Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2008. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2008.

Besluit Fonds Luchtverontreiniging 1990

Uitgebreide informatie
Besluit van 7 november 1990, houdende uitvoering van de artikelen 61ah en 61ai van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juli 1989, no. MJZ 10789003, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 61 ah en 61 ai van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne ( Stb. 1988, 133);
De Raad van State gehoord (advies van 15 november 1989, No. W08.89.0384);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 oktober 1990, nr. MJZ 29o90020, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
de wet: de Wet milieubeheer ;
het fonds: het Fonds Luchtverontreiniging bedoeld in artikel 15.24 van de wet;
het ministerie: het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
1.
Een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.25 van de wet dient te bevatten:
a. naam en adres van de verzoeker;
b. de gegevens die nodig zijn om een inzicht te verschaffen in de aard en de omvang van de schade;
c. een opgave van de plaats, het tijdstip en de vermeende oorzaak van het ontstaan van de schade;
d. een beschrijving van hetgeen de verzoeker heeft ondernomen om de schade langs burgerrechtelijke weg te verhalen of op andere wijze vergoed te krijgen, dan wel een aanduiding van de vertraging of van de kosten, die gemoeid zouden zijn met de vaststelling of de mogelijkheid daartoe aanwezig is;
e. een deugdelijk onderbouwde opgave van het bedrag der verlangde schadevergoeding.
2.
Indien het niet mogelijk is binnen de termijn, bedoeld in artikel 15.27, eerste lid, van de wet een verzoek in te dienen dat alle gegevens, bedoeld in het eerste lid, bevat, worden bij het verzoek de redenen vermeld waarom het verzoek die gegevens niet kan bevatten.
1.
Het fonds tekent de datum van ontvangst van een verzoek aan op het geschrift waarbij het verzoek is ingediend, en zendt de verzoeker een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
2.
Indien het bewijs van ontvangst betrekking heeft op een verzoek dat niet voldoet aan artikel 2, wijst het fonds de verzoeker daarop.
1.
Onze Minister kan de door hem krachtens artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn telkens met een daarbij vast te stellen termijn verlengen.
2.
Een verzoek om verlenging dient schriftelijk onder opgaaf van redenen uiterlijk vier weken voor afloop van de geldende termijn bij het fonds te worden ingediend.
3.
Onze Minister kan aan de verlenging het voorschrift verbinden dat periodiek verslag wordt gedaan van de stand van zaken betreffende de nog ontbrekende gegevens.
1.
Indien de verzoeker artikel 4, tweede lid, of het aan de verlenging verbonden voorschrift niet in acht heeft genomen, kan Onze Minister besluiten het verzoek niet te behandelen.
2.
Een besluit om het verzoek niet te behandelen wordt aan de verzoeker bekendgemaakt binnen vier weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4, tweede lid, of de ingebrekestelling van de verzoeker.
1.
Indien voordat is beslist op een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.25 van de wet een nieuw verzoek wordt ingediend, verband houdende met het reeds ingediende verzoek, is de verzoeker gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2.
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan Onze Minister zonder toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het nieuwe verzoek afwijzen.
Artikel 9
Het fonds zendt een exemplaar van de beschikking op het verzoek aan de verzoeker.
Artikel 10
Het beheer van de middelen van het fonds is administratief gescheiden van het beheer van de middelen van het Rijk.
1.
De boekhouding van het fonds wordt gevoerd door een door Onze Minister aangewezen ambtenaar, met inachtneming van de Comptabiliteitswet 2001 en het daarop gebaseerde Besluit taak FEZ .
2.
Het boekjaar van het fonds is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 12
Ten aanzien van de voorbereiding van beslissingen op een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.25 van de wet heeft de directeur Financiële en Economische Zaken van het ministerie gelijke taken als hem ten aanzien van de voorbereiding van besluiten toekomen op grond van het bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2001 bepaalde.
Artikel 13
De overtollige kasgelden van het fonds worden in rekening-courant gestort bij het Rijk.
Artikel 14
Onze Minister van Financiën stelt jaarlijks voor 1 april het percentage vast van de rente welke over de in artikel 13 bedoelde gelden wordt vergoed.
Artikel 15
De jaarrekening van het fonds wordt jaarlijks voor 1 mei van het daarop volgend jaar gecontroleerd door een door Onze Minister in overeenstemming met de Algemene Rekenkamer aan te wijzen instantie. Aan deze instantie wordt inzage gegeven van de boeken en bescheiden en worden alle inlichtingen verstrekt, welke zij nodig acht om een juist inzicht te krijgen in het financiële beheer van het fonds.
1.
Dit besluit is niet van toepassing op beschikkingen, houdende een beslissing op een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 61 af van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, waartegen nog beroep openstaat of beroep is ingesteld.
2.
De artikelen 8, 9 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding als bedoeld in artikel 61 af van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne die bij het fonds zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit indien aan de verzoeker een kennisgeving is gedaan dat het voornemen bestaat afwijzend op zijn verzoek te beschikken.
3.
De artikelen 5 tot en met 9 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding als bedoeld in artikel 61 af van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne die bij het fonds zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit indien ten aanzien van zo'n verzoek artikel 61 ah , tweede lid, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne is toegepast of aan de verzoeker uit anderen hoofde aanvullende gegevens zijn gevraagd.
4.
De artikelen 4 tot en met 9 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding als bedoeld in artikel 61 af van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, die bij het fonds zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit, indien aan de verzoeker alleen een bewijs van ontvangst is verzonden.
5.
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een mededeling van schade overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van het Besluit Fonds Luchtverontreiniging ( Stb. 1980, 414), die na de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en voor de inwerkingtreding van dit besluit aan het fonds is gedaan.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
2.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Fonds Luchtverontreiniging 1990.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 7 november 1990
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de elfde december 1990
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsbepaling
+ § 2. Verzoeken om schadevergoeding
+ § 3. Comptabele regelen
+ § 4. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht