Besluit van 8 januari 1992, houdende regelen betreffende de veiligheid en het energiegebruik van gastoestellen en hun toebehoren
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 november 1991, VVP/P-U-692116, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken;
Overwegende, dat het, gelet op richtlijn 90/396/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake gastoestellen (PbEG L 196), noodzakelijk is regels te stellen ten aanzien van de veiligheid en het energiegebruik van gastoestellen en hun toebehoren;
Gelet op de artikelen 1, vierde lid, 4, eerste lid, onderdelen a en b, 8, onderdelen a, b en c, 11, 12, 13 en 14 van de Warenwet (Stb. 1988, 360) en de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 21 van de Wet energiebesparing toestellen (Stb. 1986, 59);
Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet van 18 september 1991, nr. 14 398/(50) 5;
De Raad van State gehoord (advies van 13 december 1991, Nr. W13.91.0595);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 20 december 1991, VVP/P-692577 uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. gas: elke brandstof die bij een temperatuur van 15° C onder een druk van 1 bar in gasvormige toestand verkeert;
b. gastoestellen: toestellen bestemd of geschikt voor koken, verwarmen, warmwaterproduktie, koeling, verlichting of wassen die, indien van toepassing, een normale watertemperatuur van ten hoogste 105° C hebben alsmede ventilatorbranders en voor dergelijke branders bedoelde warmtegeneratoren, en bij gebruik waarvan gas als brandstof wordt gebezigd;
c. toebehoren: beveiligings-, controle- en regelapparatuur en onderdelen, met uitzondering van ventilatorbranders en voor dergelijke branders bedoelde warmtegeneratoren, welke bestemd zijn om in een gastoestel te worden ingebouwd dan wel tot een gastoestel te worden geassembleerd;
d. normaal gebruik: gebruik waarbij gastoestellen,
1. op een juiste wijze zijn geïnstalleerd en regelmatig worden onderhouden overeenkomstig de instructies van de fabrikant;
2. worden aangewend met een normale schommeling van de gaskwaliteit en de gasdruk en;
3. overeenkomstig hun bestemming of op een redelijkerwijs te verwachten manier worden aangewend.
2.
In afwijking van het eerste lid, wordt in dit besluit onder gastoestellen niet verstaan gastoestellen specifiek bestemd voor gebruik in industriële processen.
3.
In dit besluit wordt, voor zover het berust op de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie , onder verhandelen verstaan: ten verkoop voorhanden hebben, ten verkoop aanbieden, verkopen, verhuren of afleveren.
1.
Het is verboden gastoestellen en toebehoren te verhandelen die niet voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit.
2.
Het is verboden gastoestellen en toebehoren te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen.
3.
Het is verboden met gebruikmaking van de in dit besluit aangegeven aanduiding andere gastoestellen te verhandelen dan die waarvoor die aanduiding in dit besluit is voorbehouden.
1.
Gastoestellen en toebehoren dienen zodanig te zijn samengesteld en zodanige eigenschappen te hebben alsmede van zodanige vermeldingen te zijn voorzien, dat zij bij normaal gebruik van het gastoestel geen bijzonder gevaar opleveren voor de veiligheid van personen, huisdieren of goederen.
2.
Gastoestellen en toebehoren moeten voldoen aan de in bijlage I opgenomen fundamentele voorschriften inzake de veiligheid en het doelmatig gebruik van energie van gastoestellen en toebehoren.
Artikel 4
Gastoestellen en toebehoren worden vermoed te voldoen aan het in artikel 3, tweede lid bepaalde, indien zij voldoen aan de door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daartoe aangewezen normen.
1.
Gastoestellen dienen door de fabrikant te zijn voorzien van de in bijlage II , onder A , bedoelde aanduiding.
2.
De in het eerste lid bedoelde aanduiding mag uitsluitend worden gebezigd:
a. na het verkrijgen van een EG-type-onderzoekcertificaat voor het desbetreffende type gastoestel, als bedoeld in het in bijlage III , onderdeel A , genoemde EG-type-onderzoek en zolang de vervaardiging van het type toestel geschiedt met inachtneming van één van de vier in bijlage III , onderdeel B , genoemde procedures inzake de vervaardiging van gastoestellen, dan wel,
b. na inachtneming van de in onderdeel C van bijlage III genoemde procedure inzake EG-keuring per eenheid, voor ieder gastoestel afzonderlijk.
3.
Toebehoren mogen niet zijn voorzien van de in het eerste lid bedoelde aanduiding maar dienen te zijn voorzien van een door de fabrikant afgegeven verklaring dat zij voldoen aan de van toepassing zijnde eisen als opgenomen in bijlage I en waarin tevens de kenmerken van het toebehoren zijn vermeld alsmede de voorschriften voor het inbouwen in een gastoestel of het assembleren daarvan, welke van belang zijn voor het voldoen aan de voor gastoestellen bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.
4.
De in het derde lid bedoelde verklaring mag slechts worden afgegeven voor toebehoren ten aanzien waarvan één van de vier in bijlage III , onderdeel B , genoemde procedures voor gastoestellen op overeenkomstige wijze in acht is genomen, met uitzondering van het in die procedures bepaalde aangaande de CE-markering en waarvoor een EG-type-onderzoekcertificaat als bedoeld in het in bijlage III , onderdeel A , genoemde type-onderzoek, is verkregen voor het desbetreffende type toebehoren.
1.
Gastoestellen dienen te zijn voorzien van de in bijlage II , onderdeel B , genoemde opschriften.
2.
De in het eerste lid bedoelde opschriften en de in artikel 5, eerste lid, bedoelde aanduiding dienen zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en onuitwisbaar op het gastoestel of op een daarop bevestigde plaat, te zijn aangebracht.
3.
De in het tweede lid bedoelde plaat moet zodanig zijn aangebracht, dat verwijdering niet mogelijk is zonder duidelijk zichtbare beschadiging ervan.
4.
Ten aanzien van gastoestellen mogen geen vermeldingen, vaststellingen of aanduidingen worden gebezigd, welke met de in bijlage II , onder A , bedoelde aanduiding kunnen worden verward.
1.
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst de instellingen aan die:
a. bevoegd zijn het in artikel 5, tweede lid, onder a, bedoelde EG-type-onderzoek te verrichten;
b. bevoegd zijn tot het verrichten van steekproeven, EG-toezicht en EG-keuring zoals omschreven in de in artikel 5, tweede lid, onder a en b, bedoelde procedures.
2.
Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking instanties die tenminste voldoen aan de in bijlage V genoemde voorwaarden.
3.
Aan de krachtens het eerste lid aangewezen instellingen worden gelijkgesteld de door de daartoe bevoegde autoriteiten van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen dan wel die van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in het kader van de richtlijn 90/396/EEG (PbEG L 196) aangewezen instellingen.
4.
Onze Minister kan een aanwijzing schorsen, wijzigen of intrekken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de aanwijzing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan hij de aanwijzing niet zou hebben gegeven;
b. op grond van door de aangewezen instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, tenzij de onjuistheid daarvan aan de instelling onbekend was of kon zijn;
c. indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de in bijlage V genoemde voorwaarden;
d. indien de aangewezen instelling gedurende een aaneengesloten periode van twee jaren geen werkzaamheden waarvoor zij is aangewezen, heeft uitgevoerd; of
e. indien de aangewezen instelling haar wettelijke verplichtingen niet naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen, niet naar behoren uitvoert.
Artikel 8
Gastoestellen en toebehoren die niet voldoen aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit mogen nog tot 1 januari 1996 worden verhandeld.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 10
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit gastoestellen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 8 januari 1992
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
De Minister van Economische Zaken,
Uitgegeven de zesentwintigste maart 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht