Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit financiële bijsluiter

Uitgebreide informatie
Besluit van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot het door financiële ondernemingen ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter bij complexe producten (Besluit financiële bijsluiter)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 juni 2001, no. FM 2001-888-M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Marktgedrag;
Gelet op artikel 26, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet, artikel 12, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, artikel 85a, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, artikel 25, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en artikel 51, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 30 juli 2001, no. W06.01.0266/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 13 december 2001, no. FM 2001-2080-M;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. financiële onderneming:
1°. een kredietgever, een leverancier of een kredietbemiddelaar als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet;
2°. een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen;
5°. een kredietinstelling of een financiële instelling als bedoeld in artikel 85a, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b. afnemer: een afnemer of een potentiële afnemer van een door een financiële onderneming verstrekte of aangeboden financiële dienst of financieel product, voorzover die geacht kan worden niet te handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
c. complex product: een financiële dienst of een financieel product, opgebouwd uit componenten die behoren tot verschillende soorten financiële diensten of financiële producten en waarvan de waarde van ten minste een der componenten afhankelijk is van de ontwikkeling op financiële markten of andere markten;
d. financiële bijsluiter: een door een financiële onderneming aan een afnemer ter beschikking te stellen document waarin met betrekking tot een complex product informatie wordt gegeven over de essentiële kenmerken van het desbetreffende product;
e. toezichthoudende autoriteit: Onze Minister of een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, artikel 40, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, artikel 25, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en artikel 51, vierde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, taken en bevoegdheden zijn overgedragen voor zover het die taken en bevoegdheden betreft, dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge de artikelen 14, derde lid, en 85a, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 taken en bevoegdheden zijn overgedragen voor zover het die taken en bevoegdheden betreft, alsmede de taken en bevoegdheden inzake het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde ingevolge artikel 26 van de Wet op het Consumentenkrediet.
1.
Een financiële onderneming draagt er zorg voor dat voor complexe producten die zij aanbiedt een actuele financiële bijsluiter beschikbaar is en dat deze aan een afnemer voor of bij het sluiten van een overeenkomst inzake een complex product, kosteloos ter beschikking wordt gesteld.
2.
De toezichthoudende autoriteit stelt regels omtrent de wijze waarop een financiële bijsluiter ter beschikking wordt gesteld en wordt gehouden.
3.
De toezichthoudende autoriteit kan met betrekking tot door haar aan te wijzen complexe producten geheel of gedeeltelijk vrijstelling of ontheffing verlenen van het eerste lid of van de op grond van het tweede lid vastgestelde regels, indien de in het eerste lid genoemde verplichtingen of de op grond van het tweede lid vastgestelde regels de handel in het betreffende complexe product onevenredig zou belemmeren of de belangen die met de financiële bijsluiter worden beoogd te beschermen anderszins voldoende worden gewaarborgd. Aan een vrijstelling en een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. Van een op grond van dit lid verleende vrijstelling of ontheffing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
4.
Indien de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft op het tijdstip van het ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter, draagt een financiële onderneming er zorg voor dat een afnemer voor of bij het sluiten van een overeenkomst inzake een complex product, er van in kennis wordt gesteld dat hem desgevraagd, onverwijld en kosteloos een financiële bijsluiter ter beschikking wordt gesteld. In ieder geval wordt aan de afnemer in een dergelijk geval binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst kosteloos een financiële bijsluiter ter beschikking gesteld.
5.
De toezichthoudende autoriteit kan een andere financiële dienst of financieel product dan bedoeld in artikel 1, onderdeel c, eveneens aanwijzen als een complex product, indien dit ten behoeve van de vergelijkbaarheid van complexe producten met deze financiële dienst of financieel product in verband met de goede informatieverstrekking aan afnemers wenselijk is. Van deze aanwijzing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
6.
Op de financiële dienst of het financiële product dat ingevolge het vijfde lid is aangewezen is het eerste lid van toepassing met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin van deze aanwijzing mededeling wordt gedaan.
7.
Dit artikel is niet van toepassing op het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling terzake waarvan wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
1.
In de financiële bijsluiter worden, onverminderd het derde lid, in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen, uitsluitend de volgende onderwerpen behandeld:
a. de vermelding dat het een financiële bijsluiter betreft, welk product het betreft en de naam en het adres van de financiële onderneming;
b. informatie over de doelstellingen van de financiële bijsluiter en over het toezicht op de financiële onderneming;
c. de aard en het doel van het product;
d. informatie over de met het product samenhangende financiële risico's;
e. de verplichtingen voor de afnemer;
f. informatie over het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten;
g. de mogelijkheid of onmogelijkheid voor de afnemer om de overeenkomst binnen een korte periode na het sluiten van de overeenkomst of anderszins tussentijds op te zeggen, de daaraan verbonden kosten en de overige gevolgen;
h. fiscale aspecten van het product;
i. de op de overeenkomst van toepassing zijnde klachtenregeling of klachtenregelingen;
j. de op de overeenkomst van toepassing zijnde garantieregeling of garantieregelingen.
2.
De toezichthoudende autoriteit stelt regels inzake de informatie die in ieder van de in het eerste lid bedoelde onderdelen van de financiële bijsluiter wordt opgenomen en inzake de wijze waarop die informatie wordt vermeld.
3.
De toezichthoudende autoriteit kan, in het belang van een goede informatieverstrekking aan afnemers, regels stellen inzake de informatie die naast de in het eerste lid genoemde informatie in de financiële bijsluiter wordt opgenomen en inzake de wijze waarop die informatie wordt vermeld.
4.
De in het tweede en derde lid bedoelde regels kunnen voor verschillende complexe producten verschillend luiden.
1.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, worden in de financiële bijsluiter die betrekking heeft op een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, of artikel 17c, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen, uitsluitend de volgende onderwerpen behandeld:
a. de vermelding dat het een financiële bijsluiter betreft, welke beleggingsinstelling het betreft en een korte omschrijving van de beleggingsinstelling;
b. de doelstellingen van de financiële bijsluiter en het toezicht op de financiële onderneming;
c. de aard en het doel van de beleggingsinstelling;
d. de met de beleggingsinstelling samenhangende financiële risico’s;
e. de verplichtingen voor de afnemer;
f. indien beschikbaar: informatie over het historisch rendement en de voor de afnemer aan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling verbonden kosten;
g. de mogelijkheid of onmogelijkheid voor de afnemer om de overeenkomst na het sluiten van de overeenkomst tussentijds op te zeggen, de daaraan verbonden kosten en de overige gevolgen; en
h. fiscale aspecten van de beleggingsinstelling.
2.
Het tweede en derde lid van artikel 3 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien het een financiële bijsluiter betreft die betrekking heeft op rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen kan de toezichthouder regels stellen voor zover deze strekken tot het uitvoeren van richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) met het oog op reglementering van beheermaatschappijen en vereenvoudigde prospectussen (PbEG L 41).
1.
Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 33d, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage A .
2.
Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 48d, vijfde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage B .
3.
Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 90d, vijfde lid, eerste volzin, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage C .
4.
Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 93d, vijfde lid, eerste volzin, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage D .
5.
Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 188d, vijfde lid, eerste volzin, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage E .
6.
De toezichthoudende autoriteit kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 6
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bijsluiter.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 december 2001
De Minister van Financiën,
Uitgegeven zevenentwintigste december 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 3a
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht