Besluit van 15 december 2005, houdende uitvoering van financiële bepalingen van de Wet bodembescherming ter zake van sanering van de bodem (Besluit financiële bepalingen bodemsanering)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 januari 2005, nr. MJZ2004133913, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 39f, tweede lid, 55b, derde lid, 76a, tweede en derde lid, 76b, 76c, eerste lid, 76d, 76e, 76g, tweede lid, 76j, eerste en tweede lid, 76n, tweede lid, 86b, 87a, derde lid, en 87b, tweede lid, van de Wet bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 2005, nr. W08.05.0006/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 december 2005, nr. DJZ 2005210938, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
wet: Wet bodembescherming ;
budgethouder: gedeputeerde staten en daarmee op grond van artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen;
subsidiabele saneringskosten: de werkelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van de sanering, overeenkomstig het saneringsplan, die voor subsidie in aanmerking komen;
werkvoorraad landbodems: vastgestelde kosten van onderzoek en sanering van verontreinigde landbodems;
werkvoorraad landbodems landelijk gebied: vastgestelde kosten van onderzoek en sanering van verontreinigde landbodems in het landelijk gebied;
apparaatskosten: kosten van personeel, informatievoorziening, organisatie, financieel beheer en automatisering verbonden aan de uitvoering van de taken van de wet ;
bedrijfsterrein: bedrijfsterrein als bedoeld in artikel 55a van de wet.
1.
Het aan de budgethouder bekend te maken indicatieve budget wordt gevormd door het totaal van de volgende onderdelen van het landelijk op grond van artikel 76 en 76n van de wet uit te keren bodemsaneringsbudget:
a. de op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit bestaande toezeggingen aan de budgethouder;
b. het door Onze Minister te berekenen bedrag dat gelijk is aan 30% van de bijdrage die ten behoeve van bodemsanering op grond van de wet is verleend aan de budgethouder voor de budgetperiode 2002 tot en met 2004;
c. een door Onze Minister voor de budgethouder gereserveerd bedrag bestemd voor onderzoek en sanering van gasfabrieken;
d. het op grond van een ministeriële regeling te bepalen budget ter tegemoetkoming in de kosten van het onderzoek van onderzoeksgevallen en van het saneringsonderzoek en de sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van regionale waterbodems zoals bedoeld in artikel 76n van de wet;
e. het op grond van een ministeriële regeling te bepalen bedrag voor de budgethouders, gebaseerd op het relatieve aandeel van de budgethouder in de werkvoorraad landbodems landelijk gebied.
2.
Voor de verlening van het budget bedoeld in artikel 76a, derde lid, van de wet, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. De artikelen 4, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 5 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Voor gemeenten, genoemd in het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming , komen apparaatskosten verbonden aan de uitvoering van de wet voor een vergoeding in aanmerking op grond van artikel 76b van de wet. Deze vergoeding bestaat uit een door Onze Minister te bepalen bedrag per formatieplaats vermenigvuldigd met:
a. een door Onze Minister te bepalen aantal vaste formatieplaatsen;
b. het relatieve aandeel van de gemeente in de werkvoorraad landbodems vermenigvuldigd met het door Onze Minister te bepalen aantal formatieplaatsen voor variabele taken.
2.
Andere niet-projectgebonden kosten dan apparaatskosten als bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking voor vergoeding op grond van bij ministeriële regeling vast te stellen regels.
1.
De aanvraag tot verlening van het budget, bedoeld in artikel 76c van de wet, wordt, vergezeld van het in dat artikel bedoelde programma dat is vastgesteld door de budgethouder, voor 15 november voorafgaand aan de budgetperiode ingediend bij Onze Minister.
2.
In het programma worden aan de orde gesteld:
a. de doorloop van prestaties uit eerdere budgetperioden,
b. de terugloop van de werkvoorraad landbodems,
c. de regionale waterbodems,
d. andere bij ministeriële regeling te benoemen onderwerpen.
3.
In het programma wordt aan de hand van bij ministeriële regeling aan te geven toetsbare grootheden inzicht gegeven in de doelstellingen die met het te verlenen budget zullen worden gerealiseerd in deze periode, alsmede de werkzaamheden met betrekking tot waterbodems. Tevens wordt aangegeven wat hierbij het aandeel is van onderzoek en saneringen op initiatief van anderen dan de budgethouder.
4.
In het programma wordt een financiële paragraaf opgenomen, waarin inzicht wordt geboden in de mate waarin het indicatieve budget, de eigen middelen van de budgethouder en de inzet van anderen dan de budgethouder, bijdragen aan het realiseren van de in het programma opgenomen doelstellingen en prestaties. Tevens beschrijft de budgethouder de te nemen maatregelen om bijdragen van derden in de financiering van het programma te bewerkstelligen.
5.
Bij ministeriële regeling wordt het model van het programma vastgesteld en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.
Artikel 5
Onze Minister verleent het budget voor zover het programma, bedoeld in artikel 76c van de wet, voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 en de in het programma weergegeven doelstellingen voldoende invulling geven aan de onderwerpen genoemd in artikel 4, tweede lid.
Artikel 6
Afwijkingen van het programma, bedoeld in artikel 76c van de wet, en de voortgang van de uitvoering daarvan worden door de budgethouder elk jaar voor 1 mei in het kader van de toepassing van artikel 87b van de wet gemeld.
1.
De aanvraag tot vaststelling van het budget, bedoeld in artikel 76g van de wet, wordt voor 15 juli van het jaar na afloop van de budgetperiode bij Onze Minister ingediend.
2.
Verantwoordingsinformatie over de besteding van het verleende budget wordt verstrekt op de wijze bedoeld in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001. In de bijlage bij de jaarrekening, bedoeld in artikel 58a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, wordt na afloop van de budgetperiode een vergelijking opgenomen waarin de doelstellingen uit het in artikel 76c van de wet genoemde programma en de aan het budget verbonden verplichtingen worden vergeleken met de bereikte resultaten en de verschillen worden toegelicht.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de aanvraag en de bij te voegen stukken.
1.
Het bedrag, bedoeld in artikel 76o, eerste lid, onder a, van de wet, bedraagt € 0,45.
2.
Als maximum, bedoeld in artikel 76o, tweede lid, van de wet, geldt een bedrag van € 226 890,11.
3.
Het eerste en tweede lid werken terug tot en met 1 januari 2006.
Artikel 8
Waar in dit hoofdstuk en volgende hoofdstukken wordt gesproken over gedeputeerde staten wordt daaronder mede verstaan de daarmee op grond van artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen.
Artikel 9
Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan de eigenaar of indien op het bedrijfsterrein een recht van erfpacht rust de erfpachter van een bedrijfsterrein voor het saneren van een geval van ernstige verontreiniging van een bedrijfsterrein met inachtneming van de navolgende artikelen.
Artikel 10
Indien een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 9 op verschillende momenten wordt gesaneerd in afzonderlijke delen, die zich onderscheiden doordat de verontreiniging daarbinnen door aanwijsbaar te onderscheiden oorzaken is ontstaan, kan Onze Minister voor ieder deel afzonderlijk subsidie verstrekken.
1.
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. door Onze Minister is vastgesteld dat, en voor welk deel, de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein voor 1 januari 1975, is veroorzaakt;
b. de eigendom onderscheidenlijk de erfpacht voor 1 januari 1995 is verworven;
c. de aanmelding, bedoeld in artikel 12, plaatsvindt voor 1  januari 2008, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat door bijzondere omstandigheden aanmelding voor die datum niet mogelijk was;
d. de sanering wordt uitgevoerd in overeenstemming met de wet ;
e. in de beschikking bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, is vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging dat spoedig dient te worden gesaneerd, dan wel de noodzaak tot sanering is ontstaan naar aanleiding van voorgenomen activiteiten op het desbetreffende bedrijfsterrein, en
f. er op grond van artikel 75, eerste, derde en zesde lid van de wet door de Staat geen kosten verhaald zullen worden op de aanvrager van de subsidie.
2.
Indien het bedrag van de subsidie hoger zal zijn dan het bedrag van de kosten die verhaald zullen worden, geldt de voorwaarde in het eerste lid, onder f, niet voor dat deel van de subsidie dat het kostenverhaal te boven gaat.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het bepalen van de ouderdom van de bodemverontreiniging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
4.
De subsidie voor het saneren van een bedrijfsterrein kan, onder de voorwaarden genoemd in het eerste lid, met uitzondering van het eerste lid, onder b, worden verleend aan de opvolgend eigenaar respectievelijk erfpachter van een bedrijfsterrein indien:
a. de gegevens bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid van eerdere overdrachten, worden verstrekt, en
b. eigendom of erfpacht van een bedrijfsterrein wordt overgedragen na een aanmelding, op grond van artikel 12.
1.
De aanvraag tot subsidieverlening, gedaan op of na 1 januari 2008, wordt voor dat tijdstip aangemeld bij Onze Minister waarbij de volgende gegevens worden overgelegd:
a. naam en adresgegevens van de eigenaar respectievelijk de erfpachter;
b. kadastrale gegevens van het desbetreffende perceel;
c. de resultaten van bodemonderzoek op tenminste het niveau van een verkennend onderzoek als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen, dan wel, indien reeds nader onderzoek is verricht, de resultaten van dat onderzoek met betrekking tot het geval van ernstige verontreiniging dat zich op het betreffende perceel bevindt.
2.
Aan de aanmelder wordt onverwijld een bericht van ontvangst gezonden, waarin de datum van ontvangst van de aanmelding wordt vermeld.
1.
De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de wet, met daarbij de resultaten van een nader onderzoek indien deze niet bij de aanmelding, bedoeld in artikel 12 zijn overgelegd, dan wel een melding op grond van artikel 39b van de wet,
b. een gewaarmerkte kopie van de koopovereenkomst en een kopie van de akte van eigendomsoverdracht van het bedrijfsterrein en, indien van toepassing, een kopie van de akte tot vestiging van het erfpachtrecht en van de akte tot overdracht van het erfpachtrecht, en
c. bij wijziging van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 12, eerste lid, onder a, een actualisering van deze gegevens;
d. een begroting van de saneringskosten.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot gegevens die bij de aanvraag tot subsidieverlening worden verstrekt.
3.
De aanvrager ontvangt onverwijld een bericht van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening, waarin de datum van ontvangst van de aanvraag wordt vermeld.
1.
Onze Minister neemt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening een beslissing op de aanvraag, waarbij het percentage van de subsidie wordt bepaald met inachtneming van de artikelen 17 tot en met 19, onder vermelding van een maximumbedrag.
2.
Onze Minister kan de termijn als bedoeld in eerste lid met ten hoogste dertien weken verlengen.
3.
Voorafgaand aan de verlenging wordt daarvan schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 15
Onze Minister weigert de subsidie indien:
a. reeds eerder subsidie op grond van dit besluit is vastgesteld voor een sanering van hetzelfde geval van verontreiniging of, op grond van artikel 10, voor hetzelfde afzonderlijke gedeelte van het geval van verontreiniging;
b. uit andere hoofde een overheidsbijdrage voor de bodemsaneringsactiviteiten is of zal worden verstrekt;
c. op het moment van de beslissing omtrent verlening reeds een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de sanering waarvoor subsidie is aangevraagd.
1.
Aan de verleningsbeschikking worden de volgende verplichtingen verbonden:
a. de sanering heeft niet tot gevolg dat de bodem geschikt wordt gemaakt voor gevoeliger gebruik dan gebruik als bedrijfsterrein en
b. het bedrijfsterrein wordt niet binnen vijf jaar nadat gedeputeerde staten hebben ingestemd met het verslag, bedoeld in artikel 39c van de wet, ten behoeve van gevoeliger gebruik dan gebruik als bedrijfsterrein benut of vervreemd.
2.
Indien zich binnen vijf jaar na subsidievaststelling een situatie voordoet als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, meldt de eigenaar of erfpachter die onverwijld aan Onze Minister.
1.
De hoogte van de subsidie is bij directe of indirecte betrokkenheid, als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b van de wet, van de eigenaar of de erfpachter bij de veroorzaking van de verontreiniging dan wel in het geval van een duurzame rechtsbetrekking tussen de eigenaar of de erfpachter enerzijds en de veroorzaker van de verontreiniging anderzijds
a. 30 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1983 of
b. 15 % van de subsidiabele saneringskosten indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1983 en voor 1 januari 1995.
2.
De hoogte van de subsidie bedraagt bij het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde betrokkenheid of duurzame rechtsbetrekking:
a. 60 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1983;
b. 30 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1983 en voor 1 januari 1987;
c. 15% van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1987 en voor 1 januari 1995.
3.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, bedraagt de subsidie 30% indien de eigenaar of de erfpachter blijkens de verwervingsdocumenten op de hoogte was van de verontreiniging.
4.
In afwijking van het tweede lid, onder b en c, wordt indien de eigenaar of de erfpachter, blijkens de verwervingsdocumenten in verband met de sanering van een bodemverontreiniging een bedrag in mindering heeft gebracht op de koopprijs van het bedrijfsterrein, dat bedrag in mindering gebracht op de subsidiabele saneringskosten.
5.
De hoogte van de subsidie wordt berekend naar evenredigheid van het door Onze Minister op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 11, derde lid, vastgestelde deel van de verontreiniging dat is ontstaan voor 1 januari 1975.
6.
In het geval van een subsidieverlening als bedoeld in artikel 11, vierde lid, is de hoogte van het subsidiepercentage ingevolge dit artikel, gelijk aan de hoogte van het subsidiepercentage dat aan de eigenaar of erfpachter zou zijn verleend als geen overdracht zou hebben plaatsgevonden.
Artikel 18
Onder verwerving als bedoeld in artikel 17 wordt niet verstaan:
a. de omzetting van de rechtsvorm van de onderneming als bedoeld in artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting door de eigenaar dan wel de erfpachter van het bedrijfsterrein van de onderneming;
b. de overdracht van de onderneming binnen het familieverband van de eigenaar tot de tweede graad in de rechte lijn;
c. de verwerving binnen een opvolging onder algemene titel.
1.
Het in artikel 17 genoemde subsidiepercentage wordt met 10 verhoogd, indien de eigenaar respectievelijk de erfpachter een onderneming is en voldaan wordt aan de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen overeenkomstig de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEG L124), dan wel daarvoor in de plaats tredende regelgeving.
2.
Het in artikel 17 genoemde subsidiepercentage wordt met 10 verhoogd, indien de eigenaar of de erfpachter onderneming noch overheid is.
3.
Het maximumbedrag van de door Onze Minister te verlenen subsidie wordt bepaald door de uitkomst van de subsidiabele saneringskosten van de gekozen saneringsvariant tegen het van toepassing zijnde subsidiepercentage te vermenigvuldigen met 1,15.
4.
Indien met de gekozen saneringsvariant niet de beoogde effecten worden bereikt, kan Onze Minister, zolang de subsidie niet is vastgesteld, op verzoek van de aanvrager in een herziene beslissing op de aanvraag het maximumbedrag als bedoeld in het derde lid verhogen, waarbij het derde lid in acht wordt genomen.
Artikel 20
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend en de verplichtingen voor de subsidie-ontvanger.
1.
De aanvraag tot subsidievaststelling wordt bij Onze Minister ingediend gelijktijdig met de indiening van het verslag, bedoeld in artikel 39c van de wet, of uiterlijk dertien weken daarna.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de saneringskosten op grond waarvan subsidie is verleend.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die bij de aanvraag bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.
4.
Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet , dit besluit en de daarop berustende regelgeving.
1.
Onze Minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling op de aanvraag, in elk geval nadat is beslist op het verslag, bedoeld in artikel 39c van de wet.
2.
Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste dertien weken verlengen. Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
1.
Indien de uitvoering van de sanering van het bedrijfsterrein overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de wet, in fasen geschiedt of ingevolge artikel 39, eerste lid, onderdeel h, van de wet, tijdstippen zijn bepaald waarop tussentijds wordt gerapporteerd aan gedeputeerde staten, kan de aanvraag om vaststelling bedoeld in artikel 21, eerste lid, eerder worden ingediend, na voltooiing van een aantal fasen van de sanering, of, indien tussentijds over de voortgang wordt gerapporteerd en daaruit blijkt dat de tussentijdse effecten zijn bereikt.
2.
Indien de aanvraag om subsidievaststelling op grond van het eerste lid is ingediend, wordt de hoogte van de subsidie berekend over de subsidiabele saneringskosten die zijn gemoeid met de uitvoering van de sanering voor zover deze is voltooid.
1.
Op aanvraag van de subsidie-ontvanger kan Onze Minister ten hoogste eenmaal een voorschot verlenen, indien de aanvrager financiële zekerheid heeft gesteld voor het nog te voltooien gedeelte van de sanering.
2.
De hoogte van het voorschot wordt berekend naar rato van het gedeelte van de subsidiabele saneringskosten die zijn gemoeid met de uitvoering van de sanering voor zover deze is voltooid.
Artikel 25
Het subsidiebedrag wordt betaald binnen acht weken nadat de beschikking tot subsidievaststelling op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
1.
De bestuursorganen aan wie Onze Minister de uitvoering van bepalingen van dit besluit krachtens artikel 76j, vierde lid, van de wet heeft gedelegeerd, melden een aanvraag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, voorafgaand aan de beslissing omtrent verlening van de subsidie bij Onze Minister.
2.
De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat:
a. een concept van de beschikking tot subsidieverlening op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, die een bestuursorgaan als bedoeld in het eerste lid, voornemens is af te geven;
b. de bij ministeriële regeling voorgeschreven gegevens.
1.
De bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, dienen jaarlijks een aanvraag in tot verstrekking van een bijdrage ter vergoeding van subsidie en betaling van voorschotten aan derden ten behoeve van de sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e.
2.
De aanvraag om een bijdrage, bedoeld in het eerste lid:
a. wordt schriftelijk uiterlijk 31 maart na het kalenderjaar waarover de bijdrage wordt gevraagd, ingediend bij Onze Minister, en
b. bevat de bij ministeriële regeling voorgeschreven gegevens en de gegevens, bedoeld in artikel 28 alsmede de verklaring bedoeld in artikel 29, eerste lid.
3.
Onze Minister stelt de bijdrage aan de bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, vast indien de aanvraag voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid.
4.
De bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, kunnen schriftelijk een gemotiveerde aanvraag voor een voorschot op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, indienen. Deze aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden gesteld in het tweede lid, onder b, en kan worden ingediend indien en voor zover bedoelde bestuursorganen voorzien dat er onvoldoende financiële middelen op grond van de uitvoering van de wet zijn om de subsidie aan derden, ten behoeve van sanering van gevallen genoemd in het eerste lid, tijdig te kunnen uitbetalen.
Artikel 28
Van de besteding van de bijdrage bedoeld in artikel 27, eerste lid, wordt een bestedingsverantwoording opgesteld overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen regels.
1.
De bestedingsverantwoording bedoeld in artikel 28, gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt opgesteld met inachtneming van de bij ministeriële regeling gestelde regels.
Artikel 30
Onze Minister kan coördinerende rechtspersonen aanwijzen, die belast zijn met de uitvoering en coördinatie van de bodemsaneringactiviteiten met betrekking tot bedrijfsterreinen van bij de rechtspersoon aangesloten eigenaren of erfpachters van die bedrijfsterreinen. Van de aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
1.
Onze Minister kan op aanvraag een projectsubsidie verstrekken aan de coördinerende rechtspersoon, voor het collectief saneren van een aantal gevallen van ernstige verontreiniging van bedrijfsterreinen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen ter zake van de bevoegdheid in het eerste lid nadere regels worden gesteld.
1.
De aanvraag tot verlening van een projectsubsidie wordt uiterlijk dertien weken voor de aanvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, ingediend bij Onze Minister.
2.
De aanvraag tot verlening van een projectsubsidie omvat:
a. een omschrijving van de activiteiten en de daarmee beoogde doelstellingen,
b. een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven.
1.
De ontvanger van een projectsubsidie voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
2.
Deze administratie wordt gedurende zeven jaren bewaard.
1.
Binnen dertien weken na afloop van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend dient de subsidie-ontvanger een aanvraag tot vaststelling van de projectsubsidie in.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de saneringskosten op grond waarvan subsidie is verleend.
3.
Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet , dit besluit en de daarop berustende regelgeving.
4.
Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot vaststelling van de projectsubsidie.
Artikel 35
Onze Minister kan per boekjaar subsidie verstrekken aan de coördinerende rechtspersoon, bedoeld in artikel 30 ten behoeve van de exploitatielasten van diens bureau. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
1.
Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 35.
2.
Onze Minister kan de termijn bedoeld in het eerste lid met ten hoogste dertien weken verlengen.Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
1.
Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 35.
2.
Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, voor ten hoogste dertien weken verlengen. Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
3.
De aanvraag tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 35, gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de exploitatiekosten op grond waarvan subsidie is verleend.
4.
Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet , dit besluit en de daarop berustende regelgeving.
Artikel 37a
Onze Minister weigert de subsidie voor het deel waarvoor:
a. reeds eerder subsidie op grond van dit besluit is vastgesteld voor een sanering van hetzelfde geval van verontreiniging of, op grond van artikel 10, voor hetzelfde afzonderlijke gedeelte van het geval van verontreiniging;
b. uit andere hoofde een overheidsbijdrage voor de bodemsaneringsactiviteiten is of zal worden verstrekt;
c. op het moment van de beslissing omtrent verlening reeds een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de sanering waarvoor subsidie is aangevraagd.
1.
Financiële zekerheid als bedoeld in artikel 55b, derde lid van de wet, wordt door de opvolgende eigenaar of erfpachter ten behoeve van gedeputeerde staten gesteld door middel van:
a. een bankgarantie, of
b. een hypotheek- of een pandrecht of,
c. het treffen van een andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van gedeputeerde staten gelijkwaardig is aan de financiële zekerheid, genoemd in de onderdelen a en b.
2.
De financiële zekerheid wordt in stand gehouden totdat gedeputeerde staten hebben ingestemd met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39 van de wet.
3.
Bij het niet nakomen van de verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld nemen gedeputeerde staten verhaal op de gestelde zekerheid.
4.
Gedeputeerde staten kunnen het te verhalen bedrag, bedoeld in het derde lid, invorderen bij dwangbevel.
1.
Gedeputeerde staten kunnen financiële zekerheid laten stellen in een geval als bedoeld in artikel 39f van de wet, indien de saneringskosten van het te saneren geval, dan wel de kosten van nazorg na de sanering, voor meer dan 50% na een periode van tenminste vijf jaar zullen worden gerealiseerd.
2.
Indien gedeputeerde staten de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid opleggen, kunnen zij bepalen op welke wijze aan die verplichting uitvoering wordt gegeven. Daarbij kunnen de volgende vormen worden opgelegd:
a. een borgtocht of een bankgarantie
b. een hypotheek- of een pandrecht,
c. het deelnemen aan een fonds dat naar het oordeel van gedeputeerde staten voldoende waarborg biedt dat de desbetreffende kosten zijn gedekt, of
d. het treffen van een andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van gedeputeerde staten gelijkwaardig is aan de financiële zekerheid, genoemd in a tot en met c.
3.
Bij het niet nakomen van de verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld nemen gedeputeerde staten verhaal op de gestelde zekerheid.
4.
Gedeputeerde staten kunnen het te verhalen bedrag, bedoeld in het derde lid, invorderen bij dwangbevel.
5.
De verplichting financiële zekerheid in stand te houden vervalt:
a. Met betrekking tot de uitvoering van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, eerste lid: wanneer gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 39c, derde lid, hebben ingestemd met het daarin bedoelde verslag;
b. Wanneer gedeputeerde staten aan degene aan wie de verplichting was opgelegd te kennen hebben gegeven dat naar hun oordeel financiële zekerheid niet langer vereist is.
6.
Gedeputeerde staten bepalen de hoogte van het bedrag waarvoor financiële zekerheid wordt gesteld op basis van de te verwachten kosten van sanering of nazorg na een periode van 5 jaar. Het bedrag kan op verzoek van degene die de zekerheid heeft gesteld tussentijds worden bijgesteld indien een deel van de maatregelen waarvoor zekerheid is gesteld, is uitgevoerd.
1.
Het bepaalde in het tweede tot en met vierde lid is van toepassing op een sanering, voor zover de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein voor 1 januari 1975 is veroorzaakt, dan wel voor zover de verontreiniging op of na 1 januari 1975 is veroorzaakt en de eigenaar of erfpachter van het bedrijfsterrein niet op grond van artikel 75, eerste lid, van de wet aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.
2.
Indien naar het oordeel van Onze Minister de levensvatbaarheid van een bedrijf als gevolg van de handhaving van de verplichting tot sanering zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf onzeker is, neemt Onze Minister op verzoek van de eigenaar of erfpachter de uitvoering van de sanering op zich.
3.
De eigenaar of erfpachter vergoedt in het geval, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister een naar draagkracht te bepalen bedrag waarvan de hoogte wordt bepaald volgens de bijlage bij dit besluit.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wederzijdse bevoegdheden en verplichtingen van eigenaar of erfpachter en Onze Minister bij de uitvoering van de sanering in het in het tweede lid bedoelde geval.
1.
Voor zover de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein op of na 1 januari 1975 is veroorzaakt en de eigenaar of erfpachter van het bedrijfsterrein op grond van artikel 75, eerste lid, van de wet aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan, is artikel 40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing indien voldaan wordt aan de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van artikel 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L10),dan wel daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving. Daarbij wordt afgeweken van de bijlage behorende bij artikel 40 van dit besluit voor zover de regels gesteld bij of krachtens de genoemde verordening of de daarvoor in de plaats tredende regelgeving daartoe verplichten.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid. Artikel 40, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister kan aan een organisatie zonder winstoogmerk per boekjaar subsidie verstrekken voor bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van onderzoek en sanering.
Artikel 42
Indien op grond van artikel 86b van de wet, het bedrag dat uit ’s Rijks kas beschikbaar is, wordt verhoogd of anderszins budgettaire ruimte ontstaat en Onze Minister het budget verhoogt, kan Onze Minister andere criteria dan de in artikel 4, tweede lid genoemde, laten gelden. Voorafgaand aan de verhoging van het budget wordt door de budgethouder een aanvulling van het programma, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, van de wet ingediend. De artikelen 3, 4, tweede tot en met vijfde lid, 5 en 7 zijn van toepassing.
Artikel 43
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens bedoeld in artikel 87a, tweede lid, van de wet en de wijze waarop het verslag bedoeld in 87b van de wet wordt gedaan en de gegevens die daarbij worden verstrekt.
Artikel 44
Een aanvraag om subsidieverlening, ingediend op een tijdstip gelegen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, wordt afgehandeld overeenkomstig de op dat tijdstip geldende regelgeving.
Artikel 45
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bepalingen bodemsanering.
1.
Indien het bij koninklijke boodschap van 11 maart 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bodembescherming en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het beleid inzake bodemsaneringen (29 462) tot wet wordt verheven, treedt die wet in werking met ingang van 1 januari 2006. Indien het Staatsblad waarin die wet of dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2005, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
2.
Indien het bij koninklijke boodschap van 11 maart 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bodembescherming en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het beleid inzake bodemsaneringen (29 462) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking, met uitzondering van artikel 40 en de daarbij behorende bijlage , die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De artikelen 2, 3, 4, 5, 41 en 43 werken terug tot en met 1 januari 2005.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 15 december 2005
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2005
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemeen
+ Hoofdstuk 2. Verstrekken van budget aan overheden
+ Hoofdstuk 3. Verstrekken subsidies aan derden
+ Hoofdstuk 4. Verdeling van de rijksbijdrage
+ Hoofdstuk 5. Collectieve saneringen
+ Hoofdstuk 6. Financiële zekerheid
+ Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht