Besluit van 18 december 2006, houdende regels met betrekking tot het financiële toetsingskader op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/84673;
Gelet op de artikelen 116, tweede lid, 126, derde lid, 128, derde lid, 131, tweede lid, 132, derde lid, 135, tweede lid, 136, tweede lid, 137, tweede lid, 138, zesde lid, 140, vijfde lid, 141, derde lid, 143, tweede lid, 144, vierde lid, 145, tweede lid, 147, zesde lid, en 203, vierde lid van de Pensioenwet en de artikelen 114, tweede lid, 121, derde lid, 123, derde lid, 126, tweede lid, 127, derde lid, 130, tweede lid, 131, tweede lid, 132, tweede lid, 133, zesde lid, 135, vijfde lid, 136, derde lid, 138, tweede lid, 139, vierde lid, 140, tweede lid, 142, zesde lid, en 197, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, nr. W1206.0450/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170A:
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. De Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
b. fonds:
1°. pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
2°. beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
1.
De risicohouding van een fonds, bedoeld in artikel 102a van de Pensioenwet dan wel artikel 109a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is de mate waarin een fonds, na overleg met de vertegenwoordigers van werkgevers of werkgeversverenigingen, werknemers of werknemersverenigingen of beroepspensioenverenigingen en na overleg met de organen van het fonds, bereid is beleggingsrisico’s te lopen om de doelstellingen van het fonds te realiseren en de mate waarin het fonds beleggingsrisico’s kan lopen gegeven de kenmerken van het fonds.
2.
De risicohouding van het fonds voldoet aan de prudent person regel en komt voor de lange termijn tot uitdrukking in de door het fonds gekozen ondergrenzen in het kader van de haalbaarheidstoets en voor de korte termijn in de hoogte van het vereist eigen vermogen of een bandbreedte hiervoor.
1.
Het bestuur van een fonds stelt de hoogte van de technische voorzieningen vast op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen.
2.
De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur.
3.
Een fonds stelt de omvang van de verwachte uitgaande kasstromen vast op basis van verwachte marktontwikkelingen en voor het fonds prudente verzekeringstechnische grondslagen waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen.
1.
Een fonds dient ieder jaar vóór 1 juli de berekening van de technische voorzieningen per het einde van het voorafgaande jaar in bij De Nederlandsche Bank.
2.
Onverminderd het eerste lid, dient een fonds desgevraagd een berekening van de technische voorzieningen in bij De Nederlandsche Bank indien De Nederlandsche Bank tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de liquiditeit of de bedrijfsvoering van het fonds in gevaar kunnen brengen.
1.
De actuarieel benodigde premie in verband met de pensioenverplichtingen wordt berekend overeenkomstig artikel 2.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een fonds, met het oog op demping van de premie, voor de berekening, bedoeld in het eerste lid, uitgaan van:
a. een voortschrijdend gemiddelde van de rente met een maximumperiode van tien jaar; of
b. indien aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid wordt voldaan, een vastgestelde verwachte waarde van het toekomstig rendement.
3.
De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn:
a. het fonds houdt in de premie rekening met toeslagverlening ter hoogte van ten minste de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, tenzij sprake is van een eindloonregeling waarbij de pensioenaanspraken jaarlijks onvoorwaardelijk worden verhoogd op basis van het laatstverdiende loon; en
b. het rendement op vastrentende waarden, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel f en g, wordt vastgezet voor vijf jaar op basis van de actuele marktrente bij aanvang van deze periode.
4.
Voor de toepassing van de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt bij voorwaardelijke toeslagverlening berekend welke opslag in de premie nodig is voor de toeslagverlening. Is deze opslag hoger dan de opslag die nodig is voor het bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorend vereist eigen vermogen dan wordt dit meerdere in de kostendekkende premie opgenomen.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het derde lid, onderdeel b.
1.
Het eigen vermogen van een fonds wordt met name gevormd door de volgende vermogensbestanddelen:
a. het gestorte aandelenkapitaal of waarborgkapitaal vermeerderd met de ledenrekeningen;
b. de reserves;
c. het onverdeelde positieve of negatieve resultaat;
d. het cumulatief preferent aandelenkapitaal;
e. de achtergestelde leningen;
f. de effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten; en
g. de helft van het obligo van het geplaatste kapitaal of van het in aandelen verdeeld waarborgkapitaal.
2.
Het eigen vermogen van een fonds wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die rechtstreeks door het fonds worden gehouden en met het bedrag van de immateriële activa.
Artikel 6. Vorming van eigen vermogen ten behoeve van toekomstige pensioenaanspraken
De vorming van eigen vermogen ten behoeve van toezeggingen die in de toekomst leiden tot een wijziging van de pensioenovereenkomst en als gevolg daarvan tot een toename van de pensioenverplichtingen, is een activiteit die verband houdt met pensioen en kan overeenkomstig artikel 116 van de Pensioenwet door een pensioenfonds worden verricht.
1.
De ledenrekeningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, worden alleen meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen, wanneer de statuten bepalen dat:
a. vanaf deze rekeningen alleen betalingen aan de leden plaatsvinden als daardoor het eigen vermogen niet daalt beneden het vereiste niveau, bedoeld in artikel 11, dan wel bij liquidatie van het fonds, als alle andere schulden zijn voldaan;
b. elke betaling vanaf deze ledenrekeningen voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap niet eerder plaatsvindt dan nadat dertig dagen zijn verstreken na melding daarvan aan De Nederlandsche Bank; en
c. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat een voorgenomen betaling niet mag plaatsvinden.
2.
De statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen worden niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen.
1.
Het cumulatief preferent aandelenkapitaal en de achtergestelde leningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d en e, worden meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het minimaal vereist eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen, waarbij niet meer dan de helft van dat maximum in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd, of het cumulatief preferent aandelenkapitaal met vaste termijn, mits bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van liquidatie van het fonds, de achtergestelde leningen of preferente aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere crediteuren en pas worden terugbetaald als alle andere schulden zijn voldaan.
2.
Achtergestelde leningen als bedoeld in het eerste lid mogen meetellen tot een maximum van vijftig procent van het vereist eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het vereist eigen vermogen.
3.
De achtergestelde leningen worden meegeteld voor zover bedragen zijn gestort.
4.
Achtergestelde leningen met een vaste looptijd worden meegeteld als de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar bedraagt. De hoogte tot welke de achtergestelde lening wordt meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen wordt lineair verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de aflossing.
5.
Achtergestelde leningen zonder een vaste looptijd worden meegeteld als deze worden of zullen worden afgelost met een opzeggingstermijn van ten minste vijf jaar of De Nederlandsche Bank aflossing heeft toegestaan. Het verzoek om toestemming voor de aflossing ontvangt De Nederlandsche Bank ten minste zes maanden voor de beoogde aflossingsdatum.
6.
De leningsovereenkomst bevat geen bepaling op grond waarvan de achtergestelde lening voor het einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie van het fonds, wordt afgelost.
7.
In afwijking van het zesde lid kan De Nederlandsche Bank toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van achtergestelde leningen met een vaste looptijd, wanneer het initiatief hiertoe uitgaat van het fonds en het eigen vermogen niet onder het vereiste niveau daalt.
8.
De leningsovereenkomst wordt niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen.
1.
De effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder f, worden voor het totaal van deze effecten en van de achtergestelde leningen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het totaal van het eigen vermogen of het minimaal vereist eigen vermogen, naar gelang welk bedrag het laagst is, voor zover:
a. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat het fonds de rentebetaling uit kan stellen;
b. de vorderingen op het fonds uit hoofde van de genoemde effecten zijn achtergesteld ten opzichte van overige vorderingen;
c. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat verliezen kunnen worden gecompenseerd met het bedrag van de lening en nog te betalen rente; en
d. bedragen zijn gestort.
2.
De aflossing van de effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten vindt niet plaats dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen.
Artikel 10. Obligo
Van het obligo van het geplaatste kapitaal of van het in aandelen verdeelde waarborgkapitaal wordt de helft meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het eigen vermogen of het minimaal vereist eigen vermogen, naargelang welk bedrag het laagst is, mits van het geplaatste kapitaal minimaal vijfentwintig procent is gestort.
1.
Het minimaal vereist eigen vermogen bedraagt het totaal van de in dit artikel beschreven berekeningen.
2.
Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds beleggingsrisico wordt gelopen, wordt vier procent van het bedrag van de bruto technische voorzieningen vermenigvuldigd met de verhouding tussen de bruto technische voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van verzekering en de bruto technische voorzieningen aan het eind van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijfentachtig procent.
3.
Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en de beheerslasten voor een periode van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd, wordt één procent van de technische voorzieningen aan het einde van het boekjaar gerekend, overeenkomstig het tweede lid.
4.
Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en de beheerslasten voor een periode van vijf jaar of minder zijn vastgelegd, wordt vijfentwintig procent van de netto beheerslasten in verband met de bedrijfsuitoefening in het afgelopen boekjaar gerekend.
5.
Voor pensioenregelingen met risicokapitaal bij overlijden, wordt 0,3 procent van het aanwezige risicokapitaal vermenigvuldigd met de verhouding tussen het risicokapitaal dat ten laste van het fonds blijft na aftrek van de overdrachten uit hoofde van verzekering en het risicokapitaal in het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent.
6.
Voor zover het fonds arbeidsongeschiktheidpensioen uitvoert, wordt de hoogste uitkomst van de volgende berekeningen gerekend:
a. achttien procent van de in het afgelopen boekjaar geboekte dan wel verdiende premies, naargelang welk bedrag het hoogst is en van de in rekening gebrachte poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer bedragen dan € 50 miljoen, vermeerderd met zestien procent van deze premies en kosten voor zover deze meer bedragen dan € 50 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen rekening komen van het fonds na overdracht uit hoofde van verzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent;
b. zesentwintig procent van de gemiddeld geboekte bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren en van de gemiddelde toevoeging aan de schadevoorziening in deze jaren, voor zover deze schaden en toevoeging niet meer bedragen dan € 35 miljoen, vermeerderd met drieëntwintig procent van deze schaden en toevoeging, voor zover deze meer bedragen dan € 35 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen rekening komen van het fonds na overdracht uit hoofde van verzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent.
7.
Indien de hoogste uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het zesde lid, lager is dan in het afgelopen boekjaar, is de uitkomst ten minste gelijk aan de uitkomst van het afgelopen boekjaar vermenigvuldigd met de verhouding tussen de technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit verzekering aan het einde van het afgelopen boekjaar en de technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit verzekering aan het begin van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten hoogste honderd procent.
8.
De Nederlandsche Bank kan tegen de op verzekering gebaseerde verlaging van het minimaal vereist eigen vermogen overeenkomstig het tweede, vijfde, zesde en zevende lid, bedenkingen naar voren brengen indien:
a. de aard of de kwaliteit van de overdracht uit hoofde van verzekering sinds het afgelopen boekjaar sterk is gewijzigd; of
b. er nauwelijks of geen risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van verzekering.
1.
Voor de berekening van het vereist eigen vermogen hanteert het fonds een standaardmodel waarin door middel van risicofactoren voor de gehele balans van activa en passiva rekening wordt gehouden met:
a. het renterisico;
b. het aandelen- en vastgoedrisico;
c. het valutarisico;
d. het grondstoffenrisico;
e. het kredietrisico;
f. het verzekeringtechnisch risico;
g. het liquiditeitsrisico;
h. het concentratierisico;
i. het operationeel risico; en
j. het actief beheer.
2.
In aanvulling op het standaardmodel, bedoeld in het eerste lid, hanteert een fonds, na voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank, een of meer partiële modellen, indien het risicoprofiel van het fonds niet voldoende aansluit op de uitgangspunten van het standaardmodel.
3.
In afwijking van het eerste lid kan een fonds, na voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank, voor de berekening van het vereist eigen vermogen een intern model hanteren.
4.
Voor de berekening van het vereist eigen vermogen kan een fonds dat zijn risico’s heeft verzekerd bij een verzekeraar, in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, en het tweede en derde lid, voor het verzekerde deel het kredietrisico buiten beschouwing laten.
5.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen inzake de scenariomethode indien innovatieve beleggingsinstrumenten daartoe aanleiding geven.
6.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het standaardmodel en de omvang, de inhoud en de samenhang van de risicofactoren, bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde situaties.
1.
De vaststelling van de beleidsdekkingsgraad vindt plaats per het einde van een kalendermaand.
2.
De berekening van de beleidsdekkingsgraad wordt gebaseerd op de dekkingsgraden per het einde van elk van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan het moment van vaststelling.
1.
De waarden worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd.
2.
Waarden die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen.
3.
De waarden worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten waarden worden tot een prudent niveau beperkt.
4.
Beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Het fonds vermijdt een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen.
5.
De waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.
6.
Onder waardering op marktwaarde als bedoeld in artikel 135, eerste lid, onder c, van de Pensioenwet en artikel 130, eerste lid, onder b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn. Bij de waardering van een vordering van een fonds op een verzekeraar uit hoofde van een verzekering als bedoeld in artikel 12, vierde lid, kan het kredietrisico op die verzekeraar buiten beschouwing worden gelaten.
1.
Een fonds stelt voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat aansluit op de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding, van het fonds en is gebaseerd op gedegen onderzoek.
2.
Het strategisch beleggingsbeleid bevat in ieder geval een beschrijving van de beleggingsdoelstelling, de samenstelling van de beoogde beleggingsportefeuille en de mate waarin van de beoogde beleggingsportefeuille kan worden afgeweken.
3.
Het fonds vertaalt het strategisch beleggingsbeleid naar een beleggingsplan. In het beleggingsplan neemt het fonds concrete en gedetailleerde richtniveaus en bandbreedtes per beleggingscategorie op. Het fonds stelt daarbij beleid op voor de beheersing van de relevante risico’s.
4.
Het fonds onderbouwt dat het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan passen binnen de prudent person regel.
5.
Een fonds stelt een beleggingscyclus vast op grond waarvan het strategisch beleggingsbeleid, het beleggingsplan en de uitvoering periodiek worden geëvalueerd en herbeoordeeld.
1.
Leningen als bedoeld in artikel 136 van de Pensioenwet en artikel 131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn tijdelijk indien deze worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een jaar.
2.
Van een liquiditeitsdoelstelling, als bedoeld in artikel 136 van de Pensioenwet en artikel 131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is sprake als het fonds tijdelijk niet kan voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van het fonds.
1.
Een fonds stelt beleid vast met betrekking tot voorwaardelijke toeslagverlening waarin is vastgelegd of en zo ja, in welke mate, toeslagverlening wordt beoogd. Indien sprake is van toeslagverlening op basis van een maatstaf als lonen, prijzen of een vast percentage van de pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt deze maatstaf weergegeven. Verder wordt een beschrijving opgenomen van de methodiek die wordt gehanteerd bij incidentele toeslagverlening om in het verleden niet toegekende toeslag of in het verleden doorgevoerde vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten te compenseren.
2.
De beleidsdekkingsgraad waaronder geen toeslag wordt verleend, bedoeld in artikel 137, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 132, tweede lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is 110%.
3.
Voor de toepassing van artikel 137, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 132, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt de volgende rekenregel toegepast. Eerst wordt de omvang van het voor toeslagverlening beschikbare vermogen boven de beleidsdekkingsgraad van 110%, bedoeld in het tweede lid, bepaald. Vervolgens wordt de hoogte van de toeslag zodanig bepaald dat wanneer deze jaarlijks wordt toegekend de contante waarde van alle toeslagen maximaal gelijk is aan de hoogte van dit vermogen. De hierbij gehanteerde discontovoet is maximaal gelijk aan het verwachte bruto rendement op aandelen, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel b, verminderd met de uniforme kostenafslag voor beleggingskosten, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel b.
4.
Een fonds dat een op de groeivoeten van het prijs- of loonindexcijfer gebaseerde maatstaf hanteert voor voorwaardelijke toeslagverlening stelt de op grond van de rekenregel in het derde lid berekende toeslag vast als percentage van de maatstaf en past voor de bepaling van de hoogte van de toeslagverlening dit percentage toe op de voor het betreffende jaar relevante gerealiseerde waarde van de maatstaf voor toeslagverlening.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
1.
Het herstelplan, bedoeld in artikel 138 van de Pensioenwet of artikel 133 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de oorzaak van het, gezien de beleidsdekkingsgraad, niet meer voldoen aan de bij of krachtens artikel 132 van de Pensioenwet of artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling gestelde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen;
b. de voorziene ontwikkeling van de technische voorzieningen en de waarden;
c. de concrete maatregelen waardoor, gezien de beleidsdekkingsgraad, het eigen vermogen binnen de looptijd van het herstelplan op het vereiste niveau komt, waarbij rekening wordt gehouden met de naar verwachting toe te kennen toeslagverlening en de overige verplichtingen van het fonds.
2.
Het herstelplan is ten aanzien van het eerste lid, onderdelen b en c, gebaseerd op een deterministische analyse op basis van een dekkingsgraadsjabloon.
3.
Bij het indienen van het herstelplan onderbouwt het fonds waarom vanuit het belang van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden een bepaalde looptijd van het herstelplan is gekozen.
4.
De in het eerste lid, onder c, bedoelde maatregelen mogen er niet toe leiden dat het risico dat niet wordt voldaan aan de in het eerste lid, onder a, genoemde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen, doelbewust wordt vergroot ten opzichte van de situatie waarin wel werd voldaan aan de in artikel 132 van de Pensioenwet of artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling opgenomen vereisten.
5.
Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing in de periode tussen het moment dat het fonds vaststelt dat niet wordt voldaan aan de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen en de ingangsdatum van het herstelplan.
6.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
1.
Een fonds beschikt over goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen, stelt beleid op ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid.
2.
Een fonds legt een duidelijke organisatiestructuur vast met betrekking tot het bepalen en uitvoeren van het beleggingsbeleid. Bij deze organisatiestructuur wordt in ieder geval het risicobeheer vorm gegeven en waarborgt het fonds een zorgvuldig en transparant besluitvormingsproces. Het risicobeheer is adequaat en onafhankelijk.
3.
Een fonds draagt er zorg voor dat er een balans is tussen omvang, aard en complexiteit van de beleggingsportefeuille enerzijds en de aanwezige kennis en ervaring en het risicobeheer anderzijds.
4.
Een algemeen pensioenfonds voldoet aan het eerste, tweede en derde lid en draagt er daarbij zorg voor dat de administratieve en boekhoudkundige procedures de scheiding waarborgen tussen de afgescheiden vermogens die per collectiviteitkring worden aangehouden.
Artikel 19. Integriteitrisico
Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitrisico’s en stelt aan de hand van deze analyse een integriteitbeleid vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid.
1.
Een fonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.
2.
Onder een incident als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: een gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van een fonds.
3.
Een fonds neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.
4.
Een fonds informeert de Nederlandsche Bank onverwijld omtrent incidenten.
1.
Een fonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen met de belangen van het fonds van personen die het beleid van het fonds bepalen, leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van het fonds en andere werknemers of andere personen die in opdracht van het fonds op structurele basis werkzaamheden voor het fonds verrichten.
2.
Een fonds voorkomt dat sprake is van personele unies op het niveau van beleidsbepalers of medebeleidsbepalers tussen het fonds en derden waaraan werkzaamheden worden uitbesteed, tenzij sprake is van uitbesteding van werkzaamheden aan de werkgever.
3.
Een fonds beschikt over een gedragscode die voor bestuurders en medewerkers van het fonds voorschriften geeft ter voorkoming van belangenconflicten en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bij het fonds aanwezige informatie of zaken.
4.
De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de gedragscode, bedoeld in het derde lid.
Artikel 21. Soliditeit van het fonds
Een fonds voert een beleid gericht op het duurzaam beheersen van te lopen financiële risico’s en andere dan financiële risico’s.
1.
Het beleid, bedoeld in artikel 21, houdt mede in dat het fonds een beleid inzake beloningen voert dat niet aanmoedigt tot het nemen van meer risico’s dan voor het fonds aanvaardbaar is.
2.
Het fonds legt het beleid inzake beloningen schriftelijk vast en draagt er zorg voor dit beleid te implementeren en in stand te houden. Het beleid is afgestemd op de omvang en organisatie van het fonds en op de aard, omvang en complexiteit van zijn bedrijf.
3.
Het beleid inzake beloningen omschrijft de beloningscomponenten en beloningsstructuren die ertoe zouden kunnen bijdragen dat het fonds meer risico’s neemt dan voor hem aanvaardbaar is, alsmede de te volgen procedures en maatregelen die dergelijke beloningscomponenten en beloningsstructuren voorkomen en beheersen.
4.
Het fonds maakt zijn beleid inzake beloningen openbaar.
5.
De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot:
a. de wijze waarop het beleid inzake beloningen wordt opgesteld en vastgesteld of goedgekeurd, uitgevoerd, geëvalueerd en aangepast;
b. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan beloningscomponenten en beloningsstructuren en de wijze waarop de risico’s die uit het beleid en de uitvoering daarvan voortvloeien, worden beheerst; en
c. de inhoud en wijze van openbaarmaking van het beleid inzake beloningen.
Artikel 21b. Ratings
Een fonds draagt er zorg voor dat voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa niet uitsluitend of mechanisch wordt uitgegaan van ratings, uitgegeven door een ratingbureau.
1.
Een fonds voert periodiek een haalbaarheidstoets uit die op basis van een stochastische analyse inzicht geeft in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico’s die daarbij gelden. Er is een aanvangshaalbaarheidstoets en een jaarlijkse haalbaarheidstoets.
2.
Een fonds voert een aanvangshaalbaarheidstoets uit bij uitvoering van een nieuwe pensioenregeling en bij significante wijzigingen.
3.
De aanvangshaalbaarheidstoets laat zien:
a. dat het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau boven de door het fonds te kiezen ondergrens voor dit pensioenresultaat blijft;
b. dat het premiebeleid over de gehele berekeningshorizon voldoende realistisch en haalbaar is;
c. dat het fonds voldoende herstelcapaciteit heeft om naar verwachting vanuit de situatie dat aan de vereisten voor het minimaal vereist eigen vermogen wordt voldaan, binnen de looptijd van het herstelplan aan de vereisten voor het vereist eigen vermogen te voldoen; en
d. dat het pensioenresultaat op fondsniveau in het slechtweerscenario niet teveel afwijkt van het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau, waarbij het fonds hiervoor de maximale afwijking vaststelt.
4.
De toetsing van het derde lid, onderdelen a, b, en d, wordt gedaan vanuit de feitelijke financiële positie van het fonds. De toetsing van het derde lid, onderdelen a en b wordt ook gedaan vanuit een dekkingsgraad waarbij aan de vereisten van het vereist eigen vermogen wordt voldaan.
5.
Bij de jaarlijkse haalbaarheidstoets wordt vanuit de feitelijke financiële positie van een fonds beoordeeld in hoeverre wordt voldaan aan het derde lid, onderdelen a en d, op basis van de bij de laatste aanvangshaalbaarheidstoets door het fonds gekozen normering bij deze onderdelen.
6.
Indien bij de jaarlijkse haalbaarheidstoets blijkt dat niet wordt voldaan aan het derde lid, onderdeel a of d, treedt het fonds in overleg met de vertegenwoordigers, bedoeld in artikel 102a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 109a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, om te bezien of maatregelen genomen moeten worden.
7.
De haalbaarheidstoets omvat een aantal prognosejaren, gerekend vanaf de rapportagedatum en werkt met de scenariosets, bedoeld in artikel 23b.
8.
Bij ministeriele regeling kunnen regels worden gesteld over de haalbaarheidstoets.
1.
Er is een Commissie Parameters, hierna te noemen de commissie.
2.
De commissie heeft tot taak Onze Minister over iedere voorgenomen wijziging van de regels, die bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld op grond van artikel 144 van de Pensioenwet of artikel 139 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, haar oordeel te geven voordat daartoe een voordracht als bedoeld in genoemde artikelen wordt gedaan.
3.
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de benoeming en het ontslag van de leden en de werkwijze van de commissie.
Artikel 23a. Parameters vanaf 2015
Categorie 1 2 3 4 5 6 7 8
1 Vastrentende waarden 1 0 0 0 ½ ½ ½ ½
2 Aandelen ontwikkelde markten inclusief beursgenoteerd vastgoed   1 ¾ ¾ ½ ½ ½ ½
3 Aandelen niet-beursgenoteerd     1 ¾ ½ ½ ½ ½
4 Aandelen opkomende markten       1 ½ ½ ½ ½
5 Niet beurs-genoteerd vastgoed         1 ½ ½ ½
6 Grondstoffen           1 ½ ½
7 Hedge funds             1 ½
8 Overig               1
1.
Een fonds gaat voor de berekeningen, bedoeld in de artikelen 126, 128, 138, 139, 140 en 143 van de Pensioenwet en de artikelen 121, 123, 133, 134, 135 en 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, uit van:
a. minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het prijs- en loonindexcijfer van 2% respectievelijk 2,5% per jaar;
b. een verwacht bruto meetkundig rendement op beursgenoteerde aandelen van maximaal 7% met daarbij een uniforme kostenafslag voor beleggingskosten van 25 basispunten en een standaarddeviatie van 20%;
c. een verwacht bruto meetkundig rendement op overige zakelijke waarden van maximaal 7,5% met daarbij een uniforme kostenafslag van 25 basispunten en een standaarddeviatie van 25%;
d. een verwacht bruto meetkundig rendement op grondstoffen van maximaal 5% met daarbij een uniforme kostenafslag van 40 basispunten en een standaarddeviatie van 20%;
e. een verwacht bruto meetkundig rendement op niet beursgenoteerd vastgoed van maximaal 6% met daarbij een uniforme kostenafslag van 80 basispunten en een standaarddeviatie van 15%;
f. een maximaal verwacht bruto meetkundig rendement op risicovrije vastrentende waarden conform de toekomstige rentetermijnstructuur met daarbij een uniforme kostenafslag van 15 basispunten en een standaarddeviatie van 8% daarbij rekening houdend met de looptijd van de vastrentende waarden; en
g. een maximaal verwacht meetkundig rendement voor vastrentende waarden met kredietrisico als een combinatie van het rendement op kredietrisicovrije vastrentende waarden en het rendement op aandelen op basis van de tabel, bedoeld in het vijfde lid, met daarbij een uniforme kostenafslag en een standaarddeviatie eveneens gebaseerd op deze tabel.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedragen de minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het prijs- en loonindexcijfer voor het:
a. jaar van vaststelling: het prijs- en loonindexcijfer op basis van de meest recente gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek van het voorgaande jaar waarbij, indien nog geen gegevens voor het betreffende jaar beschikbaar zijn, het prijs- en loonindexcijfer volgens de raming van het Centraal Planbureau voor het voorgaande jaar gebruikt wordt;
b. jaar 1: het prijs- en loonindexcijfer op grond van de meest recente door het Centraal Planbureau vastgestelde raming hiervan;
c. jaar 2: 0,75 x de raming, bedoeld in onderdeel b, + 0,25 x 2% respectievelijk 2,5%;
d. jaar 3: 0,5 x de raming, bedoeld in onderdeel b, + 0,5 x 2% respectievelijk 2,5%;
e. jaar 4: 0,25 x de raming, bedoeld in onderdeel b, + 0,75 x 2% respectievelijk 2,5%.
De groeivoeten van het prijs- en loonindexcijfer, bedoeld in onderdeel a en b, worden door De Nederlandsche Bank bekend gemaakt.
3.
Een fonds kan na instemming van De Nederlandsche Bank afwijken van de minimale verwachtingswaarden, bedoeld in het tweede lid, indien de specifieke omstandigheden van het fonds dat noodzakelijk maken.
4.
De toekomstige rentetermijnstructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan worden afgeleid uit de rentetermijnstructuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, waarbij het fonds vanaf jaar t+5 van die toekomstige rentetermijnstructuur gemotiveerd en na toestemming van De Nederlandsche Bank kan afwijken.
5.
De tabel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, luidt als volgt:
6.
Voor het omrekenen van rendementen naar het portefeuillerendement wordt gebruik gemaakt van onderstaande tabel met correlatieparameters. Voor de omrekening van het meetkundig naar het rekenkundig gemiddelde geldt de formule: rekenkundig gemiddelde = meetkundig gemiddelde + ½ ? 2 :
Artikel 23b. Scenariosets
Fondsen gebruiken voor de haalbaarheidstoets uniforme scenariosets die door De Nederlandsche Bank beschikbaar worden gesteld.
Artikel 24. Inhoud actuariële en bedrijfstechnische nota
De actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145 van de Pensioenwet of artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de hoofdlijnen van het interne beheersingssysteem, zoals voorgeschreven bij of krachtens artikel 143 van de Pensioenwet of artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en van de opzet van de administratieve organisatie en interne controle, bedoeld in artikel 18, eerste lid;
b. voor zover van toepassing procedures en criteria voor de aansluiting van werkgevers bij het betreffende fonds en voor het verkrijgen van het deelnemerschap van hun werknemers;
c. de hoofdlijnen van de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement;
d. de hoofdlijnen van de reeds verworven en nog te verwerven pensioenaanspraken en -rechten die voor de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden voortvloeien uit het pensioenreglement;
e. de uit het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement voortvloeiende risico’s die in eigen beheer zijn gehouden dan wel zijn verzekerd of overgedragen;
f. de risicohouding;
g. de kwantitatieve normen die gehanteerd worden ten behoeve van de haalbaarheidstoets;
h. de financiële opzet;
i. de financiële sturingsmiddelen; en
j. de systematiek van de vaststelling van de parameters, zoals die op grond van artikel 144 van de Pensioenwet en artikel 139 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden vastgesteld.
1.
De beschrijving van de financiële opzet, bedoeld in artikel 24, onderdeel h, bevat in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten ten aanzien van:
a. de technische voorzieningen, het minimaal vereist eigen vermogen en het vereist eigen vermogen, bedoeld in de artikelen 126, 131 en 132 van de Pensioenwet of de artikelen 121, 126 en 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
c. het beleggingsbeleid en het aangaan van leningen, bedoeld in de artikelen 135 en 136 van de Pensioenwet of de artikelen 130 en 131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
d. het beleid inzake voorwaardelijke toeslagverlening, bedoeld in artikel 137 van de Pensioenwet dan wel artikel 132 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
2.
Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de overige verplichtingen van het fonds.
3.
De beschrijving van de financiële opzet bevat tevens een beschrijving van de organisatiestructuur met betrekking tot het bepalen en uitvoeren van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 18, tweede lid.
Artikel 26. De financiële sturingsmiddelen
De beschrijving van de financiële sturingsmiddelen, bedoeld in artikel 24, onderdeel i, bevat in ieder geval een beschrijving van de inzetbaarheid van de sturingsmogelijkheden van het fonds ten aanzien van het premiebeleid, het beleggingsbeleid en het beleid met betrekking tot de aanpassingen van de aanspraken en inzake voorwaardelijke toeslagverlening. Daarbij wordt aangegeven welke effecten met de genoemde sturingsmiddelen worden bereikt.
Artikel 27. Het beleggingsbeleid
De beschrijving van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel c, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan;
b. de cyclus voor het beleggingsbeleid;
c. de opzet van de uitvoering van de vermogensbeheeractiviteiten;
d. de wijze van risicometing en -beheersing, met name van marktrisico’s en kredietrisico’s; en
e. de opzet van de resultaatsevaluatie met betrekking tot de onderwerpen genoemd onder a, c en d.
Artikel 28. Afwijking in geval van overdracht of verzekering van risico’s
Voor zover risico’s zijn overgedragen of verzekerd kunnen de beschrijvingen, bedoeld in de artikelen 25 en 27, beperkt blijven tot een verwijzing naar hetgeen in de ten behoeve van de overdracht of verzekering afgesloten overeenkomsten is opgenomen.
Artikel 29. Uitgangspunten oordeelsvorming De Nederlandsche Bank
De beschrijvingen die de actuariële en bedrijfstechnische nota bevat op grond van de artikelen 24 tot en met 28 zijn zodanig dat De Nederlandsche Bank op basis van die beschrijvingen tot een oordeel kan komen over de wijze waarop voldaan wordt aan de artikelen 25, 126 tot en met 137 en 143 van de Pensioenwet of de artikelen 35, 121 tot en met 132 en 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 29a. Verklaring inzake beleggingsbeginselen
De verklaring inzake beleggingsbeginselen, bedoeld in artikel 145, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 140, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, omvat in ieder geval onderwerpen als de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen, de toegepaste wegingmethoden voor beleggingsrisico’s, de risicohouding, het gevoerde risicoprofiel en de risicobeheerprocedures.
a. een beschrijving van een of meer financiële situaties waarin het fonds niet aan de vereisten van het vereist eigen vermogen voldoet en gevaar loopt niet aan de vereisten van het minimaal vereist vermogen te gaan voldoen;
b. een beschrijving van een of meer risico’s die naar het oordeel van het fonds kunnen leiden tot situaties die als financiële crisissituatie kunnen worden aangemerkt;
c. een beschrijving van de maatregelen die het fonds ter beschikking staan ter bestrijding van situaties als bedoeld in onderdeel a en artikel 145, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 140, tweede lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, waarbij wordt beschreven hoe het fonds deze maatregelen verwacht in te zetten;
d. een indicatie van het financiële effect van de inzet van de ter beschikking staande maatregelen;
e. de berekening van het niveau van de beleidsdekkingsgraad vanaf welke naar verwachting vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten nodig zijn om te voldoen aan de vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen; en
f. een beschrijving van de wijze waarop bij het inzetten van maatregelen op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de belanghebbenden van het fonds, waarbij wordt opgenomen hoe een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten zal worden verdeeld en of, en zo ja hoe, deze zal worden gespreid.
1.
De door een fonds op grond van de artikelen 147, derde lid, en artikel 203, derde en vierde lid, van de Pensioenwet en op grond van de artikelen 142, derde lid en artikel 197, derde en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling te verstrekken gegevens hebben uitsluitend betrekking op:
a. het fonds en zijn organisatie met betrekking tot:
1°. het aantal medewerkers;
2°. uitbesteding;
3°. de medebeleidsbepalers;
4°. deskundigheidsbevordering van het bestuur;
6°. de accountantsverklaring;
7°. het verantwoordingsorgaan;
8°. het interne toezicht;
9°. het belanghebbendenorgaan; en
10°. het bestuursmodel;
b. een bestuursverslag;
c. de balans, bestaande uit een enkelvoudige balans en, indien van toepassing, een geconsolideerde balans, een toelichting op de balans alsmede:
1°. een specificatie van de activa met betrekking tot immateriële activa, onroerende zaken, niet geconsolideerde en geconsolideerde deelnemingen, indien van toepassing, verzekeringsdeel technische voorzieningen, overige activa en beleggingen voor risico deelnemers;
2°. een specificatie van de passiva met betrekking tot gespecificeerde reserves, het aandeel van derden in geval van een geconsolideerde balans, andere voorzieningen en overige verplichtingen;
3°. informatie over ontvangen en gestelde zekerheden en garanties;
4°. informatie over grote posten binnen de beleggingen; en
5°. specificatie van de beleggingen met betrekking tot de valuta, de risicoklassen, derivatenposities, beleggingsrendementen en indien sprake is van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, de z-score;
d. de financiële relaties en transacties van het fonds met:
1°. bijdragende ondernemingen;
2°. ondernemingen uit dezelfde groep als de bijdragende onderneming;
3°. personen die een relatie hebben of hebben gehad met het fonds wanneer sprake is van een bijzondere lening; en
4°. anderen dan de onder 1° en 2° genoemden inzake achtergestelde leningen aan het fonds;
e. een rekening van baten en lasten met specificatie van de posten;
f. de dekkingsgraad, de beleidsdekkingsgraad en de reële dekkingsgraad;
g. toetsing van het eigen vermogen:
1°. aanwezig eigen vermogen;
2°. de dekkingspositie;
3°. bij gebruik van het standaard model; en
4°. bij gebruik van een intern model;
h. actuariële staten:
1°. technische voorzieningen voor risico fonds;
2°. premiespecificatie garantiecontract;
3°. actuarieel verslag; en
4°. een analyse van het saldo van baten en lasten;
i. het deelnemersbestand inzake:
1°. de leeftijdsopbouw en de technische voorzieningen; en
2°. de geografische spreiding van deelnemers en premies;
j. de door het fonds uitgevoerde pensioenregeling met betrekking tot:
1°. de kenmerken van de pensioenregeling; en
2°. het aantal deelnemers;
k. specificatie van premiegegevens, tenzij sprake is van een gesloten fonds;
l. verzekering, met betrekking tot:
1°. garantiecontracten;
2°. risicoverzekering; en
3°. kapitaalcontracten.
m. verplichtingen van het fonds voor risico van de deelnemers;
n. informatie over een herstelplan;
o. informatie over de haalbaarheidstoets;
p. informatie over toeslagverlening;
q. informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten;
r. uitvoering van een VUT-regeling;
s. uitvoering van een inkoopregeling als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004;
t. een besluit tot wijziging van een pensioenregeling in de verslagperiode met betrekking tot de kenmerken van de pensioenregeling.
2.
Het fonds verstrekt in geval van wijzigingen tevens informatie over:
a. de door het fonds uitgevoerde pensioenregeling of pensioenregelingen;
b. de gevolgen van deze wijziging voor de toeslagverlening; en
c. de kenmerken van de pensioenregeling.
Artikel 32. Uitwerking informatieverstrekking door fondsen
De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van hoofdstuk 7 van de Pensioenwet en hoofdstuk 6 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) Nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243), regels met betrekking tot de te verstrekken gegevens, bedoeld in artikel 30. Deze omvatten uitsluitend:
a. de modellen waarin de gegevens worden verstrekt;
b. de reikwijdte en de mate van detaillering van de te verstrekken gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de in artikel 30 geduide gegevens;
c. de waardering van de posten;
d. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
e. de afronding;
f. de termijn waarbinnen de gegevens worden verstrekt; deze is niet korter dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling ; en
g. de frequentie waarmee de gegevens worden verstrekt; deze bedraagt minimaal één maal en maximaal twaalf maal per jaar.
1.
Het fonds, de verzekeraar en de premiepensioeninstelling verstrekken de gegevens, bedoeld in de artikelen 30 en 31, langs elektronische weg aan De Nederlandsche Bank.
2.
De accountant zendt een schriftelijke controleverklaring aan De Nederlandsche Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de gegevens waaromtrent de accountant een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 147, vijfde lid, van de Pensioenwet of artikel 142, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling heeft afgegeven en ten bewijze waarvan de staten door hem zijn gewaarmerkt.
3.
De actuaris zendt een schriftelijke controleverklaring aan De Nederlandsche Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de door hem gewaarmerkte actuariële staten, waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van de actuaris als bedoeld in artikel 147, derde lid, onderdeel h, en vierde lid, van de Pensioenwet of artikel 142, derde lid, onderdeel h, en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
4.
Het bestuur van het fonds zendt een schriftelijke controleverklaring aan De Nederlandsche Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de staten, bedoeld in artikel 147 van de Pensioenwet of artikel 142 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
5.
De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de schriftelijke controleverklaring, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid.
6.
De Nederlandsche Bank kan, in afwijking van het eerste lid, op verzoek besluiten dat de verstrekking niet langs elektronische weg behoeft te geschieden, mits de verstrekking van de gevraagde gegevens wat betreft indeling en inhoud niet afwijkt van hetgeen langs elektronische weg zou worden verstrekt.
1.
De Nederlandsche Bank verstrekt de in artikel 203 van de Pensioenwet of artikel 197 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bedoelde gegevens op verzoek aan:
a. de Sociaal Economische Raad;
b. de Stichting van de Arbeid; en
c. het Centraal Planbureau.
2.
De Nederlandsche Bank kan de in artikel 203 van de Pensioenwet of artikel 197 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bedoelde gegevens verstrekken aan:
a. de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen;
b. de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen;
c. het Verbond van Verzekeraars; en
d. de Unie van Beroepspensioenfondsen;
voor zover het gegevens betreft van de bij de betreffende organisatie aangesloten pensioenuitvoerders en die pensioenuitvoerders daarmee hebben ingestemd.
3.
De Nederlandsche Bank kan de in het eerste lid bedoelde gegevens verstrekken aan derden.
4.
Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 36. Eenmalige aanpassing beleggingsbeleid
Een fonds dat op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, en artikel II, onderdeel N, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader gezien de beleidsdekkingsgraad niet beschikt over het vereist eigen vermogen, kan eenmalig het strategisch beleggingsbeleid aanpassen in afwijking van artikel 16, vierde en vijfde lid, mits ten tijde van de aanpassing gezien de beleidsdekkingsgraad ten minste wordt beschikt over het minimaal vereist eigen vermogen.
1.
In afwijking van artikel 22, tweede lid, voert een fonds binnen negen maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel U, en artikel II, onderdeel S, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader een aanvangshaalbaarheidstoets als bedoeld in artikel 22, eerste lid, uit.
2.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016.
Artikel 37. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Artikel 38. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december 2006
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Uitgegeven de achtentwintigste december 2006
De Minister van Justitie
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Definities
+ Paragraaf 1a. Risicohouding
+ Paragraaf 2. Technische voorzieningen
+ Paragraaf 3. Kostendekkende premie
+ Paragraaf 4. Eigen vermogen
+ Paragraaf 4a. Beleidsdekkingsgraad
+ Paragraaf 5. Beleggingen en leningen
+ Paragraaf 6. Voorwaardelijke toeslagverlening
+ Paragraaf 7. Herstelplannen
+ Paragraaf 8. Beheerste en integere bedrijfsvoering
+ Paragraaf 8a. Parameters
+ Paragraaf 9. Actuariële en bedrijfstechnische nota
+ Paragraaf 10. Informatieuitwisseling met De Nederlandsche Bank
+ Paragraaf 11. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken