Let op. Deze wet is vervallen op 20 december 2013. U leest nu de tekst die gold op 19 december 2013.

Besluit ex artikel 106 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers

Uitgebreide informatie
Besluit van 25 juni 1993, houdende vaststelling van regelen, bedoeld in de artikelen 106, eerste en tweede lid, en 118, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, alsmede intrekking van het koninklijk besluit van 22 december 1969 (Stb. 1969, 595)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 2 februari 1993, nr. AW93/U40, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Pensioenen en Sociale Zekerheid;
Gelet op artikel 106, eerste en tweede lid, en op artikel 118, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers;
De Raad van State gehoord (advies van 24 maart 1993, nr. W04.93.0092);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 1993, nr. AW93/315, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Pensioenen en Sociale Zekerheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. politieke ambtsdrager: minister, staatssecretaris en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal:
b. wedde: de wedde als minister of staatssecretaris, over elk tijdvak waarover deze wordt uitbetaald vermeerderd met het voor hem geldende vakantie-uitkeringspercentage;
c. schadeloosstelling: de schadeloosstelling als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, bedoelde in artikel 2 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, eventueel vermeerderd met de toelage en verhoging bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 12, eerste lid, van evengenoemde wet;
d. uitkering: de uitkering, bedoeld in de artikelen 7 en 52 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
e. invaliditeitsuitkering: de uitkering bedoeld in de artikelen 8 aen 53 a van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
1.
Op de wedde en op de schadeloosstelling wordt een bedrag ingehouden overeenkomstig de inhouding van een bedrag op het salaris van een overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP , uit hoofde van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet.
2.
Het in te houden bedrag wordt berekend als ware de politieke ambtsdrager een overheidswerknemer met een inkomen als zodanig, gelijk aan de wedde dan wel de schadeloosstelling.
3.
Indien de politieke ambtsdrager overeenkomstig artikel 8 b , negende lid, dan wel artikel 53 b , negende lid, heeft gekozen voor een verlaging van de inhouding ingevolge het eerste lid, wordt het in te houden bedrag verlaagd met 0,25 procentpunt van de bijdrage die voor de politieke ambtsdrager ter zake van invaliditeit zou zijn verschuldigd indien hij deelnemer zou zijn als bedoeld in het eerste lid.
1.
Op de wedde en de schadeloosstelling wordt een bedrag ingehouden ter grootte van het bedrag dat met toepassing van artikel 97d, eerste lid, van de Werkloosheidswet wordt ingehouden op het loon van de in dat artikellid bedoelde overheidswerknemer.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de wedde dan wel de schadeloosstelling, verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, beschouwd als loon, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP.
1.
Uitkeringen ineens, niet zijnde of verband houdende met de uitkering of de invaliditeitsuitkering in de zin van dit besluit, worden voor de toepassing van de artikelen 2 en 3 aangemerkt als wedde dan wel schadeloosstelling, voor zover daarmee overeenkomende uitkeringen ineens aan een overheidswerknemer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, mede bepalend zijn voor de hoogte van het bedrag dat op zijn salaris wordt ingehouden, respectievelijk voor zover daarmee overeenkomende uitkeringen ineens aan een werknemer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, behoren tot het loon, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
2.
Uitkeringen ineens worden aangemerkt als wedde dan wel schadeloosstelling over het tijdvak waarin de uitkering wordt uitbetaald.
1.
Met inachtneming van artikel 106, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers is artikel 2 van overeenkomstige toepassing op de uitkering.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het bedrag waarvan de uitkering is afgeleid beschouwd als het in artikel 2, tweede lid, bedoelde inkomen.
3.
Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op de uitkering en op de invaliditeitsuitkering.
4.
Voor de toepassing van het derde lid worden de uitkering en de invaliditeitsuitkering beschouwd als het in artikel 3, tweede lid, bedoelde loon, met dien verstande dat de eerstbedoelde uitkering overeenkomstig wordt verminderd.
1.
Nabetalingen in verband met het recht op uitkering of invaliditeitsuitkering worden voor de toepassing van artikel 5 aangemerkt als uitkering respectievelijk invaliditeitsuitkering.
2.
Overige nabetalingen worden voor de berekening van ingevolge de artikelen 2 en 3 in te houden bedragen gerekend tot de wedde dan wel schadeloosstelling over het laatste tijdvak waarover inhoudingen hebben plaatsgevonden.
3.
Indien de betrokkene als politieke ambtsdrager in de functie, waaruit hij ter zake van zijn ontslag of aftreden recht heeft op uitkering of invaliditeitsuitkering, recht zou hebben gehad op een uitkering ineens, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en deze omstandigheid niet leidt tot verhoging van de wedde of berekeningsgrondslag, waarnaar de uitkering of de invaliditeitsuitkering is berekend, wordt deze wedde of berekeningsgrondslag voor de toepassing van artikel 5 dienovereenkomstig verhoogd.
Artikel 8
De betaling van een pensioen geschiedt door bijschrijving op een door de gepensioneerde aangewezen rekening bij een in Nederland gevestigde bankinstelling.
1.
De gepensioneerde die buiten Nederland woonachtig is, doet, telkens als hij betaling wenst, aan onze Minister van Binnenlandse Zaken een schriftelijk verzoek daartoe toekomen.
2.
Na ontvangst van het verzoek wordt het pensioen over de periode tot en met de maand waarin het verzoek is gedaan betaald.
3.
Ten minste éénmaal per jaar verstrekt de gepensioneerde een bewijs van in leven zijn, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie.
Artikel 10
De gepensioneerde doet van iedere wijziging van zijn adres en burgerlijke staat terstond mededeling aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
1.
Het koninklijk besluit van 22 december 1969, houdende voorschriften ter uitvoering van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers ( Stb. 1969, 595) wordt ingetrokken.
2.
Bedragen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ingevolge artikel 6 of artikel 6 a , eerste lid, tweede volzin, van het in het eerste lid bedoelde besluit, verschuldigd zijn door een politieke ambtsdrager, zijn met ingang van dat tijdstip verschuldigd krachtens dit besluit.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad , waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 juni 1993
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de negentiende augustus 1993
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Inhoudingen
+ § 2. Betaling van pensioenen
+ § 3. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht