Artikel 22
Het recht tot het voeren van de titel van orthoptist is voorbehouden aan degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding voor orthoptie die is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en die voldoet aan het in de artikelen 23 en 24 gestelde.
1.
De opleiding tot orthoptist, bedoeld in artikel 22, omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de orthoptische beroepsuitoefening die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 25:
a. diagnostiek en behandeling;
b. communicatie en samenwerking;
c. preventie en gezondheidsvoorlichting;
d. kwaliteitszorg en innovatie;
e. praktijk- en bedrijfsvoering;
f. beroepsontwikkeling.
2.
Het praktische onderwijs omvat in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 25, onder toezicht van een orthoptist.
1.
Het aspect diagnostiek en behandeling is zodanig ingericht dat betrokkene in staat is om in het kader van diagnostiek en behandeling, volgens de vigerende beroeps- en gezondheidszorgstandaarden, op methodische wijze de volgende interventies voor te bereiden, uit te voeren, te evalueren, bij te stellen en af te ronden:
a. het in het kader van het orthoptische onderzoek, dat verricht wordt met behulp van daartoe geëigende apparatuur of door het toedienen van diagnostische oogdruppels, bij de patiënt afnemen van een amnese;
b. het controleren van de brilsterkte;
c. het onderzoeken van oogstand en oogmotoriek;
d. het met behulp van objectieve en subjectieve onderzoeksmethoden onderzoeken van het motorisch en sensorisch functioneren van beide ogen;
e. het vaststellen van de monoculaire en binoculaire gezichtsscherpte;
f. het met behulp van objectieve en subjectieve onderzoeksmethoden vaststellen van de brekingsafwijking en het fixatiepatroon van de ogen;
g. het inspecteren van de fundus op afwijkingen;
h. het stellen van de diagnose ten aanzien van het monoculaire en binoculaire functioneren van de ogen;
i. het opstellen van een orthoptisch behandelplan dan wel behandeladvies en van een prognose ter zake van het optimaliseren van de monoculaire en binoculaire functies van de ogen;
j. het uitvoeren van een orthoptische behandeling bij patiënten met amblyopie met behulp van occlusiemateriaal, brillenglazen, accomodatieverlammende oogdruppels of een combinatie hiervan;
k. het uitvoeren van een orthoptische behandeling bij patiënten met oogstandafwijkingen dan wel met stoornissen in het binoculaire zien of in de oogbewegingen met behulp van oefeningen, brillenglazen, prismata, occlusiemateriaal of een combinatie hiervan;
l. het bespreken van de diagnose, het behandelplan en de prognose met de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen;
m. het waar nodig overleg plegen met andere disciplines in de zorg bij het bepalen of veranderen van het behandelplan;
n. het motiveren van de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen ter zake van de behandeling;
o. het volgens de geldende paramedische standaarden begeleiden van de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen voor, tijdens en na de behandeling;
p. een professionele samenwerkingsrelatie met de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen aan te gaan, te onderhouden en af te ronden;
q. het evalueren van de doelmatigheid van de behandeling en het zo nodig bijstellen dan wel afsluiten van de behandeling;
r. het bespreken van het behandelresultaat met de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen;
s. het uitbrengen van een verslag inzake de behandeling en de resultaten ervan aan de verwijzer;
t. het verwijzen naar de oogarts van de patiënt bij vermoeden van oogheelkundige pathologie;
u. het adviseren van de oogarts over tijdstip, maat en soort van oogspierchirurgie;
v. het vastleggen van de zorg met behulp van ICT en beeldopslag;
w. het met andere zorgverleners waarborgen van effectieve en efficiënte zorg.
2.
Het aspect communicatie en samenwerking is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om:
a. in het kader van formele relaties intern en extern te communiceren met andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg of instanties in de gezondheidszorg;
b. met andere medewerkers in de organisatie professioneel samen te werken.
3.
Het aspect preventie en gezondheidsvoorlichting is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om in het kader van therapietrouw en gedragsverandering de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen tijdens de behandeling op methodische wijze voor te lichten.
4.
Het aspect kwaliteitszorg en innovatie is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om:
a. de eigen zorg- en dienstverlening inhoudelijk en op effectiviteit en efficiëntie te analyseren, daaruit conclusies te trekken, op basis daarvan een plan te maken ter verbetering van de zorg- en dienstverlening, dit uit te voeren en te evalueren;
b. aan de patiënt dan wel diens naaste betrekkingen alsmede aan collega’s en management verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen;
c. een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening binnen de organisatie en in dat kader de zorg- en dienstverlening inhoudelijk en op effectiviteit en efficiëntie te analyseren en daaraan conclusies te verbinden;
d. met collega’s veranderingsplannen te maken voor vernieuwing van de zorg- en dienstverlening binnen de afdeling dan wel de organisatie en constructief mee te werken aan de uitvoering en evaluatie van deze plannen;
e. een bijdrage te leveren aan de kwaliteitszorg van de werkorganisatie en de arbeidsomstandigheden;
f. met collega’s veranderingsplannen te ontwikkelen en uit te voeren op basis van toetsing, klachten, nieuwe situaties en ontwikkelingen op het gebied van bedrijfsvoering.
5.
Het aspect praktijk- en bedrijfsvoering is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om:
a. vanuit een zorgperspectief een bijdrage te leveren aan het zorgbeleid, de praktijkvoering en het beheer van de afdeling dan wel organisatie;
b. al dan niet met anderen tot effectieve en efficiënte praktijk- en bedrijfsvoering te komen met behulp van ICT en eenvoudige managementtaken uit te voeren.
6.
Het aspect beroepsontwikkeling is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is om:
a. eigen beroepsmatig handelen, houding en motivatie te beschrijven, erop te reflecteren en te komen tot verdere ontwikkeling ter zake;
b. ethische vraagstukken die zich voordoen bij de orthoptische handelingen te onderkennen en hanteren;
c. de eigen beroepsontwikkeling in kaart te brengen, verder uit te stippelen en ter hand te nemen;
d. een bijdrage te leveren aan intercollegiale kwaliteitszorg en in dat kader aan beroepsgenoten verantwoording af te leggen over effectiviteit en efficiëntie van het eigen professionele handelen;
e. maatschappelijke, wetenschappelijke en beroepsontwikkelingen alsmede veranderingen op het gebied van de gezondheidszorg en zorg- en dienstverlening te vertalen naar het beroepsmatige handelen;
f. systematisch gegevens te verzamelen over de beroepsuitoefening, deze te onderzoeken en de uitkomsten te vertalen naar de consequenties voor het beroep;
g. relevante veranderingen in de samenleving en de regelgeving te signaleren, te onderzoeken en de resultaten hiervan te vertalen in een bijdrage aan het beroep en het beroepsmatige handelen;
h. een bijdrage te leveren aan zo mogelijk multidisciplinair wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van de zorg en dienstverlening;
i. met beroepsgenoten nieuwe methodieken, richtlijnen en protocollen te ontwikkelen;
j. de eigen professionaliteit voortdurend te ontwikkelen op basis van nieuwe situaties in de samenleving of het beroepsdomein;
k. anderen te begeleiden in hun beroepsontwikkeling.
Artikel 25
Tot het gebied van deskundigheid van de orthoptist wordt gerekend:
a. het herkennen van risicofactoren en symptomen bij de patiënt die wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een aandoening waarvoor deskundigheid van een andere discipline gewenst of noodzakelijk is en bij constatering daarvan verwijzen naar die andere discipline;
b. het onderzoeken van de patiënt op de aanwezigheid van monoculaire en binoculaire functies en van stoornissen in het monoculaire en binoculaire zien met behulp van daartoe geëigende apparatuur of door het toedienen van in het kader van het onderzoek passende oogdruppels, en op basis van de verkregen gegevens opstellen van een behandelplan;
c. het behandelen van stoornissen in het monoculaire of binoculaire zien van de patiënt door middel van:
1°. het geven van instructie en advies aan de patiënt aangaande het monoculaire en binoculaire zien;
2°. oefentherapie met orthoptische hulpmiddelen en apparatuur;
3°. amblyopiebehandeling met behulp van occlusiemateriaal, accomodatieverlammende oogdruppels of speciaal daartoe voorgeschreven brillenglazen;
4°. het aanmeten van brillenglazen of speciale brilcorrecties;
d. het adviseren aan de oogarts inzake de indicatiestelling voor operatieve oogspiercorrecties.
Inhoudsopgave
+ HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALING
+ HOOFDSTUK II. DIËTIST
+ HOOFDSTUK III. ERGOTHERAPEUT
+ HOOFDSTUK IV. LOGOPEDIST
+ Hoofdstuk V. Mondhygiënist
+ HOOFDSTUK VI. OEFENTHERAPEUT
- HOOFDSTUK VII. ORTHOPTIST
+ HOOFDSTUK VIII. PODOTHERAPEUT
+ HOOFDSTUK IX. SLOTBEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht