliteit, de hoedanigheid en de keuring van kaas waarvoor benamingen als bedoeld in onderdeel a zijn vastgesteld.
2.
Het is verboden kaas te bereiden die bestemd is om onder de daarvoor krachtens het eerste lid vastgestelde benaming in de handel te worden gebracht, of kaas onder de daarvoor krachtens het eerste lid vastgestelde benaming te verhandelen, tenzij is voldaan aan de krachtens dat lid gestelde regels.
3.
Het is verboden voor kaas anders dan kaas waarvoor krachtens het eerste lid regels zijn gesteld benamingen te gebruiken die een zodanige gelijkenis vertonen met de benamingen die krachtens dat lid zijn vastgesteld dat daardoor verwarring kan ontstaan.
4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op:
a. producten die in een lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn geproduceerd en daar rechtmatig in de handel zijn gebracht;
b. producten geplaatst onder een douaneregeling als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, van verordening (EEG) nr. 2913/92.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden voor het gebruik van vermeldingen bij het in de handel brengen van pluimveevlees van in Nederland gehouden en geslachte dieren.
2.
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op de volgende vermeldingen, ter aanduiding van het houderijsysteem:
a. «Scharrel ... binnengehouden»;
b. «Scharrel ... met uitloop»;
c. «Boerenscharrel ... met uitloop» of «Hoeve ... met uitloop»;
d. «Boerenscharrel ... met vrije uitloop» of «Hoeve ... met vrije uitloop».
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de leverantie van boerderijmelk.
2.
Het is ontvangers van boerderijmelk verboden boerderijmelk in ontvangst te nemen als voor de desbetreffende leverantie van boerderijmelk niet wordt voldaan aan de krachtens het eerste lid gestelde regels.
3.
De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op onder meer:
a. de registratie van ontvangers van boerderijmelk;
b. de hoedanigheid van de boerderijmelk;
c. de bemonstering van de boerderijmelk en het bewaren van de monsters;
d. de bepaling van de hoeveelheid, kwaliteit, samenstelling en hoedanigheid van de boerderijmelk;
e. het vervoer van de boerderijmelk en de vervoermiddelen;
f. het bijhouden van een administratie.
1.
Op de uitvoering van het toezicht en de keuring, bedoeld in de artikelen 2.10 en 2.11, door de instellingen, bedoeld in die artikelen, zijn van overeenkomstige toepassing:
a. de artikelen 8 tot en met 10, 11, eerste en vierde tot en met zevende lid, en 13 tot en met 13y van de Landbouwkwaliteitswet;
b. het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet .
2.
Op de uitvoering van het toezicht op de naleving van regels over de kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong door Onze Minister, is artikel 11, tweede en vierde tot en met zevende lid, van de Landbouwkwaliteitswet van overeenkomstige toepassing.
3.
Artikel 14 van de Landbouwkwaliteitswet is van overeenkomstige toepassing op een recht van een houder van een kwaliteitsaanduiding van een landbouwproduct of levensmiddel van dierlijke oorsprong als bedoeld in artikel 2.6.
Artikel 2.10. Controles en bewijsstukken
Ten aanzien van onderwerpen die bij ministeriële regeling worden aangewezen zijn de Stichting COKZ en de Stichting Skal:
a. belast met het toezicht op de naleving van regels over de kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong en de keuring van die levensmiddelen of met het toezicht op die keuring;
b. bevoegd tot het uitreiken van bewijsstukken ten aanzien van de kwaliteit van dierlijke producten, indien daarover bij die ministeriële regeling regels zijn gesteld.
1.
Stichting COKZ kan ten behoeve van de uitvoer van zuivelproducten, zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding certificaten betreffende de kwaliteitskenmerken van die producten afgeven indien het COKZ na onderzoek heeft geconstateerd dat de producten de desbetreffende kwaliteitskenmerken hebben.
2.
De certificaten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts afgegeven wanneer daarom is verzocht:
a. op grond van de eisen van het land van bestemming, niet zijnde lidstaat van de Europese Unie of partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
b. op grond van de eisen van een lidstaat van de Europese Unie of partij bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte met het oog op wederuitvoer naar een land als bedoeld in onderdeel a of
c. in verband met bijzondere omstandigheden.
3.
De afgifte van certificaten in gevallen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, behoeft voorafgaande instemming van Onze Minister.
1.
Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-besluiten regels gesteld over dierlijke bijproducten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c, e tot en met i en k tot en met n, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen verplichten tot invulling van een onderdeel van die rechtshandelingen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-besluiten regels worden gesteld over dierlijke bijproducten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c, e tot en met i en k tot en met n, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen de ruimte bieden om een bepaalde handeling of toestand toe te staan of te verbieden.
1.
Ingeval van overmacht als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de wet kan Onze Minister, al dan niet op verzoek van de ondernemer voor wie een werkgebied als bedoeld in artikel 3.3 van de wet is vastgesteld, een of meer andere ondernemers tijdelijk aanwijzen of toestaan om de in dat werkgebied aanwezige dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet geheel of gedeeltelijk te verwerken.
2.
Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt de hoogte van de tarieven vastgesteld die voor de werkzaamheden, bedoeld in dat lid, in rekening worden gebracht.
3.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
1.
Een ondernemer stelt tarieven vast voor de vergoeding, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de wet.
2.
De totale opbrengst van de tarieven die de ondernemer vaststelt ter vergoeding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de wet, bedraagt niet meer dan de kosten die de ondernemer maakt bij de uitvoering van die werkzaamheden, verminderd met de opbrengst van die producten of daarvan afgeleide producten.
3.
De kosten, bedoeld in het tweede lid, kunnen betrekking hebben op:
a. de kosten die de ondernemer maakt bij het verrichten van de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden;
b. een percentage van de vermogenskosten over de boekwaarde van het geïnvesteerde vermogen in de productiecapaciteit die en het werkkapitaal dat wordt ingezet voor het verrichten van de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden.
4.
Indien de gemaakte kosten in de periode waarin de tarieven, bedoeld in het tweede lid, van toepassing zijn geweest, afwijken van de geraamde kosten, komt in afwijking van het tweede lid een percentage van het verschil ten bate dan wel ten laste van de ondernemer.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de hoogte van het percentage, bedoeld in het derde lid, onderdeel b;
b. de kosten waarop het vierde lid van toepassing is en de hoogte van het percentage, bedoeld in dat lid.
1.
De tarieven worden per kalenderjaar vastgesteld.
2.
De tarieven, alsmede wijzigingen daarvan, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
3.
De goedkeuring kan worden onthouden indien de tarieven hoger zijn dan noodzakelijk, uitgaande van een redelijke toerekening van de totale kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid.
4.
Indien de vanaf een kalenderjaar te berekenen tarieven niet voor 1 januari van dat jaar zijn goedgekeurd, kan Onze Minister de tarieven vaststellen.
5.
Ten behoeve van de goedkeuring verschaft de ondernemer alle noodzakelijke informatie, welke informatie vergezeld gaat van een controleverklaring, opgesteld door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
6.
Van een besluit tot goedkeuring of tot vaststelling van de tarieven wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 3.5. Extra kosten
Indien de kosten voor het verwerken of verwijderen van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet in een bepaald geval aantoonbaar aanmerkelijk hoger zijn dan de kosten, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, onderdeel a, kan de ondernemer de extra kosten in rekening brengen bij de aanbieder van die producten.
Artikel 4.1. Overgangsrecht besluiten, tarieven en tuchtrecht Stichting CPE
Het recht zoals dat gold voor 1 juli 2012 blijft van toepassing op:
a. bezwaar- en beroepsprocedures naar aanleiding van besluiten genomen voor 1 juli 2012 op grond van artikel 13 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 zoals dat artikel luidde voor die datum of genomen op grond van onderdeel b of c van dit artikel;
b. de oplegging en inning van tarieven naar aanleiding van handelingen verricht voor 1 juli 2012 op grond van artikel 13 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 zoals dat artikel luidde voor die datum, en
c. de toepassing van tuchtrecht naar aanleiding van toezicht uitgevoerd voor 1 juli 2012 op grond van artikel 13 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 zoals dat artikel luidde voor die datum.
Artikel 4.5. Inwerkingtreding
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 4.6. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit dierlijke producten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 2 november 2012
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
Uitgegeven de vierde december 2012
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten
+ Hoofdstuk 3. Niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten
+ Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht