Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, nr. FM 2006-01681 M;
Gelet op richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEG L 375), richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG 1987 L 42), richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG L 228), richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), richtlijn nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen nr. 90/619/EEG, nr. 97/7/EG en nr. 98/27/EG (PbEG L 271), richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345) en richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9) en de artikelen 4:3, vierde lid, 4:5, derde lid, 4:9, derde lid, 4:10, derde lid, 4:11, derde en vierde lid, 4:14, tweede lid, 4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel a en onderdeel b, onder 2°, 4:16, tweede en derde lid, 4:17, derde lid, 4:20, eerste lid, tweede lid, derde lid, aanhef en onderdeel b, vierde lid, en vijfde lid, 4:22, eerste lid, 4:25, eerste lid, 4:26, derde lid, 4:27, vierde lid, 4:30a, derde lid, 4:32, tweede lid, 4:33, derde en vierde lid, 4:34, derde lid, 4:43, tweede lid, 4:48, tweede lid, 4:49, tweede lid, aanhef en onderdeel e, 4:51, vierde lid, 4:52, derde lid, 4:56, eerste lid, 4:61, 4:71, vierde lid, 4:72, derde lid, aanhef en onderdeel a, 4:73, derde lid, aanhef en onderdelen a en c, 4:74, tweede lid, 4:75, tweede lid, 4:76, tweede lid, 4:78, eerste lid, 4:85, derde lid, 4:86, 4:87, derde lid, 4:88, derde lid, en 4:89, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht;
De Raad van State gehoord (advies van 20 september 2006, nr. W06.06.0334/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006 (nr. FM 2006-02268 M);
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
afsluitprovisie:
1°. beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, die een aanbieder ter gelegenheid van de totstandkoming van een overeenkomst inzake een betalingsbeschermer, een complex product, een hypothecair krediet, een hypothecair krediet gecombineerd met een beleggingsrekening, een schadeverzekering of een uitvaartverzekering, tussen hem en een consument rechtstreeks of middellijk voor het bemiddelen of adviseren inzake die overeenkomst betaalt; of
2°. beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, die een aanbieder van een financieel product dat onderdeel uitmaakt van een complex product als bedoeld in onderdeel d, onder 4°, dat is samengesteld of in de markt verkrijgbaar gesteld door een bemiddelaar, ter gelegenheid van de totstandkoming van een overeenkomst tussen hem en een consument inzake dat financieel product voor het bemiddelen of adviseren inzake die overeenkomst rechtstreeks of middellijk betaalt;
bestuurder: indien het een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder betreft, een ieder die krachtens wet een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder vertegenwoordigt of het beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder bepaalt;
betalingsbeschermer: verzekering ter dekking van het risico dat de verzekeringnemer betalingsverplichtingen uit hoofde van een overeenkomst inzake krediet niet kan nakomen;
betalingstermijn: tijdvak dat ligt tussen:
1°. het tijdstip waarop een aanbieder ter uitvoering van een overeenkomst inzake krediet een geldsom ter beschikking stelt, of aanvangt met het verschaffen van het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject of met het verlenen van een dienst en het tijdstip waarop de consument gehouden is de eerste betaling ter zake daarvan te hebben gedaan: of
2°. twee opeenvolgende tijdstippen waarop een consument gehouden is ter zake van een overeenkomst inzake krediet een betaling te hebben gedaan;
commissie: beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, voor het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent;
complex product:
1°. combinatie van twee of meer financiële producten die ten minste een financieel product omvat waarvan de waarde afhankelijk is van de ontwikkelingen op financiële markten of andere markten;
2°. recht van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe dat niet verhandelbaar is of dat op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect wordt ingekocht of terugbetaald;
3°. levensverzekering, niet zijnde een natura-uitvaartverzekering of een andere verzekering die uitsluitend strekt tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon of een verzekering waarbij de verplichting van de verzekeraar tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum;
4°. combinatie van een hypothecair krediet met een levensverzekering als bedoeld onder 3°, of met een spaarrekening;
5°. beleggingsobject;
6°. spaarrekening eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
7°. beleggingsrecht eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
9°. lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
10°. ander financieel product dat bij ministeriële regeling kan worden aangewezen indien dit ten behoeve van de vergelijkbaarheid van de onder 2° tot en met 9° bedoelde complexe producten met dit financiële product in verband met de belangen die het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet beoogt te beschermen wenselijk is; of
11°. combinatie van een of meer onder 2° tot en met 10° bedoelde complexe producten met een of meer financiële producten;
consumptief krediet: krediet, niet zijnde hypothecair krediet;
debetrentevoet: verschuldigde rente voor een krediet, uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel percentage;
dekkingspercentage: een door de aanbieder van krediet vastgesteld percentage van de waarde van de in onderpand gegeven financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1:1 van de wet, of van de daartoe behorende afzonderlijke financiële instrumenten aan de hand waarvan de aanbieder van krediet de kredietlimiet bepaalt;
deposito: tegoed bij een bank dat onmiddellijk kan worden opgevraagd en waarvan de rentetermijn ten hoogste twaalf maanden bedraagt;
distributiekosten: kosten voor het completeren van het dossier ten behoeve van de aanvraag van de offerte, het ondersteunen van de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt bij de aanvraag en bij het aangaan van een overeenkomst met betrekking tot een financieel product en de kosten voor het maken van reclame-uitingen voor de genoemde werkzaamheden en voor advies;
doorlopende provisie:
1°. beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, niet zijnde afsluitprovisie, die een aanbieder van een betalingsbeschermer, een complex product, een hypothecair krediet, een hypothecair krediet gecombineerd met een beleggingsrekening, een schadeverzekering of een uitvaartverzekering, na de totstandkoming van een overeenkomst tussen hem en een consument voor het bemiddelen of adviseren inzake die overeenkomst rechtstreeks of middellijk betaalt; of
2°. beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, niet zijnde afsluitprovisie, die door een aanbieder van een financieel product dat onderdeel uitmaakt van een complex product als bedoeld in onderdeel d, onder 4°, dat is samengesteld of in de markt verkrijgbaar gesteld door een bemiddelaar, na de totstandkoming van een overeenkomst inzake dat financieel product tussen hem en een consument voor het bemiddelen of adviseren inzake die overeenkomst rechtstreeks of middellijk betaalt;
doorlopend krediet: overeenkomst inzake:
1°. geldkrediet waarbij de consument op verschillende tijdstippen geldsommen kan opnemen, voorzover het uitstaande saldo de kredietlimiet niet overschrijdt; of
2°. goederenkrediet waarbij de aanbieder of een derde gehouden is aan een consument op verschillende tijdstippen het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject te verschaffen of een dienst te verlenen, voorzover het uitstaande saldo de kredietlimiet niet overschrijdt;
effectenkrediet: het aan een consument ter beschikking stellen van een doorlopend krediet tegen onderpand van financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de wet, waarmee de consument transacties kan verrichten in financiële instrumenten en de aanbieder van krediet betrokken is bij die transacties;
eindtermen: normen met betrekking tot de vakbekwaamheid voor het verlenen van een bepaalde financiële dienst met betrekking tot een bepaald financieel product;
essentiële beleggersinformatie: een kort document waarin informatie over de in artikel 66a, eerste lid, genoemde onderwerpen is weergegeven met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe.

financieel analist: een relevante persoon die tastbaar onderzoek op beleggingsgebied verricht;
financieel derivaat: financieel instrument als bedoeld in artikel 4:60, eerste lid, onderdeel d, e, f of g, van de wet;
financiële bijsluiter: een document waarin informatie over de in artikel 66, eerste lid, genoemde onderwerpen met betrekking tot een complex product, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe, is weergegeven;
geldmarktinstrument: financieel instrument als bedoeld in onderdeel c van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 van de wet;
gelieerde partij:
1°. persoon die met een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe of met een bestuurder van een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden;
2°. persoon die direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen waardoor invloed van betekenis kan worden uitgeoefend op het zakelijk of financieel beleid van een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe;
3°. natuurlijke persoon die in een familierechtelijke betrekking staat tot een bestuurder van een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe of tot een natuurlijke persoon als bedoeld onder 1° of 2°;
4°. natuurlijke persoon die een persoonlijke relatie heeft met een bestuurder van een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe of met een natuurlijke persoon als bedoeld onder 1° of 2°, in welke relatie hij het handelen van de bestuurder of de natuurlijke persoon met betrekking tot de beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe kan beïnvloeden;
5°. rechtspersoon waarin een bestuurder van een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe of een natuurlijke persoon als bedoeld onder 3° of 4°, direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen waardoor sprake is van invloed van betekenis op het zakelijk of financieel beleid van die rechtspersoon; of
6°. natuurlijke persoon die onderdeel is van een orgaan dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe;
gelieerd financieel instrument: een financieel instrument waarvan de prijs sterk wordt beïnvloed door prijsschommelingen van een ander financieel instrument dat het onderwerp van onderzoek op beleggingsgebied is of van een van dit andere financiële instrument afgeleid financieel instrument;
geschilleninstantie: instantie tot beslechting van geschillen met betrekking tot betaaldiensten, financiële diensten of financiële producten van een financiële onderneming;
hypothecair krediet: overeenkomst inzake krediet met een consument, bij het aangaan waarvan een recht van hypotheek wordt gevestigd, strekkende tot verhaal bij voorrang van de vordering tot voldoening van de door de consument verschuldigde betaling, dan wel met betrekking waartoe reeds een zodanig recht is gevestigd en waarbij het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire financieringen van de aanbieder gebruikelijk jaarlijks kostenpercentage;
incident: gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van een financiële onderneming;
integriteitgevoelige functie:
1°. leidinggevende functie direct onder de personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen; of
2°. functie waaraan een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico bevat voor de integere uitoefening van het bedrijf van een financiële onderneming;
integriteitrisico: gevaar voor de aantasting van de reputatie of bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen of resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven;
internationale jaarrekeningstandaarden: internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243);
jaarlijks kostenpercentage: totale kosten van een consumptief krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, berekend volgens de basisvergelijking en aanvullende hypothesen, opgenomen in bijlage A , of de bij de uitvoering van een overeenkomst inzake hypothecair krediet overeenkomstig de betalingsregeling aan de consument in rekening te brengen effectieve kredietvergoeding, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het uitstaand saldo, berekend op bij ministeriële regeling vast te stellen wijze;
kosten: bedragen die een financiële onderneming in rekening brengt of ten laste laat komen van een cliënt, consument of deelnemer;
kredietlimiet:
1°. maximum bedrag van door een consument bij de aanbieder van krediet op te nemen geldsommen ter uitvoering van een overeenkomst inzake doorlopend geldkrediet; of
2°. maximumwaarde van door een aanbieder van krediet aan de consument te verschaffen genot van een zaak, financieel instrument of beleggingsobject, of te verlenen dienst ter uitvoering van een overeenkomst inzake doorlopend goederenkrediet;
kredietsom:
1°. geldsom die de consument in het kader van een overeenkomst inzake geldkrediet ter beschikking wordt gesteld, met dien verstande dat indien het doorlopend krediet betreft de kredietlimiet als die geldsom wordt aangemerkt; of
2°. verschil tussen het totaal van de contante waarde van de roerende zaken, financiële instrumenten, beleggingsobjecten of diensten, waarvan de consument het genot wordt verschaft, onderscheidenlijk welke aan de consument worden verleend, in het kader van een overeenkomst inzake goederenkrediet, en de door deze in dat kader gedane contante betalingen, met dien verstande dat indien het doorlopend krediet betreft de kredietlimiet als dat verschil wordt aangemerkt;
kredietvergoeding: kosten ter zake van een overeenkomst inzake krediet;
maandlast: bedrag dat een consument verschuldigd is aan betalingen ter zake van krediet, berekend voor één kalendermaand, waaronder in ieder geval betalingen aan rente en aflossing in verband met het krediet;
nauwe banden: situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:
1°. een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een rechtspersoon;
2°. een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een andere rechtspersoon; een dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
onderzoek op beleggingsgebied: onderzoek of andere voor het publiek bestemde informatie waarbij expliciet of impliciet een beleggingsstrategie wordt aanbevolen of voorgesteld ten aanzien van één of meerdere financiële instrumenten of uitgevende instellingen van financiële instrumenten, daaronder begrepen aanbevelingen betreffende de huidige of toekomstige waarde of koers van dergelijke instrumenten, welk onderzoek:
a. als onderzoek op beleggingsgebied wordt gepresenteerd of op enigerlei andere wijze wordt voorgesteld als een objectieve of onafhankelijke verklaring van de aangelegenheden die in de aanbeveling aan de orde komen; en
b. indien het tot een cliënt zou zijn gericht, geen adviseren is;
op- en afslagen: bedragen waarmee de door de deelnemers voor rechten van deelneming in een icbe betaalde of ontvangen prijs of terugbetaling worden verhoogd onderscheidenlijk verlaagd ten opzichte van de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming;
pensioenverzekering: levensverzekering die een werkgever afsluit ten behoeve van zijn werknemers, waaronder de directeur-grootaandeelhouder, bestaande uit een ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
persoonlijke transactie: een transactie in een financieel instrument door of in naam van een relevante persoon, waarbij:
1°. de betrokken relevante persoon handelt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf;
2°. de transactie wordt verricht voor rekening van de relevante persoon;
3°. de transactie wordt verricht voor rekening van een persoon met wie de relevante persoon familiebanden of nauwe banden heeft; of
4°. de transactie wordt verricht voor rekening van een persoon wiens relatie met de relevante persoon van dien aard is dat de relevante persoon een direct of indirect wezenlijk belang heeft bij het resultaat van de transactie afgezien van een provisie voor de uitvoering van de transactie;
prime broker: een entiteit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel af, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen;
relevante persoon:
1°. een persoon die het dagelijks beleid bepaalt of een verbonden agent is van een beleggingsonderneming;
2°. een ieder die het dagelijks beleid bepaalt van een verbonden agent van een beleggingsonderneming;
3°. een werknemer van de beleggingsonderneming of van een verbonden agent van de beleggingsonderneming of een andere natuurlijke persoon wiens diensten ter beschikking en onder zeggenschap staan van een beleggingsonderneming onderscheidenlijk de verbonden agent en die betrokken is bij het verrichten van beleggingsactiviteiten of het verlenen van beleggingsdiensten door de beleggingsonderneming; of
4°. een natuurlijke persoon die uit hoofde van een overeenkomst tot uitbesteding met het oog op het verlenen of verrichten door de beleggingsonderneming van beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten rechtstreeks betrokken is bij het verrichten van diensten ten behoeve van de beleggingsonderneming of haar verbonden agent;
retourprovisie: gedeelte van een door of ten laste van een icbe voor een dienst van een derde te betalen of betaalde vergoeding dat direct of indirect door de ontvanger wordt terugbetaald of doorbetaald;
richtlijn consumentenkrediet: richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L133);
richtlijn elektronisch geld: richtlijn nr. 2009/110 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (Pb EU L 267);
risico-indicator: weergave van het risiconiveau van een complex product;
serie van beleggingsobjecten: verzameling van beleggingsobjecten waarvoor hetzelfde beleggingsobjectprospectus, bedoeld in artikel 4:30a, van de wet wordt opgesteld;
termijnbedrag: bedrag van de betaling die een consument aan het einde van een betalingstermijn moet hebben gedaan;
toetstermen: criteria waaraan de vakbekwaamheid van een persoon wordt getoetst om te kunnen vaststellen of deze voldoet aan de eindtermen;
totale door de consument te betalen bedrag: som van het totale kredietbedrag en de totale kosten van het krediet voor de consument;
totale kosten van het krediet voor de consument: alle kosten inzake een consumptief krediet, met uitzondering van notariskosten, die de consument in verband met een krediet moet betalen en die de aanbieder bekend zijn, met inbegrip van rente, provisie, belastingen, vergoedingen van welke aard ook en kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot het krediet, indien het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot die diensten verplicht is om het krediet op de geadverteerde voorwaarden te verkrijgen, of de som van de door een consument te betalen termijnbedragen gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake hypothecair krediet;
totale kredietbedrag: de kredietlimiet of de kredietsom;
uitstaand saldo:
1°. indien het geldkrediet betreft: op enig tijdstip bestaand totaal van de tot en met dat tijdstip door de consument opgenomen geldsommen, vermeerderd met de tot en met dat tijdstip aan de consument in rekening gebrachte kredietvergoeding en verminderd met de tot en met dat tijdstip door de consument gedane betalingen;
2°. indien het goederenkrediet betreft: op enig tijdstip bestaand totaal van de contante waarde van de roerende zaken, financiële instrumenten, beleggingsobjecten of diensten waarvan tot en met dat tijdstip aan de consument het genot is verschaft, of welke tot en met dat tijdstip aan de consument zijn verleend, vermeerderd met het totaalbedrag van de tot en met dat tijdstip aan de consument in rekening gebrachte kredietvergoeding en verminderd met de tot en met dat tijdstip door de consument gedane betalingen;
uitvaartverzekering: levensverzekering die uitsluitend strekt tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon of een natura-uitvaartverzekering;
wet: Wet op het financieel toezicht ;
woning: een gebouw of een afzonderlijk gedeelte daarvan en de bij dat gebouw behorende grond, een duurzaam aan een plaats gebonden woonschip of een woonwagen als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet op de huurtoeslag en de daarbij behorende standplaats als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de huurtoeslag.
a. een financiëledienstverlener die adviseert een krediet verleent voor de betaling van de advieskosten en distributiekosten gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst inzake een financieel product als bedoeld in artikel 86c waarbij de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt is gehouden binnen twee jaar af te lossen;
b. een financiëledienstverlener, voor zover hij niet adviseert, een krediet verleent aan een consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt ten behoeve van de betaling van de distributiekosten gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst inzake een financieel product als bedoeld in artikel 86c.
1.
Het beleid van een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de houder van een ontheffing een orgaan is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de houder van een ontheffing wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
2.
De aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet toont aan dat zal worden voldaan aan het eerste lid en legt ten aanzien van de betrokken personen de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
3.
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van de wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.
4.
Op de vaststelling van de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 12 tot en met 16 van overeenkomstige toepassing.
1.
De houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet:
a. informeert, alvorens een overeenkomst aan te gaan terzake van het als tussenpersoon verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen zijn wederpartij duidelijk en volledig over diens rechten en plichten met betrekking tot de overeenkomst;
b. meldt aan de Autoriteit Financiële Markten iedere wijzing in de gegevens die eerder door hemzelf of door een financiële onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in artikel 2, eerste lid. De houder meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen; en
c. meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van de personen, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
2.
De houder van een ontheffing geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de betrokken persoon buiten twijfel staat. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de betrouwbaarheid:
a. binnen zes weken na ontvangst van de melding; of
b. indien de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de melding om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de melding.
3.
Indien de Autoriteit Financiële Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de houder.
4.
Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, legt de houder ten aanzien van de betrokken persoon de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
5.
Het tweede en vierde lid, onderdelen b, c en d, zijn niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.
Artikel 4
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid, van de wet verstrekt bij de in dat lid bedoelde melding aan de Autoriteit Financiële Markten de volgende gegevens over de betrokken onderneming:
a. een opgave van de naam en het adres;
b. een opgave van de rechtsvorm;
c. indien de onderneming een rechtspersoon is: een opgave van de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen; en
d. indien de onderneming is ingeschreven in het handelsregister: een opgave van het nummer van inschrijving.
Artikel 5
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
inkomensverzekering: schadeverzekering ter dekking van het risico van financiële schade ten gevolge van arbeidsongeschiktheid of werkloosheid;
pensioen: pensioenverzekering en premiepensioenvordering als bedoeld in artikel 1:1 van de wet;
schadeverzekering particulier: schadeverzekering, niet zijnde een inkomensverzekering of een schadeverzekering zakelijk;
schadeverzekering zakelijk: schadeverzekering ten behoeve van een cliënt handelend in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, met uitzondering van een inkomensverzekering;
vermogen: levensverzekeringen, niet zijnde pensioenverzekeringen, en lijfrentespaarrekeningen als bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, spaarrekeningen eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, rechten van deelneming in beleggingsinstellingen voor zover vrijgesteld op grond van artikel 2:104, eerste lid, van de wet en beleggingsobjecten;
zorgverzekering: een schadeverzekering ten behoeve van een verzekeringsplichtige als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en een aanvullende ziektekostenverzekering.
Artikel 6
Een financiëledienstverlener voldoet aan artikel 4:9, tweede lid, van de wet, indien:
a. hij zijn bedrijfsvoering zodanig heeft ingericht dat een vakbekwame financiële dienstverlening aan consumenten of, indien het verzekeringen betreft, cliënten voldoende is gewaarborgd;
b. de werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met werkzaamheden als bedoeld in artikel 7, daartoe beschikken over:
1°. een geldig, op grond van dat artikel vereist diploma; dan wel
2°. een geldige erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties; en
c. de personen, bedoeld in onderdeel b, voldoen aan de in artikel 11 gestelde eisen.
Artikel 7
Werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder verantwoordelijkheid van een financiëledienstverlener bezighouden met advisering met betrekking tot een in tabel 1 genoemde onderwerp, beschikken daartoe over het ingevolge die tabel vereiste diploma. Tabel 1. Vereiste diploma's bij advisering
Onderwerp: Vereist diploma: Modules:
Basis Adviseur basis – Basis
Consumptief krediet Adviseur consumptief krediet – Basis – Consumptief krediet
Schadeverzekering particulier Adviseur schadeverzekering particulier – Basis – Schadeverzekeringen particulier
Schadeverzekering zakelijk Adviseur schadeverzekering zakelijk – Basis – Schadeverzekeringen particulier – Schadeverzekeringen zakelijk
Zorgverzekering Adviseur zorgverzekering – Zorgverzekeringen
Vermogen Adviseur vermogen – Basis – Vermogen
Inkomensverzekering Adviseur inkomen – Basis – Inkomen
Hypothecair krediet Adviseur hypothecair krediet – Basis – Vermogen – Hypothecair krediet
Pensioen Adviseur pensioen – Basis – Vermogen – Pensioenverzekeringen
1.
Een diploma als bedoeld in artikel 7 wordt afgegeven, indien de ingevolge tabel 1 aan dat diploma ten grondslag liggende modules alle met goed gevolg zijn afgerond.
2.
De examens van de modules, bedoeld in het eerste lid, worden afgelegd bij een op grond van artikel 11a erkend exameninstituut.
3.
De examens van de modules, bedoeld in het eerste lid, kunnen, indien Onze Minister daar gelegenheid toe biedt, tevens bij Onze Minister worden afgelegd.
4.
Bij ministeriële regeling worden de eindtermen en toetstermen vastgesteld voor de in het eerste lid bedoelde modules.
Artikel 10
Personen die over een in tabel 2 genoemd diploma beschikken, zijn tevens vakbekwaam te adviseren over het daarbij in de tabel vermelde onderwerp, indien de advisering over dat onderwerp gecombineerd wordt met advisering over het onderwerp waarop het diploma betrekking heeft. Tabel 2. Toegestane bijkomende onderwerpen
Diploma: Onderwerp:
Adviseur consumptief krediet Betalingsbeschermers indien gecombineerd met consumptief krediet
Adviseur vermogen Betalingsbeschermers indien gecombineerd met een levensverzekering
Adviseur hypothecair krediet Betalingsbeschermers, opstal- of inboedel- verzekeringen indien gecombineerd met hypothecair krediet
Adviseur inkomen Ongevallenverzekeringen indien gecombineerd met een inkomensverzekering
1.
De houder van een diploma of erkenning als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, is uitsluitend bevoegd werkzaamheden als bedoeld in artikel 7 te verrichten, indien hij periodiek, met tussenpozen van ten hoogste 36 maanden, met goed gevolg een examen aflegt. Het eerste periodieke examen dient uiterlijk 36 maanden na het behalen van het diploma of het verkrijgen van de erkenning met goed gevolg te worden afgelegd.
2.
De houder van een diploma of erkenning die beschikt over een door een op grond van artikel 11a erkend exameninstituut afgegeven certificaat waaruit blijkt dat hij gedurende een bepaalde periode vakinhoudelijk betrokken is geweest bij het afnemen van examens of de ontwikkeling van examenmateriaal met betrekking tot de voor zijn beroepskwalificatie relevante eindtermen en toetstermen, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met de houder van een diploma of erkenning die op de laatste dag van die periode een examen als bedoeld in het eerste lid heeft afgelegd.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede lid.
4.
Indien de houder van een diploma of erkenning op grond van het eerste lid niet langer bevoegd is de in artikel 7 bedoelde werkzaamheden te verrichten, kan hij een bijzonder examen afleggen. Indien dit examen met goed gevolg wordt afgelegd, herleeft de bevoegdheid om de in artikel 7 bedoelde werkzaamheden te verrichten. Vervolgens dient het eerstvolgende periodieke examen uiterlijk 36 maanden na het behalen van het bijzondere examen te worden afgelegd.
5.
De examens, bedoeld in het eerste en vierde lid, voldoen aan bij ministeriële regeling vast te stellen eindtermen en toetstermen en worden afgelegd bij een op grond van artikel 11a erkend exameninstituut. Indien Onze Minister daar gelegenheid toe biedt, kunnen deze examens tevens bij Onze Minister worden afgelegd.
1.
Onze Minister erkent een exameninstituut op aanvraag, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan artikel 11b.
2.
Onze Minister beslist op een aanvraag om erkenning binnen vier maanden nadat de aanvraag is ingediend. De beslissingstermijn kan ten hoogste tweemaal met twee maanden worden verlengd.
3.
Onze Minister kan aan een erkenning voorschriften of een bepaalde termijn verbinden.
4.
Onze Minister kan een erkenning intrekken:
a. op verzoek van het erkende exameninstituut;
b. indien de gegevens en bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de erkenning, na de erkenning zodanig onjuist of onvolledig blijken dat de erkenning zou zijn geweigerd, dan wel niet zonder daaraan voorschriften te verbinden zou zijn verleend, indien bij de behandeling van de aanvraag de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;
c. indien het exameninstituut niet langer voldoet aan artikel 11b;
d. indien het exameninstituut artikel 11d of de aan de erkenning verbonden voorschriften niet naleeft.
5.
Na intrekking van een erkenning draagt het exameninstituut de administratie inzake certificaten en diploma’s over aan Onze Minister. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing, indien de aan de erkenning verbonden termijn eindigt.
1.
Een erkend exameninstituut neemt ten aanzien van de wijze van examinering de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om te bevorderen dat examens op een correcte en eerlijke wijze worden afgelegd.
2.
Een erkend exameninstituut beschikt over en handelt in overeenstemming met een examenreglement waarin ten minste de volgende onderwerpen adequaat zijn geregeld:
a. de wijze van aanmelding van kandidaten;
b. het aantal malen per jaar dat gelegenheid wordt gegeven tot het afleggen van de afzonderlijke examens;
c. de wijze van kennisgeving van plaats, datum en tijdstip van aanvang der examens;
d. de vaststelling van de identiteit van de kandidaten;
e. de duur en wijze van examineren;
f. de maatregelen indien onregelmatigheden worden geconstateerd;
g. de termijn waarbinnen de examenuitslagen worden bekendgemaakt, alsmede de termijn waarbinnen de certificaten en diploma’s worden uitgereikt;
h. de interne klachtenprocedure.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot examenreglementen als bedoeld in het tweede lid.
1.
Een kandidaat die met goed gevolg het examen voor een module als bedoeld in artikel 9, eerste lid, heeft afgelegd, ontvangt ten bewijze daarvan een certificaat.
2.
Een kandidaat die alle voor een diploma benodigde certificaten heeft behaald, ontvangt ten bewijze daarvan een diploma.
3.
Een kandidaat die met goed gevolg het examen, bedoeld in artikel 11, eerste of vierde lid, heeft afgelegd, ontvangt ten bewijze daarvan een certificaat.
1.
Het certificaat wordt afgegeven vanwege Onze Minister en uitgereikt of toegezonden door het exameninstituut dat het examen, bedoeld in artikel 11c, eerste lid, heeft afgenomen.
2.
Het diploma wordt afgegeven vanwege Onze Minister en uitgereikt of toegezonden door het exameninstituut dat het laatste examen heeft afgenomen dat benodigd is voor het behalen van het diploma.
3.
Duplicaten van certificaten en diploma’s worden uitsluitend door Onze Minister verstrekt. Verstrekking geschiedt tegen betaling van de kostprijs.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de afgifte van certificaten en diploma’s of de verstrekking van duplicaten daarvan.
1.
Een erkend exameninstituut verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2.
Een erkend exameninstituut verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een opgave van het aantal in het vorige kalenderjaar afgenomen en beoordeelde examens, alsmede een analyse van de resultaten van deze examens, de klachten die over de examinering en de resultaten zijn ingediend, en de beslissingen hierop van het exameninstituut.
3.
Een erkend exameninstituut stemt in met een door Onze Minister aangewezen controle.
1.
Er is een centrale examenbank ten behoeve van de examinering van de examens van de modules, bedoeld in artikel 9, eerste lid, en de examens, bedoeld in artikel 11, eerste en vierde lid. De centrale examenbank wordt beheerd door Onze minster.
2.
Een exameninstituut maakt ten behoeve van de examens van de modules, bedoeld in artikel 9, eerste lid, en de examens, bedoeld in artikel 11, eerste en vierde lid, uitsluitend gebruik van de centrale examenbank.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting en beheer van de centrale examenbank.
1.
Het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties, bedoeld in artikel 4:9a, eerste lid, van de wet bevat persoonsgegevens van:
a. kandidaten die beschikken over een diploma als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, onder 1°, of een erkenning als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, onder 2°;
b. kandidaten die deelnemen aan een examen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, of 11, eerste of vierde lid.
2.
Ten aanzien van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde personen worden, naast het in artikel 4:9a, derde lid, van de wet, genoemde burgerservicenummer, of bij het ontbreken daarvan aan de kandidaat toegekend nummer, de volgende gegevens opgenomen:
a. geslachtsnaam, voornamen en voorletters;
b. geboortedatum;
c. geboorteplaats;
d. geslacht;
e. de afgelegde examens;
f. de resultaten van afgelegde examens;
g. de datum waarop betrokkene een diploma als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, onder 1°, heeft behaald;
h. de datum waarop betrokkene een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, onder 2°, verkrijgt;
i. de datum waarop een examen is afgelegd als bedoeld in artikel 9, tweede lid, of 11, eerste of vierde lid;
j. de datum van de laatste dag van de periode, bedoeld in artikel 11, tweede lid;
k. de naam van het exameninstituut, waar het examen is afgelegd.
1.
Een erkend exameninstituut verstrekt aan de beheerder van het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties uit eigen beweging of op verzoek alle gegevens als bedoeld in artikel 11f, tweede lid, die noodzakelijk zijn voor het bijhouden dan wel schonen van de gegevens in het informatiesysteem.
2.
Persoonsgegevens die zijn opgenomen in het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties worden slechts ter beschikking gesteld aan erkende exameninstituten en aan Onze Minister. De gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan de uitvoering van de krachtens artikel 4:9, derde en vierde lid, gestelde regels.
1.
De in het informatiesysteem opgenomen gegevens, bedoeld in artikel 11f, worden verwijderd:
a. na verloop van tien jaren, of
b. indien de betrokken persoon is overleden.
2.
De termijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, vangt aan op de dag waarop de laatste mutatie van de in artikel 11f, tweede lid, genoemde gegevens in het informatiesysteem heeft plaatsgevonden.
1.
Met betrekking tot het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties is Onze Minister de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens .
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke gegevensverwerking in de centrale examenbank ten behoeve van het afnemen van examens.
Artikel 11j
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting en beheer van het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties.
1.
Onze Minister brengt de kosten die verband houden met de uitvoering van de krachtens artikel 4:9, derde lid, van de wet, gestelde regels in rekening bij exameninstituten als bedoeld in artikel 4:9, derde lid, van de wet.
2.
De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. kosten die verband houden met de ontwikkeling en het beheer van de centrale examenbank;
b. kosten die verband houden met de ontwikkeling en het beheer van de examenvragen;
c. kosten die verband houden met de ontwikkeling en het beheer van het informatiesysteem, bedoeld in artikel 4:9a, eerste lid, van de wet;
d. kosten die verband houden met de ontwikkeling en het beheer van de eindtermen en toetstermen, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en artikel 11, vijfde en zesde lid;
e. kosten die verband houden met de controle op een ordelijk verloop van de afname van examens;
f. kosten die verband houden met het faciliteren van inzage in gemaakte examens;
g. kosten die verband houden met de behandeling van klachten die betrekking hebben op de inhoud van de examens.
3.
Bij ministeriële regeling wordt het tarief vastgesteld dat per examen in rekening wordt gebracht in verband met de in het eerste lid bedoelde kosten. Voorts kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid genoemde kosten in rekening worden gebracht.
4.
De aanvrager van een erkenning als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, is voor het in behandeling nemen van een aanvraag een bij ministeriële regeling vastgesteld tarief verschuldigd.
Artikel 12
De Autoriteit Financiële Markten stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de wet buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
Artikel 13
De Autoriteit Financiële Markten neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 12, in ieder geval de volgende antecedenten in aanmerking:
a. de in de onderdelen 1 en 2 van bijlage C genoemde strafrechtelijke antecedenten;
b. de in onderdeel 3 van bijlage C genoemde financiële antecedenten;
c. de in onderdeel 4 van bijlage C genoemde toezichtantecedenten;
d. de in onderdeel 5 van bijlage C genoemde fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en
e. de in onderdeel 6 van bijlage C genoemde overige antecedenten.
1.
De Autoriteit Financiële Markten verkrijgt inzicht in de in artikel 12 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;
c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen;
d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
g. inlichtingen, verkregen van door betrokkenen opgegeven referenties;
h. gegevens uit openbare bronnen;
i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 12 bedoelde persoon betrokken is geweest;
j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of
k. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.
2.
Indien de gegevens en inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Autoriteit Financiële Markten aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Autoriteit Financiële Markten ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Autoriteit Financiële Markten stelt de betrokkene in dat geval schriftelijk vooraf in kennis van:
a. de reden van het nadere onderzoek;
b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
1.
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 12 staat niet buiten twijfel indien:
a. deze onherroepelijk veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage C , waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;
b. deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage C , waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;
c. deze veroordeeld is terzake van een overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen of artikel 65 van de Invorderingswet 1990, waarbij betrokkene veroordeeld is tot een gevangenisstraf of boete; of
d. deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen terzake van een feit, genoemd in onderdeel 5 van bijlage C , en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 16, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.
Artikel 16
De Autoriteit Financiële Markten neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 12, in aanmerking:
a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en
c. de overige belangen van de beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming, bewaarder of financiëledienstverlener en de betrokkene.
1.
Een beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de wet draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitrisico´s.
2.
De beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder draagt er zorg voor dat het beleid, bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de wet, zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.
3.
De beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder stelt alle relevante bedrijfsonderdelen in kennis van het beleid en de procedures en maatregelen.
4.
De beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder draagt zorg voor de uitvoering en de systematische toetsing van het beleid en de procedures en maatregelen.
5.
De beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder draagt zorg voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen.
6.
De beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf tot een gepaste bijstelling leiden.
Artikel 18
Een beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van de privé-belangen van personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen, personen die onderdeel zijn van een orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, andere werknemers, of andere personen die in opdracht van de betrokken onderneming op structurele basis werkzaamheden voor haar verrichten met haar belangen of die van haar deelnemers.
1.
Een beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.
2.
De beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.
3.
De beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, icbe of pensioenbewaarder informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent incidenten.
1.
Een beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die hij onderscheidenlijk zij wil benoemen in een integriteitgevoelige functie.
2.
De beheerder van een icbe, bewaarder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of pensioenbewaarder draagt zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten.
1.
Een beleggingsinstelling of icbe als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt ter bescherming van de integriteit van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van deelnemers.
2.
Onverminderd het bepaalde ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme beschikt de beleggingsinstelling of icbe over procedures en maatregelen met betrekking tot de identificatie van deelnemers en de verificatie daarvan. De beleggingsinstelling of icbe accepteert een deelnemer niet indien zij de identiteit niet heeft vastgesteld overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.
3.
De beleggingsinstelling of icbe beschikt ter bescherming van de integriteit van het bedrijf over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.
4.
De beleggingsinstelling of icbe beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens van deelnemers, mede in relatie tot de door de deelnemer afgenomen producten, en de detectie van afwijkende transactiepatronen. Aan de hand van deze procedures en maatregelen bepaalt de beleggingsinstelling of icbe tevens de risico’s van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.
5.
De beleggingsinstelling of icbe draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten, de identificatie en verificatie van de gegevens van cliënten en de bewaking van transacties van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.
6.
Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing voorzover de beleggingsinstelling of icbe niet voorafgaand aan het intreden of uittreden van deelnemers in de beleggingsinstelling of icbe beslist omtrent acceptatie van deelnemers.
1.
Een beleggingsinstelling of icbe als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet onderzoekt, op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten, of in haar administratie bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen schaden.
2.
De beleggingsinstelling of icbe verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een door de Autoriteit Financiële Markten vast te stellen termijn, aan de Autoriteit Financiële Markten.
1.
Een beleggingsonderneming draagt er, met het oog op de integere uitoefening van haar bedrijf, zorg voor dat het beleid, bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de wet, zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.
2.
De beleggingsonderneming draagt zorg voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, en beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de personen die belast zijn met de taak, bedoeld in artikel 31c.
3.
De beleggingsonderneming beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf onder toezicht van de personen die zijn belast met de taak, bedoeld in artikel 31c, tot een gepaste bijstelling leiden.
1.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de behandeling en administratieve vastlegging van incidenten.
2.
De beleggingsonderneming neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.
3.
De beleggingsonderneming informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent incidenten.
1.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van een personeelslid dat zij wil benoemen in een integriteitgevoelige functie.
2.
De beleggingsonderneming draagt zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten
1.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van cliënten. Deze procedures en maatregelen hebben betrekking op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.
2.
Onverminderd het bepaalde ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme beschikt de beleggingsonderneming over procedures en maatregelen met betrekking tot de identificatie van cliënten en de verificatie daarvan. De beleggingsonderneming accepteert een cliënt niet indien zij de identiteit niet heeft vastgesteld overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.
3.
De beleggingsonderneming beschikt over procedures met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen producten en diensten, en de detectie van afwijkende transactiepatronen. Aan de hand van deze procedures en maatregelen worden tevens de risico’s ten aanzien van bepaalde cliënten of producten bepaald.
4.
De beleggingsonderneming draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling van cliënten naar risico en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.
1.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet onderzoekt, op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten, of in haar administratie bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen schaden.
2.
De beleggingsonderneming verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek aan de Autoriteit Financiële Markten, binnen een door deze vast te stellen termijn.
1.
Een financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:11, tweede lid, van de wet draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten, buiten twijfel staat.
2.
Een persoon als bedoeld in het eerste lid is betrouwbaar, indien hij een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over kan leggen, en hij niet failliet is verklaard, tenzij rehabilitatie als bedoeld in artikel 212 van de Faillissementswet heeft plaatsgevonden.
1.
Een financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de wet stelt procedures en maatregelen vast met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.
2.
De financiëledienstverlener neemt naar aanleiding van een incident passende maatregelen. Deze maatregelen zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.
3.
De financiëledienstverlener informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent incidenten.
Artikel 29a
De bedrijfsvoering van een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling voldoet aan de ingevolge artikel 18 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde eisen.
1.
De bedrijfsvoering van een beheerder van een icbe, icbe, beleggingsonderneming, bewaarder van een icbe of pensioenbewaarder, bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet voorziet in:
a. duidelijke besluitvormingsprocedures en een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur;
b. een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
c. eenduidige rapportagelijnen;
d. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie; en
e. adequate interne controleprocedures om te waarborgen dat beslissingen en procedures op alle niveaus in acht worden genomen.
2.
De bedrijfsvoering is afgestemd op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de financiële onderneming en de werkzaamheden van de financiële onderneming.
3.
De bedrijfsvoering wordt op een inzichtelijke wijze vastgelegd.
4.
De financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen om de vertrouwelijkheid en integriteit van informatie en de voortdurende beschikbaarheid en beveiliging van geautomatiseerde gegevensverwerking te waarborgen.
5.
De effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, wordt door de financiële onderneming ten minste jaarlijks getoetst.
De financiële onderneming voorziet erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.
6.
De effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt bij een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten of een beleggingsonderneming onafhankelijk getoetst. Daartoe beschikt de beheerder of een beleggingsonderneming over een organisatieonderdeel dat een interne controlefunctie uitoefent.
1.
Werknemers van een beleggingsonderneming of beheerder van een icbe en andere personen die door de desbetreffende financiële onderneming zijn belast met het beheren van icbe’s, het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten beschikken over de nodige vakbekwaamheid en deskundigheid om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheid uit te oefenen.
2.
Een beheerder van een icbe of een beleggingsonderneming zorgt ervoor dat werknemers die verscheidene functies uitoefenen, daardoor niet worden of kunnen worden belet een van deze functies op degelijke, eerlijke en professionele wijze uit te oefenen.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt rekening gehouden met de aard, omvang en risico’s van de financiële onderneming en de werkzaamheden van de beheerder respectievelijk de beleggingsonderneming.
Artikel 31a
Het organisatieonderdeel, bedoeld in artikel 30, zesde lid, heeft als taak:
a. het vaststellen en uitvoeren van een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de systemen, interne controleprocedures en regels van de financiële onderneming te onderzoeken en te beoordelen;
b. het doen van aanbevelingen op basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel a;
c. het controleren of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en
d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming inzake aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.
1.
Een beleggingsonderneming of beheerder van een icbe beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent.
2.
Het organisatieonderdeel, bedoeld in het eerste lid, heeft als taak:
a. het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de beheerder of de beleggingsonderneming zelf heeft opgesteld;
b. het adviseren van de personen die verantwoordelijk zijn voor het beheren van icbe’s, het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten bij de naleving van wettelijke regels en interne regels;
c. het toezien op de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne regels en procedures;
d. het beoordelen van de effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden bij de naleving van wettelijke regels en interne regels op te heffen; en
e. het tenminste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de beheerder of de beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder of de beleggingsonderneming inzake aangelegenheden met betrekking tot de naleving van wettelijke regels en interne regels. In de jaarlijkse rapportage wordt met name vermeld of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde tekortkomingen.
3.
Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.
1.
Een beheerder van een icbe zorgt ervoor dat de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder:
a. verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het algemene beleggingsbeleid voor elke door de beheerder beheerde icbe als omschreven in het prospectus, het fondsreglement of de statuten van de beheerder;
b. toezicht houden op de goedkeuring van beleggingsstrategieën voor elke door de beheerder beheerde icbe;
c. erop toezien dat de beheerder over een effectieve compliancefunctie beschikt als bedoeld in artikel 31c, eerste lid, heeft, ook al wordt deze functie door een derde uitgeoefend;
d. ervoor zorgen en zich periodiek van vergewissen dat het algemene beleggingsbeleid, de beleggingsstrategieën en de risicolimieten voor elke door de beheerder beheerde icbe op behoorlijke en doeltreffende wijze worden uitgevoerd en in acht genomen, ook al wordt de risicobeheerfunctie door een derde uitgeoefend;
e. periodiek de deugdelijkheid van de interne procedures voor het nemen van beleggingsbeslissingen voor elke door de beheerder beheerde icbe goedkeuren en evalueren, om te zorgen dat deze beslissingen met de goedgekeurde beleggingsstrategieën verenigbaar zijn; en
f. periodiek het risicobeheerbeleid en de procedures en maatregelen voor de uitvoering van het risicobeheerbeleid goedkeuren en evalueren, met inbegrip van het risicolimietensysteem voor elke door de beheerder beheerde icbe.
2.
De beheerder zorgt ervoor dat ten minste jaarlijks wordt gerapporteerd aan de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder over de uitvoering van de beleggingsstrategieën en interne procedures voor het nemen van de beleggingsbeslissingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e.
1.
Een beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten beschikt over interne regelingen en procedures die zijn gericht op een doeltreffend en prudent bestuur van de onderneming, dat voldoet aan de vereisten in artikel 88, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
2.
Een beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten, die significant is ingevolge artikel 31f, beschikt over een benoemingscommissie waarvan de taken en bevoegdheden voldoen aan de vereisten in artikel 88, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Artikel 31f
Een beleggingsonderneming is, mede voor de toepassing van artikel 4:9b, eerste lid, van de wet, significant indien zij door de Autoriteit Financiële Markten, gelet op haar omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van haar activiteiten als significant wordt aangemerkt.
Artikel 31g
Een beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten die over een website beschikt, geeft daarop uitleg over de wijze waarop zij voldoet aan de vereisten inzake bestuur, beloning en publicatie van gegevens in artikel 31e, de bij of krachtens artikel 23e van het Besluit prudentiële regels Wft gestelde regels, het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten en artikel 4:9b van de wet.
1.
Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 4:14 of 4:15 van de wet die financiële producten aanbiedt of samenstelt en in de markt verkrijgbaar stelt, beschikt over adequate procedures en maatregelen die waarborgen dat bij de ontwikkeling van het financieel product op een evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de consument, cliënt en, indien van toepassing, de begunstigde van het financieel product en dat het financieel product aantoonbaar het resultaat is van deze belangenafweging.
2.
De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd en waarborgen in ieder geval dat:
a. de doelgroep van het financieel product is afgebakend, waarbij is geanalyseerd en omschreven wat de beoogde doelstelling van de doelgroep is;
b. analyses worden uitgevoerd waarin de werking van het financieel product als geheel en de afzonderlijke onderdelen daarvan in verschillende scenario’s wordt vastgesteld en waaruit blijkt dat het financieel product, gelet op de aard van het product, geen afbreuk doet aan de doelstelling, bedoeld in onderdeel a;
c. de productinformatie en, voor zover redelijkerwijs mag worden verwacht, de distributie van het financieel product is afgestemd op de doelgroep, bedoeld in onderdeel a; en
d. regelmatig een controle en indien nodig een gepaste bijstelling van de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
3.
De financiële onderneming past periodiek, op door haar te bepalen tijdstippen of als daar aanleiding toe is, de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, toe op de financiële producten die door haar worden aangeboden, of zijn samengesteld en in de markt verkrijgbaar worden gesteld.
4.
Indien een financieel product afbreuk doet aan de belangen van de consument, cliënt of begunstigde voor wie het product ontwikkeld is, past de financiele onderneming zo spoedig mogelijk het product aan of staakt zij het aanbieden of samenstellen en het in de markt verkrijgbaar stellen van het financieel product.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
6.
Het vierde lid is niet van toepassing op het beheren of uitvoeren van overeenkomsten als bedoeld in de onderdelen a, b en c van de definitie van aanbieden in artikel 1:1 van de wet.
7.
Dit artikel is niet van toepassing op beheerders van een beleggingsinstelling die rechten van deelneming in een beleggingsinstelling aanbieden aan professionele beleggers, beheerders van een instelling voor collectieve belegging in effecten en beleggingsondernemingen.
1.
Een aanbieder als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt adviseert, bewaart, indien de advisering leidt tot het aangaan van een overeenkomst inzake het aanbevolen product met de consument onderscheidenlijk de cliënt, de informatie die hij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het verkochte financiële product, gedurende ten minste vijf jaren vanaf het moment van advisering.
2.
Een adviseur als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt adviseert, en het aanbevolen financiële product niet tevens aanbiedt aan de consument of cliënt of met betrekking tot het aanbevolen financiële product niet tevens bemiddelt of optreedt als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, bewaart de informatie die hij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het aanbevolen financiële product, gedurende ten minste vijf jaren vanaf het moment van advisering.
3.
Een bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt adviseert bewaart, indien de advisering leidt tot het aangaan van een overeenkomst met de consument onderscheidenlijk de cliënt inzake het aanbevolen product, de informatie die hij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het aanbevolen financiële product, gedurende ten minste vijf jaren vanaf het moment van advisering.
4.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen die bij de advisering uitsluitend te werk gaan volgens een gestandaardiseerde en gesystematiseerde procedure die voor de Autoriteit Financiële Markten verifieerbaar is, en die aan de hand van deze procedure aan de Autoriteit Financiële Markten kunnen aantonen welke informatie zij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet over consumenten onderscheidenlijk cliënten inwinnen en welke adviezen consumenten onderscheidenlijk cliënten op basis van de aldus ingewonnen informatie worden gegeven.
5.
Een aanbieder, bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die in het kader van een door hem verstrekt advies met een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt een overeenkomst aangaat onderscheidenlijk bemiddelt bij de totstandkoming van een overeenkomst inzake een ander financieel product dan waarover hij de consument onderscheidenlijk de cliënt heeft geadviseerd, is gedurende ten minste vijf jaren na de totstandkoming van de overeenkomst in staat om aan de Autoriteit Financiële Markten aan te tonen dat de consument onderscheidenlijk de cliënt in weerwil van het advies de keuze heeft gemaakt voor het aangaan van die overeenkomst.
Artikel 33
Een aanbieder van krediet als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet bewaart de informatie die hij ingevolge de artikelen 4:34, eerste lid, van de wet en 113 en 114 heeft ingewonnen, alsmede de door hem aangeboden overeenkomst inzake krediet, indien die overeenkomst tot stand is gekomen, ten minste gedurende vijf jaren na de dag waarop die overeenkomst is afgewikkeld.
1.
Een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling voert met betrekking tot de beleggingsinstellingen die hij beheert, beleid gericht op het beheersen van risico’s die de in artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, aanhef, van de wet bedoelde belangen kunnen schaden.
2.
De beheerder beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat wordt voldaan aan de ingevolge artikel 15, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde voorwaarden die met het oog op de in het eerste lid bedoelde belangen worden gesteld.
1.
De bedrijfsvoering van een beheerder van een icbe, icbe of bewaarder van een icbe als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet omvat ten minste procedures en maatregelen die waarborgen dat:
a. elke transactie waarbij de icbe is betrokken, kan worden gereconstrueerd;
b. het beheerde vermogen van de icbe overeenkomstig het beleggingsbeleid en de bij of krachtens de wet gestelde regels wordt belegd;
c. een functiescheiding bestaat tussen het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot het vermogen van de icbe en het controleren en administreren van deze handelingen;
d. een betrouwbare, juiste en consistente intrinsieke waarde van de icbe wordt bepaald;
e. het proces van intrinsieke waardebepaling binnen de beheerder van een icbe of de maatschappij voor collectieve belegging in effecten wordt gescheiden van de overige activiteiten van de beheerder van een icbe of de maatschappij voor collectieve belegging in effecten;
f. de berekening van de intrinsieke waarde van de icbe aansluit bij de financiële administratie;
g. de risico’s die samenhangen met het beleggingsproces op een systematische wijze worden beheerst en geanalyseerd; en
h. er, voorzover mogelijk, een systematische, toegankelijke en actuele administratie van deelnemers in de icbe is waarin, voorzover van toepassing, de met de deelnemers gemaakte afspraken inzichtelijk worden gemaakt.
2.
De maatregelen en procedures, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel f, voorzien er in ieder geval in dat de voor de intrinsieke waardebepaling gebruikte subadministraties ten minste een keer per maand worden aangesloten met de saldibalans en dat de daaruit voortvloeiende verschillen worden geanalyseerd en gecorrigeerd.
3.
De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, van een icbe omvatten in ieder geval een procedure voor de waardevaststelling van financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld.
4.
Een beheerder van een icbe richt voor iedere icbe die hij beheert afzonderlijk een bedrijfsvoering als bedoeld in het eerste lid in.
1.
Een beheerder van een icbe stelt procedures en regelingen vast en past die toe zodat hij in staat is om de Autoriteit Financiële Markten op verzoek zo spoedig mogelijk financiële verslagen te verstrekken die een getrouw beeld geven van zijn financiële positie en die aan alle toepasselijke standaarden en regels voor financiële verslaggeving voldoen.
2.
Onverminderd artikel 34 wordt de administratie van een icbe zodanig gevoerd dat de activa en passiva van de icbe te allen tijde rechtstreeks kunnen worden geïdentificeerd.
3.
Een beheerder van een icbe onderwerpt de waardevaststelling van financiële derivaten, bedoeld in artikel 34, derde lid, aan een adequate, accurate en onafhankelijke toetsing.
4.
De procedure met betrekking tot de waardevaststelling van financiële derivaten, bedoeld in artikel 34, derde lid, is adequaat en evenredig gelet op de aard en complexiteit van de desbetreffende financiële derivaten.
5.
De procedure, bedoeld in het vierde lid, wordt op adequate wijze vastgelegd.
1.
Een beheerder van een icbe treft maatregelen die waarborgen dat gegevens ten behoeve van de reconstructie van elke transactie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, worden bijgehouden.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, omvatten in ieder geval:
a. de naam of een andere omschrijving van de icbe en van de persoon die voor rekening van de icbe handelt;
b. de bijzonderheden die nodig zijn om het financieel instrument te identificeren;
c. het aantal orders of transacties;
d. het soort order of transactie;
e. de prijs per eenheid;
f. met betrekking tot orders, de datum en het tijdstip waarop de order is doorgegeven, en de naam of een andere omschrijving van de persoon aan wie de order is doorgegeven;
g. met betrekking tot transacties, de datum en het tijdstip waarop de handelsbeslissing is genomen en de transactie is uitgevoerd;
h. de naam van de persoon die de order doorgeeft of de transactie uitvoert;
i. in voorkomend geval, de redenen voor het intrekken van een order; en
j. voor uitgevoerde transacties, de tegenpartij en de plaats van uitvoering.
1.
Een beheerder van een icbe treft redelijke maatregelen om te waarborgen dat de gegevens over ontvangen opdrachten tot inschrijving of terugbetaling van rechten van deelneming met betrekking tot de icbe na ontvangst van een dergelijke opdracht onmiddellijk centraal worden geadministreerd.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, omvatten informatie met betrekking tot de volgende aspecten:
a. de betrokken icbe;
b. de persoon die de opdracht tot inschrijving of terugbetaling van rechten van deelneming heeft gegeven of overgedragen;
c. de persoon die de opdracht heeft ontvangen;
d. de datum en het tijdstip van de ontvangen opdracht;
e. de betalingsvoorwaarden en betalingsmiddelen;
f. het soort opdracht;
g. de datum van uitvoering van de opdracht;
h. het aantal rechten van deelneming waarop wordt ingeschreven of dat wordt terugbetaald;
i. de prijs van de inschrijving of de terugbetaling voor elk recht van deelneming;
j. de totale waarde van de inschrijving of terugbetaling van de rechten van deelneming; en
k. de brutowaarde van de opdracht inclusief de kosten van inschrijving of het nettobedrag na aftrek van de kosten van terugbetaling.
1.
Een beheerder van een icbe bewaart de gegevens, bedoeld in de artikelen 34b, eerste lid, en 34c, eerste lid, gedurende tenminste vijf jaar.
2.
Een beheerder van een icbe bewaart de gegevens op een duurzame drager in en zodanige vorm en op zodanige wijze dat:
a. de Autoriteit Financiële Markten vlot toegang kan hebben tot de gegevens en elk stadium van de verwerking van een transactie kan reconstrueren;
b. alle wijzigingen, alsmede de inhoud van de gegevens voordat wijzigingen zijn aangebracht, gemakkelijk kunnen worden achterhaald; en
c. de gegevens niet anderszins gemanipuleerd of gewijzigd kunnen worden.
3.
Indien de beheerder zijn verantwoordelijkheden met betrekking tot de icbe aan een andere beheerder overdraagt, worden maatregelen getroffen zodat de gegevens betreffende de voorafgaande vijf jaar voor de andere beheerder toegankelijk zijn.
Artikel 34e
De bedrijfsvoering van een pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet omvat ten minste procedures en maatregelen die waarborgen dat:
a. elke transactie in verband met het overgedragen pensioenvermogen, kan worden gereconstrueerd;
b. het overgedragen pensioenvermogen overeenkomstig het door de premiepensioeninstelling bepaalde beleggingsbeleid en de bij of krachtens de wet gestelde regels wordt belegd;
c. de risico’s die samenhangen met het beleggingsproces op een systematische wijze worden beheerst en geanalyseerd;
d. een functiescheiding bestaat tussen het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot het overgedragen pensioenvermogen en het controleren en administreren van deze handelingen;
e. alle rechten en verplichtingen van de pensioenbewaarder juist, tijdig en volledig worden vastgelegd in een daartoe bestemde administratie; en
f. de administratie van het overgedragen pensioenvermogen ten minste een keer per maand wordt aangesloten met de saldibalans en dat de daaruit voortvloeiende verschillen worden geanalyseerd en gecorrigeerd;
Artikel 34f
De bedrijfsvoering van een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet omvat ten minste procedures en maatregelen die waarborgen dat:
a. er een systematische, toegankelijke en actuele administratie van pensioendeelnemers en pensioengerechtigden is waarin, voor zover van toepassing, de rechten en verplichtingen van die deelnemers en gerechtigden en de daarmee verband houdende afspraken inzichtelijk worden gemaakt;
b. de administratie, bedoeld in onderdeel a, zodanig is dat deze geen belemmering vormt of kan vormen voor de toepassing van de regeling van artikel 4:71a van de wet.
1.
Een beleggingsonderneming houdt gegevens bij over alle door haar verleende beleggingsdiensten, nevendiensten en verrichte beleggingsactiviteiten ten einde het toezicht op de naleving van hetgeen ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald mogelijk te maken.
2.
De beleggingsonderneming bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende ten minste vijf jaar.
3.
Een beleggingsonderneming bewaart de gegevens met betrekking tot de overeenkomst, bedoeld in artikel 4:89, tweede lid, van de wet, ten minste voor de duur van de relatie met de cliënt.
4.
Een beleggingsonderneming bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste en derde lid, op een duurzame drager in een zodanige vorm en op zodanige wijze dat:
a. de Autoriteit Financiële Markten vlot toegang kan hebben tot de gegevens en elk stadium van de verwerking van een transactie kan reconstrueren;
b. alle wijzigingen, alsmede de inhoud van de gegevens voordat wijzigingen zijn aangebracht, gemakkelijk kunnen worden achterhaald;
c. de gegevens niet anderszins gemanipuleerd of gewijzigd kunnen worden.
5.
De Autoriteit Financiële Markten stelt een lijst op van gegevens die een beleggingsonderneming op grond van hetgeen ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald, ten minste moet bewaren.
1.
Een beheerder van een icbe of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten tussen de beheerder van een icbe of beleggingsonderneming en haar cliënten of tussen haar cliënten onderling.
2.
De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn erop gericht dat relevante personen die betrokken zijn bij verschillende bedrijfsactiviteiten waarbij het risico bestaat op een belangenconflict als bedoeld in het eerste lid, deze activiteiten verrichten in een mate van onafhankelijkheid die evenredig is aan de omvang en activiteiten van de beheerder van een icbe of beleggingsonderneming en de groep waarvan zij deel uitmaakt, en aan de grootte van het risico dat de belangen van een cliënt worden geschaad.
3.
De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten, voor zover nodig en passend om de mate van onafhankelijkheid, bedoeld in het tweede lid, te waarborgen:
a. procedures ter voorkoming of controle van de uitwisseling van informatie tussen relevante personen die verschillende activiteiten verrichten waarbij het risico bestaat op een belangenconflict wanneer de uitwisseling van deze informatie de belangen van een cliënt kan schaden;
b. controle op de activiteiten van relevante personen wier hoofdtaken bestaan in het uitoefenen van activiteiten in naam van, of het verlenen van diensten aan cliënten wier belangen met elkaar in strijd kunnen zijn;
c. de uitsluiting van elk direct verband tussen de beloning van relevante personen die hoofdzakelijk betrokken zijn bij de ene activiteit en de beloning van of de inkomsten gegenereerd door andere relevante personen die hoofdzakelijk betrokken zijn bij een andere activiteit, wanneer door deze activiteiten een belangenconflict kan ontstaan;
d. maatregelen om te voorkomen of het risico te beperken dat een persoon zodanige invloed uitoefent op de wijze waarop een relevante persoon werkzaamheden in verband met het beheer van een icbe onderscheidenlijk beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten verricht, dat daardoor een belangenconflict ontstaat of kan ontstaan;
e. maatregelen ter voorkoming of controle van de gelijktijdige of achtereenvolgende betrokkenheid van een relevante persoon bij verschillende werkzaamheden in verband met het beheer van een icbe onderscheidenlijk beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten wanneer een dergelijke betrokkenheid kan leiden tot het ontstaan van belangenconflicten.
4.
Indien bij vaststelling of toepassing van procedures of maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet de in het tweede lid bedoelde mate van onafhankelijkheid kan worden gewaarborgd, draagt de beheerder van een icbe of beleggingsonderneming zorg voor alternatieve of aanvullende procedures of maatregelen.
1.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet legt de gegevens vast die betrekking hebben op de soorten door of in naam van de onderneming verrichte beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten waarbij een belangenconflict is ontstaan of kan ontstaan dat een wezenlijk risico met zich brengt dat de belangen van een of meer cliënten worden geschaad.
2.
Een beheerder van een icbe legt de gegevens vast die betrekking hebben op de soorten door of in naam van de beheerder verrichte werkzaamheden in verband met het beheren van beleggingen waarbij een belangenconflict is ontstaan of kan ontstaan dat een wezenlijk risico met zich brengt dat de belangen van een of meer icbe's of van de deelnemers worden geschaad.
3.
De beheerder zorgt ervoor dat de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder onmiddellijk in kennis worden gesteld wanneer de getroffen maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten niet volstaan om met redelijke zekerheid te garanderen dat risico’s dat de belangen van de icbe of de deelnemers ervan worden geschaad, zullen worden vermeden, zodat zij alle nodige beslissingen kunnen nemen om te waarborgen dat de beheerder in ieder geval handelt in het belang van de icbe en haar deelnemers.
4.
De beheerder stelt de deelnemers van een door hem beheerde icbe via een duurzame drager op de hoogte van de situaties, bedoeld in het derde lid, met opgave van redenen van de beslissing die de personen die het dagelijks beleid bepalen ter zake hebben genomen.
1.
Een beheerder van een icbe of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot persoonlijke transacties.
2.
De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn er op gericht dat indien een relevante persoon betrokken is bij het verrichten van activiteiten die een belangenconflict kunnen doen ontstaan, of indien een relevante persoon als gevolg van een activiteit die hij in naam van de beheerder of beleggingsonderneming verricht toegang heeft tot informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de wet of tot andere vertrouwelijke informatie over cliënten of transacties met of voor cliënten:
a. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die in strijd is met artikel 5:56 of 5:58 Wft;
b. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die gepaard gaat met misbruik of ongeoorloofde bekendmaking van de in de aanhef bedoelde vertrouwelijke informatie;
c. geen persoonlijke transactie door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die anderszins in strijd is of in strijd kan zijn met hetgeen ter uitvoering van de herziene richtlijn beleggingsinstellingen of de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald;
d. de relevante persoon niet, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, een andere persoon adviseert om een transactie in een financieel instrument aan te gaan die, wanneer dit een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan op grond van onderdeel a, b of c, of onder artikel 35h, onderdeel a of b of artikel 164, derde lid zou vallen; en
e. de relevante persoon geen informatie of advies aan een andere persoon bekendmaakt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, indien de relevante persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de andere persoon een transactie in een financieel instrument zal of zou kunnen aangaan die, wanneer dit een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan op grond van onderdeel a, b of c, of onder artikel 35h, onderdeel a of b of artikel 164, derde lid zou vallen;
f. de relevante persoon geen informatie of advies aan een andere persoon bekendmaakt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf indien de relevante persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de andere persoon een derde zal of zou kunnen adviseren een transactie in een financieel instrument aan te gaan die, wanneer het een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn toegestaan.
Artikel 35d
Een beheerder van een icbe of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet draagt er zorg voor dat relevante personen op de hoogte zijn van de door haar vastgestelde maatregelen en procedures, bedoeld in artikel 35c, eerste lid.
1.
De procedures en maatregelen bedoeld in artikel 35c, eerste lid, houden in dat de beleggingsonderneming of beheerder van een icbe onverwijld in kennis wordt gesteld van elke persoonlijke transactie.
2.
De beleggingsonderneming of beheerder van een icbe houdt gegevens bij van aan haar gemelde of door haar onderkende persoonlijke transacties en vermeldt daarbij in voorkomend geval tevens of de desbetreffende transactie is toegestaan.
3.
Ingeval van uitbesteding draagt de beleggingsonderneming of beheerder van een icbe zorg voor registratie door de onderneming waaraan de activiteit wordt uitbesteed van gegevens met betrekking tot persoonlijke transacties. Deze gegevens worden desgevraagd onverwijld aan de beleggingsonderneming of beheerder van een icbe verstrekt.
4.
Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op achtereenvolgende persoonlijke transacties, met uitzondering van de eerste persoonlijke transactie, die worden uitgevoerd namens een relevante persoon overeenkomstig vooraf door de relevante persoon gegeven instructies, wanneer de instructies ongewijzigd van kracht blijven.
Artikel 35f
De artikelen 35c, 35d en 35e, eerste tot en met het derde lid, zijn niet van toepassing op:
a. persoonlijke transacties verricht in het kader van het beheer van een individueel vermogen of collectief beheer van een beleggingsportefeuille waarbij het vermogen respectievelijk de portefeuille op discretionaire basis wordt beheerd en waarbij over de transactie geen voorafgaande communicatie heeft plaatsgevonden tussen de vermogensbeheerder en de relevante persoon of een andere persoon als bedoeld in de definitie van persoonlijke transactie, onder 3° of 4°, in artikel 1, voor wiens rekening de transactie wordt uitgevoerd;
b. persoonlijke transacties in rechten van deelneming in icbe's, indien noch de relevante persoon, noch een persoon als bedoeld in de definitie van persoonlijke transactie, onder 3° of 4°, in artikel 1, voor wiens rekening de transacties worden uitgevoerd, bij de leiding van de betreffende instelling betrokken is.
1.
Indien een beleggingsonderneming onderzoek op beleggingsgebied verricht of laat verrichten waarvan het de bedoeling is of aangenomen mag worden dat het daarna onder eigen verantwoordelijkheid of onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde groep als de beleggingsonderneming onder cliënten of onder het publiek wordt verspreid, is artikel 35a, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de financieel analisten die betrokken zijn bij het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied, en andere relevante personen wier verantwoordelijkheden of zakelijke belangen in strijd kunnen zijn met de belangen van degenen onder wie het onderzoek op beleggingsgebied wordt verspreid.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van de ingevolge het eerste lid toepasselijke bepalingen indien de beleggingsonderneming voornemens is door een derde, die geen deel uitmaakt van de groep waartoe de beleggingsonderneming behoort, verricht onderzoek op beleggingsgebied te verspreiden en de beleggingsonderneming:
a. geen ingrijpende wijzigingen aanbrengt in de aanbevelingen in het onderzoek;
b. het onderzoekniet presenteert als onderzoek dat zij zelf heeft verricht; en
c. zich ervan vergewist dat degene die het onderzoek heeft verricht aan verplichtingen voldoet met betrekking tot het verrichten van het onderzoek die gelijkwaardig zijn aan hetgeen ingevolge dit besluit is bepaald met betrekking tot het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied.
Artikel 35h
Een beleggingsonderneming die onderzoek op beleggingsgebied verricht of laat verrichten en voornemens is dat onderzoek onder cliënten of het publiek te verspreiden, draagt er zorg voor dat:
a. de bij het onderzoek betrokken financieel analisten of andere relevante personen geen transacties verrichten namens de beleggingsonderneming of andere personen, in financiële instrumenten waarop het onderzoek op beleggingsgebied betrekking heeft, dan wel in daarmee gelieerde financiële instrumenten, behalve als marketmaker, indien zij op de hoogte zijn van het tijdstip van verspreiding of de inhoud van het onderzoek op beleggingsgebied en deze kennis niet openbaar is, totdat de ontvangers van het onderzoek een redelijke kans hebben gehad ernaar te handelen;
b. de bij het onderzoek betrokken financieel analisten of andere relevante personen die bij het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied zijn betrokken, geen met de gangbare aanbevelingen strijdige persoonlijke transacties verrichten in financiële instrumenten waarop het onderzoek op beleggingsgebied betrekking heeft, dan wel in daarmee gelieerde financiële instrumenten, behalve in uitzonderingsgevallen en in die gevallen met voorafgaande instemming van het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie, bedoeld in artikel 31c, uitoefent;
c. zijzelf, financieel analisten en andere relevante personen die bij het verrichten van het onderzoek zijn betrokken, geen vergoeding aanvaarden van degenen die een wezenlijk belang hebben bij het onderwerp van het onderzoek;
d. zijzelf, de financieel analisten en andere relevante personen die bij het verrichten van onderzoek op beleggingsgebied zijn betrokken, aan uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:53, vierde lid, van de wet, niet een gunstige behandeling beloven in hun onderzoek; en
e. uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:53, vierde lid, van de wet, relevante personen die geen financieel analist zijn, en andere personen vóór de verspreiding van het onderzoek geen inzage krijgen in het concept-onderzoek ter controle van de juistheid van de feitelijke beweringen in dit onderzoek of voor andere doeleinden, met uitzondering van een controle op de naleving van de juridische verplichtingen van de uitgevende instelling, indien het concept-onderzoek een aanbeveling of richtprijs bevat.

Hoofdstuk 6. Uitbesteden van werkzaamheden

Bepalingen ter uitvoering van artikel 4:16, tweede en derde lid, van de wet
Artikel 36
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. beheerders van icbe’s met zetel in een andere lidstaat, icbe’s met zetel in een andere lidstaat en de eventueel aan die instellingen verbonden bewaarders van icbe’s; en
b. beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat, beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat en de eventueel aan die beleggingsinstellingen verbonden bewaarders.
Artikel 37
Een financiële onderneming gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat een belemmering vormt voor een adequaat toezicht op de naleving van het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet.
1.
Uitbesteding van werkzaamheden in een door een Nederlandse beheerder beheerde beleggingsinstelling door een beheerder of een derde is slechts toegestaan, indien wordt voldaan aan de ingevolge artikel 20 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde eisen.
2.
Een bewaarder neemt bij de uitbesteding aan een derde van taken die hij ten behoeve van een beleggingsinstelling verricht de ingevolge artikel 21, elfde en zeventiende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde regels in acht.
1.
Indien een beheerder van een icbe of bewaarder van een icbe in het kader van het beheer van een icbe onderscheidenlijk in het kader van de bewaring van de activa van een icbe een of meer werkzaamheden uitbesteedt:
a. is de derde op ieder door de beheerder van de icbe, de door de beheerder beheerde maatschappij voor collectieve belegging in effecten of de bewaarder van de icbe gewenst moment in staat verantwoording af te leggen over de door hem uitgevoerde werkzaamheden en de beheerder van de icbe, de door de beheerder beheerde maatschappij voor collectieve belegging in effecten of de bewaarder van de icbe daar inzicht in te bieden;
b. kan de beheerder van de icbe of de bewaarder van de icbe te allen tijde instructies omtrent de uitvoering van de werkzaamheden geven aan de derde en kan hij de uitbesteding met onmiddellijke ingang beëindigen indien dit in het belang van de beleggers is; en
c. is de derde, gelet op de aard van de opdracht, aantoonbaar in staat om de opdracht in overeenstemming met de wet te vervullen.
2.
Een beheerder van een icbe besteedt het bepalen van het beleggingsbeleid van een icbe niet uit.
3.
Iedere overeenkomst die een beheerder van een icbe of een bewaarder van een icbe aangaat in het kader van het uitbesteden van het beheer van een icbe onderscheidenlijk in het kader van de bewaring van de activa van een icbe, wordt schriftelijk vastgelegd.
1.
Indien een beheerder van een icbe voornemens is werkzaamheden uit te besteden, stelt hij de Autoriteit Financiële Markten daarvan in kennis. De Autoriteit Financiële Markten geeft deze informatie onverwijld door aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de icbe.
2.
Een beheerder van een icbe die het beheer van een icbe uitbesteedt draagt er zorg voor dat:
a. uitbesteding van het beheer van beleggingengeschiedt aan een derde waaraan voor het beheren van beleggingsinstellingen of het beheren van individuele vermogens een vergunning of erkenning is verleend en die aan prudentieel toezicht is onderworpen;
b. bij uitbesteding van het beheer van beleggingen aan een derde met zetel in een staat die geen lidstaat of aangewezen staat is, de samenwerking van de toezichthouders met de toezichthoudende instanties van de staat van de zetel van de derde op grond van een overeenkomst is gewaarborgd;
c. de belangen van de derde niet strijdig zijn met die van de beheerder zelf, de bewaarder of de deelnemers in de icbe;
d. de uitbesteding niet verhindert dat wordt gehandeld in het beste belang van de deelnemers; en
e. hij de nodige deskundigheid behoudt om een doeltreffende controle op de uitbestede werkzaamheden uit te oefenen; en
f. hij over de nodige deskundigheid beschikt en de nodige zorgvuldigheid en waakzaamheid in acht neemt bij het aangaan, beheren of beëindigen van overeenkomsten met derden.
3.
De beheerder draagt er zorg voor dat de betrokken derde over de nodige deskundigheid en capaciteit beschikt om de uitbestede werkzaamheden op betrouwbare, professionele en doeltreffende wijze uit te oefenen. De beheerder stelt methoden vast voor de doorlopende beoordeling van het prestatieniveau van de desbetreffende derde.
1.
Een beleggingsonderneming gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van haar onafhankelijke interne toetsing als bedoeld in artikel 31, zesde lid.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.
1.
Een beleggingsonderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt er zorg voor dat zij daartoe over de nodige deskundigheid beschikt en daarbij de nodige zorgvuldigheid en waakzaamheid in acht neemt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.
1.
Een beleggingsonderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde draagt er zorg voor dat:
a. de uitbesteding geen afbreuk doet aan de verantwoordelijkheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen;
b. door de uitbesteding de relatie en verplichtingen van de beleggingsonderneming jegens haar cliënten uit hoofde van hetgeen ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald niet worden gewijzigd;
c. de voorwaarden waaraan de beleggingsonderneming moet voldoen om een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de wet te verkrijgen en om deze te behouden niet worden ondermijnd; en
d. door de uitbesteding geen afbreuk wordt gedaan aan de naleving van voorschriften verbonden aan de vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de wet.
2.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.
1.
Een beleggingsonderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde legt de wederzijdse rechten en verplichtingen vast in een schriftelijke overeenkomst.
2.
De beleggingsonderneming draagt er zorg voor dat:
a. de derde over de deskundigheid, de capaciteit en elke bij wet vereiste vergunning beschikt om de uitbestede werkzaamheden op betrouwbare en professionele wijze uit te voeren;
b. de derde de uitbestede werkzaamheden efficiënt verricht en dat zij methoden vaststelt om het prestatieniveau van de derde te beoordelen;
c. de derde de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden afdoende controleert en de daaraan verbonden risico´s op adequate wijze beheerst;
d. zij passende actie onderneemt indien blijkt dat de derde de werkzaamheden niet efficiënt en met inachtneming van de wettelijke voorschriften uitvoert;
e. zij de nodige deskundigheid behoudt om een doeltreffend controle op de uitbestede werkzaamheden uit te oefenen;
f. de derde haar in kennis stelt van elke ontwikkeling die van wezenlijke invloed kan zijn op zijn vermogen om de uitbestede werkzaamheden efficiënt en met inachtneming van de wettelijke voorschriften uit te voeren;
g. zij de uitbestedingsovereenkomst indien nodig kan beëindigen zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de continuïteit of de kwaliteit van haar dienstverlening aan cliënten;
h. de derde met betrekking tot de uitbestede werkzaamheden medewerking verleent aan de toezichthouders;
i. zij, haar accountants en de toezichthouders toegang hebben tot de gegevens over de uitbestede werkzaamheden en dat de toezichthouders bij de derde een onderzoek ter plaatse kunnen doen of laten doen;
j. de derde alle vertrouwelijke informatie over haar en haar cliënten beschermt;
k. zij en de derde over een noodplan beschikken dat voorziet in calamiteitenbeheersing en in een periodieke controle van de noodvoorzieningen wanneer dit noodzakelijk is gelet op de uitbestede werkzaamheden.
3.
De toezichthouders maken slechts gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel i, om bij de derde een onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen, indien niet op andere wijze kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde.
4.
Het eerste, tweede en derde lid, onderdelen a, b, d, e en g zijn niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.
1.
Een beleggingsonderneming die het beheren van een individueel vermogen van een niet-professionele belegger uitbesteedt aan een derde in een staat die geen lidstaat is, draagt er, onverminderd de artikelen 38c en 38d, zorg voor dat:
a. de derde in de staat van herkomst voor het beheren van individueel vermogen een vergunning heeft of in een register is ingeschreven en onder prudentieel toezicht staat; en
b. er een samenwerkingsovereenkomst is gesloten tussen de toezichthouders en de toezichthoudende instantie van de staat die geen lidstaat is.
2.
Indien niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan de beleggingsonderneming de betreffende werkzaamheden uitbesteden indien zij de Autoriteit Financiële Markten vooraf in kennis stelt van de uitbestedingsovereenkomst en deze binnen een redelijke termijn geen bezwaar maakt.
3.
De Autoriteit Financiële Markten stelt beleidsregels vast met betrekking tot de gevallen waarin zij geen bezwaar zal aantekenen in de zin van het tweede lid.
4.
De Autoriteit Financiële Markten maakt een lijst bekend van toezichthoudende instanties in staten die geen lidstaat zijn met wie zij een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft gesloten.
Artikel 38g
Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid, niet uit.
Artikel 38h
Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 38g gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van de interne controle van de betaalinstelling of elektronischgeldinstelling.
Artikel 38i
Indien een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling voornemens is werkzaamheden in verband met het verlenen van betaaldiensten dan wel met de uitgifte van elektronisch geld uit te besteden, stelt zij de toezichthouder daarvan in kennis.
Artikel 38j
Bij de uitbesteding van werkzaamheden in verband met het verlenen van betaaldiensten dan wel de uitgifte van elektronisch geld draagt de betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling er zorg voor dat uitbesteding de verplichtingen van de betaalinstelling, onderscheidenlijk de elektronischgeldinstelling, jegens haar cliënten en de rechten van haar cliënten uit hoofde van de wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet wijzigt.
1.
De artikelen 37, 38g, 38h en 38j zijn slechts van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden door betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen voor zover het belangrijke werkzaamheden betreft.
2.
Een werkzaamheid wordt als belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling van de vergunningsvereisten, als bedoeld in artikel 2:3b van de wet respectievelijk artikel 2:10b van de wet, of van andere verplichtingen ingevolge de wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel aan haar financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar betaaldiensten of uitgifte van elektronisch geld.
Artikel 38l
Indien een premiepensioeninstelling of pensioenbewaarder in het kader van het beheer van een pensioenvermogen onderscheidenlijk in het kader van de bewaring van een pensioenvermogen een of meer werkzaamheden uitbesteedt:
a. is de derde op ieder door de premiepensioeninstelling of de pensioenbewaarder gewenst moment in staat verantwoording af te leggen over de door hem uitgevoerde werkzaamheden en de premiepensioeninstelling of de pensioenbewaarder daar inzicht in te bieden;
b. kan de premiepensioeninstelling of de pensioenbewaarder te allen tijde instructies omtrent de uitvoering van de werkzaamheden geven aan de derde en kan hij de uitbesteding met onmiddellijke ingang beëindigen indien dit in het belang van de pensioendeelnemers is; en
c. is de derde, gelet op de aard van de opdracht, aantoonbaar in staat om de opdracht in overeenstemming met de wet te vervullen.
Artikel 39
Deze paragraaf is van toepassing op financiële ondernemingen waarvoor op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de wet de verplichting geldt om over een interne klachtenprocedure te beschikken.
Artikel 40
De financiële onderneming stelt aan alle personen die binnen de onderneming betrokken zijn bij de afhandeling van klachten van consumenten, cliënten of deelnemers over betaaldiensten, financiële diensten of financiële producten van de financiële onderneming, een beschrijving beschikbaar van de te volgen procedure voor de afhandeling van die klachten.
1.
De financiële onderneming beschikt met het oog op een adequate behandeling van klachten als bedoeld in artikel 40 over een behoorlijke administratie van klachten, waarin ten minste worden vastgelegd:
a. de naam en het adres van de klager;
b. de klacht, met daarbij behorende dagtekening van ontvangst;
c. een omschrijving van de klacht;
d. een beschrijving van de wijze waarop zij de klacht heeft behandeld.
2.
De financiële onderneming bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende een periode van ten minste een jaar nadat de klacht door haar is afgehandeld.
Artikel 42
De financiële onderneming informeert de klager bij een gehele of een gedeeltelijke afwijzing van diens klacht over financiële diensten of financiële producten over de mogelijkheid om de klacht voor te leggen aan de de op grond van artikel 16 van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten aangewezen geschilleninstantie waarbij zij is aangesloten, onder vermelding van de geldende termijnen. Daarbij wordt tevens vermeld dat een geschil ook direct bij een burgerlijke rechter aanhangig kan worden gemaakt.
1.
De financiële onderneming draagt er zorg voor dat klachten binnen een redelijke termijn worden afgehandeld.
2.
De financiële onderneming bevestigt de ontvangst van de klacht en bericht de klager binnen twee weken na ontvangst van de klacht binnen welke termijn de klacht zal worden afgehandeld.
3.
De klager kan vanaf zes weken na ontvangst van de ontvangstbevestiging of acht weken na het indienen van de klacht, de klacht rechtstreeks voorleggen aan de de in artikel 42 bedoelde aangewezen geschilleninstantie waarbij de financiële onderneming is aangesloten.
4.
Indien de financiële onderneming voor de afwikkeling van de klacht nadere informatie nodig heeft van de klager, verzoekt zij deze informatie van de klager en geeft een termijn voor de beantwoording. De termijnen als bedoeld in het derde lid worden verlengd met de termijn voor beantwoording, of met de termijn waarbinnen de verzochte informatie wordt ontvangen door de financiële onderneming.
Artikel 44
De financiële onderneming voorziet in procedures en maatregelen die waarborgen dat klachten van klagers zorgvuldig, verifieerbaar, consistent en binnen de in artikel 43 gestelde termijn worden afgehandeld.
Artikel 44a
Voor zover een cliënt of deelnemer als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de wet niet tevens een consument is in de zin van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten , geschiedt de beslechting van geschillen als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel b, van de wet met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten. Voorts staat de geschillenbeslechting tevens open voor cliënten, consumenten en deelnemers die buiten de Europese Unie woonachtig of gevestigd zijn.
1.
Een geschilleninstantie voldoet, in aanvulling op de uit de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting voortvloeiende vereisten, tevens aan de volgende vereisten:
a. de bij die geschilleninstantie aangesloten financiële ondernemingen vormen een groep van voldoende betekenis en veelsoortigheid of er kan aannemelijk gemaakt worden dat dit op korte termijn na erkenning het geval zal zijn;
b. de geschilleninstantie draagt in voldoende mate bij tot het oplossen van geschillen die hun oorsprong vinden in klachten over financiële producten en diensten;
c. de geschilleninstantie beschikt over een adequate financieringssystematiek en realiseert een adequate bezettingsgraad;
d. de implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten en de artikelen 45 tot en met 48f.
2.
Aan de aanwijzing van een geschilleninstantie kunnen door Onze Minister voorschriften worden verbonden.
3.
Onze Minister kan bij de beoordeling van een aanvraag om te worden aangewezen een uitzondering maken op het eerste lid, onderdeel a, indien de in dat onderdeel bedoelde groep financiële ondernemingen dezelfde financiële producten of financiële diensten aanbiedt en deze niet verweven zijn met andere financiële producten of financiële diensten.
1.
Een geschilleninstantie heeft een onafhankelijk en naar behoren samengesteld bestuur.
2.
De onafhankelijkheid van het bestuur vereist ten minste dat de leden vanaf de aanvaarding van hun functie en gedurende een jaar voorafgaande aan de aanvaarding van hun functie niet werkzaam zijn of zijn geweest voor of enige functie bekleden of bekleed hebben bij een financiële onderneming of een beroepsorganisatie daarvan.
3.
De bij de benoeming van bestuursleden te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd. De procedure wordt ter goedkeuring aan Onze Minister voorgelegd.
1.
De geschilleninstantie draagt er zorg voor dat de met buitengerechtelijke geschillenbeslechting belaste personen vanaf de aanvaarding van hun functie en gedurende een jaar voorafgaande aan de aanvaarding van hun functie niet werkzaam zijn of zijn geweest voor of enige functie bekleden of bekleed hebben bij een financiële onderneming of beroepsorganisatie van financiële ondernemingen.
2.
De bij de benoeming van een persoon, bedoeld in het eerste lid, te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd. De procedure behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
1.
Een geschilleninstantie beschikt over en handelt in overeenstemming met een reglement voor de behandeling van geschillen dat ten minste omvat:
a. een duidelijke omschrijving van de geschillen die ter behandeling aan de geschilleninstantie kunnen worden voorgelegd;
b. regels met betrekking tot het aanhangig maken van een geschil en een duidelijke omschrijving van de partijen die een geschil aanhangig kunnen maken;
c. regels met betrekking tot wraking van een met buitengerechtelijke geschillenbeslechting belaste persoon, op grond van feiten of omstandigheden die een onpartijdig of onafhankelijk oordeel van die persoon zouden bemoeilijken;
d. regels met betrekking tot de behandeling van een geschil door de geschilleninstantie;
e. regels met betrekking tot het op voet van gelijkheid bieden van gelegenheid aan partijen om mondeling en schriftelijk, desgewenst met bijstand van derden, hun mening aan de geschilleninstantie kenbaar te maken;
f. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder een deskundige kan worden verzocht een advies uit te brengen;
g. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder getuigen en deskundigen kunnen worden gehoord, dan wel inlichtingen van hen kunnen worden ingewonnen;
h. regels met betrekking tot de mogelijkheid voor partijen om van alle door hen naar voren gebrachte feiten en stellingen, alsmede van verklaringen van getuigen en deskundigen, over en weer kennis te nemen en daarop te reageren;
i. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder een geschil door middel van een verkorte schriftelijke procedure of een voorlopig oordeel kan worden afgedaan;
j. regels op grond waarvan de geschilleninstantie haar beslissingen baseert;
k. regels met betrekking tot de mogelijkheid dat de beslechting van een geschil resulteert in een niet-bindend advies;
l. de bepaling dat de beslechting van een geschil slechts resulteert in een bindend advies indien de financiële onderneming daarmee uitdrukkelijk vooraf heeft ingestemd;
m. regels met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het bedrag dat, zo dit verschuldigd is, bij het aanhangig maken van het geschil dient te worden voldaan;
n. regels met betrekking tot de mogelijkheid om partijen in de kosten van de behandeling van een geschil te veroordelen en vaststelling van een hierbij geldend maximumbedrag;
o. regels met betrekking tot de vorm, inhoud en bekendmaking van de uitkomst van het advies, bedoeld in de onderdelen k en l, waarbij in ieder geval is bepaald dat deze uitkomst, met redenen omkleed, ondertekend en schriftelijk aan partijen wordt medegedeeld; en
p. indien beroep tegen een uitspraak mogelijk is: regels met betrekking tot het mededelen van de mogelijkheid van beroep, de wijze en termijn van het instellen, alsmede de behandeling van dit beroep.
2.
De geschilleninstantie houdt het reglement, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar en verstrekt het kosteloos op verzoek aan iedere belanghebbende.
Artikel 48a
Een geschilleninstantie kan voorgenomen wijzigingen in de samenstelling van het bestuur, de personen belast met buitengerechtelijke geschillenbeslechting of het reglement, bedoeld in artikel 48, niet doorvoeren dan na instemming van Onze Minister. Bij voorgenomen wijzigingen in de samenstelling van het bestuur of de personen belast met buitengerechtelijke geschillenbeslechting vermeldt de geschilleninstantie de leeftijd, genoten opleidingen en professionele achtergrond van de nieuwe leden.
Artikel 48d
Een erkende geschilleninstantie stelt aan een financiële onderneming die zich bij haar wil aansluiten niet als voorwaarde voor aansluiting dat de financiële onderneming andere regels naleeft dan die welke betrekking hebben op het aanhangig maken van een geschil bij de geschilleninstantie of de verdere behandeling van een geschil door de geschilleninstantie.
Artikel 48e
Een geschilleninstantie publiceert de bindende adviezen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel i, en houdt deze elektronisch beschikbaar en algemeen toegankelijk.
1.
Een geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister jaarlijks voor 1 juli een opgave van de in het afgelopen kalenderjaar bij de geschilleninstantie aangesloten financiële ondernemingen.
2.
Een geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de gegevens en inlichtingen die Onze Minister nodig heeft voor de uitoefening van diens in deze paragraaf omschreven taken.
3.
Een geschilleninstantie verstrekt de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank de gegevens en inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
4.
Een geschilleninstantie stelt jaarlijks een begroting op en zendt deze voor 1 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar ter instemming aan Onze Minister.
5.
Een geschilleninstantie stelt jaarlijks een bestuursverslag en een jaarrekening op. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de geschilleninstantie aangewezen accountant.
6.
Een geschilleninstantie zendt de jaarrekening voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze Minister.
7.
De evaluatie die een geschilleninstantie ingevolge artikel 18, onderdeel h, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting aan Onze Minister verstrekt wordt ten minste iedere vier jaar uitgevoerd door een onafhankelijke onderzoeksinstantie. De aangewezen geschilleninstantie voert periodiek een klanttevredenheidsonderzoek uit.
8.
Onze minister kan de termijn van vier jaar, bedoeld in het zevende lid, verkorten en, op kosten van de geschilleninstantie, het opdrachtgeverschap van het evaluatieonderzoek, bedoeld in het zevende lid, overnemen.
1.
Een financiële onderneming verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:25a, eerste lid, onderdeel a, en 4:25b, eerste en tweede lid, van de wet aan de consument of cliënt te verstrekken informatie schriftelijk, tenzij in deze afdeling anders wordt bepaald. De financiële onderneming kan de informatie via een andere duurzame drager verstrekken, indien zij zich ervan heeft vergewist dat de consument onderscheidenlijk cliënt over de benodigde middelen beschikt om kennis te nemen van de aldus te verstrekken informatie.
2.
De financiële onderneming verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, in de Nederlandse taal. De informatie kan in een andere taal worden verstrekt:
a. indien de consument of cliënt daarom verzoekt en de financiële onderneming hiermee heeft ingestemd;
b. indien partijen een keuze hebben gemaakt voor de toepasselijkheid van het recht van een andere staat op de overeenkomst inzake een financieel product; of
c. indien het essentiële beleggersinformatie betreft en het gebruik van de desbetreffende taal door de Autoriteit Financiële Markten is goedgekeurd.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het verstrekken van informatie met betrekking tot het verlenen van beleggingsdiensten.
1.
Een beleggingsonderneming verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:20, derde lid, 4:90b, derde en achtste lid, en artikel 4:90c, derde lid, van de wet aan de cliënt te verstrekken informatie schriftelijk, tenzij in deze afdeling of die artikelen anders wordt bepaald. De beleggingsonderneming kan na toestemming van de cliënt, de informatie op een andere duurzame drager verstrekken, indien dat past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet.
2.
Een beleggingsonderneming kan, na toestemming van de cliënt, de op grond van de artikelen 58a tot en met 58e en 59a te verschaffen informatie die niet persoonlijk tot de cliënt is gericht via haar website verstrekken indien:
a. het gebruik van de website past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet;
b. de cliënt elektronisch op de hoogte wordt gesteld van het adres van de website en de plaats op de website waar de informatie kan worden verkregen;
c. de informatie actueel is en, zolang dat voor de cliënt van belang is, op de website toegankelijk blijft.
3.
De verstrekking van informatie door de beleggingsonderneming aan de cliënt via elektronische mededelingen past in de context waarin de beleggingsonderneming met de cliënt zaken doet, indien is bewezen dat de cliënt regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de cliënt een e-mailadres opgeeft om zaken te kunnen doen geldt in ieder geval als bewijs hiervan.
Artikel 49b
Een cliënt die als niet-professionele belegger is gekwalificeerd, kan door een beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling op schriftelijk verzoek als professionele belegger worden behandeld indien is voldaan aan het in artikel 4:18c van de wet bepaalde, en:
a. de beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling de cliënt schriftelijk waarschuwt voor het lagere beschermingsniveau en het niet van toepassing zijn van het beleggerscompensatiestelsel; en
b. de cliënt in een afzonderlijk document bevestigt dat hij zich bewust is van de gevolgen die aan het lagere beschermingsniveau verbonden zijn.
1.
Een beheerder van een icbe houdt de volgende gegevens beschikbaar op zijn website:
a. de gegevens omtrent hemzelf, de door hem beheerde icbe’s en de bewaarders die aan de icbe’s zijn verbonden welke ingevolge enig wettelijk voorschrift in het handelsregister moeten worden opgenomen;
b. de overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste lid, van de wet;
c. zijn vergunning; en
d. elk door de Autoriteit Financiële Markten genomen geldend besluit tot ontheffing van het ingevolge deze wet bepaalde met betrekking tot hemzelf, de door hem beheerde icbe’s en de eventueel daaraan verbonden bewaarder.
De beheerder van een icbe verstrekt deze gegevens desgevraagd tegen ten hoogste de kostprijs aan een ieder.
2.
Een beheerder van een icbe publiceert ten behoeve van de deelnemers in een door hem beheerde icbe maandelijks een opgave met toelichting van de hierna te noemen gegevens op zijn website, waarbij tussen de tijdstippen van opstelling een periode van ten minste een week ligt. De opgave is, indien van toepassing, mede door de bewaarder van een icbe ondertekend en bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de totale waarde van de beleggingen van de icbe;
b. een overzicht van de samenstelling van de beleggingen;
c. het aantal uitstaande rechten van deelneming; en
d. de meest recente bepaalde intrinsieke waarde van de rechten van deelneming, onder vermelding van het moment waarop de bepaling van de intrinsieke waarde plaatsvond.
De beheerder van een icbe verstrekt deze opgave desgevraagd tegen ten hoogste de kostprijs aan de deelnemers in de icbe.
3.
Een beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, deelt desgevraagd aan ieder de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming mee. De intrinsieke waarde wordt bepaald op het meest recente moment van in- en uittreden van deelnemers in de beleggingsinstelling.
4.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op beheerders van icbe’s met zetel in een andere lidstaat voor zover het gaat om de soort informatieverschaffing aan de deelnemers.
1.
Een beleggingsonderneming of bank deelt aan een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft op verzoek mede aan welke systemen als bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet de beleggingsonderneming onderscheidenlijk de bank deelneemt.
2.
Een beleggingsonderneming of bank verstrekt aan een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft op verzoek informatie over de belangrijkste regels die gelden voor de werking van de systemen bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, waaraan de beleggingsonderneming onderscheidenlijk de bank deelneemt.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat.
1.
De door een beleggingsonderneming aan een niet-professionele belegger verstrekte informatie:
a. bevat de naam van de beleggingsonderneming;
b. is accuraat en wijst niet op de mogelijke voordelen van een beleggingsdienst of financieel instrument zonder dat ook een correcte en duidelijke indicatie van de mogelijke risico´s wordt gegeven;
c. is toereikend en door de presentatie ervan te begrijpen voor het gemiddelde lid van de groep tot wie zij is gericht; en
d. geeft belangrijke zaken, vermeldingen of waarschuwingen niet verhuld of afgezwakt weer.
2.
Indien in de informatie beleggingsdiensten, nevendiensten, personen die deze diensten verrichten of financiële instrumenten onderling worden vergeleken:
a. is de vergelijking zinvol en op correcte en evenwichtige wijze voorgesteld;
b. worden de voor de vergelijking gebruikte informatiebronnen vermeld; en
c. worden de voornaamste voor de vergelijking gebruikte feiten en aannames vermeld.
3.
Indien de informatie een indicatie bevat van de resultaten die in het verleden met een financieel instrument, een financiële index of een beleggingsdienst zijn behaald:
a. vormt deze indicatie niet het meest opvallende kenmerk van de mededeling;
b. bevat de informatie passende gegevens over de resultaten over de onmiddellijk voorafgaande vijf jaar of over de gehele periode waarin het financiële instrument is aangeboden, de financiële index is vastgesteld of de beleggingsdienst is verleend, indien deze periode korter is dan vijf jaar, dan wel over een door de onderneming gekozen langere periode waarbij altijd wordt uitgegaan van volledige perioden van twaalf maanden;
c. worden de referentieperiode en de informatiebron duidelijk aangegeven;
d. wordt in de informatie duidelijk gewaarschuwd dat het om resultaten uit het verleden gaat en dat deze geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten;
e. wordt, indien de indicatie berust op gegevens die in een andere valuta luiden dan die van de lidstaat waarin de niet-professionele belegger woonachtig is, de desbetreffende valuta duidelijk vermeld en wordt tegelijk gewaarschuwd dat het rendement door valutaschommelingen hoger of lager kan uitvallen; en
f. wordt indien de indicatie op brutoresultaten berust, het effect van provisies, vergoedingen en andere lasten vermeld.
4.
Indien de informatie fictieve, in het verleden behaalde resultaten bevat of daarnaar verwijst, heeft deze betrekking op een financieel instrument of een financiële index, en:
a. berusten de fictieve, in het verleden behaalde resultaten op de feitelijke resultaten die in het verleden zijn behaald met een of meer financiële instrumenten of financiële indices die identiek zijn aan of de onderliggende waarde vormen van het betrokken financiële instrument;
b. is op de onder a bedoelde feitelijke resultaten die in het verleden zijn behaald, het derde lid, onderdelen a, b, c, e en f van overeenkomstige toepassing; en
c. wordt in de informatie duidelijk gewaarschuwd dat het om fictieve, in het verleden behaalde resultaten gaat en dat in het verleden behaalde resultaten geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten.
5.
Indien de informatie gegevens over toekomstige resultaten bevat:
a. wordt niet uitgegaan van of verwezen naar fictieve in het verleden behaalde resultaten;
b. wordt uitgegaan van redelijke aannames die worden ondersteund door objectieve gegevens;
c. wordt het effect van provisies, vergoedingen en andere lasten vermeld indien de informatie op brutoresultaten berust; en
d. wordt duidelijk gewaarschuwd dat dergelijke prognoses geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten.
6.
Indien de informatie verwijst naar een bepaalde fiscale behandeling, wordt duidelijk vermeld dat deze behandeling afhangt van de individuele omstandigheden van de cliënt en in de toekomst aan wijzigingen onderhevig kan zijn.
7.
In de informatie wordt de naam van de toezichthouder niet zodanig gebruikt dat daarmee wordt beweerd of gesuggereerd dat deze de producten of diensten van de beleggingsonderneming steunt of aanbeveelt.
Artikel 51b
Een aanbieder van hypothecair krediet publiceert op zijn website de actuele vaste debetrentevoet voor hypothecair krediet bij verschillende rentevastperiodes en, indien van toepassing, de variabele debetrentevoet.
1.
Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting, anders dan via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product, die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
2.
Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de televisie informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product door het weergeven van een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
3.
Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de radio informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
4.
Indien een financiële onderneming voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product informatie verstrekt over dat product, verwijst zij daarbij naar de financiële bijsluiter of, indien het rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft, naar de essentiële beleggersinformatie.
5.
Indien een financiële onderneming voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product, anders dan in een reclame-uiting via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een historisch of toekomstig rendement, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste kosten en de belangrijkste financiële risico’s van dat product en, indien het een beleggingsobject betreft, over de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
6.
Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de televisie of de radio informatie verstrekt over een historisch of toekomstig rendement van een complex product, verstrekt zij daarbij of op enig ander moment voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake dat product informatie over de belangrijkste kosten van dat product.
7.
Indien een financiële onderneming voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product informatie verstrekt over een gegarandeerd rendement, verstrekt zij daarbij of, indien de informatie wordt verstrekt in een reclame-uiting, op enig ander moment voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst inzake dat product, informatie over de belangrijkste voorwaarden van die garantie.
8.
Artikel 49, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.
9.
Het eerste tot en met achtste lid zijn niet van toepassing indien het een complex product betreft, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe, ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend aan personen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf of beroep.
10.
Het eerste lid, met uitzondering van de verplichting om een risico-indicator te verstrekken, en het derde tot en met zevende lid, zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen voor zover zij beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen met betrekking tot deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen of icbe's.
1.
Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet melding maakt van een debetrentevoet of andere gegevens betreffende de kosten van een krediet, verstrekt zij daarbij tevens informatie over:
a. de vaste of variabele debetrentevoet en de andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet;
b. het totale kredietbedrag;
c. het jaarlijks kostenpercentage; en, indien van toepassing,
d. de duur van de kredietovereenkomst;
e. in geval van goederenkrediet, de contante waarde en contante betalingen, genoemd in de definitie van kredietsom in artikel 1;
f. het totale door de consument te betalen bedrag; en
g. het termijnbedrag.
2.
Indien het sluiten van een overeenkomst voor een nevendienst verplicht is om het krediet op de in de reclame-uiting genoemde voorwaarden te verkrijgen, en de kosten voor die nevendienst vooraf niet kunnen worden bepaald, wordt de verplichting tot het sluiten van die overeenkomst op een duidelijke, beknopte en opvallende wijze, tezamen met het jaarlijks kostenpercentage vermeld.
3.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op kredieten die representatief zijn voor de kredieten die feitelijk door de financiële onderneming worden verstrekt.
4.
Een financiële onderneming geeft de informatie, bedoeld in het eerste lid, en de vermelding, bedoeld in het tweede lid, indien deze wordt verstrekt in een reclame-uiting over krediet, anders dan via de televisie of radio, gecombineerd weer in een tabel waarin geen andere informatie wordt opgenomen.
5.
Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet reclame maakt voor met krediet aan te schaffen goederen of diensten, verstrekt zij daarbij de informatie, bedoeld in het eerste lid.
6.
Indien een reclame-uiting betrekking heeft op een krediet met een debetrentevoet die voor een beperkte duur of een beperkt deel van het krediet geldt, wordt bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de hoogste debetrentevoet in aanmerking genomen. Bij een krediet met een variabele debetrentevoet die voor beperkte duur of een beperkt deel van het krediet afwijkt van de variabele debetrentevoet die op het moment van het doen van de reclame-uiting geldt voor overeenkomsten over krediet van gelijke soort, omvang en duur, wordt bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de hoogste van genoemde variabele debetrentevoeten genoemd.
7.
Een financiële onderneming neemt in een reclame-uiting over krediet een waarschuwing op met betrekking tot de gevolgen die aan het krediet zijn verbonden, tenzij het een reclame-uiting voor hypothecair krediet betreft waarbij geen relatie met een ander bestedingsdoel wordt gelegd dan de verwerving van de eigen woning.
8.
Een financiële onderneming neemt in een reclame-uiting over hypothecair krediet met een variabele debetrentevoet een waarschuwing op met betrekking tot de risico’s die aan een dergelijk krediet zijn verbonden.
9.
Een financiële onderneming:
a. neemt in een reclame-uiting over krediet geen mededelingen op die gericht zijn op het gemak of de snelheid waarmee het krediet wordt verstrekt;
b. brengt in een reclame-uiting over krediet niet tot uiting dat lopende overeenkomsten inzake krediet bij de beoordeling van een kredietaanvraag geen of een ondergeschikte rol spelen;
c. brengt in een reclame-uiting over krediet niet tot uiting dat met een negatieve uitkomst van de raadpleging van het stelsel van kredietregistratie of anderszins in afwijking van de geldende gedragscode toch een krediet kan worden verkregen; en
d. geeft in een reclame-uiting over krediet geen kenmerken van het krediet weer waarin fiscale voordelen zijn verwerkt.
10.
Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting informatie als bedoeld in het eerste of tweede lid of informatie over een specifiek product verstrekt over een krediet, verstrekt zij daarbij informatie over de verkrijgbaarheid van de informatie, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet. De eerste volzin is niet van toepassing op reclame-uitingen over krediet, voorzover het krediet onderdeel uitmaakt van een complex product.
11.
Indien een financiële onderneming informatie verstrekt over de kenmerken van het krediet, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
12.
Artikel 49, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.
13.
Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over effectenkrediet melding maakt van een debetrentevoet of andere gegevens betreffende de kosten van een effectenkrediet, meldt zij tevens:
a. dat een doorlopend krediet wordt verleend of toegezegd tegen onderpand van financiële instrumenten, en de kredietlimiet afhankelijk is van de waarde daarvan;
b. de vaste of variabele debetrentevoet en de andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het effectenkrediet; en
c. indien een contract voor een nevendienst verplicht is om het effectenkrediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden te verkrijgen, en de kosten van die dienst niet vooraf bepaald kunnen worden, de verplichting tot het sluiten van die overeenkomst op een duidelijke, beknopte en opvallende wijze,
14.
Onverminderd het eerste tot en met twaalfde lid meldt een bemiddelaar in krediet in een reclame-uiting over krediet tevens dat hij:
a. adviseert op grond van een objectieve analyse;
b. een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen; of
c. geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen en hij niet adviseert op grond van een objectieve analyse.
Artikel 54
De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in de artikelen 52 en 53, wordt gepresenteerd of geformuleerd, de wijze van berekening van historische of toekomstige rendementen, kosten en risico’s als bedoeld in artikel 52, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en de wijze van berekening van de kosten van verzekeringen en zekerheidsrechten als bedoeld in 53, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, onderdeel b, onder 3°.
1.
In een reclame-uiting over een beheerder van een beleggingsinstelling, beleggingsinstelling, beheerder van een icbe of icbe worden in ieder geval vermeld:
a. de naam van de beheerder van een beleggingsinstelling, beleggingsinstelling, beheerder van een icbe of icbe;
b. het feit dat het een beheerder van een beleggingsinstelling, beleggingsinstelling, beheerder van een icbe of icbe betreft;
c. dat de beheerder van een beheerder van een beleggingsinstelling, beleggingsinstelling, beheerder van een icbe of icbe is opgenomen in het register dat wordt gehouden door de Autoriteit Financiële Markten; en
d. indien het een icbe betreft: waar het prospectus, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, van de wet, verkrijgbaar is.
2.
Het eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op reclame-uitingen op radio en televisie.
3.
Onverminderd artikel 52 wordt in een reclame-uiting anders dan via de televisie of radio over een icbe, indien van toepassing, duidelijk de aandacht gevestigd op het feit dat:
a. de icbe voornamelijk belegt in financiële derivaten;
b. de icbe een aandelen- of obligatie-index volgt;
c. de waarde van de activa van de icbe als gevolg van het beleggingsbeleid sterk kan fluctueren; of
d. aan de icbe een ontheffing als bedoeld in artikel 136, tweede lid, is verleend onder vermelding van de staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie die de financiële instrumenten, bedoeld in het artikel 136, tweede lid, uitgeeft of garandeert waarin de icbe voor meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen belegt.
Artikel 56
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de vorm van waarschuwingszinnen in reclame-uitingen van beleggingsondernemingen.
1.
Een financiëledienstverlener verstrekt een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt, voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product of financiële dienst ten minste de volgende informatie:
a. zijn naam en adres en, indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
b. de aard van zijn financiële dienstverlening;
c. voorzover artikel 4:17 van de wet van toepassing is: zijn interne klachtenprocedure, bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de wet, en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten; en
d. zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register.
2.
In afwijking van artikel 49, eerste lid, kan de informatie, bedoeld in het eerste lid, en in artikel 4:25b, eerste en tweede lid, van de wet, op verzoek van de cliënt mondeling worden verstrekt, indien het financiële product een verzekering is en onmiddellijke dekking noodzakelijk is. In dat geval verstrekt de financiëledienstverlener de informatie tevens onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst overeenkomstig artikel 49, eerste lid, aan de cliënt.
1.
Een beleggingsonderneming verstrekt voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst aan een niet-professionele belegger:
a. informatie over de wederzijdse rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst met betrekking tot de beleggings- of nevendienst;
b. de in artikel 58b bedoelde informatie over de overeenkomst of de beleggingsdiensten of nevendiensten;
c. de overige op grond van de artikelen 58b tot en met 58e vereiste informatie.
2.
In afwijking van het eerste lid mag een beleggingsonderneming de informatie bedoeld in het eerste lid verstrekken onmiddellijk na aanvang van het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst, indien:
a. zij de in het eerste lid genoemde termijnen niet in acht heeft kunnen nemen omdat de overeenkomst op verzoek van de niet-professionele belegger is gesloten door middel van een techniek voor communicatie op afstand die haar belet de informatie overeenkomstig het eerste lid te leveren; of
b. de beleggingsonderneming ten aanzien van de niet-professionele belegger voldoet aan artikel 79, eerste lid, als ware deze belegger een consument en de beleggingsonderneming een financiële dienstverlener.
3.
Indien een reclame-uiting van een beleggingsonderneming een aanbod bevat om een overeenkomst met betrekking tot een financieel instrument of een beleggings- of nevendienst aan te gaan, of de uitnodiging bevat om een dergelijk aanbod te doen en vermeldt hoe hierop kan worden gereageerd, wordt daarin tevens de voor het aanbod of de uitnodiging van belang zijnde informatie als bedoeld in de artikelen 58b tot en met 58e opgenomen.
4.
Het derde lid is niet van toepassing indien het aanbod of de uitnodiging is gericht tot een niet-professionele belegger en deze voor een reactie wordt verwezen naar een ander document of andere documenten die afzonderlijk of tezamen deze informatie bevatten.
1.
De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdelen b en c, omvat de volgende gegevens:
a. de naam, het adres en de contactgegevens van de beleggingsonderneming;
b. de talen waarin de cliënt met de beleggingsonderneming kan communiceren en stukken en andere informatie van haar kan ontvangen;
c. methoden van communicatie tussen de beleggingsonderneming en de cliënt, waaronder die betreffende het versturen en ontvangen van orders;
d. een verklaring waarin staat dat de beleggingsonderneming over een vergunning beschikt, alsmede de naam en het contactadres van de toezichthouder die de vergunning heeft verleend;
e. een verklaring dat de beleggingsonderneming door tussenkomst van een verbonden agent beleggingsdiensten verleent en in welke lidstaat deze agent in een register staat ingeschreven;
f. aard, frequentie en tijdschema van de rapporten over de verrichting van de dienst die overeenkomstig de artikelen 69, 70, 71 en 71a door de beleggingsonderneming aan de cliënt worden toegezonden;
g. indien de beleggingsonderneming financiële instrumenten of gelden van cliënten aanhoudt, een korte beschrijving van de maatregelen die zij heeft genomen om deze financiële instrumenten of gelden te beschermen, alsmede beknopte gegevens over de vangnetregeling die op de onderneming van toepassing is;
h. een beschrijving, die in beknopte vorm mag worden verstrekt, van het beleid inzake belangenconflicten dat de onderneming overeenkomstig artikel 35a voert;
i. indien de cliënt daarom verzoekt, nadere bijzonderheden over het beleid inzake belangenconflicten.
2.
Een beleggingsonderneming stelt bij het beheren van een individueel vermogen op basis van de beleggingsdoelstellingen van de cliënt en de soorten financiële instrumenten in de portefeuille van de cliënt, een geschikte evaluatie- en vergelijkingsmethode vast, zodat de cliënt de prestaties van de onderneming kan beoordelen.
3.
Een beleggingsonderneming verstrekt bij het beheren van een individueel vermogen van een niet- professionele belegger, naast de informatie op grond van het eerste lid, voor zover van toepassing, aan de cliënt informatie over:
a. de waarderingsmethode en -frequentie voor de financiële instrumenten in diens portefeuille;
b. de bijzonderheden van een eventuele overdracht van het beheer op discretionaire basis van alle of een deel van de financiële instrumenten of gelden in de portefeuille van de cliënt;
c. elke evaluatie- of vergelijkingsmaatstaf, bedoeld in het tweede lid, waartegen de resultaten van de portefeuille worden afgezet;
d. de soorten financiële instrumenten die mogen worden opgenomen in de portefeuille en de soorten transacties die in deze instrumenten mogen worden verricht, alsmede de begrenzingen;
e. de beheersdoelstellingen, de omvang van het risico dat voortvloeit uit de beoordelingsruimte die de beleggingsonderneming heeft, alsmede eventuele specifieke beperkingen in deze beoordelingsruimte.
1.
De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat een algemene beschrijving van de aard en risico’s van financiële instrumenten die gedetailleerd genoeg is om de niet-professionele belegger in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen.
2.
De beschrijving van de risico’s, bedoeld in het eerste lid, omvat, indien van toepassing, mede:
a. de risico´s die verbonden zijn aan het desbetreffende soort financiële instrument, waaronder een uitleg over de hefboomwerking en de gevolgen daarvan en het risico dat de gehele belegging verloren gaat;
b. de volatiliteit van de prijs van het desbetreffende soort financiële instrument en eventuele beperkingen in de bestaande markt daarvoor;
c. het feit dat de cliënt met transacties in dergelijke instrumenten naast de aanschaffingskosten extra financiële- en andere verplichtingen, waaronder voorwaardelijke verplichtingen, zou kunnen aangaan;
d. eventuele marge- of soortgelijke verplichtingen die van toepassing zijn op het desbetreffende soort financiële instrumenten.
3.
Een beleggingsonderneming die aan een niet-professionele belegger informatie verstrekt over een financieel instrument waarvoor overeenkomstig de richtlijn prospectus een prospectus is gepubliceerd, deelt de cliënt mede waar dit prospectus verkrijgbaar is.
4.
Indien aangenomen mag worden dat de risico´s die verbonden zijn aan een financieel instrument dat uit twee of meer verschillende financiële instrumenten bestaat, groter zijn dan de risico´s die verbonden zijn aan elk van de financiële instrumenten afzonderlijk, verstrekt de beleggingsonderneming een adequate beschrijving van de verschillende financiële instrumenten waaruit het instrument bestaat en van de risicoverhogende wisselwerking daartussen.
5.
Een beleggingsonderneming verstrekt over een financieel instrument dat een garantie van een derde omvat, aan een niet-professionele belegger voldoende bijzonderheden over de garantie en de garantiegever.
6.
De essentiële beleggersinformatie wordt voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet met betrekking tot een recht van deelneming in een icbe als passende informatie aangemerkt.
1.
De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat, indien van toepassing, gegevens over de omstandigheid dat een derde namens de beleggingsonderneming financiële instrumenten of gelden die toebehoren aan de niet-professionele belegger kan aanhouden, alsmede gegevens over haar wettelijke verantwoordelijkheid voor het handelen of nalaten van de derde en voor de gevolgen die insolventie van de derde voor de cliënt heeft.
2.
Indien een derde namens een beleggingsonderneming, voor zover het toepasselijke recht dit toelaat, financiële instrumenten die toebehoren aan een niet-professionele belegger op een omnibusrekening mag aanhouden, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en waarschuwt zij op duidelijke wijze voor de risico’s die daaruit voortvloeien.
3.
Indien het op grond van het toepasselijke recht niet mogelijk is om door een derde
namens een beleggingsonderneming aangehouden financiële instrumenten die toebehoren aan een niet-professionele belegger te onderscheiden van de financiële instrumenten die toebehoren aan deze derde of de beleggingsonderneming zelf, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en waarschuwt zij op duidelijke wijze voor de risico’s die daaruit voortvloeien.
4.
Indien op een rekening waarop financiële instrumenten of gelden worden aangehouden die aan een niet-professionele belegger toebehoren, het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en wijst zij erop dat dit van invloed kan zijn op de rechten die aan deze financiële instrumenten of gelden verbonden zijn.
5.
Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een niet-professionele belegger brengt hem op de hoogte van het bestaan en de voorwaarden van zakelijke zekerheidsrechten of voorrechten die zij heeft of kan hebben op die financiële instrumenten of gelden, en van haar eventuele recht van verrekening op deze financiële instrumenten of gelden. Voor zover van toepassing brengt zij de cliënt er ook van op de hoogte dat een bewaarder een zakelijk zekerheidsrecht, een voorrecht of een recht van verrekening op deze instrumenten of gelden heeft of kan hebben.
6.
Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten aanhoudt die toebehoren aan een niet-professionele belegger verstrekt, geruime tijd voordat zij effectenfinancieringstransacties aangaat met betrekking tot die financiële instrumenten, of van dergelijke financiële instrumenten anderszins voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt gebruikmaakt, de cliënt voorafgaand aan het gebruik van deze instrumenten duidelijke, volledige en accurate informatie over haar verplichtingen en verantwoordelijkheden met betrekking tot het gebruik van deze financiële instrumenten, met inbegrip van de voorwaarden voor restitutie ervan, alsmede over de risico´s die uit dat gebruik voortvloeien.
1.
De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat gegevens over de kosten en bijbehorende lasten, die voor zover van toepassing bestaat uit de volgende elementen:
a. de totale prijs van het financiële instrument, de beleggingsdienst of nevendienst, met inbegrip van alle bijbehorende kosten en als geen exacte prijs kan worden gegeven de grondslag voor de berekening van de totale prijs.
b. de door de beleggingsonderneming in rekening gebrachte provisies;
c. een vermelding van de desbetreffende buitenlandse valuta en de toepasselijke omrekeningskoers en wisselkosten, wanneer een deel van de totale prijs moet worden betaald in of luidt in een buitenlandse valuta;
d. vermelding van de mogelijkheid dat transacties die verband houden met het financiële instrument of de beleggingsdienst, nog andere kosten, voor de niet-professionele belegger kunnen meebrengen die niet via de beleggingsonderneming worden betaald of door haar worden opgelegd;
e. de regelingen voor betaling of andere prestaties met betrekking tot de uitvoering van de beleggings- of nevendienst.
2.
De essentiële beleggersinformatie wordt voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet met betrekking tot een recht van deelneming in een icbe als passende informatie aangemerkt wat de aan de icbe zelf verbonden kosten en bijbehorende lasten, met inbegrip van de instap- en uitstapprovisies, betreft.
1.
De beleggingsonderneming verstrekt aan een professionele belegger een algemene beschrijving van de aard en risico’s van financiële instrumenten die gedetailleerd genoeg is om hem in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen.
2.
Artikel 58c, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de beschrijving van de aard en risico’s bedoeld in het eerste lid.
3.
Indien op een rekening waarop financiële instrumenten of gelden worden aangehouden die aan een professionele belegger toebehoren, het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en wijst zij erop dat dit van invloed kan zijn op de rechten die aan deze financiële instrumenten of gelden verbonden zijn.
4.
Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een professionele belegger brengt hem op de hoogte van het bestaan en de voorwaarden van zakelijke zekerheidsrechten of voorrechten die zij heeft of kan hebben op die financiële instrumenten of gelden, en van haar eventuele recht van verrekening op deze financiële instrumenten of gelden. Voor zover van toepassing brengt zij de cliënt er ook van op de hoogte dat een bewaarder een zakelijk zekerheidsrecht, een voorrecht of een recht van verrekening op deze instrumenten of gelden heeft of kan hebben.
5.
Een beleggingsonderneming verstrekt de in dit artikel bedoelde informatie aan een professionele belegger voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst.
6.
Artikel 58c, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 59
Een beleggingsonderneming verstrekt een niet-professionele belegger voorafgaand aan het uitvoeren van een order met betrekking tot een financieel instrument voor diens rekening de volgende informatie over haar orderuitvoeringsbeleid:
a. een uitleg over het relatieve gewicht dat de beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 4:90a, tweede lid, van de wet toekent aan de in artikel 4:90a, eerste lid, van de wet genoemde factoren, of over de wijze waarop zij het relatieve gewicht van deze factoren bepaalt;
b. een overzicht van de plaatsen van uitvoering waarop de beleggingsonderneming een aanzienlijk beroep doet om haar verplichting na te komen om alle redelijke maatregelen te nemen teneinde bij de uitvoering van orders van cliënten steeds het best mogelijke resultaat te behalen;
c. een duidelijke waarschuwing dat een specifieke instructie van de cliënt de beleggingsonderneming kan beletten de door haar vastgestelde en in haar orderuitvoeringsbeleid opgenomen maatregelen te nemen om bij de uitvoering van de desbetreffende order het best mogelijke resultaat te behalen voor de elementen waarvoor deze instructie geldt.
1.
Een aanbieder verstrekt voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product of hypothecair krediet aan de consument informatie over de totale prijs van het desbetreffende product met uitzondering van de advieskosten en distributiekosten, maar met inbegrip van alle bijbehorende kosten.
2.
Onverminderd het eerste lid verstrekt een aanbieder voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een consument inzake een complex product dat strekt tot vermogensopbouw, aan de consument, voor zover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. het bedrag van de totale kosten, met uitzondering van de advieskosten en distributiekosten;
b. de kosten die worden ingehouden op de inleg of de premie, onderverdeeld naar soorten kosten, zoals in elk geval eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
c. de kosten die worden ingehouden op de vermogensopbouw of uitkering, onderverdeeld naar soorten kosten zoals in elk geval eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
d. de kosten die de beheerder van een beleggingsinstelling of beheerder van een icbe jaarlijks in rekening brengt voor het beheer van rechten van deelneming in die beleggingsinstelling of icbe;
e. de invloed van het gemiddelde jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld onder b, c en d, op het rendement en de vermogensopbouw of uitkering, verbonden aan de overeenkomst; en
f. de wijze waarop de kosten, bedoeld onder b, c en d, worden verdeeld over de looptijd van de overeenkomst.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op:
a. overeenkomsten met betrekking tot beleggingsobjecten; en
b. overeenkomsten met betrekking tot het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst.
4.
Het tweede lid, aanhef en de onderdelen b tot en met f, zijn niet van toepassing op een levensverzekeraar die een levensverzekering aanbiedt waarbij de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe.
5.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op financiële ondernemingen die een complex product als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, 4° of 11° samenstellen en dat product in de markt verkrijgbaar stellen voor consumenten of, indien het een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe betreft, cliënten.
1.
Een aanbieder verstrekt een consument voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een hypothecair krediet met een variabele debetrentevoet, ten minste informatie over:
a. de componenten waaruit de variabele debetrentevoet is opgebouwd;
b. of deze componenten een vast of variabel bestanddeel vormen van de debetrentevoet; en
c. de risico’s die verbonden zijn aan een variabele debetrentevoet.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de door een aanbieder in de informatieverstrekking aan de consument te gebruiken aanduiding van de componenten waaruit de variabele debetrentevoet is opgebouwd.
1.
Een betaaldienstverlener stelt een betaaldienstgebruiker voordat deze is gebonden door een overeenkomst betreffende een eenmalige betalingstransactie op gemakkelijk toegankelijke wijze de in artikel 59c bedoelde informatie en voorwaarden ter beschikking.
2.
Op verzoek van de betaaldienstgebruiker verstrekt de betaaldienstaanbieder hem de informatie en voorwaarden op papier of op een andere duurzame drager.
3.
De betaaldienstverlener verstrekt de informatie en voorwaarden aan de betaaldienstgebruiker in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en in duidelijke en bevattelijke vorm. Indien de betaaldienstverlener de betaaldienst verleent aan een betaaldienstgebruiker in een lidstaat, verstrekt hij de in de vorige volzin bedoelde informatie en voorwaarden in een officiële taal van die lidstaat of in een andere taal die tussen de partijen is overeengekomen.
4.
Indien de overeenkomst betreffende een eenmalige betalingstransactie op verzoek van de betaaldienstgebruiker is gesloten met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand welke het de betaaldienstverlener onmogelijk maakt aan het eerste lid te voldoen, voldoet deze onmiddellijk na de uitvoering van de betalingstransactie aan zijn verplichtingen ingevolge het genoemde lid.
5.
Aan het eerste tot en met het derde lid kan ook worden voldaan door het verstrekken van een exemplaar van het ontwerpcontract betreffende een eenmalige betalingstransactie of de ontwerpbetaalopdracht waarin de in artikel 59c bedoelde informatie en voorwaarden zijn opgenomen.
1.
Een betaaldienstverlener verstrekt aan een betaaldienstgebruiker in het geval van een eenmalige betalingstransactie de volgende informatie en voorwaarden of stelt deze aan hem ter beschikking:
a. gedetailleerde informatie of een unieke identificator die door de betaaldienstgebruiker moet worden verstrekt opdat een betaalopdracht correct kan worden uitgevoerd;
b. de maximale uitvoeringstermijn voor de aangeboden betaaldienst;
c. alle kosten die de betaaldienstgebruiker aan de betaaldienstverlener verschuldigd is en, voor zover van toepassing, de splitsing van de bedragen van eventuele kosten; en
d. voor zover van toepassing, de bij de betalingstransactie toe te passen feitelijke of referentiewisselkoers.
2.
Voor zover van toepassing stelt de betaaldienstverlener de overige in artikel 59d bedoelde informatie en voorwaarden op gemakkelijk toegankelijke wijze aan de betaaldienstgebruiker ter beschikking.
1.
Een betaaldienstverlener verstrekt een betaaldienstgebruiker ruimschoots voordat deze is gebonden aan een raamovereenkomst voor betaaldiensten op papier of op een andere duurzame drager de in artikel 59d bedoelde informatie en voorwaarden.
2.
De betaaldienstverlener verstrekt de informatie en voorwaarden in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en in duidelijke en bevattelijke vorm. Indien de betaaldienstverlener de betaaldienst verleent aan een betaaldienstgebruiker in een lidstaat, verstrekt hij de in de vorige volzin bedoelde informatie en voorwaarden in een officiële taal van die lidstaat of in een andere taal die door de partijen is overeengekomen.
3.
Indien de raamovereenkomst voor betaaldiensten op verzoek van de betaaldienstgebruiker is gesloten met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand welke het de betaaldienstverlener onmogelijk maakt te voldoen aan het eerste lid, voldoet deze onmiddellijk na de sluiting van de raamovereenkomst aan zijn verplichtingen ingevolge het genoemde lid.
4.
Aan het eerste lid kan ook worden voldaan door het verstrekken van een exemplaar van de ontwerpraamovereenkomst waarin de in artikel 59d bedoelde informatie en voorwaarden zijn opgenomen.
1.
De betaaldienstverlener verstrekt aan de betaaldienstgebruiker de volgende informatie en voorwaarden:
a. de naam van de betaaldienstverlener, het adres van het hoofdkantoor en, in voorkomend geval, het adres van zijn betaaldienstagent of bijkantoor in de lidstaat waar de betaaldienst wordt aangeboden, en enig ander adres, inclusief emailadres, dat relevant is voor de communicatie met de betaaldienstverlener;
b. de gegevens betreffende de relevante toezichthouders of toezichthoudende autoriteiten en betreffende het in artikel 1:107 van de wet bedoelde register en gegevens aan de hand waarvan de registerinschrijving kan worden gecontroleerd;
c. een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de aan te bieden betaaldienst;
d. de gedetailleerde informatie of de unieke identificator die door de betaaldienstverlener wordt verstrekt opdat een betaalopdracht correct kan worden uitgevoerd;
e. de vorm waarin en de procedure volgens welke de instemming met het uitvoeren van een betalingstransactie wordt verstrekt, respectievelijk wordt ingetrokken, overeenkomstig de artikelen 522 en 534 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
f. een referentie aan het in artikel 532 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek omschreven tijdstip van ontvangst van een betaalopdracht en aan het eventueel door de betaaldienstverlener bepaalde uiterste tijdstip;
g. de maximum uitvoeringstermijn voor de aangeboden betaaldiensten; en
h. de vermelding of de mogelijkheid bestaat uitgavenlimieten voor het gebruik van het betaalinstrument overeenkomstig artikel 523, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek overeen te komen;
i. alle kosten die door de betaaldienstgebruiker aan de betaaldienstverlener verschuldigd zijn en, voor zover van toepassing, de splitsing van de bedragen en eventuele kosten;
j. voor zover van toepassing, de toe te passen rentevoet en wisselkoers, of, indien de referentierentevoet en -wisselkoers te hanteren zijn, de wijze van berekening van de feitelijke interesten en de relevante datum en de index of basis voor de vaststelling van die referentierentevoet of -wisselkoers;
k. indien overeengekomen, de onmiddellijke toepassing van wijzigingen in de referentierentevoet of -wisselkoers en de informatievereisten met betrekking tot de wijzigingen overeenkomstig artikel 517, derde en vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
l. voor zover van toepassing, de technieken voor communicatie, met inbegrip van de technische vereisten van de apparatuur van de betaaldienstgebruiker, zoals tussen de partijen voor de mededeling van informatie en kennisgevingen krachtens de wet en Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek overeengekomen;
m. de wijze waarop en de frequentie waarmee informatie betreffende betaaldiensten krachtens de wet en Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ter beschikking moet worden gesteld;
n. de taal of talen waarin de raamovereenkomst voor betaaldiensten wordt gesloten en waarin de communicatie gedurende de looptijd van de contractuele betrekking plaatsvindt; en
o. een vermelding dat de betaaldienstgebruiker het recht heeft de contractuele voorwaarden van de raamovereenkomst voor betaaldiensten en informatie en voorwaarden overeenkomstig artikel 516 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek te ontvangen;
p. voor zover van toepassing, een beschrijving van de maatregelen die de betaaldienstgebruiker moet nemen om de veilige bewaring van een betaalinstrument te waarborgen evenals de wijze waarop de betaaldienstverlener in kennis moet worden gesteld voor de toepassing van artikel 524, eerste lid, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
q. indien overeengekomen, de voorwaarden waaronder de betaaldienstverlener zich het recht voorbehoudt het gebruik van een betaalinstrument te blokkeren overeenkomstig artikel 523 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
r. informatie over de aansprakelijkheid van de betaler overeenkomstig artikel 529 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, onder vermelding van het relevante bedrag;
s. op welke wijze en binnen welke termijn de betaaldienstgebruiker de betaaldienstverlener in kennis moet stellen van een niet-toegestane of foutief uitgevoerde betalingstransactie overeenkomstig artikel 526 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, onder vermelding van de aansprakelijkheid van de betaaldienstverlener voor niet-toegestane betalingstransacties overeenkomstig artikel 528 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
t. informatie over de aansprakelijkheid van de betaaldienstverlener voor de uitvoering van betalingstransacties overeenkomstig de artikelen 543 tot en met 545 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; en
u. de voorwaarden voor terugbetaling overeenkomstig de artikelen 530 en 531 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
v. indien overeengekomen, de informatie dat de betaaldienstgebruiker geacht wordt overeenkomstig artikel 517 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wijzigingen in de voorwaarden te hebben aanvaard tenzij hij de betaaldienstverlener voor de voorgestelde datum van inwerkingtreding van die wijzigingen ervan in kennis heeft gesteld dat hij de wijzigingen niet aanvaardt;
w. de looptijd van de raamovereenkomst voor betaaldiensten; en
x. een vermelding dat de betaaldienstgebruiker een raamovereenkomst voor betaaldiensten kan beëindigen en alle afspraken met betrekking tot beëindiging van de overeenkomst overeenkomstig de artikelen 517, eerste lid, en 518 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
y. de contractuele bepalingen inzake het op de raamovereenkomst voor betaaldiensten toepasselijke recht of de ter zake bevoegde rechter; en
z. de klachtenprocedure en buitengerechtelijke geschillenbeslechting die ingevolge artikel 4:17 van de wet voor de betaaldienstgebruiker openstaan.
1.
Een betaaldienstverlener verstrekt, in afwijking van de artikelen 59c en 59d, met betrekking tot betaalinstrumenten die overeenkomstig een raamovereenkomst voor betaaldiensten uitsluitend worden gebruikt voor afzonderlijke betalingstransacties van maximaal € 30, met een uitgavenlimiet van € 150 of waarop maximaal een bedrag van € 150 tegelijk kan worden opgeslagen, de betaler uitsluitend informatie over de voornaamste kenmerken van de betaaldienst, met inbegrip van de wijze waarop van het betaalinstrument gebruik kan worden gemaakt, de aansprakelijkheid, alle in rekening gebrachte kosten en andere belangrijke informatie die nodig is om een weloverwogen besluit te nemen, en geeft tevens aan waar andere in artikel 59d bedoelde informatie en voorwaarden op gemakkelijk toegankelijke wijze beschikbaar zijn gesteld.
2.
Voor nationale betalingstransacties worden de in het eerste lid genoemde bedragen verdubbeld.
3.
Voor vooraf betaalde betaalinstrumenten, bedoeld voor nationale betalingstransacties, worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd tot € 500.
1.
Een betaaldienstverlener brengt een betaaldienstgebruiker geen kosten in rekening voor de ingevolge de artikelen 59a tot en met 59e te verstrekken informatie.
2.
Een betaaldienstverlener en een betaaldienstgebruiker kunnen overeenkomen dat kosten in rekening worden gebracht voor door de betaaldienstgebruiker gevraagde aanvullende informatie of voor informatie die frequenter of met andere communicatiemiddelen wordt verstrekt dan in de raamovereenkomst voor betaaldiensten is bepaald.
3.
Kosten die de betaaldienstverlener ingevolge het tweede lid in rekening mag brengen zijn passend en in overeenstemming met de kosten die de betaaldienstverlener feitelijk heeft gemaakt.
1.
Onverminderd de artikelen 57 en 58 verstrekt een levensverzekeraar een cliënt voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een levensverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe hij zich verplicht of, voorzover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is;
c. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de cliënt of de gerechtigde op een uitkering heeft ingevolge de overeenkomst;
d. een nauwkeurige omschrijving van de valuta waarin de premie of de uitkering is uitgedrukt, indien dit een andere valuta is dan de euro, of van de units, eenheden of datgene waar de premie of de uitkering anderszins in is uitgedrukt, of, indien de uitkering strekt tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties, van die prestatie;
e. een nauwkeurige omschrijving van de omzettingsmethode indien bij een uitkering omzetting plaatsvindt in euro’s of een andere valuta;
f. de aard van de waarden, waaronder aandelen of andersoortige rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe, indien de uitkering daarin wordt uitgedrukt;
g. de wijze van berekening en toewijzing van de winstdeling, indien de overeenkomst een recht op winstdeling omvat;
h. de looptijd van de overeenkomst;
i. de premie, verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd en, indien deze premies gedurende de looptijd fluctueren, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de wijze waarop ze worden berekend en van de factoren waardoor het beloop ervan wordt bepaald;
j. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
k. de periode gedurende welke premie verschuldigd is;
l. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe:
1°. de kosten die worden ingehouden op de premie, bedoeld in onderdeel i, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
2°. de kosten die worden ingehouden op de waarde van de rechten van deelneming, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
3°. de kosten die de beheerder van een beleggingsinstelling of icbe of beheerder van een icbe jaarlijks in rekening brengt voor het beheer van de rechten van deelneming in die beleggingsinstelling of icbe;
4°. de invloed van het gemiddelde jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, op het rendement en de uitkering, verbonden aan de overeenkomst;
5°. de wijze waarop de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, worden verdeeld over de looptijd van de overeenkomst met de cliënt;
m. een omschrijving van de gevolgen van een verhoging of verlaging van de premie, met inbegrip van premievrijmaken, en, indien de overeenkomst in die mogelijkheid voorziet, van afkoop, en een opgave van de afkoopwaarde gedurende ten minste de eerste tien jaren van de looptijd, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage;
n. de wijze waarop de cliënt gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 4:63 van de wet, om de overeenkomst op te zeggen;
o. de wijze waarop de overeenkomst kan worden beëindigd en de termijn die daarbij in acht wordt genomen;
p. een globale indicatie van de fiscale behandeling van overeenkomsten van het desbetreffende type, waaronder begrepen de fiscale behandeling van premies, uitkeringen en de fiscale consequenties van afkoop;
q. het op de overeenkomst toe te passen recht, of de door de aanbieder voorgestelde rechtskeuze;
r. de kosten die naast de brutopremie in rekening worden gebracht;
s. het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de cliënt; en
t. de overige polisvoorwaarden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
3.
Voorzover het financiële risico ingevolge een overeenkomst inzake een levensverzekering voor rekening van de cliënt is, kan de levensverzekeraar met de cliënt overeenkomen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de cliënt blijft indien deze overeenkomstig het tweede lid de overeenkomst, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, ontbindt.
4.
Indien een uitkering op grond van een overeenkomst inzake een levensverzekering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling stelt de levensverzekeraar aan de cliënt op diens verzoek informatie ter hand over het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling, waarin aandacht wordt besteed aan de volgende aspecten:
a. de doelstelling van het beleggingsbeleid, alsmede de voor het beheer gehanteerde referentieportefeuille;
b. aan het beleggingsbeleid gestelde restricties; en
c. de beleggingstitels die zijn toegestaan alsmede de afgeleide instrumenten die kunnen worden gebruikt.
5.
Een levensverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, informeert de cliënt waar deze kennis kan nemen van het rapport over zijn solvabiliteit en financiële positie, bedoeld in artikel 3:73c, eerste lid, van de wet.
6.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel m, is niet van toepassing indien de cliënt een werkgever is die een overeenkomst afsluit ten behoeve van zijn werknemers in verband met een door hem toegezegd pensioen.
1.
Onverminderd artikel 57 verstrekt een schadeverzekeraar een cliënt voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een schadeverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, of de door de schadeverzekeraar voorgestelde rechtskeuze; en
c. de naam en het adres van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e, van de wet.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen veertien kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
Artikel 62
Indien in geval van een overeenkomst inzake een schadeverzekering een risico is gelegen in een andere lidstaat wordt de aan de cliënt te verstrekken informatie gegeven volgens de in die andere lidstaat vastgestelde regels ter uitvoering van de artikelen 183 en 184 van de richtlijn solvabiliteit II.
1.
Onverminderd artikel 57 verstrekt een natura-uitvaartverzekeraar voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon, voorzover van toepassing, ten minste de volgendeinformatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. een omschrijving van de prestatie waartoe de natura-uitvaartverzekeraar zich verplicht;
c. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de cliënt of de verzekerde ingevolge de overeenkomst heeft;
d. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
e. de periode gedurende welke premie verschuldigd is;
f. een opgave van de indexering die wordt toegepast op de verzekerde prestatie of op de premie;
g. de overige mogelijkheden die de aanbieder heeft om de verzekerde prestatie of de premie aan te passen;
h. een opgave of indicatie van de afkoop- of premievrije waarde of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;
i. de wijze waarop de cliënt gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 4:63 van de wet, om de overeenkomst op te zeggen;
j. de wijze waarop de overeenkomst kan worden beëindigd en de termijn die daarbij in acht wordt genomen;
k. het op de overeenkomst toe te passen recht, of de door de natura-uitvaartverzekeraar voorgestelde rechtskeuze;
l. een opgave van de uitvaartonderneming die de uitvaart zal verzorgen, dan wel van de wijze waarop wordt bepaald welke uitvaartonderneming de uitvaart zal verzorgen;
m. de overige polisvoorwaarden, en
n. indien het een overeenkomst betreft die strekt fondsvorming als bedoeld in artikel 4:18, tweede lid, van de wet: informatie over de wijze waarop de ingelegde gelden worden belegd.
2.
Indien de termijn van beëindiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, langer is dan een jaar, maakt de natura-uitvaartverzekeraar dit op een opvallende wijze uitdrukkelijk kenbaar aan de cliënt, bij gebreke waarvan een opzegtermijn van een jaar geldt ongeacht het in de overeenkomst bepaalde.
3.
In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
4.
Indien een natura-uitvaartverzekeraar bij de totstandkoming van een overeenkomst die strekt tot fondsvorming als bedoeld in 4:18, tweede lid, van de wet in afwijking van het eerste lid, de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van een overeenkomst of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis verstrekt in overeenstemming met het derde lid, komt de natura-uitvaartverzekeraar met de cliënt overeen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de cliënt blijft, indien deze overeenkomstig het derde lid de overeenkomst, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, ontbindt.
1.
Deze paragraaf is niet van toepassing op beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op financiële ondernemingen voorzover zij overeenkomsten inzake complexe producten beheren of uitvoeren dan wel daarbij assisteren.
1.
Een aanbieder van een complex product, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe, stelt voor dat product een financiële bijsluiter op.
2.
Een aanbieder van rechten van deelneming in een icbe, stelt voor elke icbe waarin door hem rechten van deelneming worden aangeboden essentiële beleggersinformatie op.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op complexe producten ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend aan anderen dan consumenten.
4.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op financiële ondernemingen die een complex product als bedoeld in artikel 1, onder 1°, 4° of 11°, samenstellen en dat product algemeen in de markt verkrijgbaar stellen voor consumenten of, indien het een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe betreft, cliënten.
1.
Een aanbieder van een complex product houdt een bijgewerkte versie van de financiële bijsluiter respectievelijk de essentiële beleggingsinformatie beschikbaar op zijn website.
2.
De aanbieder van een complex product niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe verstrekt de financiële bijsluiter onverwijld kosteloos op verzoek van een consument.
3.
Indien een complex product niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, wordt een financiële bijsluiter door deze bemiddelaar, gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent onverwijld kosteloos op verzoek van de consument verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar, gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan de verplichting voldoet.
4.
Een aanbieder van rechten van deelneming in een icbe of degene die beleggingsdiensten verleent als bedoeld in artikel 1, onderdelen a, b, of d, van de wet, met betrekking tot rechten van deelneming in een icbe, verstrekt geruime tijd voorafgaand aan een inschrijving op de rechten van deelneming in een icbe kosteloos de essentiële beleggersinformatie aan de cliënt. De essentiële beleggersinformatie wordt schriftelijk, op een duurzame drager of via een website verstrekt. Op verzoek wordt de essentiële beleggersinformatie kosteloos schriftelijk aan de cliënt verstrekt.
5.
Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op financiële ondernemingen die een complex product als bedoeld in artikel 1, onder 1°, 4° of 11°, samenstellen en dat product algemeen in de markt verkrijgbaar stellen voor consumenten of, indien het een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe betreft, cliënten.
1.
In een financiële bijsluiter wordt informatie over de volgende onderwerpen opgenomen:
a. het doel van de financiële bijsluiter;
b. de aard en het doel van het complexe product;
c. de financiële risico’s van het complexe product die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de overige risico’s die samenhangen met dat product;
d. de verplichtingen voor de consument;
e. het al dan niet bestaan van een contractueel recht om de overeenkomst inzake het complexe product tussentijds op te zeggen, de daaraan verbonden kosten en de overige gevolgen;
f. de gevolgen bij overlijden van de consument;
g. voorbeeldrendementen en de kosten van het complexe product; en
h. bij ministeriële regeling aan te wijzen andere onderwerpen.
2.
Een financiële bijsluiter bevat geen informatie over andere onderwerpen dan bedoeld in het eerste lid.
3.
De Autoriteit Financiële Markten stelt regels met betrekking tot de wijze waarop de informatie over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, in de financiële bijsluiter wordt opgenomen, alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van de rendementen, kosten en risico’s als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en g.
1.
In de essentiële beleggersinformatie wordt de volgende informatie over de icbe opgenomen:
a. de identificatie van de icbe;
b. een korte beschrijving van de beleggingsdoelstellingen en beleggingsbeleid;
c. het historisch rendement of, indien relevant, toekomstscenario’s;
d. de kosten; en
e. het risico-opbrengstprofiel van het recht van deelneming, waaronder voldoende toelichting en waarschuwingen met betrekking tot de risico’s die aan het recht van deelneming in de desbetreffende icbe zijn verbonden.
2.
De essentiële beleggingsinformatie vermeldt duidelijk:
a. waar en hoe aanvullende informatie over de aangeboden rechten van deelneming en het prospectus kan worden verkregen;
b. dat de jaarrekening en halfjaarcijfers op de website van de beheerder beschikbaar zijn en dat deze stukken te allen tijde op verzoek kosteloos kunnen worden verkregen bij de beheerder; en
c. in welke taal de informatie, bedoeld in de onderdelen a en b, voor de deelnemers beschikbaar is.
3.
De essentiële beleggersinformatie wordt zodanig opgesteld dat cliënten de aard en de risico’s verbonden aan de rechten van deelneming in een icbe kunnen begrijpen, zonder dat naar andere documenten wordt verwezen.
4.
Een vertaling van de essentiële beleggersinformatie bevat geen andere wijzigingen of aanvullingen ten opzichte van het vertaalde document, dan noodzakelijk vanwege de vertaling.
5.
Met betrekking tot de essentiële beleggersinformatie zijn nadere regels gesteld in verordening nr. 583/2010 van de Europese Commissie van 1 juli 2010 tot uitvoering van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat betreft essentiële beleggersinformatie en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan als de essentiële beleggersinformatie of het prospectus op een andere duurzame drager dan papier of via een website wordt verstrekt (PbEU L 176).
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een beleggingsobject verstrekt de aanbieder de consument ten minste de volgende informatie:
a. een door een accountant dan wel een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de aanbieder zijn zetel heeft, bevoegd is de jaarrekening te onderzoeken, gecontroleerde jaarrekening, waarvan de toelichting ten minste een opsplitsing bevat van de totale verkoopkosten, de productiekosten, de beheerkosten en de administratieve kosten van de aanbieder, een opsplitsing van deze kosten per serie van beleggingsobjecten waartoe het beleggingsobject behoort, alsmede het totaal van de door consumenten ingelegde gelden in de serie van beleggingsobjecten. De opstelling van de jaarrekening geschiedt door een aanbieder met een zetel in Nederland zoveel mogelijk overeenkomstig Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden. De opstelling van de jaarrekening van een aanbieder met een zetel in een andere lidstaat geschiedt overeenkomstig de voorschriften van de richtlijn jaarrekening en van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening of overeenkomstig de internationale jaarrekeningstandaarden. Voor de overige aanbieders geschiedt de opstelling op gelijkwaardige wijze. In de jaarrekening wordt meegedeeld overeenkomstig welke voorschriften de opstelling geschiedt;
b. ten minste een maal per jaar een door een onafhankelijke deskundige in dat jaar opgestelde waardering van de serie van beleggingsobjecten waartoe het beleggingsobject behoort; en
c. bij ministeriële regeling aan te wijzen andere onderwerpen.
2.
De aanbieder houdt de informatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, gedurende ten minste drie jaar beschikbaar op zijn website.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt gepresenteerd of geformuleerd alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de aanbieder de consument op diens verzoek een gespecificeerd overzicht van het uitstaand saldo. Hij kan daarbij een vergoeding in rekening brengen van ten hoogste het bedrag van de werkelijke kosten.
2.
Tot een jaar na de afwikkeling van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de aanbieder van krediet aan de consument op diens verzoek kosteloos een gespecificeerde afrekening.
Artikel 68a
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake hypothecair krediet met een variabele debetrentevoet informeert de aanbieder de consument over elke wijziging van de debetrentevoet, waarbij hij de consument tevens informeert over:
a. het gewijzigde jaarlijks kostenpercentage; en
b. de component of componenten waardoor de debetrentevoet is gewijzigd.
1.
Indien de rentevastperiode van een overeenkomst inzake hypothecair krediet met een vaste debetrentevoet afloopt na 1 april 2013 informeert de aanbieder de consument ten minste drie maanden voor het aflopen van de rentevastperiode over het aflopen van die periode en verstrekt informatie over de maximale debetrentevoet die zal gelden voor de komende rentevastperiode waarbij de maximale debetrentevoet bij minimaal drie rentevastperiodes, indien aangeboden, wordt aangegeven.
2.
Gelijktijdig met het aanbod, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de aanbieder tevens informatie over de mogelijkheid:
a. om boetevrij over te sluiten bij het aflopen van de rentevastperiode; en
b. om advies over oversluitmogelijkheden in te winnen bij de aanbieder of een andere financiëledienstverlener.
1.
Een beleggingsonderneming die voor rekening van een cliënt een order met betrekking tot een financieel instrument heeft uitgevoerd die niet strekt ter uitvoering van een beslissing in verband met het beheren van een individueel vermogen, verstrekt aan de cliënt onmiddellijk de belangrijkste informatie over de uitvoering van deze order.
2.
Een beleggingsonderneming die een order als bedoeld in het eerste lid heeft uitgevoerd voor een niet-professionele belegger geeft de cliënt, onverminderd het eerste lid, onverwijld en uiterlijk op de eerste werkdag na de uitvoering van de order kennis van de uitvoering van de order. Indien de beleggingsonderneming een bevestiging van de uitvoering ontvangt van een derde, geeft de beleggingsonderneming de cliënt daarvan kennis uiterlijk op de eerste werkdag na ontvangst van de bevestiging van deze derde, tenzij deze derde de cliënt reeds onmiddellijk in kennis heeft gesteld.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid informeert een beleggingsonderneming die een order als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot obligaties ter financiering van een hypothecair krediet heeft uitgevoerd, de cliënt die dit krediet is aangegaan over de uitvoering van de order bij de mededeling van de kredietsom, doch uiterlijk een maand na uitvoering van de order.
4.
Indien een beleggingsonderneming periodiek orders met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe uitvoert voor een niet-professionele belegger, kan een beleggingsonderneming de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, éénmaal per zes maanden verstrekken.
5.
Een beleggingsonderneming verstrekt de cliënt desgevraagd informatie over de status van diens order.
6.
De kennisgeving, bedoeld in tweede lid, bevat, voorzover van toepassing en voorzover relevant in overeenstemming met tabel 1 van bijlage 1 bij de uitvoeringsverordening markten voor financiële instrumenten, de volgende informatie:
a. de identificatiegegevens van de melder;
b. de naam of een andere omschrijving van de cliënt;
c. de handelsdag;
d. de handelstijd;
e. het soort order;
f. de identificatiegegevens van de plaats van uitvoering;
g. de identificatiegegevens van het financieel instrument;
h. de aankoop of verkoop;
i. de aard van de order indien het geen koop- of verkooporder betreft;
j. de hoeveelheid;
k. de prijs per eenheid;
l. de totale vergoeding;
m. de totale kosten die in rekening zijn gebracht, en een specificatie daarvan indien de niet-professionele belegger daarom verzoekt;
n. de verantwoordelijkheden van de cliënt met betrekking tot de afwikkeling van de transactie, waaronder de betalings- of levertermijn en de beleggingsrekeninggegevens voorzover deze gegevens en verantwoordelijkheden nog niet eerder aan de cliënt zijn medegedeeld;
o. het feit dat de tegenpartij van de cliënt de beleggingsonderneming zelf, een persoon die deel uitmaakt van de groep waartoe de beleggingsonderneming behoort dan wel een andere cliënt van de beleggingsonderneming was, tenzij de order is uitgevoerd via een handelssysteem dat anonieme handel mogelijk maakt.
7.
Indien een beleggingsonderneming een order met betrekking tot financiële instrumenten in tranches uitvoert, kan zij voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel k, de cliënt informatie over de prijs van elke tranche afzonderlijk dan wel over de gemiddelde prijs verstrekken. Indien de beleggingsonderneming informatie over de gemiddelde prijs geeft, verstrekt zij de niet-professionele cliënt op verzoek informatie over de prijs van elke tranche afzonderlijk.
8.
Een beleggingsonderneming kan de informatie, bedoeld in het zesde lid, door middel van standaardcodes verstrekken indien zij een toelichting op de gebruikte codes geeft.
1.
Een beleggingsonderneming die een individueel vermogen beheert, verstrekt de cliënt een periodiek overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten die namens hem zijn uitgevoerd, tenzij dit overzicht reeds door een derde is verstrekt.
2.
Voorzover het periodieke overzicht, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op het vermogen van een niet-professionele belegger, bevat het, voorzover van toepassing, de volgende gegevens:
a. de naam van de beleggingsonderneming;
b. de naam of een andere omschrijving van de ten behoeve van het beheer gehanteerde beleggingsrekening van de niet-professionele belegger;
c. een vermelding van de inhoud en de waardering van de portefeuille, waaronder gegevens over elk financieel instrument dat aangehouden wordt, de marktwaarde of, als deze niet beschikbaar is, de reële waarde ervan en het kassaldo aan het begin en het einde van de rapportageperiode, alsmede de portefeuilleresultaten over de rapportageperiode;
d. het totale bedrag aan kosten over de rapportageperiode met een afzonderlijke specificatie van in elk geval de totale beheersvergoedingen en de totale uitvoeringskosten en, voor zover van toepassing, met de vermelding dat desgewenst een gedetailleerdere specificatie wordt verstrekt;
e. een vergelijking van de resultaten van de portefeuille over de overzichtsperiode met elke tussen de beleggingsonderneming en de cliënt overeengekomen evaluatie- of vergelijkingsmaatstaf;
f. het totale bedrag aan dividenden, rente en andere betalingen die over de rapportageperiode zijn ontvangen in verband met de portefeuille van de cliënt;
g. informatie over corporate actions waardoor rechten worden verkregen die verband houden met financiële instrumenten in de portefeuille;
h. voor elke in de rapportageperiode uitgevoerde transactie, voor zover van toepassing, de informatie, bedoeld in artikel 69, zesde lid, onderdelen c tot en met l, tenzij de cliënt per transactie informatie wenst te ontvangen overeenkomstig het vijfde lid.
3.
De beleggingsonderneming verstrekt het periodieke overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor zover het betrekking heeft op het vermogen van een niet-professionele belegger eenmaal per zes maanden.
4.
In afwijking van het derde lid verstrekt een beleggingsonderneming het periodieke overzicht, bedoeld in het eerste lid, dat betrekking heeft op het vermogen van een niet-professionele belegger:
a. eenmaal per kwartaal, indien de niet-professionele belegger een verzoek daartoe heeft ingediend;
b. ten minste eenmaal per jaar, indien het vijfde lid van toepassing is, tenzij het periodieke overzicht betrekking heeft op transacties in effecten als bedoeld in onderdeel c van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet of in financiële instrumenten als bedoeld in de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in dat artikel; of
c. maandelijks, indien het een overeenkomst betreft die een portefeuille met hefboomwerking toestaat.
5.
De beleggingsonderneming wijst haar cliënten die niet-professionele belegger zijn erop dat zij het recht hebben om een verzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, in te dienen.
6.
Indien de cliënt per uitgevoerde transactie informatie wenst te ontvangen, verstrekt de beleggingsonderneming onmiddellijk na uitvoering van de transactie de belangrijkste informatie over deze transactie.
7.
Indien de cliënt een niet-professionele belegger is en per uitgevoerde transactie informatie wenst te ontvangen, zendt de beleggingsonderneming de cliënt een bevestiging van de transactie waarin de informatie, bedoeld in artikel 69, zesde lid, is opgenomen, uiterlijk op de eerste werkdag na de uitvoering van die transactie of, indien de beleggingsonderneming een bevestiging van de uitvoering ontvangt van een derde, uiterlijk op de eerste werkdag na ontvangst van de bevestiging van deze derde. De eerste volzin is niet van toepassing wanneer de derde onmiddellijk na het uitvoeren van de transactie een bevestiging die dezelfde informatie bevat aan de cliënt zendt.
1.
Indien een beleggingsonderneming in het kader van het beheer van een individueel vermogen voor een niet-professionele belegger transacties verricht of een beleggingsrekening beheert waarbij sprake is van een ongedekte open positie als gevolg van een transactie waarbij een voorwaardelijke verplichting is aangegaan, stelt de beleggingsonderneming deze cliënt tevens in kennis van verliezen die uitstijgen boven een van tevoren tussen de beleggingsonderneming en de cliënt overeengekomen drempel.
2.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt uiterlijk aan het einde van de werkdag waarop de drempel wordt overschreden of wanneer de drempel op een dag die geen werkdag is wordt overschreden, aan het einde van de eerstvolgende werkdag.
1.
Een beleggingsonderneming zendt een cliënt voor wie zij financiële instrumenten of gelden aanhoudt ten minste eenmaal per jaar een overzicht van de financiële instrumenten of gelden. Indien de informatie onderdeel uitmaakt van een ander periodiek overzicht dat aan een cliënt wordt verstrekt, heeft de beleggingsonderneming voldaan aan de eerste volzin.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op banken, voor zover het betreft deposito’s die zij voor cliënten aanhouden.
3.
Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:
a. gegevens over alle financiële instrumenten of gelden die de beleggingsonderneming voor de cliënt aan het eind van de rapportageperiode aanhoudt;
b. in hoeverre financiële instrumenten of gelden van de cliënt zijn gebruikt voor effectenfinancieringstransacties; en
c. het voordeel dat de cliënt uit hoofde van diens deelneming in effectenfinancieringstransacties heeft behaald en de basis waarop dit voordeel is behaald.
4.
Indien de portefeuille van een cliënt de opbrengsten uit niet-afgewikkelde transacties bevat, wordt in de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde informatie uitgegaan van hetzij de handelsdatum hetzij de afwikkelingsdatum, indien voor al deze gegevens in het overzicht steeds dezelfde grondslag wordt gehanteerd.
5.
Een beleggingsonderneming die voor een cliënt financiële instrumenten of gelden aanhoudt en voor die cliënt tevens een individueel vermogen beheert, kan het overzicht, bedoeld in het eerste lid, opnemen in het periodiek overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten.
1.
In het tweede lid en de artikelen 71c en 71d wordt onder eenmalige betalingstransacties verstaan een betalingstransactie waarop niet een raamovereenkomst voor betaaldiensten van toepassing is.
2.
Indien een betaalopdracht voor een eenmalige betalingstransactie wordt doorgegeven via een onder een raamovereenkomst voor betaaldiensten vallend betaalinstrument, is de betaaldienstverlener niet verplicht informatie te verstrekken of beschikbaar te stellen die reeds uit hoofde van een raamovereenkomst voor betaaldiensten met een andere betaaldienstverlener aan de betaaldienstgebruiker is verstrekt of volgens de raamovereenkomst aan hem zal worden verstrekt.
Artikel 71c
Onmiddellijk na de ontvangst van een betaalopdracht voor een eenmalige betalingstransactie verstrekt de betaaldienstverlener van de betaler op dezelfde wijze als in artikel 59a, eerste tot en met derde lid, is bepaald, aan de betaler de volgende informatie of stelt hij deze aan hem ter beschikking:
a. een referentie aan de hand waarvan de betaler kan bepalen om welke betalingstransactie het gaat, en, in voorkomend geval, de informatie betreffende de betalingsbegunstigde;
b. het bedrag van de betalingstransactie in de in de betalingstransactie gebruikte valuta;
c. het bedrag van de voor de betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing, de splitsing van de bedragen van dergelijke kosten;
d. voor zover van toepassing, de bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, of een desbetreffende referentie, indien deze verschilt van de overeenkomstig artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, aangeboden wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie na die valutawissel; en
e. de datum van ontvangst van de betaalopdracht.
Artikel 71d
Een betaaldienstverlener verstrekt onmiddellijk na de uitvoering van een eenmalige betalingstransactie de volgende informatie aan de betalingsbegunstigde op dezelfde wijze als in artikel 59a, eerste tot en met derde lid, is bepaald, of stelt deze aan hem ter beschikking:
a. de referentie aan de hand waarvan de betalingsbegunstigde kan bepalen welke betalingstransactie en, in voorkomend geval, welke betaler het betreft, en alle bij de betalingstransactie gevoegde informatie;
b. het bedrag van de betalingstransactie, in de valuta waarin de geldmiddelen ter beschikking van de betalingsbegunstigde worden gesteld;
c. het bedrag van de voor de betalingstransactie door de betalingsbegunstigde verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing, de splitsing van de bedragen van dergelijke kosten;
d. voor zover van toepassing, de door de betaaldienstverlener van de betalingsbegunstigde bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie voor die valutawissel; en
e. de valutadatum van de creditering.
Artikel 71e
In geval van een door de betaler geïnitieerde afzonderlijke betalingstransactie uit hoofde van een raamovereenkomst voor betaaldiensten, verstrekt een betaaldienstverlener op verzoek van de betaler voor deze betalingstransactie informatie over de maximum uitvoeringstermijn en de door de betaler verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing, de splitsing van de bedragen van eventuele kosten.
1.
Nadat het bedrag van een afzonderlijke betalingstransactie uit hoofde van een raamovereenkomst voor betaaldiensten van de betaalrekening van de betaler is gedebiteerd of, indien de betaler geen betaalrekening gebruikt, na ontvangst van de betaalopdracht, verstrekt de betaaldienstverlener van de betaler op de wijze bepaald in artikel 59c, eerste en tweede lid, de betaler onverwijld de volgende informatie:
a. een referentie aan de hand waarvan de betaler kan bepalen welke betalingstransactie het betreft en, in voorkomend geval, informatie betreffende de betalingsbegunstigde;
b. het bedrag van de betalingstransactie in de valuta waarin de betaalrekening van de betaler wordt gedebiteerd of in de voor de betaalopdracht gebruikte valuta;
c. het bedrag van de voor de betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing, de splitsing daarvan, ofwel de aan de betaler in rekening te brengen interesten;
d. voor zover van toepassing, de door de betaaldienstverlener van de betaler bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie na die valutawissel; en
e. de valutadatum van de debitering of de datum van ontvangst van de betaalopdracht.
2.
In een raamovereenkomst voor betaaldiensten kan, in afwijking van het eerste lid, worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde informatie op gezette tijden en ten minste eenmaal per maand wordt verstrekt of ter beschikking gesteld op de overeengekomen wijze die de betaler de mogelijkheid biedt informatie ongewijzigd op te slaan en te reproduceren.
1.
Na de uitvoering van een afzonderlijke betalingstransactie verstrekt de betaaldienstverlener van de betalingsbegunstigde op de wijze als bepaald in artikel 59c, eerste en tweede lid, de betalingsbegunstigde onverwijld de volgende informatie:
a. de referentie aan de hand waarvan de betalingsbegunstigde kan bepalen welke betalingstransactie het betreft en, in voorkomend geval, welke betaler het betreft, en alle bij de betalingstransactie gevoegde informatie;
b. het bedrag van de betalingstransactie, in de valuta waarin de rekening van de betalingsbegunstigde wordt gecrediteerd;
c. het bedrag van de voor de betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing, de splitsing daarvan, ofwel de aan de betalingsbegunstigde in rekening te brengen interesten;
d. voor zover van toepassing, de door de betaaldienstverlener van de betalingsbegunstigde bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie voor die valutawissel; en
e. de valutadatum van de creditering.
2.
In een raamovereenkomst voor betaaldiensten kan de voorwaarde worden opgenomen dat de in het eerste lid bedoelde informatie op gezette tijden en ten minste eenmaal per maand wordt verstrekt of ter beschikking wordt gesteld op een overeengekomen wijze die de betalingsbegunstigde de mogelijkheid biedt informatie ongewijzigd op te slaan en te reproduceren.
1.
Een betaaldienstverlener verstrekt de betaaldienstgebruiker op diens verzoek de in de artikelen 71f, eerste lid, en 71g, eerste lid, bedoelde informatie eenmaal per maand schriftelijk.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van betaaldienstgebruikers aan wie via de website van de betaaldienstverlener de in het eerste lid bedoelde informatie wordt verstrekt, mits de betaaldienstgebruiker geheel of nagenoeg geheel via de website van deze betaaldienstverlener gebruik maakt van de door de desbetreffende betaaldienstverlener verleende betaaldiensten.
1.
Met betrekking tot betaalinstrumenten die overeenkomstig een raamovereenkomst voor betaaldiensten uitsluitend worden gebruikt voor afzonderlijke betalingstransacties van maximaal € 30, met een uitgavenlimiet van € 150 of waarop maximaal een bedrag van € 150 tegelijk kan worden opgeslagen verstrekt de betaaldienstverlener, in afwijking van artikel 71e, de betaler uitsluitend informatie over de voornaamste kenmerken van de betaaldienst, met inbegrip van de wijze waarop van het betaalinstrument gebruik kan worden gemaakt, de aansprakelijkheid, alle in rekening gebrachte kosten en andere belangrijke informatie die nodig is om een weloverwogen besluit te nemen;
2.
Een betaaldienstverlener kan, in afwijking van de artikelen 71f tot en met 71h, met de betaaldienstgebruiker overeenkomen dat de betaaldienstverlener na uitvoering van een betalingstransactie:
1°. uitsluitend een referentie verstrekt of beschikbaar stelt waarmee de betaaldienstgebruiker van de betaaldienst de betalingstransactie, het daarmee gemoeide bedrag en de kosten ervan kan identificeren, of in het geval van verschillende gelijkaardige betalingstransacties aan dezelfde betalingsbegunstigde, uitsluitend informatie over het totale bedrag en de kosten van deze betalingstransacties;
2°. niet verplicht is de onder 1° bedoelde informatie te verstrekken of beschikbaar te stellen als het betaalinstrument anoniem wordt gebruikt of als verstrekking hiervan voor de betaaldienstverlener uit technisch oogpunt onmogelijk is, waarbij de betaaldienstverlener de betaler echter een mogelijkheid biedt de opgeslagen bedragen te verifiëren.
2.
Voor nationale betalingstransacties worden de in het eerste lid genoemde bedragen verdubbeld.
3.
Voor vooraf betaalde betaalinstrumenten, bedoeld voor nationale betalingstransacties, worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd tot € 500.
1.
Indien een betalingsbegunstigde een vergoeding verlangt of een korting aanbiedt voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument, informeert hij de betaler daarover voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd.
2.
Indien een betaaldienstverlener of een derde een vergoeding verlangt voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument, informeert hij de betaaldienstgebruiker daarover voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd.
Artikel 71k
Artikel 59f is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge de artikelen 71b tot en met 71j te verstrekken of ter beschikking te stellen informatie.
Artikel 71l
Een betaalinstelling of een elektronischgeldinstelling draagt er zorg voor dat betaaldienstagenten die voor haar rekening handelen, de betaaldienstgebruiker daarvan in kennis stellen. Zij draagt er tevens zorg voor dat haar bijkantoren de betaaldienstgebruiker in kennis stellen van het feit bijkantoor te zijn van de betaalinstelling, onderscheidenlijk de elektronischgeldinstelling.
1.
Een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent die voor rekening van een verzekeraar een verzekering heeft gesloten, vermeldt in de polis dan wel in een daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar heeft geaccepteerd. In geval van een schadeverzekering vermeldt hij tevens elke wijziging in het door hem namens de verzekeraar geaccepteerde aandeel in een aanhangsel.
2.
Wordt, nadat de gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent de verzekering heeft gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent geaccepteerde aandeel in de verzekering is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel gegeven, dan verstrekt de gevolmachtigde agent onderscheidenlijk de ondergevolmachtigde agent de in het eerste lid bedoelde gegevens aan de cliënt binnen vier weken na het sluiten van de verzekering of na het aanbrengen van de wijziging. Behoort de verzekering evenwel tot de portefeuille van een bemiddelaar, dan verstrekt de gevolmachtigde agent onderscheidenlijk de ondergevolmachtigde agent deze gegevens binnen twee weken aan deze bemiddelaar.
3.
Wordt, nadat een verzekering is gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de verzekeraar geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel afgegeven waarin de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, diens aandeel of daarin aangebrachte wijziging is vermeld, dan verstrekt de bemiddelaar tot wiens portefeuille de verzekering behoort deze gegevens binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging aan de cliënt.
4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien binnen de desbetreffende termijn de verzekering is tenietgegaan en daaraan door de cliënt of andere belanghebbenden geen rechten meer kunnen worden ontleend.
5.
De gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent of de betrokken bemiddelaar stelt de cliënt desgevraagd onverwijld in kennis van de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, van de aandelen die de verzekeraars hebben geaccepteerd of van wijzigingen die daarin zijn aangebracht.
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een levensverzekering verstrekt een levensverzekeraar de cliënt, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. iedere wijziging van zijn handelsnaam of handelsnamen, statutaire naam, rechtsvorm of adres;
b. iedere wijziging van de polisvoorwaarden;
c. voorzover zulks niet blijkt uit een wijziging van de polisvoorwaarden: iedere wijziging van de overeenkomst met betrekking tot de in de artikelen 57, eerste lid, onderdeel c, en artikel 60, eerste lid, onderdelen b tot en met m, en o tot en met s, bedoelde onderwerpen of van de op die onderdelen van toepassing zijnde regelgeving;
d. de jaarlijkse winstdeling alsmede, indien de verzekeraar cijfers over de mogelijke toekomstige ontwikkeling van de winstdeling heeft verstrekt, de eventuele afwijking tussen de feitelijke ontwikkeling van de winstdeling en de eerder verstrekte informatie;
e. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe:
een jaarlijkse opgave over het voorafgaande jaar van:
1°. de waarde-ontwikkeling van het opgebouwde kapitaal;
2°. de door de cliënt betaalde premies, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel i;
3°. de met de cliënt verrekende kosten, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel l, onder 1°, 2° en 3°;
4°. het op het opgebouwde kapitaal behaalde rendement;
f. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe: een jaarlijkse prognose van de hoogte van het eindkapitaal op basis van een pessimistische voorspelling of het historisch rendement;
g. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe: het gevoerde beheer van de beleggingsinstelling of icbe;
h. indien de cliënt daarom verzoekt: een opgave van de premievrije waarde op de einddatum van de verzekering, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage, of een opgave van de wegens afkoop verschuldigde kosten en de actuele afkoopwaarde.
2.
Indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe verstrekt de levensverzekeraar, onverminderd het eerste lid, aanhef en onderdeel h, aan de cliënt die verzoekt zijn premie te verhogen of te verlagen of zijn polis premievrij te maken: een aan de nieuwe premie aangepaste opgave overeenkomstig artikel 60, eerste lid, onderdeel l, onder 1°, 2° en 3°.
3.
Het eerste lid, aanhef en onderdelen e, f en h, en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de cliënt een werkgever is die de overeenkomst heeft afgesloten ten behoeve van zijn werknemers in verband met een door hem toegezegd pensioen.
Artikel 74
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon verstrekt een natura-uitvaartverzekeraar de cliënt, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. iedere wijziging van zijn handelsnaam of handelsnamen, statutaire naam, rechtsvorm of adres;
b. iedere wijziging van de polisvoorwaarden; en
c. voorzover zulks niet blijkt uit een wijziging van de polisvoorwaarden: iedere wijziging van de overeenkomst ten aanzien van de in de artikelen 57, eerste lid, onderdeel c, en 63, eerste lid, onderdelen b tot en met h, j en l bedoelde onderwerpen of van de op die onderdelen van toepassing zijnde regelgeving.
Artikel 75
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een schadeverzekering stelt een schadeverzekeraar met zetel buiten Nederland die de branche Aansprakelijkheid Motorrijtuigen uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland de cliënt binnen twee weken in kennis van een wijziging in de naam of het adres van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e, van de wet.
1.
In afwijking van artikel 57 en onverminderd de artikelen 60 tot en met 63 verstrekt een financiëledienstverlener een consument voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn naam en adres, de hoedanigheid waarin hij optreedt tegenover de consument en, indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
b. de aard van zijn financiële dienstverlening;
c. voorzover artikel 4:17 van de wet van toepassing is: zijn interne klachtenprocedure, bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de wet en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten;
d. zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register;
e. het nummer van de inschrijving in het handelsregister;
f. de belangrijkste kenmerken van het financiële product;
g. de risico’s die met het financiële product samenhangen;
h. de totale kosten of, wanneer de exacte kosten niet kunnen worden genoemd, de grondslag voor de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan verifiëren;
i. de omstandigheid dat de consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de financiëledienstverlener worden betaald of door hem worden opgelegd;
j. de extra kosten voor het gebruik van een techniek voor communicatie op afstand;
k. de wijze van betaling door de consument en de wijze van uitvoering van de overeenkomst op afstand;
l. beperkingen in de geldigheidsduur van de verstrekte informatie;
m. de minimale looptijd van de overeenkomst op afstand;
n. het contractuele recht op tussentijdse beëindiging van de overeenkomst op afstand en de eventuele boete verbonden aan de uitoefening van dat recht;
o. het feit dat het in artikel 4:28, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde recht wel of niet van toepassing is, de duur van en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht, met inbegrip van informatie over het bedrag dat de consument gehouden kan zijn te betalen, de gevolgen van niet-uitoefening van dat recht en de wijze waarop dat recht kan worden uitgeoefend;
p. het bestaan van op de overeenkomst op afstand toepasselijke garantiefondsen of andere compensatieregelingen die niet vallen onder richtlijn nr. 1994/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135) en richtlijn nr. 1997/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 084);
q. de taal of de talen waarin de voorwaarden van de overeenkomst op afstand en de in dit artikel bedoelde informatie worden verstrekt, alsmede de taal of talen waarin de financiëledienstverlener zal communiceren gedurende de looptijd van de overeenkomst op afstand;
r. het op de totstandbrenging van betrekkingen met de consument voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst op afstand toe te passen recht, het op die overeenkomst toe te passen recht en de bevoegde rechter;
s. de overige voorwaarden van de overeenkomst op afstand; en
t. indien hij gebruik maakt van een andere beroepsbeoefenaar, de naam en adres van deze beroepsbeoefenaar en, indien deze een rechtspersoon is, diens statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen, en de hoedanigheid waarin deze tegenover de consument optreedt
2.
Een financiëledienstverlener die financiële diensten verleent met betrekking tot levensverzekeringen voldoet aan het eerste lid, aanhef en onderdelen f, g, h, m, n en s, door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdelen h, i, l, m, n, o, p, r, s en t.
3.
Een financiëledienstverlener die financiële diensten verleent met betrekking tot natura-uitvaartverzekeringen voldoet aan het eerste lid, aanhef en onderdeel n, door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdelen h, i, en j.
4.
Een financiëledienstverlener die financiële diensten verleent met betrekking tot consumptief krediet voldoet aan het eerste lid door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 112, eerste en tweede lid, of, indien het krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand wordt verleend waarbij is overeengekomen dat de ter zake verschuldigde betaling van de consument op verzoek of binnen een termijn van één tot drie maanden plaatsvindt, door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 112a, eerste lid.
5.
Een financiëledienstverlener die financiële diensten verleent met betrekking tot effectenkrediet voldoet aan het eerste lid door het verstrekken van de informatie zoals opgenomen in bijlage F van dit besluit.
1.
Indien een overeenkomst op afstand op verzoek van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand waarmee de in artikel 77 bedoelde informatie niet schriftelijk of via een andere duurzame drager als bedoeld in artikel 49, eerste lid, voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, kan de financiëledienstverlener de informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de consument verstrekken.
2.
In afwijking van artikel 77, eerste lid, aanhef, verstrekt de financiëledienstverlener een consument de in dat artikel bedoelde informatie:
a. indien het een overeenkomst op afstand inzake een schadeverzekering betreft, uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis;
b. indien het een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering, inzake een natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst op afstand die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon betreft, uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis. Indien het een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering of een overeenkomst op afstand die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon waarvan de waarde afhankelijk is van de ontwikkeling op financiële markten betreft, heeft de consument het recht zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van het tot stand komen van de overeenkomst, te ontbinden en wordt de consument door de financiëledienstverlener geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
3.
Voorzover het financiële risico ingevolge een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering voor rekening van de consument is, kan de financiëledienstverlener met de consument overeenkomen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument blijft indien deze de overeenkomst terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst ontbindt.
4.
Natura-uitvaartverzekeraars die overeenkomsten op afstand aangaan die strekken tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens en die overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b, de in dat lid bedoelde informatie uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis verstrekken, komen met de consument overeen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument blijft, indien deze ingevolge het tweede lid, onderdeel b, de overeenkomst terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst ontbindt.
1.
Een financiëledienstverlener deelt aan een consument bij het gebruik van de telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, aan het begin van elk gesprek duidelijk de identiteit van de financiëledienstverlener, alsmede het commerciële oogmerk van de oproep mee. In afwijking van artikel 77, kan de financiëledienstverlener in dergelijke oproepen, indien de consument daarmee uitdrukkelijk instemt, volstaan met het informeren van de consument over:
a. de identiteit van de persoon die in contact staat met de consument en de relatie van deze persoon met de financiëledienstverlener;
b. de belangrijkste kenmerken van het financiële product of de financiële dienst;
c. de totale kosten, of, wanneer de exacte kosten niet kunnen worden genoemd, de grondslag voor de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan verifiëren;
d. de omstandigheid dat de consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de financiëledienstverlener worden betaald of door hem worden opgelegd;
e. de toepasselijkheid van het in artikel 4:28, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde recht, de duur van en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht, met inbegrip van informatie over het bedrag dat de consument gehouden kan zijn te betalen, de gevolgen van niet-uitoefening van dat recht; en
f. de omstandigheid dat op verzoek van de consument andere informatie beschikbaar is, waarbij de aard van die informatie aan de consument wordt medegedeeld.
2.
Ten aanzien van consumptief krediet dat op verzoek van de consument met onmiddellijke ingang beschikbaar wordt gesteld, anders dan in de vorm van een geoorloofde debetstand waarbij is overeengekomen dat de ter zake verschuldigde betaling van de consument op verzoek of binnen een termijn van één tot drie maanden plaatsvindt, zijn de belangrijkste kenmerken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de volgende gegevens:
a. het jaarlijks kostenpercentage berekend voor een representatief voorbeeld;
b. het totale door de consument te betalen bedrag;
c. het totale kredietbedrag en de voorwaarden voor kredietopneming;
d. de duur van de kredietovereenkomst;
e. in geval van goederenkrediet, de roerende zaak of de dienst en de contante prijs daarvan;
f. de debetrentevoet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, en, voor zover beschikbaar, indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet, en de termijnen, de voorwaarden en de procedure voor wijziging daarvan; en
g. het bedrag, het aantal en de frequentie van de door de consument te verrichten betalingen, en, indien van toepassing, de volgorde waarin de betalingen aan de verschillende openstaande saldi tegen verschillende debetrentevoeten worden toegerekend met het oog op de aflossing.
3.
Ten aanzien van consumptief krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand waarbij is overeengekomen dat de ter zake verschuldigde betaling van de consument op verzoek of binnen een termijn van één tot drie maanden plaatsvindt, zijn de belangrijkste kenmerken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de in artikel 112a, tweede lid, onderdelen c, e, f en g, bedoelde gegevens.
4.
Ten aanzien van effectenkrediet zijn de belangrijkste kenmerken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de volgende gegevens:
a. de debetrentevoet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, en, voor zover beschikbaar, indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet, en de termijnen, de voorwaarden en de procedure voor wijziging daarvan; en
b. dat het krediet wordt verleend of toegezegd tegen onderpand van financiële instrumenten en dat de kredietlimiet afhankelijk is van een bepaald dekkingspercentage en indien van toepassing, bepaalde spreidingseisen; en
c. welk dekkingspercentage en welke spreidingseisen worden gehanteerd ten aanzien van de in onderpand gegeven financiële instrumenten.
5.
Indien een overeenkomst op afstand tot stand komt via spraaktelefonie, verstrekt een financiëledienstverlener de in artikel 77, eerste lid, bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de consument. Voorzover het een overeenkomst inzake een levensverzekering, natura-uitvaartverzekering of schadeverzekering betreft, is artikel 78, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onderscheidenlijk het tweede lid, aanhef en onderdeel b, of het derde lid van overeenkomstige toepassing.
6.
Artikel 49, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 80
Gedurende de looptijd van een overeenkomst op afstand verstrekt een financiëledienstverlener aan de consument op diens verzoek de voorwaarden van de overeenkomst. Voorts kan de consument het gebruik van een ander middel van communicatie op afstand verlangen, tenzij dat niet met de tot stand gekomen overeenkomst op afstand te verenigen is.
1.
De informatie, bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, stelt de beleggingsonderneming in staat om vast te kunnen stellen dat een transactie waarop haar advies of beheer van een individueel vermogen betrekking heeft:
a. voldoet aan de beleggingsdoelstellingen van de cliënt;
b. van dien aard is dat de cliënt de met zijn beleggingsdoelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s financieel kan dragen; en
c. van dien aard is dat de cliënt, gelet op diens ervaring en kennis, kan begrijpen welke beleggingsrisico’s aan de transactie of aan het beheer van zijn portefeuille verbonden zijn.
2.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, bevat gegevens over de duur van de periode waarin de cliënt de belegging wenst aan te houden, diens risicobereidheid en beleggingsdoelstelling.
3.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat gegevens over de bron en omvang van de periodieke inkomsten, het vermogen en de financiële verplichtingen van de cliënt.
4.
Een beleggingsonderneming die een professionele belegger adviseert over een financieel instrument handelt in overeenstemming met het eerste lid, onderdeel b, indien zij ervan uitgaat dat deze cliënt de met zijn beleggingsdoelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s financieel kan dragen.
5.
Een beleggingsonderneming die een advies over financiële instrumenten verleent of een individueel vermogen beheert voor een professionele belegger handelt in overeenstemming met het eerste lid, onderdeel c, indien zij ervan uitgaat dat deze cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt.
1.
Een beleggingsonderneming die zonder daarbij te adviseren een andere beleggingsdienst verleent dan het beheren van een individueel vermogen, stelt bij de beoordeling van de passendheid, bedoeld in artikel 4:24, eerste lid, van de wet, vast of de cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt om te begrijpen welke risico’s aan het betrokken financiële instrument en de betrokken beleggingsdienst verbonden zijn.
2.
Een beleggingsonderneming, als bedoeld in het eerste lid, die een beleggingsdienst verleent voor een professionele belegger, handelt in overeenstemming met het eerste lid, onderdeel c, indien zij ervan uitgaat dat deze cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt.
3.
Indien de cliënt vóór 1 november 2007 een reeks transacties met betrekking tot financiële instrumenten heeft verricht of vóór dat tijdstip een beleggingsdienst verscheidene malen heeft afgenomen, mag de beleggingsonderneming ervan uitgaan dat de cliënt met betrekking tot dat financiële instrument of die beleggingsdienst over de ervaring en kennis, bedoeld in het eerste lid, beschikt.
1.
De informatie over de kennis en ervaring van de cliënt, bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet, voorzover deze redelijkerwijs relevant is voor een advies over financiële instrumenten of beheer van een individueel vermogen, en de informatie, bedoeld in artikel 4:24, eerste lid, van de wet, is wat de hoeveelheid betreft evenredig aan het soort cliënt, de aard en omvang van de beleggingsdienst en het beoogde soort financiële instrument, de complexiteit ervan en de daarmee samenhangende risico’s, en bevat gegevens over:
a. het soort beleggingsdiensten en financiële instrumenten waarmee de cliënt vertrouwd is;
b. de aard, het volume en de frequentie van de transacties in financiële instrumenten van de cliënt en de periode waarin deze zijn verricht; en
c. de opleiding en het beroep of, voor zover relevant, het vroegere beroep of de vroegere beroepen van de cliënt.
2.
Een beleggingsonderneming moedigt een cliënt niet aan om de informatie, bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4:24, eerste lid, van de wet niet te verstrekken.
3.
Een beleggingsonderneming mag vertrouwen op de door de cliënt verstrekte informatie over de in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4:24, eerste lid, van de wet genoemde onderwerpen, tenzij zij weet of zou moeten weten dat deze informatie gedateerd, onnauwkeurig of onvolledig is.
Artikel 80d
Als financieel instrument in de zin van artikel 4:24, vierde lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen financiële instrumenten, niet zijnde financiële instrumenten als bedoeld in onderdeel c van de definitie van effecten in artikel 1:1 van de wet of financiële instrumenten als bedoeld in de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 van de wet, voor zover:
a. er zich regelmatig een gelegenheid voordoet om deze te verkopen, te gelde te maken of anderszins te realiseren tegen voor de marktdeelnemers publiekelijk beschikbare prijzen die hetzij marktprijzen zijn, hetzij prijzen die afkomstig zijn van of gevalideerd door waarderingssystemen die onafhankelijk zijn van de uitgevende instelling of beleggingsinstelling;
b. deze voor de cliënt geen andere verplichtingen met zich brengen dan de betaling van de aanschaffingskosten ervan; en
c. voor het publiek informatie beschikbaar is over de kenmerken ervan die goed te begrijpen is, zodat cliënten, die geen professionele belegger zijn, met kennis van zaken een beslissing over een eventuele transactie in deze financiële instrumenten kunnen nemen.
1.
Een financiëledienstverlener die, zonder daarbij te adviseren, een betalingsbeschermer, complex product, hypothecair krediet, individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering of een bij ministeriële regeling aan te wijzen ander financieel product aanbiedt, bemiddelt of ten aanzien van dit financieel product optreedt als gevolmachtigde agent, stelt bij de beoordeling van de passendheid, bedoeld in artikel 4:24, eerste lid, van de wet, voorafgaand aan de dienstverlening vast of de consument of cliënt over voldoende kennis en ervaring beschikt om te begrijpen welke risico’s zijn verbonden aan het desbetreffende financieel product en het verlenen van de betrokken financiële dienst.
2.
Het inwinnen van informatie over de kennis en ervaring van de consument of cliënt, bedoeld in artikel 4:24, eerste lid, van de wet, is wat de hoeveelheid betreft evenredig aan de aard van het financieel product, de complexiteit daarvan en de daarmee samenhangende risico’s. In ieder geval wordt informatie ingewonnen over:
a. de financiële producten waarmee de consument of cliënt bekend is;
b. het inzicht van de consument of cliënt in de eigenschappen en risico’s van het desbetreffende financieel product en de financiële dienst;
c. de mate waarin de consument of cliënt inzicht heeft in zijn eigen financiële situatie; en
d. de behoefte van de consument of cliënt aan advies over het desbetreffende financieel product.
3.
In de waarschuwing, bedoeld in artikel 4:24, tweede lid, van de wet wijst de financiëledienstverlener de consument of cliënt erop dat het inwinnen van advies raadzaam is.
4.
Een financiëledienstverlener mag vertrouwen op de door de consument of de cliënt verstrekte informatie over de in het tweede lid genoemde onderwerpen, tenzij hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze informatie gedateerd, onnauwkeurig of onvolledig is.
5.
Indien meerdere financiëledienstverleners betrokken zijn bij het verlenen van de financiële dienst aan de consument of cliënt wordt de informatie, bedoeld in het eerste lid, ingewonnen door de financiëledienstverlener die rechtstreeks door de consument of cliënt is benaderd voor het verlenen van de financiële dienst.
6.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie over de kennis en ervaring, bedoeld in het eerste lid, wordt ingewonnen van de consument of cliënt, de informatie, bedoeld in het tweede lid, alsmede de formulering van de waarschuwing, bedoeld in het derde lid.
1.
Het gebruik van automatische oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen of elektronische berichten voor het overbrengen van ongevraagde informatie aan een consument, ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, is uitsluitend toegestaan indien de consument daarvoor voorafgaand toestemming heeft verleend. Er zijn voor de consument geen kosten verbonden aan het verlenen van deze toestemming.
2.
Het gebruik van andere dan de in het eerste lid genoemde technieken voor communicatie op afstand voor het overbrengen van ongevraagde informatie of het doen van ongevraagde mededelingen aan een consument, ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, is toegestaan, tenzij de desbetreffende consument te kennen heeft gegeven dat hij informatie of mededelingen waarbij van deze technieken gebruik wordt gemaakt, niet wenst te ontvangen. Er zijn voor de consument geen kosten verbonden aan voorzieningen waarmee wordt voorkomen dat aan een consument ongevraagde informatie wordt overgebracht.
3.
Een financiële onderneming die elektronische contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in het kader van de verkoop van een financieel product of het verlenen van een financiële dienst mag deze gegevens gebruiken voor het overbrengen van informatie ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand met betrekking tot eigen gelijksoortige financiële producten of financiële diensten, indien bij de verkrijging van de contactgegevens aan de consument duidelijk en uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden om kosteloos en op gemakkelijke wijze verzet aan te tekenen tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens, en, indien de consument hiervan geen gebruik heeft gemaakt, hem bij elke tot stand gebrachte communicatie de mogelijkheid wordt geboden om onder dezelfde voorwaarden verzet aan te tekenen tegen het verdere gebruik van zijn elektronische contactgegevens. Artikel 41, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij het gebruik van elektronische berichten ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand dienen telkens de volgende gegevens te worden vermeld:
a. de werkelijke identiteit van degene namens wie de communicatie wordt overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke communicatie kan richten.
Artikel 81a
Een aanbieder van een hypothecair krediet offreert voor een consument die voornemens is een overeenkomst inzake een hypothecair krediet aan te gaan dezelfde debetrentevoet bij dezelfde rentevastperiode als voor een consument aan wie op dat moment een aanbod wordt gedaan voor de komende rentevastperiode bij een vergelijkbaar risicoprofiel.
1.
Een levensverzekeraar spant zich jegens cliënten met een levensverzekering die een beleggingscomponent bevat en voor 1 januari 2013 is afgesloten, aantoonbaar in om hen een weloverwogen keuze te laten maken tot voortzetting, wijziging of stopzetting van die verzekering. Daartoe draagt hij er zorg voor dat bedoelde cliënten:
a. over adequate informatie beschikken met betrekking tot:
1°. de kenmerken alsmede de huidige en verwachte toekomstige financiële gevolgen van de verzekering in relatie tot het doel van de cliënt bij het afsluiten van de verzekering;
2°. de mogelijkheden om de verzekering te wijzigen, zodat deze meer aansluit bij het in onderdeel a bedoelde doel van de cliënt;
b. uitdrukkelijk de keuze, en consequenties van die keuze, tot voortzetting, wijziging of stopzetting van de in het eerste lid bedoelde verzekering wordt voorgelegd.
2.
Tevens legt de levensverzekeraar de aan de cliënt verstrekte, alsmede de van de cliënt ontvangen, informatie en de door de cliënt gemaakte keuze vast.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot het bepaalde in het eerste en tweede lid, waarbij de met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde inspanningsverplichting te stellen regels zowel betrekking kunnen hebben op de inspanningen die in de relatie met individuele cliënten van een levensverzekeraar worden gevergd, als op minimale omvang van de inspanningen ten aanzien van de totale groep cliënten met een verzekering als bedoeld in het eerste lid.
4.
De levensverzekeraar maakt, per groep cliënten binnen een bepaalde categorie levensverzekering met een beleggingscomponent, de resultaten van de in het eerste lid bedoelde inspanningen openbaar. De Autoriteit Financiële Markten kan dienaangaande nadere regels stellen.
1.
Een maatschappij voor collectieve belegging in effecten, beleggingsonderneming of beheerder van een icbe benadert personen die geen professionele belegger zijn, die geen deelnemer zijn in de icbe of aan wie de beleggingsonderneming nog geen beleggingsdienst heeft verleend, direct noch indirect in persoon, anders dan door middel van een techniek voor communicatie op afstand als bedoeld in artikel 81, tenzij:
a. de betrokkene daarmee vooraf uitdrukkelijk schriftelijk dan wel elektronisch mee heeft ingestemd; of
b. de betrokkene in het contact slechts informatiemateriaal wordt aangeboden.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op beheerders van icbe’s met zetel in een andere lidstaat, icbe’s met zetel in een andere lidstaat en de eventueel aan die instellingen verbonden bewaarders.
1.
Een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe handelt in het belang van de deelnemers in de icbe.
2.
Een beheerder van een icbe of maatschappij voor collectieve belegging in effecten behandelt deelnemers onder vergelijkbare omstandigheden op gelijke wijze.
3.
Door of namens een icbe worden geen transacties uitgevoerd voor haar rekening met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beheerder van de icbe, de icbe of met de beheerder van de icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van de icbe gelieerde partijen.
4.
Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op beheerders van icbe’s met zetel in een andere lidstaat die geen icbe’s met zetel in Nederland beheren, icbe’s met zetel in een andere lidstaat en de eventueel aan die instellingen verbonden bewaarders.
1.
Een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling neemt jegens de deelnemers in de beleggingsinstelling de in artikel 12, eerste lid, onderdelen b, d, e, f, alsmede de laatste volzin van het eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde regels in acht.
2.
De Autoriteit Financiële Markten neemt bij het toezicht op de naleving van regels, bedoeld in het eerste lid, de ingevolge artikel 12, derde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde criteria in acht.
1.
Een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling treedt niet op als bewaarder van die beleggingsinstelling.
2.
Een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling kan een prime broker aanstellen als bewaarder, indien wordt voldaan aan de in artikel 21, vierde lid, onderdeel b, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde voorwaarden.
Artikel 83c
Bij de vervulling van de taken van de bewaarder neemt de bewaarder de in artikel 21, tiende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde regels in acht.
Artikel 84
Een beleggingsonderneming onthoudt zich van het uitvoeren van transacties voor rekening van cliënten met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beleggingsonderneming, tenzij sprake is van transacties waarvoor de cliënt op eigen initiatief uitdrukkelijk opdracht heeft gegeven.
Artikel 85
Een beleggingsonderneming verricht geen transactie voor rekening van een cliënt, indien de op naam van de cliënt aanwezige saldi ontoereikend zijn om aan de verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit die transactie.
1.
Een beleggingsonderneming ziet er op toe dat cliënten die posities hebben in financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortvloeien voortdurend over voldoende saldi beschikken om aan de actuele verplichtingen die uit die posities voortvloeien te voldoen.
2.
Indien een cliënt als bedoeld in het eerste lid over onvoldoende saldi beschikt om te voldoen aan de actuele verplichtingen die voortvloeien uit posities in financiële instrumenten, ziet de beleggingsonderneming er op toe dat deze cliënt zekerheden stelt waaruit die verplichtingen kunnen worden voldaan. Indien de cliënt geen zekerheden kan stellen, sluit de beleggingsonderneming de posities zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vijf werkdagen tenzij er zich bijzondere omstandigheden voordoen.
Artikel 86b
Artikel 86c is uitsluitend van toepassing op overeenkomsten die zijn aangegaan op of na inwerkingtreding van dat artikel.
1.
Een financiëledienstverlener verschaft of ontvangt, rechtstreeks of middellijk, geen provisie voor het bemiddelen of adviseren van een betalingsbeschermer, complex product, hypothecair krediet, individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering, overlijdensrisicoverzekering, uitvaartverzekering of bij ministeriële regeling aan te wijzen ander financieel product.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. provisies die rechtstreeks worden verschaft door de consument of, voor zover het een verzekering betreft, de cliënt of degene die namens hem optreedt, tenzij de hoogte van deze provisies kennelijk onredelijk is gelet op de aard en reikwijdte van de dienstverlening;
b. provisies die worden verschaft door de aanbieder of ontvangen door de bemiddelaar of adviseur voor het bemiddelen of adviseren van een consument die inzake een hypothecair krediet betalingsachterstanden of voorzienbare betalingsachterstanden heeft, mits de provisie geen afbreuk doet aan de kwaliteit van de dienstverlening en de verplichting van de bemiddelaar of adviseur om zich in te zetten voor de belangen van de consument;
c. provisies die noodzakelijk zijn voor het verlenen van de desbetreffende financiële dienst of de desbetreffende financiële dienst mogelijk maken;
d. provisies die worden verschaft door een bemiddelaar of adviseur, niet zijnde een aanbieder of gevolmachtigde agent, aan een andere bemiddelaar of adviseur;
e. relatiegeschenken, voor zover de gezamenlijke waarde daarvan op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 100.
3.
De bemiddelaar of adviseur doet op begrijpelijke wijze mededeling van het bestaan en het bedrag van de provisie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, voordat de desbetreffende financiële dienst wordt verleend, tenzij het bedrag van de provisie op dat moment niet bekend is.
4.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op personen die ingevolge artikel 2:104, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld van artikel 2:96, eerste lid, van de wet voor zover die personen in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen:
a. als bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe voor zover die personen in Nederland orders mogen doorgeven aan beleggingsinstellingen of icbe’s die in Nederland rechten van deelneming mogen aanbieden en aan banken en beleggingsondernemingen die in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen;
b. als bedoeld in onderdeel d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe.
1.
Een aanbieder, bemiddelaar of adviseur verschaft of ontvangt voor het bemiddelen of adviseren inzake een schadeverzekering, niet zijnde een betalingsbeschermer, individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering of een overlijdensrisicoverzekering, geen andere provisies dan:
a. provisies die worden verschaft door of aan de cliënt of degene die namens hem optreedt, tenzij de hoogte van deze provisies kennelijk onredelijk is gelet op de aard en reikwijdte van de financiële dienstverlening;
b. afsluitprovisies of doorlopende provisies, mits de bemiddelaar of adviseur kosteloos op verzoek van de cliënt op begrijpelijke wijze mededeling doet van het bestaan, de aard en het bedrag of, indien het bedrag niet kan worden achterhaald, de wijze van berekening van de provisie of in geval van provisie in natura de waarde in het economisch verkeer voordat de desbetreffende financiële dienst wordt verleend;
c. provisies die noodzakelijk zijn voor het verlenen van de financiële dienst of de desbetreffende dienst mogelijk maken; of
d. relatiegeschenken, voor zover de gezamenlijke waarde daarvan op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 100.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder «consument» in de definities van afsluitprovisie en doorlopende provisie in artikel 1, mede verstaan een cliënt, niet zijnde een consument.
3.
Dit artikel is van toepassing op overeenkomsten inzake schadeverzekeringen die zijn aangegaan op of na 1 januari 2012.
1.
Een aanbieder, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent verschaft of ontvangt voor het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent rechtstreeks of middellijk geen commissie die niet noodzakelijk is voor het verlenen van de dienst of deze mogelijk maakt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. commissies die worden verschaft door of aan een derde of degene die namens hem optreedt, indien de verschaffing van de commissie geen afbreuk doet aan de verplichting van de aanbieder, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent om zich in te zetten voor de belangen van de cliënt; en
b. relatiegeschenken, voor zover deze gezamenlijk op jaarbasis de waarde van € 100 niet overstijgen.
3.
Dit artikel is van toepassing op overeenkomsten die aangegaan zijn op of na 1 januari 2012.
1.
Een financiëledienstverlener verstrekt voorafgaand aan het verlenen van een financiële dienst inzake een financieel product als bedoeld in artikel 86c, eerste lid, een dienstverleningsdocument aan de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt, dat betrekking heeft op de gevraagde dienstverlening.
2.
Het dienstverleningsdocument bevat de volgende informatie over de financiëledienstverlener en zijn dienstverlening:
a. of hij adviseert, en zo ja, of dit geschiedt op grond van een objectieve analyse;
b. of hij een contractuele verplichting heeft om uitsluitend voor een of meer bepaalde aanbieders te bemiddelen, in welk geval hij desgevraagd aan de consument of de cliënt de namen van deze aanbieders meedeelt;
c. of hij geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen, en niet adviseert op grond van een objectieve analyse, in welk geval hij de consument of cliënt desgevraagd tevens de namen meedeelt van de aanbieders waarvoor hij bemiddelt of kan bemiddelen;
d. of hij naast het geven van advies ook bemiddelt, in welk geval hij de hoogte van de kosten die hiervoor in rekening worden gebracht, weergeeft in de totale kosten van de dienstverlening, bedoeld in de onderdelen i en j;
e. of hij na de totstandkoming van de overeenkomst andere diensten voor de consument of cliënt kan verrichten, in welk geval hij de wijze waarop hij de kosten die voor deze diensten in rekening worden gebracht, meedeelt;
f. of hij uitsluitend adviseert over eigen producten, dan wel tevens over producten van andere aanbieders;
g. of hij een gekwalificeerde deelneming in een bepaalde aanbieder of een moedermaatschappij van een bepaalde aanbieder houdt;
h. of een bepaalde aanbieder of een moedermaatschappij van een bepaalde aanbieder een gekwalificeerde deelneming in hem houdt;
i. indien hij een bemiddelaar of adviseur is die niet tevens aanbiedt: het nominale bedrag van de beloning die door hem gemiddeld voor de financiële dienst in rekening wordt gebracht, alsmede de manier waarop deze beloning bij de consument of cliënt in rekening wordt gebracht;
j. indien hij een aanbieder is: de nominale kosten die door hem gemiddeld bij de consument of cliënt in rekening worden gebracht voor advies en distributie van een financieel product dat beantwoordt aan de dienstverleningsvraag, alsmede de wijze waarop deze kosten in rekening worden gebracht; en
k. andere bij ministeriële regeling bepaalde informatie.
3.
Indien de financiëledienstverlener op grond van het tweede lid, onderdelen f, g, en h, tevens andere belangen bij het verlenen van een financiële dienst heeft dan het belang van de consument of cliënt, wijst hij de consument of cliënt erop dat deze belangen ertoe kunnen leiden dat bepaalde financiële producten worden geadviseerd.
4.
Een objectieve analyse als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële producten die de adviseur of bemiddelaar in staat stelt een financieel product aan te bevelen dat aan de dienstverleningsvraag van de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt beantwoordt.
5.
De financiëledienstverlener publiceert, indien hij beschikt over een website, het dienstverleningsdocument op zijn website.
6.
Het dienstverleningsdocument wordt verstrekt door de financiëledienstverlener die rechtstreeks door de consument of cliënt is benaderd voor het verlenen van de financiële dienst.
7.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de gevraagde dienstverlening, bedoeld in het eerste lid, de informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, alsmede de vormgeving en wijze van verstrekking van het dienstverleningsdocument.
1.
Een aanbieder die een dienstverleningsdocument dient te verstrekken, stelt een kostprijsmodel op. Dit kostprijsmodel wordt gebruikt voor de berekening van de advieskosten en distributiekosten die zijn gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst ten aanzien van producten als bedoeld in artikel 86c met een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt.
2.
De aanbieder laat de juistheid van het kostprijsmodel controleren door een accountant. Tevens controleert een accountant jaarlijks of de begrote advieskosten en distributiekosten juist en volledig zijn toegerekend aan de financiële producten, bedoeld in het eerste lid.
1.
Een directe aanbieder brengt de advieskosten en distributiekosten gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst met betrekking tot een betalingsbeschermer, complex product, hypothecair krediet, individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering, overlijdensrisicoverzekering, uitvaartverzekering, of bij ministeriële regeling aan te wijzen ander financieel product rechtstreeks in rekening bij de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt.
2.
De aanbieder brengt geen andere kosten dan de advieskosten en distributiekosten in rekening bij de consument onderscheidenlijk cliënt voor de werkzaamheden gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst met betrekking tot de financiële producten, bedoeld in het eerste lid.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het adviseren van een consument die inzake een hypothecair krediet betalingsachterstanden of voorzienbare betalingsachterstanden heeft.
1.
Een adviseur die de aanbevolen schadeverzekering niet tevens aanbiedt, informeert de cliënt uiterlijk tegelijk met zijn advies inzake een schadeverzekering, niet zijnde een betalingsbeschermer, individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering of overlijdensrisicoverzekering, over de volgende onderwerpen:
a. of hij adviseert op grond van een objectieve analyse;
b. of hij een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te adviseren, in welk geval hij de cliënt desgevraagd tevens de namen van deze aanbieders meedeelt;
c. of hij geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te adviseren en hij niet adviseert op grond van een objectieve analyse, in welk geval hij de cliënt desgevraagd tevens de namen meedeelt van de aanbieders waarvoor hij adviseert of kan adviseren;
d. op welke wijze hij wordt beloond;
e. of hij een gekwalificeerde deelneming in een bepaalde aanbieder houdt; en
f. of een bepaalde aanbieder of een bepaalde moedermaatschappij van een aanbieder een gekwalificeerde deelneming in hem houdt.
2.
Een bemiddelaar informeert de cliënt voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een schadeverzekering, met uitzondering van een betalingsbeschermer, individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering of een overlijdensrisicoverzekering, over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.
3.
Een objectieve analyse als bedoeld in het eerste lid is een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare schadeverzekeringen die de adviseur of bemiddelaar in staat stelt een schadeverzekering aan te bevelen dat aan de behoeften van de cliënt voldoet.
1.
Artikel 86k is van toepassing op overeenkomsten inzake betalingsbeschermers en uitvaartverzekeringen die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2010 tot de inwerkingtreding van artikel 86c.
2.
Artikel 86k is van toepassing op overeenkomsten inzake complexe producten en hypothecair kredieten die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2007 tot de inwerkingtreding van artikel 86c.
3.
De artikelen 86l en 86m zijn van toepassing op overeenkomsten die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2007 tot de inwerkingtreding van artikel 86c.
1.
Een aanbieder, bemiddelaar of adviseur verschaft of ontvangt voor het bemiddelen of adviseren inzake een betalingsbeschermer, complex product, hypothecair krediet of uitvaartverzekering, rechtstreeks of middellijk geen provisie die niet noodzakelijk is voor het verlenen van de desbetreffende dienst of deze mogelijk maakt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. provisies die worden verschaft door of aan de cliënt of degene die namens hem optreedt; of
b. provisies die worden verschaft door de aanbieder of ontvangen door de bemiddelaar of adviseur voor het bemiddelen of adviseren van een consument die inzake een hypothecair krediet betalingsachterstanden of voorzienbare betalingsachterstanden heeft, mits de provisie geen afbreuk doet aan de kwaliteit van de dienstverlening en de verplichting van de bemiddelaar of adviseur om zich in te zetten voor de belangen van de consument;
c. afsluitprovisies of doorlopende provisies die worden verschaft door of aan een derde of degene die namens hem optreedt, indien:
1°. de bemiddelaar of adviseur de cliënt op uitvoerige, accurate en begrijpelijke wijze mededeling doet van het bestaan, de aard en het bedrag of, indien het bedrag niet kan worden achterhaald, de wijze van berekening van de provisie of in geval van provisie in natura de waarde in het economisch verkeer voordat de betreffende dienst wordt verleend; en
2°. het verschaffen van de provisie de kwaliteit van de betreffende dienst ten goede komt en geen afbreuk doet aan de verplichting van de aanbieder, bemiddelaar of adviseur om zich in te zetten voor de belangen van de cliënt;
d. relatiegeschenken, voor zover de gezamenlijke waarde daarvan op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 100.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt onder «consument» in de definities van afsluitprovisie en doorlopende provisie, bedoeld in artikel 1, mede verstaan een cliënt, niet zijnde een consument.
4.
De bemiddelaar of adviseur doet op begrijpelijke wijze mededeling van het bestaan en het bedrag van de provisie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, voordat de desbetreffende financiële dienst wordt verleend, tenzij het bedrag van de provisie op dat moment niet bekend is.
1.
Een aanbieder betaalt geen afsluitprovisie die meer bedraagt dan de helft van de som van die afsluitprovisie en de totale doorlopende provisie terzake van de desbetreffende overeenkomst.
2.
Een aanbieder betaalt de doorlopende provisie evenredig uit gedurende ten minste tien jaar na totstandkoming van de desbetreffende overeenkomst. Indien de looptijd van de overeenkomst korter is dan tien jaar, betaalt de aanbieder de doorlopende provisie evenredig uit gedurende die looptijd.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op overeenkomsten inzake complexe producten voor zover tussen de desbetreffende aanbieder en de consument door tussenkomst van dezelfde bemiddelaar ten minste drie maanden voorafgaand aan het sluiten daarvan een overeenkomst is gesloten inzake een financieel product dat onderdeel is van het desbetreffende complexe product.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op overeenkomsten inzake een betalingsbeschermer, een hypothecair krediet, een schadeverzekering of een uitvaartverzekering.
1.
Indien een overeenkomst met een consument inzake een complex product of hypothecair krediet tijdens de eerste vijf jaar na de totstandkoming vroegtijdig wordt beëindigd, anders dan door overlijden van de verzekerde of anders dan door verkoop van de onroerende zaak waarop het complexe product of hypothecair krediet betrekking heeft, wordt de afsluitprovisie of provisie evenredig verminderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op overeenkomsten inzake complexe producten, voor zover tussen de desbetreffende aanbieder en de consument door tussenkomst van dezelfde bemiddelaar ten minste drie maanden voorafgaand aan het sluiten daarvan een overeenkomst is gesloten inzake een financieel product dat onderdeel is van het desbetreffende complexe product.
1.
Een afwikkelonderneming waaraan de Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend voor het uitoefenen van het bedrijf van afwikkelonderneming geeft aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk kennis van het voornemen tot een substantiële wijziging van:
a. de wijze waarop zij eerlijke en vrije toegang biedt tot haar diensten en systemen op basis van objectieve, risicogebaseerde en openbaar gemaakte deelnemingscriteria;
b. de wijze waarop zij zorg draagt voor het tijdig en efficiënt verlenen van haar diensten;
c. de mechanismen waarmee periodiek het kostenniveau, prijsniveau en serviceniveau en de efficiëntie van de door haar verleende diensten worden beoordeeld;
d. de internationaal aanvaarde communicatieprocedures en -standaarden waarvan zij gebruik maakt ter ondersteuning van een efficiënte dienstverlening of de wijze waarop zij het gebruik daarvan bevordert; en
e. de wijze waarop zij betaaldienstverleners waarmee zij een overeenkomst heeft gesloten, inzicht biedt in de financiële risico’s en de kosten die zijn verbonden aan de afwikkeldiensten.
2.
Met betrekking tot het voornemen legt de afwikkelonderneming over:
a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging, bedoeld in het eerste lid;
b. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan de artikelen 4:76a tot en met 4:76d van de wet.
3.
De afwikkelonderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
Artikel 87
Deze paragraaf is niet van toepassing op beheerders van icbe’s met zetel in een andere lidstaat en op beheerders van beleggingsinstellingen of icbe's met zetel in een aangewezen staat.
1.
Een beheerder van een icbe meldt aan de Autoriteit Financiële Markten een wijziging in de gegevens die eerder door hemzelf of door een andere financiële onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van:
a. de personen die het beleid van de beheerder van een icbe, van een door hem beheerde maatschappij voor collectieve belegging in effecten of van een bewaarder die is verbonden aan een door hem beheerde icbe bepalen of mede bepalen; of
b. de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder van een icbe, van een door hem beheerde maatschappij voor collectieve belegging in effecten of van een bewaarder die is verbonden aan een door hem beheerde icbe.
2.
De beheerder van een icbe meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.
1.
Een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling meldt de Autoriteit Financiële Markten het voornemen tot een belangrijke wijziging van de in het kader van de aanvraag verstrekte informatie.
2.
De procedure inzake de in het eerste lid bedoelde wijzigingen voldoet aan de in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde eisen.
1.
Een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling meldt voorgenomen wijzigingen van de gegevens, bedoeld in artikel 4:37c, zesde lid, van de wet ten minste een maand voorafgaand aan de wijziging schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
2.
In afwijking van het eerste lid meldt de beheerder wijzigingen die hij niet heeft kunnen voorzien onverwijld nadat de wijziging is doorgevoerd aan de Autoriteit Financiële Markten.
3.
Indien de beheerder als gevolg van de voorgenomen wijziging niet meer aan de ingevolge de wet gestelde regels zou voldoen, deelt de Autoriteit Financiële Markten hem mede dat de voorgenomen wijziging niet doorgevoerd kan worden.
4.
De melding, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de ingevolge artikel 31, vijfde lid, onderdeel b, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde eisen.
1.
Een beheerder van een icbe meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van het registratiedocument, bedoeld in artikel 4:48, eerste lid, van de wet, voorzover het betreft gegevens over:
a. de activiteiten van de beheerder en de soorten icbe's die hij beheert of voornemens is te beheren, bedoeld in onderdeel 1.b. van bijlage H ;
b. de personen die het dagelijks beleid van de beheerder of van een bewaarder die is verbonden aan een door hem beheerde icbe bepalen, bedoeld in onderdeel 2.1.a van bijlage H ;
c. de personen die het beleid van de beheerder of van een bewaarder die is verbonden aan een door hem beheerde icbe bepalen of mede bepalen, bedoeld in onderdeel 2.1.b. van bijlage H ;
d. de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder of van een bewaarder die is verbonden aan een door hem beheerde icbe, bedoeld in onderdeel 2.1.c van bijlage H ; of
e. de algemene gegevens betreffende de beheerder en de bewaarders, bedoeld in onderdeel 3 van bijlage H .
2.
De beheerder geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de instemming binnen vier weken na ontvangst van de melding.
3.
De beheerder geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, c of d, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de melding; of
b. indien de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de melding de beheerder of een derde om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de melding.
4.
Indien de Autoriteit Financiële Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de beheerder.
5.
Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, legt de beheerder ten aanzien van te benoemen personen die het dagelijks beleid zullen bepalen de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, het privé-adres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de geldige relevante diploma’s;
d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en
e. een opgave van referenten.
6.
Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, legt de beheerder ten aanzien van te benoemen personen die het beleid zullen bepalen of mede bepalen of die onderdeel zullen zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
7.
Het zesde lid, onderdelen b, c en d, is niet van toepassing indien de voorgenomen wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.
Artikel 90
Een beheerder van een icbe zendt een afschrift van elke met een bewaarder van een icbe gesloten overeenkomst alsmede van wijzigingen van een met een bewaarder van een icbe gesloten overeenkomst binnen twee weken na ondertekening of wijziging van de overeenkomst aan de Autoriteit Financiële Markten.
1.
Een beheerder van een icbe meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 4:50, eerste lid, met uitzondering van de onderdelen a, d, g en i van de wet, van een door hem beheerde icbe ten minste twee weken voorafgaand aan de wijziging schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
2.
Een beheerder van een icbe meldt een wijziging in het fondsreglement of de statuten van een door hem beheerde icbe ten minste een maand voorafgaand aan de wijziging schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
3.
Een beheerder van een icbe meldt het voornemen tot vervanging van de beheerder of de bewaarder die aan de icbe is verbonden ten minste een maand tevoren schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
4.
De beheerder geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het tweede en derde lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten daarmee heeft ingestemd.
1.
Een beheerder van een icbe die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor een icbe beheert of rechten van deelneming in door hem beheerde icbe’s in die lidstaat aanbiedt, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:
a. een wijziging in het adres in de lidstaat waar documenten kunnen worden opgevraagd;
b. een wijziging in de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor bepalen; of
c. het voornemen om het aanbieden van rechten van deelneming in door hem beheerde icbe’s vanuit het in de andere lidstaat gelegen bijkantoor te staken.
2.
Een beheerder van een icbe die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor een icbe beheert of rechten van deelneming in door hem beheerde icbe’s in die lidstaat aanbiedt, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren het voornemen tot wijziging van de financiële diensten die hij vanuit het bijkantoor verleent, de organisatiestructuur van het bijkantoor, de procedure voor risicobeheer en de afhandeling van klachten.
3.
De beheerder van een icbe geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het tweede lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming binnen twee maanden na ontvangst van de melding en stemt in met de wijziging, tenzij de bedrijfsvoering of de financiële positie van de beheerder van een icbe gelet op de voorgenomen wijziging niet toereikend is.
Artikel 92a
Een beheerder van een icbe die door middel van het verrichten van diensten een icbe met zetel in een andere lidstaat beheert of rechten van deelneming in door hem beheerde icbe’s in een andere lidstaat aanbiedt, meldt een wijziging van de financiële diensten die hij in de andere lidstaat verleent, de procedure voor risicobeheer en de afhandeling van klachten ten minste twee weken voorafgaand aan de wijziging schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat.
Artikel 93
Deze paragraaf is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat.
1.
Een beleggingsonderneming meldt aan de Autoriteit Financiële Markten een wijziging in de gegevens die eerder door haarzelf of door een andere financiële onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van:
a. de personen die het beleid van de beleggingsonderneming bepalen of mede bepalen; of
b. de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beleggingsonderneming.
2.
De beleggingsonderneming meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat zij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben; en
b. beleggingsondernemingen die voor het beheren van een instelling voor collectieve belegging in effecten een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning hebben.
1.
Een beleggingsonderneming meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van:
a. de personen die het dagelijks beleid van de beleggingsonderneming bepalen;
b. de personen die het beleid van de beleggingsonderneming bepalen of mede bepalen; of
c. de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beleggingsonderneming.
2.
Een beleggingsonderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de melding; of
b. indien de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de melding de beleggingsonderneming of een derde om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de melding.
3.
Indien de Autoriteit Financiële Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de beleggingsonderneming.
4.
Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, legt de beleggingsonderneming ten aanzien van te benoemen personen die het dagelijks beleid zullen bepalen de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, het privé-adres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de relevante geldige diploma’s;
d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en
e. een opgave van referenten.
5.
Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, legt de beleggingsonderneming ten aanzien van te benoemen personen die het beleid zullen bepalen of mede bepalen of die onderdeel zullen zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
6.
Het vijfde lid, onderdelen b, c en d, is niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.
7.
Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op:
a. beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben; en
b. beleggingsondernemingen die voor het beheren van een instelling voor collectieve belegging in effecten een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning hebben.
1.
Een beleggingsonderneming meldt aan de Autoriteit Financiële Markten ten minste twee weken tevoren schriftelijk een wijziging in:
a. de maatregelen, bedoeld in artikel 4:83, tweede lid, van de wet;
c. de onderdelen van de bedrijfsvoering met betrekking waartoe ingevolge artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, regels zijn gesteld, voorzover het een significante wijziging betreft;
d. de onderdelen van de bedrijfsvoering waarover ingevolge artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, regels zijn gesteld, voorzover het een significante wijziging betreft;
e. de naam en het adres van het hoofdkantoor van de beleggingsonderneming, en, indien zij haar zetel niet in Nederland heeft, het adres van het bijkantoor, alsmede, in voorkomend geval, de plaats van haar zetel;
f. indien zij met personen in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden: de samenstelling daarvan; of
g. de financiële diensten die de beleggingsonderneming verleent of de financiële producten waarop deze diensten betrekking hebben.
2.
Het eerste lid, met uitzondering van de onderdelen b en d, is niet van toepassing op:
a. beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben; en
b. beleggingsondernemingen die voor het beheren van een instelling voor collectieve belegging in effecten een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning hebben.
1.
Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:
a. een wijziging van de financiële diensten die zij vanuit het bijkantoor verleent;
b. een wijziging in het adres in de lidstaat waar documenten kunnen worden opgevraagd;
c. een wijziging in de identiteit van de personen die het dagelijks beleid bepalen van het bijkantoor; of
d. het voornemen om het verlenen van beleggingsdiensten vanuit het bijkantoor te staken.
2.
Het eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die hebben voldaan aan artikel 92.
Artikel 98
Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:
a. een wijziging van de financiële diensten die de beleggingsonderneming in de andere lidstaat verleent; en
b. het voornemen om het verlenen van beleggingsdiensten door middel van het verrichten van diensten naar de andere lidstaat te staken.
1.
Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk ten minste een maand tevoren:
a. een wijziging in het adres van het bijkantoor;
b. een wijziging in de identiteit van de personen die het dagelijks beleid bepalen van het bijkantoor; of
c. het voornemen om het verlenen van beleggingsdiensten vanuit het bijkantoor te staken.
2.
Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van:
a. de financiële diensten die zij vanuit het bijkantoor verleent; of
b. de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering.
3.
De beleggingsonderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het tweede lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming binnen twee maanden na ontvangst van de melding en stemt in met de wijziging, tenzij de bedrijfsvoering of de financiële positie van de beleggingsonderneming gelet op de voorgenomen wijziging niet toereikend is.
4.
Zodra de beleggingsonderneming het voornemen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, uitvoert, meldt zij dit onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.
5.
De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaat vergezeld van een vertaling van de desbetreffende gegevens, voorzover de Autoriteit Financiële Markten dat verlangt.
Artikel 100
Een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:105, eerste lid, van de wet meldt aan de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken schriftelijk een wijziging in:
a. de naam en het adres van een aangesloten onderneming;
b. de rechtsvorm van een aangesloten onderneming;
c. indien een aangesloten onderneming een rechtspersoon is: de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen; of
d. indien een aangesloten onderneming is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van de inschrijving.
Artikel 101
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. bemiddelaars in verzekeringen met zetel in een andere lidstaat;
b. financiëledienstverleners die voor de uitoefening van het bedrijf van bank of verzekeraar een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben;
c. financiëledienstverleners met zetel in een andere lidstaat of een aangewezen staat die het bedrijf van financiële instelling, bank of verzekeraar uitoefenen; en
d. herverzekeringsbemiddelaars met zetel in een andere lidstaat.
1.
Een financiëledienstverlener meldt aan de Autoriteit Financiële Markten een wijziging in de gegevens die eerder door hemzelf of een andere financiële onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van:
a. de personen die het beleid van de financiëledienstverlener bepalen of mede bepalen; of
b. de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiëledienstverlener.
2.
De financiëledienstverlener meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiëledienstverleners die tevens beleggingsonderneming, beheerder van een beleggingsinstelling of beheerder van een icbe zijn.
1.
Een financiëledienstverlener meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot benoeming van:
a. een persoon die het beleid van de financiëledienstverlener bepaalt of mede bepaalt; of
b. een persoon die onderdeel is van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiëledienstverlener.
2.
Een financiëledienstverlener geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de betrokken persoon buiten twijfel staat en deze persoon geschikt is. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de betrouwbaarheid en geschiktheid:
a. binnen zes weken na ontvangst van de melding; of
b. indien de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de melding de financiëledienstverlener of een derde om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de melding.
3.
Indien de Autoriteit Financiële Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de financiëledienstverlener.
4.
Bij de melding legt de financiëledienstverlener ten aanzien van de betrokken persoon de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, curriculum vitae, een opgave van de relevante geldige diploma's en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
5.
Het vierde lid, onderdelen b, c en d, is niet van toepassing indien de voorgenomen benoeming een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet reeds is vastgesteld.
Artikel 104
Een financiëledienstverlener meldt aan de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken schriftelijk een wijziging in:
a. zijn naam en adres;
b. zijn rechtsvorm;
c. indien hij een rechtspersoon is: zijn statutaire zetel, statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
d. indien hij is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van de inschrijving;
e. de financiële diensten die hij verleent of de financiële producten waarop deze diensten betrekking hebben;
f. indien hij een bemiddelaar in verzekeringen is: de natuurlijke personen die zijn beleid bepalen; of
g. indien hij een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent is: de verzekeraar voor wie zijn volmacht geldt of de natuurlijke personen die zijn beleid bepalen.
Artikel 105
Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, meldt een wijziging in de naam of het adres van een door hem in een andere lidstaat aangestelde schaderegelaar als bedoeld in artikel 4:70, tweede lid, van de wet binnen twee weken schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
Artikel 106
Een schadeverzekeraar met zetel buiten Nederland die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland meldt een wijziging in de akte van aanstelling van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 4:71, derde lid, van de wet binnen twee weken schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
1.
De door een accountant als bedoeld in artikel 4:27, tweede lid, van de wet op grond van artikel 4:27, vierde lid, van de wet te verstrekken gegevens zijn:
a. het accountantsverslag aan de bestuurders en de raad van commissarissen;
b. de directiebrieven; en
c. correspondentie tussen de accountant en de financiële onderneming die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening van de financiële onderneming.
2.
De directiebrieven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met betrekking tot een icbe en een beheerder van een icbe bevatten in ieder geval een verklaring van de accountant of en zo ja, in hoeverre hij de inrichting van de bedrijfsvoering heeft beoordeeld.
1.
Een accountant die voornemens is gegevens als bedoeld in artikel 107 te verstrekken, stelt de financiële onderneming daarvan in kennis.
2.
Indien de financiële onderneming dat wenst, kan zij zelf de gegevens aan de Autoriteit Financiële Markten verstrekken. In dat geval stelt zij de accountant daarvan in kennis. De accountant vergewist zich ervan dat de Autoriteit Financiële Markten de gegevens heeft ontvangen en dat de inhoud van de gegevens hem geen aanleiding geeft alsnog gegevens aan de Autoriteit Financiële Markten te verstrekken.
3.
Indien de accountant schriftelijk gegevens verstrekt aan de Autoriteit Financiële Markten, zendt hij onverwijld aan de financiële onderneming een afschrift van de gegevens en, indien van toepassing, van de begeleidende brief.
1.
Met betrekking tot het voornemen, bedoeld in artikel 4:27a, eerste lid, van de wet legt de centrale tegenpartij over:
a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging, bedoeld in het eerste lid;
b. gegevens op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in de artikelen 36 tot en met 39 van de verordening, bedoeld in het eerste lid, is bepaald.
2.
De centrale tegenpartij geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
Artikel 109
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt in afwijking van artikel 1, verstaan onder gelieerde partij:
a. persoon die met een aanbieder van beleggingsobjecten in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden;
b. persoon die direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen in een aanbieder van beleggingsobjecten waardoor invloed van betekenis kan worden uitgeoefend op diens zakelijk of financieel beleid;
c. natuurlijke persoon die in een familierechtelijke betrekking staat of een persoonlijke relatie heeft met een bestuurder van een aanbieder van beleggingsobjecten of met een natuurlijke persoon als bedoeld in onderdeel a of b, op grond van welke relatie hij het handelen van de bestuurder of de natuurlijke persoon met betrekking tot de aanbieder van beleggingsobjecten kan beïnvloeden; of
d. rechtspersoon waarin een bestuurder van een aanbieder van beleggingsobjecten of een natuurlijke persoon als bedoeld in onderdeel c direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen waardoor sprake is van invloed van betekenis op het zakelijk of financieel beleid van die rechtspersoon.
1.
In het beleggingsobjectprospectus, bedoeld in artikel 4:30a, eerste lid, van de wet worden, voorzover van toepassing, de volgende gegevens opgenomen:
a. de naam, rechtsvorm, datum van oprichting, zetel en de plaats van het hoofdkantoor van de aanbieder;
b. een beschrijving van de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur waarin de aanbieder met andere personen is verbonden en de met hem gelieerde partijen;
c. de voorwaarden, alsmede de wijze waarop deze voorwaarden kunnen worden gewijzigd en de wijze van bekendmaking van een wijziging aan de consument;
d. een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, waaronder in ieder geval de aard, de bestaansduur en de risico’s, die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator, alsmede de effecten van die risico’s op het door de consument te realiseren rendement;
e. een beschrijving van de activiteiten van de aanbieder met betrekking tot de serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, voorzover mogelijk te onderscheiden in:
1°. operationele activiteiten, onder vermelding van de plaats waar deze plaatsvinden;
2°. financieringsactiviteiten, voorzover mogelijk te onderscheiden in het als kredietnemer aangaan van overeenkomsten inzake krediet en het als crediteur uitzetten van gelden; en
3°. uitbestedingsactiviteiten onder vermelding van het beleid inzake het uitbesteden van werkzaamheden, waaronder ten minste een beschrijving van de werkzaamheden die zijn uitbesteed, de naam en de plaats van de zetel van de derde waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed, alsmede de vermelding, indien van toepassing, dat de derde een gelieerde partij is;
f. een beschrijving van de wijze waarop wordt bepaald of de opbrengsten door de aanbieder aan de consument worden uitgekeerd;
g. een beschrijving van de door de aanbieder te verstrekken garanties die aan de consument in het vooruitzicht worden gesteld;
h. een beschrijving van de transacties die worden verricht met gelieerde partijen, waaronder:
1°. de vermelding of een transactie onder marktconforme voorwaarden plaatsvindt, dan wel, indien dat niet het geval is, wat de reden daarvoor is; en
2°. indien een transactie niet plaatsvindt op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten: de vermelding of aan de transactie een onafhankelijke waardebepaling ten grondslag ligt of dat de waarde kan worden bepaald door een of meer bij de transactie betrokken partijen;
i. de kosten op jaarbasis per serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, en de relevante aannames die daaraan ten grondslag liggen; en
j. de gegevens op jaarbasis per serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, betreffende de brutowaarde, de financieringen, de prestatievergoedingen, en de rentebaten, met inbegrip van de daarbij gehanteerde waarderingsgrondslagen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de brutowaarde wordt gebaseerd op de vrije verkoopwaarde per serie van beleggingsobjecten.
2.
Artikel 49 is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van het beleggingsobjectprospectus door de aanbieder van het beleggingsobject onderscheidenlijk de bemiddelaar.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in het beleggingsobjectprospectus worden opgenomen alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van de kosten, risico’s en opbrengsten, bedoeld in het eerste lid.
a. aanbieders van hypothecair krediet;
b. aanbieders van krediet, voorzover het krediet onderdeel uitmaakt van een complex product; en
c. aanbieders van krediet voorzover zij overeenkomsten inzake krediet beheren of uitvoeren.
1.
De informatie, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet, met betrekking tot andere vormen van krediet dan bedoeld in de artikelen 112a en 112b, wordt schriftelijk of op een andere duurzame drager verstrekt in de vorm van het in bijlage D bij dit besluit opgenomen formulier en bevat de in die bijlage bedoelde gegevens.
2.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt gebaseerd op de door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie.
3.
Informatie in aanvulling op de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in een afzonderlijk document.
4.
Indien de overeenkomst op verzoek van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand waardoor de in het eerste lid bedoelde informatie niet op de in dat lid voorgeschreven wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, verstrekt de aanbieder de informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst aan de consument.
5.
De aanbieder verstrekt aan de consument op zijn verzoek een kosteloos exemplaar van de ontwerpovereenkomst inzake krediet, tenzij de aanbieder op het tijdstip van het verzoek niet voornemens is de overeenkomst met de consument aan te gaan.
6.
Ten aanzien van een overeenkomst inzake krediet waarbij de betalingen door de consument niet tot een directe overeenkomstige aflossing van het totale kredietbedrag leiden, maar dienen om, gedurende de periodes en onder de voorwaarden die in de overeenkomst inzake krediet of in een nevenovereenkomst zijn vastgesteld, kapitaal op te bouwen, bevat de op grond van het eerste lid te verstrekken informatie een duidelijke en beknopte vermelding dat de overeenkomst inzake krediet niet voorziet in een garantie tot aflossing van het totale uit hoofde van de overeenkomst opgenomen kredietbedrag, tenzij die garantie wordt gegeven.
7.
De aanbieder verstrekt de consument, teneinde deze in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde overeenkomst inzake krediet aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt:
a. een passende toelichting op de informatie, bedoeld in het eerste lid;
b. de voornaamste kenmerken van het voorgestelde krediet,
c. indien van toepassing, informatie inzake het goed of de dienst, bedoeld in bijlage D, onderdeel 2 , van dit besluit en van de verzekering of de rekening, bedoeld in onderdeel 3 van die bijlage;
d. de specifieke gevolgen van het krediet voor de consument, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt.
8.
Indien informatie als bedoeld in het eerste lid niet voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst op de in dat lid bedoelde wijze kan worden bepaald, wordt zij bepaald met toepassing van de desbetreffende hypothese, bedoeld in bijlage A, deel II .
1.
De informatie, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet met betrekking tot krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand waarbij is overeengekomen dat de ter zake verschuldigde betaling van de consument op verzoek of binnen een termijn van één tot drie maanden plaatsvindt, wordt schriftelijk of op een andere duurzame drager verstrekt.
2.
De informatie bevat de volgende gegevens:
a. het soort krediet;
b. de naam en adres en, indien de aanbieder van het krediet of de bemiddelaar in krediet een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
c. het totale kredietbedrag;
d. de duur van de kredietovereenkomst;
e. de debetrentevoet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, en indices of referentievoeten die betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet;
f. de vanaf het sluiten van de overeenkomst inzake krediet in rekening te brengen kosten, alsmede in voorkomend geval de voorwaarden waaronder deze gewijzigd kunnen worden;
g. het jaarlijks kostenpercentage, aan de hand van representatieve voorbeelden en met vermelding van alle voor de berekening van dat percentage gebruikte hypothesen;
h. de voorwaarden en de procedure voor beëindiging van de overeenkomst inzake krediet;
i. de geldende rentevoet in geval de consument niet tijdig betaalt alsmede de wijzigingsmodaliteiten ervan en, in voorkomend geval, de kosten van niet-nakoming;
j. het recht van de consument op grond van artikel 4:32 van de wetonverwijld en kosteloos geïnformeerd te worden over het resultaat van de raadpleging van een gegevensbestand ter beoordeling van zijn kredietwaardigheid;
k. informatie omtrent de, vanaf het moment waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, in rekening te brengen kosten, alsmede, voor zover van toepassing, de voorwaarden waaronder deze kosten gewijzigd kunnen worden; en
l. voor zover van toepassing, de periode gedurende welke de aanbieder van het krediet door de precontractuele informatie is gebonden.
3.
De informatie kan worden verstrekt door gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage E van dit besluit. Alle informatie wordt even opvallend weergegeven.
4.
De aanbieder verstrekt aan de consument op zijn verzoek een kosteloos exemplaar van de ontwerpovereenkomst inzake krediet, tenzij de aanbieder op het tijdstip van het verzoek niet voornemens is de overeenkomst met de consument aan te gaan.
5.
Indien de overeenkomst op verzoek van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand waardoor de in het eerste lid bedoelde informatie niet op de in dat lid voorgeschreven wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, verstrekt de aanbieder, in afwijking van het eerste lid, de informatie, bedoeld in artikel 7:61 van het Burgerlijk Wetboek, onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst aan de consument.
6.
Indien informatie als bedoeld in het eerste lid niet voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst op de in dat lid bedoelde wijze kan worden bepaald, wordt zij bepaald met toepassing van de desbetreffende hypothese, bedoeld in bijlage A, deel II .
Artikel 112b
De informatie, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet, met betrekking tot effectenkrediet kan worden verstrekt door gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage F van dit besluit. De informatie bevat de in die bijlage bedoelde gegevens. Alle informatie wordt even opvallend weergegeven.
Artikel 112c
De informatie, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet, met betrekking tot krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand waarbij is overeengekomen dat de ter zake verschuldigde betaling van de consument binnen een termijn van een maand plaatsvindt, bevat de in artikel 112a, tweede lid, onderdelen c, e, f en g, bedoelde gegevens met betrekking tot de kenmerken van het krediet.
1.
Een aanbieder van krediet gaat met een consument geen overeenkomst inzake krediet aan waarvan het totale kredietbedrag meer dan € 1000 bedraagt, indien hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet voorzover zij krediet aanbieden tegen onderpand van effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, van welk krediet het totale kredietbedrag gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan zeventig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel a van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, dan wel niet hoger is dan tachtig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, en:
1°. die effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt; of
2°. de waarde van die effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet voor zover zij krediet aanbieden in de vorm van een geoorloofde debetstand die binnen drie maanden dient te worden afgelost en die niet hoger is dan het bedrag dat maandelijks op de rekening wordt gestort.
Artikel 114
Alvorens met een consument een overeenkomst inzake krediet aan te gaan waarvan het totale kredietbedrag meer dan € 250 bedraagt, raadpleegt een aanbieder van krediet de bij het stelsel van kredietregistratie waaraan hij deelneemt geregistreerde gegevens over reeds aan de consument verleende kredieten.
1.
Ter voorkoming van overkreditering legt een aanbieder van krediet de criteria vast die hij ten grondslag legt aan de beoordeling van een kredietaanvraag van een consument en past hij deze criteria toe bij de beoordeling van een kredietaanvraag.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet voor zover zij krediet aanbieden in de vorm van een geoorloofde debetstand die binnen drie maanden dient te worden afgelost en die niet hoger is dan het bedrag dat maandelijks op de rekening wordt gestort.
3.
Bij ministeriële regeling worden de inkomenscriteria vastgesteld en de maximale hoogte van het hypothecair krediet in verhouding tot de waarde van de woning.
4.
In aanvulling op het eerste lid past een aanbieder van hypothecair krediet de bij ministeriële regeling vastgestelde inkomenscriteria toe bij de beoordeling van een aanvraag voor een hypothecair krediet.
5.
Een aanbieder van hypothecair krediet houdt bij de beoordeling van de kredietaanvraag rekening met het bij ministeriële regeling bepaalde maximale hypothecair krediet in verhouding tot de waarde van de woning.
6.
De waarde van de woning is:
1°. het aankoopbedrag van de woning zoals blijkt uit een koopovereenkomst, die is ondertekend door de consument en de verkoper, een akte van levering of een veilingakte indien de woning is gekocht op een veiling;
2°. de koopsom of aannemingsom dan wel de kosten volgens de begroting van een bouwkundig bedrijf, eventueel vermeerderd met de kosten van de grond, kosten van de bouw, inclusief de kosten voor meerwerk, bouwrente en renteverlies tijdens de bouwperiode, en de aansluiting op nutsvoorzieningen; of
3°. de marktwaarde van de woning blijkens een door een deskundig taxateur opgemaakt taxatierapport dat op het moment van aangaan van het hypothecair krediet niet ouder is dan een jaar, eventueel na verbouwing.
7.
In afwijking van het zesde lid, onder 3°, mag tevens worden uitgegaan van de waarde van de woning zoals laatstelijk bepaald op grond van de Wet waardering onroerende zaken , indien sprake is van een aanvraag van een hypothecair krediet met betrekking tot een woning die reeds geheel of gedeeltelijk in eigendom is van de consument of met betrekking tot een woning die door erfopvolging geheel of gedeeltelijk door de consument wordt verkregen.
Artikel 115a
Een aanbieder van krediet rekent geen hogere kredietvergoeding dan op grond van het Besluit kredietvergoeding ten hoogste toegelaten kredietvergoeding.
Artikel 115b
De informatie, bedoeld in artikel 4:37c, zesde lid, van de wet, die voorafgaand aan het aanbieden van rechten van deelneming aan de Autoriteit Financiële Markten dient te worden verstrekt, voldoet aan de ingevolge artikel 31 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen vastgestelde normen.
1.
Een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat wordt voldaan aan de ingevolge artikel 14 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde regels aangaande het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten.
2.
Indien aan een beheerder van een beleggingsinstelling diensten worden verleend door een prime broker neemt de beheerder de in artikel 14, derde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde regels in acht.
Artikel 115d
De taken van de bewaarder van een beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 4:37f, derde lid, van de wet, omvatten in ieder geval de uitvoering van de ingevolge artikel 21, zevende, achtste, negende en zeventiende lid, onderdeel c, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen bedoelde taken.
1.
Een overeenkomst inzake beheer en bewaring als bedoeld in artikel 4:37f van de wet voldoet aan de ingevolge artikel 21, tweede, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende en zeventiende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde eisen.
2.
In de overeenkomst inzake beheer en bewaring wordt een beding opgenomen op grond waarvan de beleggingsinstelling of de deelnemers in de beleggingsinstelling rechtstreeks een beroep kunnen doen op de bepalingen die in de overeenkomst zijn opgenomen ingevolge de in artikel 21, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende en zeventiende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde eisen.
1.
Indien de bewaarder aansprakelijkheid geheel of gedeeltelijk uitsluit als bedoeld in artikel 4:37g, eerste lid, van de wet, worden door de bewaarder de ingevolge artikel 21, zeventiende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde regels, in acht genomen.
2.
Indien financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de wet in bewaring worden genomen in een staat die geen lidstaat is als bedoeld in artikel 4:37g, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is de bewaarder niet aansprakelijk voor verlies van de financiële instrumenten, indien wordt voldaan aan de in artikel 21, veertiende en zeventiende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen, gestelde voorwaarden.
Artikel 115g
Een entiteit die niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4:37h, eerste lid, van de wet kan slechts als bewaarder van de beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 4:37h, tweede lid, van de wet optreden indien die entiteit:
a. de taken als bewaarder verricht in het kader van haar beroeps- of bedrijfsuitoefening; en
b. in het kader van de in onderdeel a bedoelde beroeps- of bedrijfsuitoefening verplicht is zich in te schrijven in een wettelijk erkend beroepsregister of moet voldoen aan regelgeving inzake de beroepsmoraal.
Artikel 115h
Een Nederlandse beheerder van een niet-Europese beleggingsinstelling kan een bewaarder aanstellen die is gevestigd in een staat die geen lidstaat is, indien wordt voldaan aan de ingevolge artikel 21, zesde en zeventiende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde voorwaarden.
Artikel 115i
De waardering van de activa en de berekening van de intrinsieke waarde per recht van deelneming van een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling voldoet aan de ingevolge artikel 19 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde eisen.
Artikel 115j
Het prospectus, bedoeld in artikel 4:37l, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 23, eerste en tweede lid, eerste volzin, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
1.
De informatie, bedoeld in artikel 4:37m, eerste lid, van de wet omvat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, vierde en vijfde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
2.
De beheerder van een beleggingsinstelling neemt bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid de ingevolge artikel 23, zesde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen door de Europese Commissie gestelde regels in acht.
1.
De beheerder van een beleggingsinstelling verstrekt de gegevens genoemd in artikel 24, eerste, tweede en vierde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen, voor zover op hem van toepassing. De beheerder van een beleggingsinstelling verstrekt daarnaast, voor zover de Autoriteit Financiële Markten hierom verzoekt, alle gegevens genoemd in artikel 24, derde en vijfde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Deze gegevens voldoen aan de ingevolge artikel 24, zesde lid, van deze richtlijn door de Europese Commissie gestelde eisen.
2.
In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, worden de in die volzin genoemde gegevens die reeds aan de Nederlandsche Bank zijn verstrekt, niet aan de Autoriteit Financiële Markten verstrekt, tenzij de Autoriteit Financiële Markten hierom verzoekt.
1.
Het bestuursverslag, bedoeld in artikel 4:37o, eerste en tweede lid, van de wet, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en de in artikel 29, tweede lid, van deze richtlijn genoemde informatie.
2.
Het bestuursverslag voldoet aan de ingevolge artikel 22, vierde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde eisen.
Artikel 115n
De kennisgeving, bedoeld in artikel 4:37t, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
Artikel 115o
Het bestuursverslag, bedoeld in artikel 4:37u, eerste lid, onderdeel a, van de wet, bevat de gegevens, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
Artikel 115p
Deze paragraaf is van toepassing voor zover een beheerder van een beleggingsinstelling rechten van deelneming aanbiedt aan niet-professionele beleggers in Nederland.
1.
Een beheerder voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat:
a. belangenverstrengeling wordt tegengegaan;
b. wordt tegengegaan dat de beheerder of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de beheerder of in de financiële markten kunnen schaden;
c. wordt tegengegaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de beheerder of in de financiële markten kan worden geschaad; en
d. wordt tegengegaan dat andere handelingen door de beheerder of haar werknemers worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de beheerder of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad.
2.
Artikel 4:11, vierde lid, van de wet en de artikelen 17, 19 en 20 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Werknemers van een beheerder en andere personen die door de desbetreffende beheerder zijn belast met het beheren van beleggingsinstellingen, beschikken over de nodige vakbekwaamheid en deskundigheid om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheid uit te oefenen.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de aard, omvang en risico’s van de beheerder en zijn werkzaamheden.
1.
De bedrijfsvoering van een beheerder omvat ten minste procedures en maatregelen die waarborgen dat:
a. een functiescheiding bestaat tussen het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot het vermogen van de beleggingsinstelling en het controleren en administreren van deze handelingen;
b. de berekening van de intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling aansluit bij de financiële administratie;
c. er, voor zover mogelijk, een systematische, toegankelijke en actuele administratie van deelnemers in de beleggingsinstelling is waarin, voor zover van toepassing, de met de deelnemers gemaakte afspraken inzichtelijk worden gemaakt.
2.
De maatregelen en procedures, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voorzien er in ieder geval in dat de voor de intrinsieke waardebepaling gebruikte subadministraties ten minste een keer per maand worden aangesloten met de saldibalans en dat de daaruit voortvloeiende verschillen worden geanalyseerd en gecorrigeerd.
3.
Een beheerder richt voor iedere beleggingsinstelling die hij beheert afzonderlijk een bedrijfsvoering als bedoeld in het eerste lid in.
1.
Een beheerder draagt zorg voor een adequate behandeling van klachten van niet-professionele beleggers over zijn financiële diensten of financiële producten. Hiertoe:
a. beschikt de beheerder over een interne klachtenprocedure, gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling van klachten; en
b. is de beheerder aangesloten bij een door Onze Minister erkende geschilleninstantie die geschillen behandelt met betrekking tot zijn financiële diensten of financiële producten, tenzij er geen zodanige geschilleninstantie is.
2.
De artikelen 40 tot en met 44 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 115u
Een beheerder behandelt deelnemers onder vergelijkbare omstandigheden op gelijke wijze.
1.
Een beheerder beschikt over een website.
2.
De beheerder vermeldt het adres van de website in het prospectus, bedoeld in artikel 4:37l van de wet, in de halfjaarcijfers, bedoeld in artikel 115y, in zijn bestuursverslag en in de bestuursverslagen van de door hem beheerde beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 4:37o, eerste lid, van de wet.
3.
Telkens wanneer een beleggingsinstelling rechten van deelneming aanbiedt, verkoopt, inkoopt of daarop terugbetaalt, publiceert de beheerder de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming onverwijld op zijn website, onder vermelding van het moment waarop de bepaling van de intrinsieke waarde plaatsvond.
1.
Een beheerder heeft op zijn website de voorwaarden die gelden tussen een door hem beheerde beleggingsinstelling en de deelnemers beschikbaar.
2.
Artikel 4:47, tweede, derde en zesde lid, van de wet en artikel 116b zijn van toepassing, met dien verstande dat de informatie alleen op de website van de beheerder gepubliceerd dient te worden.
3.
Artikel 4:47, vierde en vijfde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
1.
Onverminderd artikel 4:37l, eerste tot en met derde lid, van de wet en artikel 115j bevat het prospectus tevens:
a. de gegevens, genoemd in bijlage I , met uitzondering van de onderdelen 1.3, 1.5, 1.6, 1.8, 3.1, 3.2, 3.3, 3.5, 4.7, 5.1, 5.3, 5.12, 5.15–5.18, 5.20, 7.1, 7.4, en 11.1.
b. de gegevens, genoemd in bijlage I , onderdelen 3.2, 4.7 en 5.12, met dien verstande dat publicatie alleen geschiedt op de website van de beheerder.
c. de gegevens die voor beleggers noodzakelijk zijn om zich een oordeel te vormen over de beleggingsinstelling en de daaraan verbonden kosten en risico’s;
d. een verklaring van de beheerder dat hijzelf, de beleggingsinstelling en de eventueel daaraan verbonden bewaarder voldoen aan de bij of krachtens de wet gestelde regels en dat het prospectus voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde regels;
e. een mededeling van een accountant, onder vermelding van zijn naam en kantooradres, dat het prospectus de ingevolge de wet voorgeschreven gegevens bevat.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan verlangen dat het prospectus, bedoeld in artikel 4:37l van de wet, van een beheerder, in een of meer door haar te bepalen talen beschikbaar wordt gesteld indien dit, gelet op de voorgenomen verspreiding van het prospectus, noodzakelijk is voor een adequate informatieverschaffing aan het publiek.
3.
Artikel 118, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een beheerder en een bewaarder verstrekken binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Autoriteit Financiële Markten de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, 391, eerste lid, onderscheidenlijk 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
De beheerder en de bewaarder verstrekken de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in het eerste lid, wat de indeling en inhoud betreft onverminderd de artikelen 122 tot en met 124, in de vorm waarin deze zijn opgemaakt krachtens of de internationale jaarrekeningstandaarden of Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van artikel 396, zevende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover het de vrijstelling van de verplichting, bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, betreft en artikel 403 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voor zover het een beheerder betreft.
3.
De beheerder maakt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in het eerste lid, openbaar door publicatie op de website van de beheerder.
4.
De beheerder maakt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening en een bestuursverslag van de door hem beheerde beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 4:37o, eerste lid, van de wet, openbaar door publicatie op zijn website.
5.
Het bestuursverslag van een beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 4:37o, van de wet, bevat een verklaring van de beheerder dat hij voor de beleggingsinstelling beschikt over een beschrijving van de inrichting van de bedrijfsvoering die voldoet aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, tweede lid, onderdeel c, en 4:14, eerste lid, van de wet, en dat de bedrijfsvoering van de beleggingsinstelling effectief en overeenkomstig de beschrijving functioneert.
6.
De beheerder verstrekt binnen negen weken na afloop van de eerste helft van het boekjaar zijn halfjaarcijfers en de halfjaarcijfers van de door hem beheerde beleggingsinstellingen aan de Autoriteit Financiële Markten.
7.
De beheerder maakt binnen negen weken na afloop van de eerste helft van het boekjaar de halfjaarcijfers, bedoeld in het vijfde lid, openbaar door publicatie op de website van de beheerder.
8.
De beheerder houdt de informatie, bedoeld in het tweede, derde en zesde lid, gedurende ten minste drie jaar beschikbaar op zijn website.
9.
De artikelen 122 tot en met 125 zijn van overeenkomstige toepassing.
10.
Het eerste tot en met het negende lid is niet van toepassing op beheerders die beleggingsinstellingen beheren waarvan de rechten van deelneming zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt en niet op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.
11.
Onverminderd het bepaalde in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de Autoriteit Financiële Markten op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste tot en met het negende lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 115z
Indien van de in Nederland gevoerde of te voeren naam van een beheerder of een door hem beheerde beleggingsinstelling gevaar voor verwarring of misleiding is te duchten, kan de Autoriteit Financiële Markten verlangen dat de beheerder onderscheidenlijk de beleggingsinstelling:
a. de naam wijzigt; of
b. een verklarende vermelding aan de naam toevoegt.
Artikel 115aa
Indien een beheerder de inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming in een door hem beheerde beleggingsinstelling opschort, stelt hij de Autoriteit Financiële Markten, onverwijld daarvan op de hoogte.
1.
Een beheerder stelt voor elke beleggingsinstelling, met rechten van deelneming die niet verhandelbaar zijn of die op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, waarvan door hem rechten van deelneming worden aangeboden een document met de essentiële beleggersinformatie op.
2.
Een beheerder houdt een bijgewerkte versie van de essentiële beleggingsinformatie beschikbaar op zijn website.
3.
Een beheerder of degene die beleggingsdiensten verleend als bedoeld in artikel 1, onderdelen a, b, of d, van de wet, met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingstelling verstrekt geruime tijd voorafgaand aan een inschrijving op de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling kosteloos de essentiële beleggersinformatie aan de cliënt. De essentiële beleggersinformatie wordt schriftelijk, op een duurzame drager of via een website verstrekt. Op verzoek wordt de essentiële beleggersinformatie kosteloos schriftelijk aan de cliënt verstrekt.
4.
De essentiële beleggersinformatie wordt in de Nederlandse taal verstrekt. De informatie kan in een andere taal worden verstrekt indien het gebruik van de desbetreffende taal door de Autoriteit Financiële Markten is goedgekeurd.
5.
De artikelen 58c, zesde lid, en 58e, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
6.
Artikel 66a is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de verordening, bedoeld in artikel 66a, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing is voor zover de aard van de beleggingsinstelling zich hiertegen niet verzet.
Artikel 115cc
Een beheerder benadert personen die geen professionele belegger zijn, of die geen deelnemer zijn in de beleggingsinstelling, direct noch indirect in persoon, anders dan door middel van een techniek voor communicatie op afstand als bedoeld in artikel 81, tenzij:
a. de betrokkene daarmee vooraf uitdrukkelijk schriftelijk dan wel elektronisch mee heeft ingestemd; of
b. de betrokkene in het contact slechts informatiemateriaal wordt aangeboden.
Artikel 115dd
Door of namens een beleggingsinstelling worden geen transacties uitgevoerd voor haar rekening met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beheerder, de beleggingsinstelling of met de beheerder, of bewaarder gelieerde partijen.
Artikel 116
De tussen een beheerder van een icbe en een bewaarder van een icbe te sluiten overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste lid, van de wet, bepaalt in ieder geval dat:
a. de bewaarder van een icbe bij het bewaren in het belang van de deelnemers in de icbe optreedt;
b. de bewaarder van een icbe de in bewaring gegeven activa slechts afgeeft tegen ontvangst van een verklaring van de beheerder van een icbe waaruit blijkt dat afgifte wordt verlangd in verband met de regelmatige uitoefening van de beheerfunctie;
c. de bewaarder van een icbe volgens het recht van de staat waar de icbe haar zetel heeft jegens de icbe en de deelnemers aansprakelijk is voor door hen geleden schade voorzover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, ook indien de bewaarder van een icbe de bij hem in bewaring gegeven activa geheel of gedeeltelijk aan een derde heeft toevertrouwd;
d. indien bewijzen van rechten van deelneming worden afgegeven, deze bewijzen door de bewaarder van een icbe worden ondertekend;
e. indien de overeenkomst de activa van een icbe betreft, dat de bewaarder van een icbe:
1°. zich ervan vergewist dat het aanbieden, verkoop, inkoop en intrekking van alsmede terugbetaling op rechten van deelneming voor rekening van de icbe, overeenkomstig de wet of de statuten onderscheidenlijk het fondsreglement van de icbe geschieden;
2°. zich ervan vergewist dat bij transacties met betrekking tot de activa van de icbe de tegenprestatie binnen de gebruikelijke termijnen wordt voldaan;
3°. zich ervan vergewist dat de opbrengsten van de icbe een bestemming krijgen in overeenstemming met de wet of de statuten onderscheidenlijk het fondsreglement van de icbe;
4°. zich ervan vergewist dat de waarde van de rechten van deelneming wordt berekend overeenkomstig de wet of de statuten onderscheidenlijk het fondsreglement van de icbe; en
5°. de aanwijzingen van de beheerder van een icbe dient uit te voeren, tenzij deze in strijd zijn met de wet of de statuten onderscheidenlijk het fondsreglement van de icbe.
1.
Onverminderd artikel 116 bevat de te sluiten overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste lid, van de wet tussen een beheerder van een icbe met zetel in een andere lidstaat en een bewaarder van een icbe met zetel in een andere lidstaat, tevens de gegevens, genoemd in bijlage G .
2.
Verplichtingen tot vertrouwelijkheid die op de beheerder van een icbe en de bewaarder van een icbe bij de overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste lid, van de wet van toepassing zijn, beperken niet de toegang van de toezichthouders of de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de icbe tot relevante informatie.
Artikel 116b
De advertentie en mededeling op de website van de beheerder van een icbe, bedoeld in artikel 4:47, eerste lid, van de wet, bevatten tenminste:
a. een beschrijving van de voorgestelde voorwaardenwijziging;
b. een beschrijving van de gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de deelnemers van de voorgestelde voorwaardenwijziging;
c. indien van toepassing: de wijze en datum waarop deelnemers inspraak kunnen uitoefenen ten aanzien van de voorgestelde voorwaardenwijziging;
d. de datum waarop de voorgestelde voorwaardenwijziging van kracht zal worden;
e. een vermelding van het feit dat een ten opzichte van het voorstel ongewijzigde voorwaardenwijziging niet separaat zal worden bekendgemaakt, maar als onderdeel van de gewijzigde voorwaarden op de website beschikbaar zal zijn alsmede de datum waarop deze gewijzigde voorwaarden op de website beschikbaar zullen zijn;
f. indien van toepassing: de toepasselijkheid van artikel 4:47, vierde lid, van de wet alsmede de datum waarop de in dat lid genoemde termijn aanvangt en eindigt.
Artikel 117
Het registratiedocument, bedoeld in artikel 4:48, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de gegevens, genoemd in bijlage H .
1.
Onverminderd artikel 4:49, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, van de wet bevat het prospectus, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, van de wet, de gegevens, genoemd in bijlage I .
2.
In het prospectus worden in afzonderlijke paragrafen de gegevens opgenomen over:
a. de kosten van de icbe en de wijze waarop zij ten laste komen van het resultaat van de icbe, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins direct of indirect ten laste komen van de deelnemers in de icbe; en
b. de aan de icbe verbonden risico’s.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gegevens, bedoeld in bijlage I , worden opgenomen in het prospectus.
Artikel 119
Een beheerder van een icbe, icbe of bewaarder van een icbe verstrekt de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de wet, wat de indeling en inhoud betreft, onverminderd de artikelen 121 tot en met 124 en 146, in de vorm waarin deze zijn opgemaakt krachtens Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
1.
Een beheerder van een icbe stelt de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:52, eerste lid, van de wet en de halfjaarcijfers, bedoeld in artikel 4:52, tweede lid, kosteloos verkrijgbaar voor deelnemers in de icbe.
2.
De openbaarmaking van de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:52, eerste lid, van de wet, geschiedt door publicatie op de website van de beheerder van de icbe. Gelijktijdig met de publicatie op de website deelt de beheerder in een landelijk verspreid Nederlands dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer, mee dat voor deelnemers op verzoek bij de beheerder een afschrift van de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens van de beheerder, de icbe of de bewaarder van een icbe voor de deelnemers in de icbe kosteloos verkrijgbaar is.
3.
De openbaarmaking van de halfjaarcijfers, bedoeld in artikel 4:52, tweede lid, van de wet geschiedt overeenkomstig het tweede lid.
4.
De beheerder van een icbe houdt de informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, gedurende ten minste drie jaar beschikbaar op zijn website.
1.
Het bestuursverslag van een icbe, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de wet, bevat een verklaring van de beheerder van een icbe dat hij voor de icbe beschikt over een beschrijving van de inrichting van de bedrijfsvoering die voldoet aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, tweede lid, onderdeel c, en 4:14, eerste lid, van de wet, en dat de bedrijfsvoering van de icbe effectief en overeenkomstig de beschrijving functioneert.
1.
De toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van een icbe bevat ten minste de volgende gegevens:
a. een sluitend overzicht van het verloop gedurende het boekjaar van de beleggingen waarbij de beleggingen worden onderscheiden naar soort;
b. een overzicht van de samenstelling van de activa aan het einde van het boekjaar;
c. een vergelijkend overzicht over de laatste drie jaren van de intrinsieke waarde van de icbe, het aantal uitstaande rechten van deelneming en de intrinsieke waarde per recht van deelneming, een en ander per het einde van het boekjaar;
d. een mededeling in hoeverre activa die geen financiële instrumenten zijn die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten door een onafhankelijke deskundige zijn gewaardeerd, volgens welke methode de waardering heeft plaatsgevonden, alsmede de regelmaat waarmee deze waardering plaatsvindt;
e. het bedrag der verplichtingen, onderscheiden naar soort aan het einde van het boekjaar, die voortvloeien uit dekkingstransacties met betrekking tot koers- en wisselkoersrisico in verband met de beleggingen, voorzover een en ander niet reeds in de balans en winst- en verliesrekening is begrepen;
f. een gespecificeerde opgave van de activa van de icbe die deelnemingen zijn in de zin van artikel 389, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; en
g. indien de icbe 85 procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling of icbe: de gegevens, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d en e, met betrekking tot de andere beleggingsinstelling of icbe.
2.
Onverminderd artikel 379, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vermeldt de beheerder van een icbe onder de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de wet, het totale persoonlijke belang dat de bestuurders van de beheerder van een icbe of de maatschappij voor collectieve belegging in effecten bij iedere belegging van de icbe aan het begin en het einde van het boekjaar hebben gehad.
1.
De toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van een icbe bevat de volgende gegevens:
a. voorzover van toepassing: de kosten van oprichting van de icbe, de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de icbe en welk gedeelte ten goede is gekomen aan de beheerder van een icbe, de bewaarder van een icbe, de bestuurders van de beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe, of aan met de beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van een icbe gelieerde partijen;
b. de naar soort onderscheiden kosten, gemoeid met het beheer van de icbe, de bewaring van activa van de icbe, de accountant, het toezicht op de icbe en de marketing, met inbegrip van de berekeningsgrondslag en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de icbe;
c. de transactiekosten die geïdentificeerd en gekwantificeerd kunnen worden en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de icbe;
d. indien van toepassing: de kosten die zijn gemaakt of vergoedingen die zijn gevraagd in verband met het in- en uitlenen van financiële instrumenten en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de icbe onderscheidenlijk aan wie deze vergoedingen ten goede zijn gekomen;
e. indien van toepassing: de kosten voor het uitbesteden van werkzaamheden in het kader van het beheer van de icbe of de bewaring van de activa van de icbe en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de icbe;
f. het totaal betaalde bedrag aan vergoedingen voor het aanbrengen van deelnemers indien dit bedrag hoger is dan één tiende procent van het gemiddelde beheerde vermogen van de icbe, de wijze waarop dit bedrag ten laste is gekomen van het resultaat, in mindering is gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste is gekomen van de deelnemers in de icbe en, indien van toepassing, de namen van met de maatschappij voor collectieve belegging in effecten, de beheerder van een icbe of de bewaarder van een icbe gelieerde partijen aan wie deze aanbrengprovisies ten goede zijn gekomen;
g. alle andere dan in onderdeel a tot en met f bedoelde naar soort onderscheiden kosten die hoger zijn dan tien procent van de totale kosten, inclusief de berekeningsgrondslag, en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de icbe;
h. de wijze waarop de op- en afslagen zijn berekend, aan wie de op- en afslagen ten goede zijn gekomen en, voor zover van toepassing, de wijze waarop zij zijn verwerkt in de jaarrekening;
i. de overige eenmalige kosten die deelnemers in de icbe betalen bij in- en uittreding, inclusief de berekeningsgrondslag;
j. een vergelijkend overzicht van de naar soort onderscheiden volgens het prospectus, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, van de wet, te maken kosten en de daadwerkelijk gemaakte kosten;
k. de naar soort onderscheiden kosten die voortvloeien uit directe of indirecte beleggingen in andere beleggingsinstellingen of icbe’s of icbe’s;
l. het niveau van de kosten van de icbe gerelateerd aan haar gemiddelde intrinsieke waarde, onder vermelding van de kosten die daarbij buiten beschouwing zijn gelaten; indien de icbe gemiddeld tien procent of meer van haar vermogen direct of indirect in andere belegginginstellingen of icbe’s of icbe’s belegt, worden de kosten van de andere beleggingsinstellingen of icbe’s of icbe’s meegenomen bij het bepalen van het niveau van de kosten van de icbe of wordt vermeld dat en waarom het niet mogelijk is de kosten van een andere beleggingsinstelling of icbe mee te nemen, alsmede dat de kosten van de betreffende andere beleggingsinstelling of icbe van invloed zijn op het resultaat van de icbe;
m. indien de icbe 85 procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling of icbe: het niveau van de kosten van de andere beleggingsinstelling of icbe gerelateerd aan de gemiddelde intrinsieke waarde van de andere beleggingstelling of icbe, onder vermelding van de kosten die daarbij buiten beschouwing zijn gelaten;
n. indien van toepassing: de retourprovisies die niet ten goede zijn gekomen aan de icbe en aan wie deze retourprovisies ten goede zijn gekomen;
o. indien van toepassing: de door de beheerder van een icbe, de bestuurders van de beleggingsmaatschappij, de beheerder van een icbe of de bewaarden van de icbe, de bewaarder van de icbe, de met de beheerder van de icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten of bewaarder van de icbe gelieerde partijen of derden voor het uitvoeren van opdrachten ten behoeve van icbe ontvangen of in het vooruitzicht gestelde goederen; en
p. de omloopsnelheid van de beleggingen en een vergelijking met de in het voorgaande boekjaar gerealiseerde omloopsnelheid van de beleggingen.
2.
Het eerste lid, onderdeel p, is niet van toepassing op icbe’s die uitsluitend of vrijwel uitsluitend beleggen in onroerende zaken.
3.
De Autoriteit Financiële Markten stelt regels met betrekking tot de wijze waarop inzicht wordt verschaft in het niveau van de kosten van de icbe, bedoeld in het eerste lid, onderdelen l en m, en de daaraan ten grondslag liggende berekening en de wijze van berekening van de omloopsnelheid van de activa, bedoeld in het eerste lid, onderdeel p.
4.
De toelichting op de balans en de winst en verliesrekening van een beheerder bevat ten minste de volgende gegevens:
a. indien van toepassing: de door de beheerder van een icbe of diens bestuurders ontvangen retourprovisies;
b. indien van toepassing: de door de beheerder van een icbe of diens bestuurders voor het uitvoeren van opdrachten ten behoeve van de beheerder van een icbe of de door de beheerder van een icbe beheerde beleggingsinstellingen of icbe’s ontvangen of in het vooruitzicht gestelde goederen; en
c. de vergoedingen die zijn ontvangen in verband met het in- en uitlenen van financiële instrumenten van de door de beheerder van een icbe beheerde beleggingsinstellingen of icbe’s.
5.
De in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens worden cijfermatig en tekstueel toegelicht.
6.
In de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van de beheerder van een icbe en de icbe worden de in het vierde onderscheidenlijk het eerste lid bedoelde gegevens in één paragraaf opgenomen.
1.
Een icbe vermeldt in de toelichting op de balans en de winst en verliesrekening:
a. indien van toepassing: de met de met de maatschappij voor collectieve belegging in effecten, de beheerder van een icbe of de bewaarder van een icbe gelieerde partijen aangegane overeenkomsten en een beschrijving van de hoofdlijnen van die overeenkomsten;
b. welk percentage van het totale transactievolume van de beleggingsinstelling is uitgevoerd via de met de maatschappij voor collectieve belegging in effecten, de beheerder van een icbe of de bewaarder van een icbe gelieerde partijen;
c. indien van toepassing: een opsomming van de soorten transacties die via de met de maatschappij voor collectieve belegging in effecten, de beheerder van een icbe of de bewaarder van een icbe gelieerde partijen zijn uitgevoerd en de voorwaarden waaronder die transacties plaatsvinden. Indien een transactie met een gelieerde partij niet tegen marktconforme voorwaarden heeft plaatsgevonden wordt tevens de naam van de gelieerde partij, de prijs, de relevante voorwaarden, de getaxeerde waarde en de reden voor niet marktconform handelen vermeld;
d. indien van toepassing: het totaalbedrag gemoeid met transacties met de met de maatschappij voor collectieve belegging in effecten, de beheerder van een icbe of de bewaarder van een icbe gelieerde partijen die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verricht;
e. indien van toepassing: dat de icbe direct of indirect belegt in een andere maatschappij voor collectieve belegging in effecten of beleggingsmaatschappij die een met de beheerder van de icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten, of bewaarder van de icbe gelieerde partij is of in een andere icbe of beleggingsinstelling die beheerd wordt door een met de beheerder van de icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten, of bewaarder van de icbe gelieerde partij en onder welke voorwaarden verkoop of inkoop van, alsmede terugbetaling op de rechten van deelneming in de andere icbe of beleggingsinstelling plaatsvindt;
f. indien van toepassing: beleggingen in met de maatschappij voor collectieve belegging in effecten, beheerder van een icbe of bewaarder van een icbe gelieerde partijen, niet zijnde beleggingsinstellingen of icbe’s, die meer dan tien procent van het vermogen van de gelieerde partij of van het beheerde vermogen van de icbe uitmaken, met een uiteenzetting van de relatie met de gelieerde partijen en het land van vestiging van de betreffende gelieerde partijen indien dit niet Nederland is;
g. indien de beheerder van een icbe of bewaarder van een icbe in het kader van het beheer van de icbe onderscheidenlijk de bewaring van de activa van de icbe werkzaamheden heeft uitbesteed: de naam van degene aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed en een beschrijving van de werkzaamheden die zijn uitbesteed;
h. indien financiële instrumenten worden in- of uitgeleend:
1°. de waarde van de in- en uitgeleende financiële instrumenten; deze informatie dient in de toelichting op de balans onder de balanspost financiële instrumenten te worden vermeld; en
2°. de zekerheden die de icbe heeft verkregen;
i. indien de icbe gemiddeld twintig procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling of icbe:
1°. waar de meest recente jaarrekening en het meest recente bestuursverslag van de andere beleggingsinstelling of icbe verkrijgbaar zijn;
2°. of en, zo ja, waar de andere beleggingsinstelling of icbe onder toezicht staat;
3°. het relatieve belang van de icbe in de andere beleggingsinstelling of icbe aan het begin en het einde van het boekjaar van de icbe;
4°. de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming in de andere beleggingsinstelling of icbe aan het einde van het meest recente boekjaar van die andere beleggingsinstelling of icbe;
5°. de samenstelling van de beleggingsportefeuille van de andere beleggingsinstelling of icbe aan het begin en het einde van het meest recente boekjaar van die andere beleggingsinstelling of icbe;
6°. een beschrijving van het beleggingsresultaat van de andere beleggingsinstelling of icbe aan de hand van de meest recente jaarrekening van die andere beleggingsinstelling of icbe; en
7°. indien van toepassing: de afspraken tussen de icbe en de andere beleggingsinstelling of icbe over de verdeling van kosten en aan wie het voordeel ten goede komt; en
j. indien de icbe 85 procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling of icbe: het beleggingsbeleid van de andere beleggingsinstelling of icbe.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt opgenomen in de jaarrekening.
1.
De halfjaarcijfers van een icbe bevatten ten minste de volgende gegevens:
a. de balans en winst- en verliesrekening, alsmede een mutatieoverzicht van het eigen vermogen van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten of van het beheerde vermogen van het fonds voor collectieve belegging in effecten met inachtneming, voorzover de aard van deze stukken dat toelaat, van de bepalingen van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden;
b. een overzicht van de samenstelling van de activa van de icbe;
c. een opgave van de intrinsieke waarde van de icbe en het aantal uitstaande rechten van deelneming en de intrinsieke waarde per recht van deelneming;
d. indien van toepassing: de vermelding, bedoeld in artikel 122, tweede lid; en
e. indien van toepassing: een mededeling dat de icbe interimdividend heeft uitgekeerd of voornemens is dat te doen.
2.
De halfjaarcijfers van een beheerder van een icbe bevatten ten minste de balans en winst- en verliesrekening, alsmede een mutatieoverzicht van het eigen vermogen met inachtneming, voorzover de aard van deze stukken dat toelaat, van de bepalingen van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van artikel 403, of de internationale jaarrekeningstandaarden.
3.
Indien de halfjaarcijfers van de beheerder van een icbe of de icbe door een accountant zijn onderzocht, wordt diens verklaring gevoegd bij de stukken die ingevolge artikel 4:51, tweede lid, van de wet aan de Autoriteit Financiële Markten worden verstrekt.
1.
Artikel 4:56, eerste lid, eerste volzin, van de wet is niet van toepassing op icbe’s die maatschappij voor collectieve belegging in effecten zijn waarvan de rechten van deelneming zijn toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is en die uitsluitend op dat handelsplatform worden verhandeld. De statuten van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten vermelden in dat geval de methoden voor de berekening van de intrinsieke waarde van die rechten.
2.
Artikel 4:56, eerste lid, eerste volzin, van de wet is tevens niet van toepassing op icbe’s die maatschappij voor collectieve belegging in effecten zijn waarvan de rechten van deelneming voor ten minste tachtig procent op een in de statuten vermeld handelsplatform worden verhandeld, indien:
a. de belangen van de deelnemers in de maatschappij voor collectieve belegging in effecten worden beschermd op een wijze die gelijkwaardig is aan de bescherming uit hoofde van de wet en dit besluit;
b. de rechten van deelneming zijn toegelaten tot de notering op een handelsplatform van de lidstaat waar zij verhandeld worden;
c. de door de maatschappij voor collectieve belegging in effecten niet op het handelsplatform verrichte transacties in haar rechten van deelneming slechts tegen beurskoers plaatsvinden;
d. de statuten het handelsplatform vermelden waarvan de notering de prijs bepaalt voor de transacties die door de maatschappij voor collectieve belegging in effecten in de staat waar dat handelsplatform is gelegen, buiten het handelsplatform worden verricht; en
e. de statuten de methoden voor de berekening van de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming vermelden.
1.
Het beleid ter zake van het voorkomen van belangenconflicten, bedoeld in artikel 4:59a, eerste lid, van de wet, is gericht op het herkennen van in ieder geval de volgende situaties waarbij een beheerder van een icbe, een relevante persoon of een persoon die met de beheerder is verbonden door een zeggenschapsband:
a. financieel gewin kan behalen of een financieel verlies kan vermijden ten koste van de icbe;
b. een belang heeft bij het resultaat van een ten behoeve van de icbe of een cliënt verrichte dienst of activiteit of een namens de icbe of cliënt uitgevoerde transactie, dat verschilt van het belang van de icbe bij dit resultaat;
c. een financiële of andere drijfveer heeft om het belang van een andere cliënt of groep cliënten te laten voorgaan boven het belang van de icbe;
d. dezelfde werkzaamheden uitoefent voor de icbe en voor een cliënt die geen icbe is; of
e. van een andere persoon dan de cliënt ten behoeve van de cliënt verrichte werkzaamheden in verband met het beheer van icbe's een provisie ontvangt die verschilt van de gebruikelijke provisie voor deze dienst, of een dergelijke provisie zal ontvangen.
2.
De beheerder houdt bij het bepalen van de soorten van belangenconflicten rekening met:
a. zijn eigen belang, inclusief de belangen die voortvloeien uit het feit dat hij deel uitmaakt van een groep of uit het verrichten van diensten en activiteiten, de belangen van cliënten en de verplichtingen van de beheerder ten opzichte van de icbe; en
b. de belangen van door hem beheerde icbe's.
1.
Een beheerder van een icbe legt het beleid, bedoeld in artikel 4:59a, eerste lid, van de wet vast en draagt er zorg voor dit beleid te implementeren en in stand te houden. Het beleid is afgestemd op de aard, omvang en complexiteit van zijn bedrijf.
2.
Indien de beheerder deel uitmaakt van een groep, heeft het beleid ook betrekking op belangenconflicten die kunnen ontstaan als gevolg van de structuur en bedrijfsactiviteiten van andere ondernemingen die deel uitmaken van de groep.
3.
Het beleid omschrijft, onder verwijzing naar de werkzaamheden in verband met het beheer van icbe’s die door of in naam van de beheerder worden verricht, de omstandigheden die een belangenconflict vormen of kunnen doen ontstaan dat een wezenlijk risico met zich brengt dat de belangen van de icbe of van een of meer cliënten worden geschaad, alsmede de te volgen procedures en te nemen maatregelen voor het omgaan met een dergelijk conflict.
4.
Het beleid vermeldt de te volgen procedures en te nemen maatregelen voor het beheersen van een belangenconflict als bedoeld in artikel 4:59a, eerste lid, van de wet.
1.
Een beheerder van een icbe beschikt over een adequate en effectieve strategie en daarbij behorend beleid waaruit blijkt wanneer en op welke wijze de stemrechten die zijn verbonden aan financiële instrumenten waarin de icbe belegt, zullen worden uitgeoefend in het uitsluitende voordeel van de betrokken icbe.
2.
De strategie omvat maatregelen en procedures voor:
a. het monitoren van relevante gebeurtenissen binnen de onderneming;
b. het garanderen dat de uitoefening van stemrechten in overeenstemming met de beleggingsdoelstellingen en het beleggingsbeleid van de betrokken icbe plaatsvindt; en
c. het voorkomen of beheersen van eventuele belangenconflicten die uit de uitoefening van stemrechten voortvloeien.
3.
De beheerder stelt een samenvatting van de strategie beschikbaar aan de deelnemers van de door hem beheerde icbe's.
4.
De beheerder verstrekt kosteloos op verzoek informatie met betrekking tot bijzonderheden over de genomen maatregelen op grond van de strategie aan de deelnemers van de door hem beheerde icbe's.
1.
Een beheerder van een icbe die een opdracht van een deelnemer tot inschrijving of terugbetaling van rechten van deelneming uitvoert, geeft de deelnemer onverwijld en uiterlijk op de eerste werkdag na uitvoering van de opdracht kennis van de uitvoering op een duurzame drager.
2.
Indien de beheerder een bevestiging van de uitvoering van de opdracht ontvangt van een derde, stelt de beheerder de deelnemer daarvan in kennis uiterlijk op de eerste werkdag na ontvangst van de bevestiging van de derde, tenzij de derde de deelnemer reeds onmiddellijk in kennis heeft gesteld.
3.
Indien een beheerder periodiek voor een deelnemer opdrachten tot inschrijving of terugbetaling van rechten van deelneming in een icbe uitvoert, kan een beheerder de kennisgeving, bedoeld in het eerste en tweede lid, eenmaal per zes maanden verstrekken.
4.
Een beheerder verstrekt de deelnemer desgevraagd informatie over de status van zijn opdracht tot inschrijving of terugbetaling.
5.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste en tweede lid, bevat, voor zover van toepassing, de volgende informatie:
a. de identificatiegegevens van de beheerder:
b. de naam of een andere omschrijving van de deelnemer;
c. de datum en het tijdstip van de opdracht tot inschrijving of terugbetaling en de wijze van betaling;
d. de datum van uitvoering;
e. de identificatiegegevens van de icbe;
f. de aard van de opdracht;
g. het aantal rechten van deelneming waarop de opdracht betrekking heeft;
h. de prijs per eenheid waartegen op de rechten van deelneming werd ingeschreven of waartegen deze werden terugbetaald;
i. de referentievalutadatum;
j. de brutowaarde van de opdracht inclusief inschrijvingskosten of het nettobedrag na aftrek van de terugbetalingskosten; en
k. de totale kosten die in rekening zijn gebracht en, indien de deelnemer daarom verzoekt, een specificatie daarvan.
1.
Een beheerder van een icbe die orders van icbe's uitvoert:
a. registreert orders die in naam van icbe's worden uitgevoerd onmiddellijk en correct en wijst deze orders onmiddellijk en correct toe; en
b. voert vergelijkbare orders van icbe's in volgorde van ontvangst en onmiddellijk uit, tenzij de aard van de order of de heersende marktomstandigheden dit onmogelijk maken of in het belang van de icbe anders moet worden gehandeld.
2.
Een beheerder van een icbe die verantwoordelijk is voor de controle op of de afwikkeling van een uitgevoerde order neemt alle redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat alle financiële instrumenten of gelden die bij de afwikkeling van de uitgevoerde order worden ontvangen, onmiddellijk op correcte wijze op de rekening van de icbe worden bijgeschreven.
3.
Een beheerder van een icbe maakt geen misbruik van informatie over lopende orders van icbe's en neemt alle redelijke maatregelen om misbruik van dergelijke informatie door zijn medewerkers te voorkomen.
1.
Een beheerder van een icbe voert een order in naam van een icbe of een transactie voor eigen rekening niet samen met een andere order van een icbe of cliënt, tenzij:
a. het onwaarschijnlijk is dat de samenvoeging van de orders en transacties nadelig is voor de betrokken icbe of cliënt; en
b. hij een ordertoewijzingsbeleid heeft vastgesteld en geïmplementeerd dat voldoende nauwkeurig voorziet in een billijke toewijzing van samengevoegde orders en transacties en dat onder meer voorschrijft hoe het volume en de prijs van orders bepalend zijn voor de toewijzingen en de behandeling van gedeeltelijke uitvoeringen.
2.
Indien een beheerder van een icbe een order samenvoegt met andere orders van icbe's of cliënten en de samengevoegde order slechts ten dele wordt uitgevoerd, wijst hij de desbetreffende transacties toe overeenkomstig zijn ordertoewijzingsbeleid.
1.
Een beheerder van een icbe die een transactie voor eigen rekening samenvoegt met een order van een icbe of cliënt, wijst de desbetreffende transactie niet toe op een voor de icbe respectievelijk cliënt nadelige wijze.
2.
Indien een beheerder van een icbe een order van een icbe of cliënt samenvoegt met een transactie voor eigen rekening en de samengevoegde order slechts ten dele wordt uitgevoerd, geeft hij de order van de icbe of cliënt bij de toewijzing van de desbetreffende transactie voorrang op zijn eigen transactie. Het is de beheerder van een icbe slechts toegestaan een transactie als bedoeld in de vorige volzin naar evenredigheid toe te wijzen overeenkomstig zijn orderuitvoeringsbeleid, bedoeld in artikel 126f, eerste lid, onderdeel b, indien hij kan aantonen dat de order van de icbe of cliënt niet of niet op dezelfde gunstige voorwaarden had kunnen uitvoeren als deze niet was samengevoegd.
1.
Een beheerder van een icbe verschaft of ontvangt voor het beheer van de beleggingen of administratie ten behoeve van een icbe geen beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, die niet noodzakelijk is voor het beheer van de beleggingen of administratie of dit mogelijk maakt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. beloningen of vergoedingen die worden verschaft door of aan de icbe of degene die namens de icbe optreedt; en
b. beloningen of vergoedingen die worden verschaft door of aan een derde of degene die namens de derde optreedt, indien:
1°. de icbe op uitvoerige, accurate en begrijpelijke wijze mededeling wordt gedaan van het bestaan, de aard en het bedrag of, indien het bedrag niet kan worden achterhaald, de wijze van berekening daarvan, van de beloning of vergoeding voordat tot het beheren van beleggingen of administratie ten behoeve van de icbe wordt overgegaan; en
2°. de verschaffing van de beloning of vergoeding de kwaliteit van het beheren van beleggingen of administratie ten behoeve van de icbe ten goede komt en geen afbreuk doet aan de verplichting van de beheerder om zich in te zetten voor de belangen van de icbe.
3.
De beheerder voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°, indien hij in samengevatte vorm mededeling doet van de essentiële voorwaarden van de regelingen voor beloningen of vergoedingen en hij de deelnemers informeert over de mogelijkheid om nadere informatie te verkrijgen en deze op verzoek van de deelnemer verstrekt.
1.
Een beheerder van een icbe neemt bij het selecteren en continu monitoren van beleggingen de nodige zorgvuldigheid in acht.
2.
Een beheerder van een icbe heeft voldoende kennis en begrip van de activa waarin de door hem beheerde icbe's beleggen.
1.
Een beheerder van een icbe zorgt ervoor dat billijke, correcte en transparante prijsbepalingsmodellen en waarderingssystemen worden aangewend.
2.
Een beheerder van een icbe moet kunnen aantonen dat de deelnemingen in door hem beheerde icbe's correct worden gewaardeerd.
1.
Een icbe als bedoeld in artikel 126 draagt een accountant op om zich ten minste eenmaal per kwartaal ervan te vergewissen dat de berekening van de waarde van rechten van deelneming plaatsvindt overeenkomstig haar statuten en dit besluit en dat de activa van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten zijn belegd in overeenstemming met haar statuten en met de artikelen 130 tot en met 143, waarbij tussen elk van de tijdstippen van vergewissing een periode van ten minste een week ligt.
2.
Een icbe als bedoeld in artikel 126 koopt of verkoopt al dan niet door tussenkomst van een derde haar rechten van deelneming dan wel geeft deze uit, om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming op het handelsplatform meer dan vijf procent afwijkt van de intrinsieke waarde.
Artikel 128
De statuten of het fondsreglement van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet vermelden:
a. de wijze waarop de bepaling plaatsvindt van de prijs bij het aanbieden, de verkoop- of inkoopprijs, en het bedrag bij terugbetaling van de waarde van de rechten van deelneming; en
b. de aard van de kosten die ten laste komen van het resultaat, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling.
Artikel 129
Een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet die belegt in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen die door haar beheerder worden beheerd of die worden beheerd door een beheerder waarmee haar beheerder in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden, brengt geen kosten in rekening voor inschrijving of aflossing ten aanzien van de rechten van deelneming in die andere beleggingsinstellingen.
Artikel 130
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt uitsluitend belegd in:
a. effecten en geldmarktinstrumenten die zijn toegelaten tot de notering of worden verhandeld op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit;
b. effecten en geldmarktinstrumenten die zijn toegelaten tot de notering of worden verhandeld op een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, voorzover de statuten of het fondsreglement van de icbe voorzien in belegging in deze financiële instrumenten;
c. effecten waarvan het aannemelijk is dat zij binnen een jaar na emissie zullen worden toegelaten tot de notering of ter verhandeling zullen worden aangeboden op een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is voorzover de statuten of het fondsreglement van de icbe voorzien in belegging in deze financiële instrumenten;
d. rechten van deelneming in icbe’s voor het aanbieden waarvan op grond van artikel 2:65 van de wet een vergunning is verleend of in icbe’s die overeenkomstig de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten in een andere lidstaat zijn toegelaten, indien de betreffende icbe’s volgens hun statuten of fondsreglementen niet meer dan tien procent van hun beheerde vermogen beleggen in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen;
e. rechten van deelneming in beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat of in icbe’s waarop het toezicht naar het oordeel van de toezichthoudende instanties in andere lidstaten gelijkwaardig is aan de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten en ten aanzien waarvan de samenwerking tussen de toezichthouders en de toezichthoudende instanties genoegzaam is gewaarborgd, indien:
1°. de rechten van deelneming in de beleggingsinstellingen of icbe’s op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald;
2°. het reglementaire of statutaire doel van de beleggingsinstellingen of icbe’s uitsluitend is het beleggen in effecten, geldmarktinstrumenten, deposito’s of financiële derivaten met toepassing van het beginsel van risicospreiding;
3°. de op de beleggingsinstellingen of icbe’s toepasselijke regels inzake scheiding van het vermogen, opnemen en verstrekken van leningen en verkopen van effecten en geldmarktinstrumenten vanuit een ongedekte positie gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten; en
4°. de beleggingsinstellingen of icbe’s volgens hun statuten of fondsreglementen niet meer dan tien procent van hun beheerde vermogen beleggen in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen of icbe’s;
f. deposito’s;
g. financiële derivaten die zijn toegelaten tot de notering of worden verhandeld op een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, voorzover de waarde afhankelijk is van de in dit artikel genoemde financiële instrumenten en deposito’s, financiële indices, rentetarieven, wisselkoersen of valuta’s waarin de icbe krachtens haar statuten of reglementen mag beleggen;
h. financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is worden verhandeld, indien:
1°. de waarde afhankelijk is van de in dit artikel genoemde financiële instrumenten en deposito’s, financiële indices, rentetarieven, wisselkoersen of valuta’s waarin icbe’s krachtens haar statuten of reglementen mag beleggen;
2°. de tegenpartij een aan prudentieel toezicht onderworpen instelling is en behoort tot de categorieën die erkend zijn door de Autoriteit Financiële Markten of een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat; en
3°. zij aan betrouwbare en verifieerbare dagelijkse waardering onderworpen zijn en te allen tijde tegen hun waarde in het economisch verkeer op initiatief van de icbe kunnen worden verkocht, te gelde gemaakt of afgesloten door een compenserende transactie; of
i. geldmarktinstrumenten die niet op een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is worden verhandeld, indien de emissie of de emittent van deze instrumenten zelf aan regelgeving is onderworpen met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden, en deze instrumenten:
1°. worden uitgegeven of gegarandeerd door een centrale, regionale of plaatselijke overheid, de centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie of de Europese Investeringsbank, een staat die geen lidstaat is, een deelstaat van een federale staat of een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten deelnemen;
2°. worden uitgegeven door een onderneming waarvan effecten worden verhandeld op een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is;
3°. worden uitgegeven of gegarandeerd door een instelling die in een lidstaat aan prudentieel toezicht is onderworpen of door een instelling die onderworpen is aan prudentieel toezicht dat in ieder geval gelijkwaardig is aan het ingevolge het gemeenschapsrecht geldende prudentieel toezicht; of
4°. worden uitgegeven door andere instellingen waarvoor een gelijkwaardige bescherming van de belegger geldt als is vastgelegd in dit onderdeel, aanhef en onder 1°, 2° en 3°, indien de uitgevende instelling een onderneming is waarvan het kapitaal en de reserves in totaal ten minste € 10.000.000 bedragen en die haar jaarrekeningen presenteert en publiceert overeenkomstig de richtlijn jaarrekening, of een rechtspersoon is die binnen een groep waartoe een of meer ondernemingen waarvan de aandelen zijn toegelaten tot notering aan een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een met een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is behoren, specifiek gericht is op de financiering van de groep, of een rechtspersoon is specifiek gericht op de financiering van effectiseringsinstrumenten waarvoor een bankliquiditeitenlijn bestaat.
1.
In afwijking van artikel 130 kan het beheerde vermogen van een icbe:
a. voor ten hoogste tien procent worden belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die niet zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten;
b. indien het een maatschappij voor collectieve belegging in effecten betreft: worden belegd in zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid; of
c. worden aangehouden in accessoir liquide middelen.
2.
In afwijking van artikel 130 kan het beheerd vermogen van een feeder-icbe voor maximaal vijftien procent:
a. worden belegd in financiële derivaten, bedoeld in artikel 130, onderdelen g en h, die alleen met het doel om risico af te dekken mogen worden gebruikt;
b. indien het een maatschappij voor collectieve belegging in effecten betreft: worden belegd in zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid; of
c. worden aangehouden in accessoir liquide middelen.
Artikel 132
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt niet belegd in edele metalen of in certificaten die deze metalen vertegenwoordigen.
1.
De icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet doet de Autoriteit Financiële Markten ten minste jaarlijks mededeling van de tot haar activa behorende soorten financiële derivaten, de onderliggende risico’s, de kwantitatieve begrenzingen en de methodes die zijn gekozen om de aan transacties in deze financiële instrumenten verbonden risico’s te ramen.
2.
De Autoriteit Financiële Markten evalueert de regelmatigheid en de volledigheid van de informatie, bedoeld in het eerste lid.
3.
Het totale risico van een icbe wordt dagelijks berekend.
4.
Voor de berekening van het totale risico in financiële derivaten van een feeder-icbe wordt het eigen directe risico in financiële derivaten, bedoeld in artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de feeder-icbe gecombineerd met:
a. het reële risico in financiële derivaten van de master-icbe naar evenredigheid van de belegging van de feeder-icbe in rechten van deelneming in de master-icbe; of
b. het potentiële totale maximumrisico in financiële derivaten dat de master-icbe volgens haar fondsreglement of statuten, naar evenredigheid van de belegging van de feeder-icbe in rechten van deelneming in de master-icbe, mag aangaan.
5.
Het totale risico van de icbe bedraagt niet meer dan tweemaal de totale nettowaarde van de activa. Het totale risico van een beleggingsinstelling wordt met niet meer dan tien procent van de totale nettowaarde van haar portefeuille vergroot door het aangaan van kortlopende leningen, in welk geval het totale risico van de icbe niet meer dan 210 procent bedraagt van de totale nettowaarde van haar portefeuille.
6.
Het totale risico van de icbe in financiële derivaten overschrijdt niet de totale nettowaarde van de activa. Voor de berekening van het risico worden de dagwaarde van de onderliggende activa, het tegenpartijrisico, toekomstige marktbewegingen en de voor de liquidatie van de posities beschikbare tijd in aanmerking genomen.
7.
Het beheerde vermogen van de icbe kan in het kader van het beleggingsbeleid en binnen de in artikel 137 gestelde begrenzingen worden belegd in financiële derivaten voorzover het risico met betrekking tot de onderliggende activa in totaal niet de in de artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 gestelde begrenzingen overschrijdt. Indien het beheerde vermogen van de icbe in op een index gebaseerde financiële derivaten wordt belegd, worden die beleggingen voor de toepassing van de in de artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 gestelde begrenzingen bepaalde bovengrens niet samengeteld.
8.
De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de berekening van het risico, de wijze van vaststelling van de dagwaarde van de onderliggende activa, de soorten verplichtingen die leiden tot een tegenpartijrisico, het meewegen van toekomstige marktbewegingen bij de vaststelling en de methodes die mede afhankelijk van de aard van het financiële instrument waarin wordt belegd, voor berekening van de risico’s kunnen worden gehanteerd.
1.
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt tot ten hoogste tien procent belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven door dezelfde instelling. Een icbe belegt niet meer dan twintig procent van het beheerde vermogen in deposito’s bij één bank.
2.
Het tegenpartijrisico van de icbe bij een transactie in financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld, bedraagt niet meer dan:
a. tien procent van haar vermogen wanneer de tegenpartij een bank is; of
b. vijf procent van haar vermogen, in andere gevallen.
3.
De totale waarde van de effecten en de geldmarktinstrumenten die de icbe houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de icbe. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld, bij onderscheidenlijk met instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.
4.
Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van de icbe tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:
a. effecten en geldmarktinstrumenten die door die instelling zijn uitgegeven;
b. deposito’s bij die instelling; of
c. risico’s ten gevolge van transacties in financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld, met betrekking tot die instelling.
5.
Bij de berekening van de door de icbe gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de icbe wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de icbe gelopen tegenpartijrisico.
1.
In afwijking van artikel 134 kan het beheerde vermogen van een icbe tot ten hoogste vijfentwintig procent worden belegd in geregistreerde gedekte obligaties van een bepaalde uitgevende bank.
2.
Indien het beheerde vermogen van een icbe voor meer dan vijf procent wordt belegd in obligaties als bedoeld in het eerste lid die door één instelling zijn uitgegeven, bedraagt de totale waarde van deze beleggingen niet meer dan tachtig procent van de activa van die uitgevende instelling.
1.
In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een icbe tot ten hoogste vijfendertig procent worden belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is, of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan een icbe op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien:
a. zij effecten en geldmarktinstrumenten van ten minste zes verschillende emissies van een in het eerste lid bedoelde uitgevende staat, openbaar lichaam of internationale organisatie in portefeuille heeft;
b. de financiële instrumenten van een zelfde emissie niet meer bedragen dan dertig procent van het beheerde vermogen van de icbe;
c. de uitgevende staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie in de statuten of het fondsreglement van de icbe wordt genoemd; en
d. de deelnemers in de icbe bescherming genieten die gelijkwaardig is aan de bescherming die voortvloeit uit het eerste lid en de artikelen 134, 135 en 137.
1.
De in de artikelen 135 en 136, eerste lid, bedoelde financiële instrumenten worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de in artikel 134, derde lid, bedoelde begrenzing van veertig procent.
2.
De overeenkomstig de artikelen 134, 135, en 136, eerste lid, verrichte beleggingen in door één instelling uitgegeven effecten en geldmarktinstrumenten dan wel in deposito’s bij of financiële derivaten van die instelling, bedragen samen in geen geval meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen van de icbe.
3.
Voor de berekening van de in de artikelen 134, 135, en 136, eerste lid, gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot een groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig de richtlijn geconsolideerde jaarrekening of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, tezamen als een instelling beschouwd, met dien verstande dat de beleggingen, bedoeld in artikel 134, eerste lid, eerste volzin, in de afzonderlijke ondernemingen die tot die groep behoren ten hoogste twintig procent van het beheerde vermogen van de icbe kunnen bedragen.
4.
De activa van beleggingsinstellingen in wier rechten van deelneming de icbe belegt worden voor het vaststellen van de in artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 bedoelde begrenzingen niet opgeteld bij de beleggingen van de icbe.
1.
In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een icbe tot ten hoogste twintig procent worden belegd in aandelen en obligaties van dezelfde uitgevende instelling indien in het fondsreglement of de statuten van de icbe is bepaald dat het beleggingsbeleid van de icbe erop is gericht de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie-index te volgen, en deze index voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de samenstelling van de index is gediversifieerd;
b. de index is representatief voor de markt waarop hij betrekking heeft; en
c. de index wordt op passende wijze bekendgemaakt.
2.
Artikel 134, derde lid, is niet van toepassing.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien uitzonderlijke marktomstandigheden daartoe aanleiding geven. In dat geval kan het beheerde vermogen van de icbe tot ten hoogste vijfendertig procent worden belegd in aandelen en obligaties van dezelfde uitgevende instelling.
1.
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt tot ten hoogste twintig procent belegd in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen of icbe’s als bedoeld in artikel 130, onderdeel d of e, die zijn uitgegeven door dezelfde beleggingsinstelling of icbe.
2.
De beleggingen in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen of icbe’s als bedoeld in artikel 130, onderdeel e, bedragen in totaal niet meer dan dertig procent van het beheerde vermogen van de icbe.
1.
Een beheerder van een icbe verwerft, voor de door hem beheerde icbe’s als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet gezamenlijk, niet meer dan twintig procent van de aandelen met stemrecht in dezelfde uitgevende instelling.
2.
Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt niet belegd in meer dan:
a. tien procent van de aandelen zonder stemrecht van dezelfde uitgevende instelling;
b. tien procent van de obligaties van dezelfde uitgevende instelling;
c. vijfentwintig procent van de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe’s waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald van dezelfde beleggingsinstelling of icbe’s; of
d. tien procent van de geldmarktinstrumenten van dezelfde uitgevende instelling.
3.
De begrenzingen, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdelen b, c en d, hoeven niet in acht te worden genomen indien de bruto waarde van de obligaties of geldmarktinstrumenten of de nettowaarde van de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe’s op het tijdstip van verwerving niet kan worden berekend.
Artikel 141
Artikel 140, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op het verwerven van onderscheidenlijk het beleggen in:
a. effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of worden gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen;
b. aandelen in het kapitaal van een rechtspersoon, gevestigd in een staat die geen lidstaat is, die met inachtneming van de begrenzingen, bedoeld in de artikelen 134, 135, 136, eerste lid, 137, 139 en 140 zijn vermogen in hoofdzaak belegt in effecten van uitgevende instellingen, gevestigd in die staat, wanneer krachtens de wet van die staat een dergelijke deelneming voor de icbe de enige mogelijkheid is om in effecten van uitgevende instellingen in die staat te beleggen; of
c. aandelen in het kapitaal van een dochteronderneming van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten die uitsluitend ten behoeve van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten bepaalde beheers-, advies- of verhandelingswerkzaamheden verricht in de staat waar de dochteronderneming is gevestigd, met het oog op de inkoop van rechten van deelneming op verzoek van deelnemers.
1.
De artikelen 134 tot en met 139 zijn gedurende zes maanden na het eerste aanbod van de rechten van deelneming in een icbe niet van toepassing. De icbe neemt gedurende die periode de beginselen van risicospreiding in haar beleggingen in acht.
2.
De artikelen 134 tot en met 139 zijn gedurende zes maanden na een fusie niet van toepassing op een verkrijgende icbe. De verkrijgende icbe neemt gedurende die periode de beginselen van risicospreiding in haar beleggingen in acht.
1.
De in deze paragraaf gestelde begrenzingen gelden niet bij de uitoefening van voorkeurrechten die zijn verbonden aan effecten en geldmarktinstrumenten die deel uitmaken van de activa van de icbe.
2.
Wanneer de in deze paragraaf gestelde begrenzingen buiten de wil van de icbe of ten gevolge van de uitoefening van voorkeurrechten worden overschreden, treft de icbe, met inachtneming van de belangen van de deelnemers, de nodige maatregelen opdat deze overschrijding zo snel mogelijk ongedaan wordt gemaakt.
Artikel 144
Een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet legt binnen vier weken na een verzoek daartoe van de Autoriteit Financiële Markten, dan wel binnen vier weken na afloop van het boekjaar, een mededeling van een accountant over aan de Autoriteit Financiële Markten waaruit blijkt dat de icbe in overeenstemming heeft gehandeld met de artikelen 130 tot en met 143.
1.
Gelijktijdig met de verkrijgbaarstelling van het prospectus, bedoeld in artikel 4:50, tweede lid, van de wet, zendt de beheerder een afschrift van het prospectus en van de essentiële beleggersinformatie van de icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet aan de Autoriteit Financiële Markten.
2.
De beheerder van een icbe zendt wijzigingen in de essentiële beleggersinformatie aan de Autoriteit Financiële markten.
1.
De balans en winst- en verliesrekening van een icbe of de toelichtingen daarop bevatten de volgende gegevens:
a. tegoeden bij banken;
b. een onderscheid in de overzichten van de beleggingen, bedoeld in artikel 122, eerste lid, onderdelen a en b, naar:
1°. financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt;
2°. financiële instrumenten die op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld;
3°. effecten als bedoeld in artikel 130, onderdeel c; en
4°. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 131, onderdeel a;
c. een sluitend overzicht van de gesaldeerde mutaties in de verslagperiode in het eigen vermogen van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten of het beheerde vermogen van het fonds voor collectieve belegging in effecten ten gevolge van en uitgesplitst naar:
1°. inkomsten uit beleggingen;
2°. overige inkomsten;
3°. belastingen;
4°. de bestemming, of voorgestelde bestemming, van het nettoresultaat;
5°. de vermeerdering of vermindering van het eigen vermogen van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten of van het beheerde vermogen van het fonds voor collectieve belegging in effecten;
6°. meer- en minderwaarde op beleggingen; en
7°. overige mutaties van de activa en passiva; en
d. het bedrag van de verplichtingen onderscheiden naar soort aan het einde van het boekjaar die voortvloeien uit verrichtingen met betrekking tot financiële derivaten en voorzover deze niet reeds in de balans en de winst- en verliesrekening zijn opgenomen.
2.
Onverminderd artikel 125, eerste lid, neemt een icbe in de halfjaarcijfers de gegevens op, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zoals deze luidden aan het einde van de eerste helft van het boekjaar.
1.
Een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet publiceert telkens wanneer zij of haar beheerder rechten van deelneming aanbiedt, verkoopt, inkoopt, of daarop terugbetaalt de koers, de verkoop- onderscheidenlijk inkoopprijs en het bedrag van de terugbetaling op de website van haar beheerder. De Autoriteit Financiële Markten kan op verzoek besluiten dat de icbe deze bekendmaking eenmaal per maand doet, indien de belangen van de deelnemers daardoor niet worden geschaad.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op icbe’s als bedoeld in artikel 126, eerste lid.
3.
Onverminderd artikel 4:46a van de wet brengt een icbe als bedoeld in artikel 126 de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming ten minste tweemaal per week ter kennis van de Autoriteit Financiële Markten en publiceert zij de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming tweemaal per maand op de website van haar beheerder waarbij tussen elk van de tijdstippen van publicatie een periode van ten minste een week ligt.
4.
Een icbe als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet verschaft desgevraagd aan een deelnemer gegevens betreffende kwantitatieve begrenzingen die van toepassing zijn op het risicobeheer, de daartoe gekozen methodes en de recente ontwikkeling van de risico’s en rendementen van de voornaamste categorie financiële instrumenten.
1.
In afwijking van artikel 139, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een icbe voor meer dan twintig procent worden belegd in een bepaalde master-icbe indien de Autoriteit Financiële Markten daarmee heeft ingestemd. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming binnen vijftien werkdagen na ontvangst van de aanvraag van instemming.
2.
De Autoriteit Financiële Markten stemt met de aanvraag in, indien de beheerder aantoont dat de feeder-icbe, haar bewaarder, haar accountant en de master-icbe zullen voldoen aan het bepaalde ingevolge de artikelen 4:57a tot en met 4:57c, 4:61a en 4:61b van de wet en het bepaalde in deze paragraaf.
3.
De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van de volgende gegevens:
a. het fondsreglement of de statuten van de feeder-icbe en de master-icbe;
b. het prospectus en de essentiële beleggersinformatie van de feeder-icbe en de master-icbe;
c. de overeenkomst tot uitwisseling van informatie tussen de feeder-icbe en de master-icbe, bedoeld in artikel 147b, eerste lid, of de interne regels met betrekking tot de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 147b, vierde lid;
d. indien van toepassing, de aan de deelnemers te verstrekken informatie, bedoeld in artikel 147f, eerste lid;
e. indien van toepassing, de overeenkomst tot uitwisseling van informatie, bedoeld in artikel 4:57b van de wet tussen de bewaarder van de feeder-icbe en de bewaarder van de master-icbe;
f. indien van toepassing, de overeenkomst tot uitwisseling van informatie, bedoeld in artikel 4:57c van de wet tussen de accountant van de feeder-icbe en de accountant van de master-icbe; en
g. indien het een master-icbe met zetel in een andere lidstaat betreft: een verklaring van de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de master-icbe dat deze een icbe is en voldoet aan de onderdelen b en c, in de definitie van master-icbe in artikel 1 van de wet.
4.
De gegevens, bedoeld in het derde lid, worden verstrekt in het Nederlands of in een taal die door de Autoriteit Financiële Markten is goedgekeurd.
1.
Een feeder-icbe sluit een overeenkomst tot uitwisseling van informatie met de master-icbe.
2.
De overeenkomst voorziet er in dat de master-icbe alle informatie aan de feeder-icbe verstrekt die de feeder-icbe nodig heeft om te voldoen aan de regels die ingevolge de wet aan haar worden gesteld.
3.
De overeenkomst is op verzoek kosteloos beschikbaar voor de deelnemers van de feeder-icbe.
4.
Indien de feeder-icbe en de master-icbe worden beheerd door dezelfde beheerder, kan in afwijking van het eerste lid, worden volstaan met bedrijfsvoeringsregels van de beheerder die waarborgen dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de feeder-icbe en de master-icbe. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de interne bedrijfsvoeringsregels.
5.
Onverminderd het tweede lid voorziet de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, respectievelijk voorzien de bedrijfsvoeringsregels, bedoeld in het vierde lid, in het bepaalde in bijlage J .
Artikel 147c
De overeenkomst tot uitwisseling van informatie tussen de bewaarders als bedoeld in de artikel 4:57b, eerste lid, van de wet en een overeenkomst tot uitwisseling van informatie tussen accountants als bedoeld in artikel 4:57c, eerste lid, van de wet bevatten de gegevens, genoemd in bijlage J .
1.
Indien een feeder-icbe en haar master-icbe beide hun zetel in Nederland hebben is uitsluitend het Nederlands recht van toepassing op de overeenkomst tot uitwisseling van informatie, bedoeld in artikel 147b, eerste lid.
2.
Indien de feeder-icbe of de master-icbe haar zetel in een andere lidstaat heeft, dan bepaalt de overeenkomst tot uitwisseling van informatie, bedoeld in artikel 147b, eerste lid, dat uitsluitend het Nederlands recht of het recht van die andere lidstaat van toepassing is op die overeenkomst.
3.
Het recht van de lidstaat dat op grond van het eerste of tweede lid van toepassing is op een overeenkomst tot uitwisseling van informatie is eveneens van toepassing op een overeenkomst tussen de bewaarders van de feeder-icbe en de master-icbe als bedoeld in artikel 4:57b, eerste lid, van de wet en een overeenkomst tussen de accountants van de feeder-icbe en master-icbe als bedoeld in artikel 4:57c, eerste lid, van de wet.
4.
Indien de overeenkomst is vervangen door bedrijfsvoeringsregels als, bedoeld in artikel 147b, vierde lid, voorziet een overeenkomst tussen bewaarders als bedoeld artikel 4:57b, eerste lid, respectievelijk tussen accountants als bedoeld in artikel 4:57c, eerste lid, van de wet erin dat het recht van de lidstaat van de zetel van de feeder-icbe of het recht van de lidstaat van de zetel van de master-icbe bij uitsluiting van toepassing is op de overeenkomst.
5.
De overeenkomsten, bedoeld in de artikelen 4:57b, eerste lid, en 4:57c, eerste lid, van de wet en artikel 147b, eerste lid, bepalen dat de rechter van de lidstaat waarvan het recht van toepassing is op de overeenkomst, wordt aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van de overeenkomst ontstaan of zullen ontstaan.
Artikel 147e
Een bewaarder van een master-icbe meldt aan de Autoriteit Financiële Markten in ieder geval de volgende onregelmatigheden op grond van artikel 4:57a, eerste lid, van de wet:
a. fouten in de berekening van de intrinsieke waarde van de master-icbe;
b. fouten in transacties voor afwikkeling van de aankoop van, inschrijving op, het verzoek om inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming in de master-icbe door de feeder-icbe;
c. door de master-icbe veroorzaakte fouten bij de betaling of kapitalisatie van inkomsten, of fouten in de berekening van de bronbelasting;
d. inbreuken op de beleggingsdoelstellingen, het beleggingsbeleid of de beleggingsstrategie van de master-icbe, zoals beschreven in haar fondsreglement of statuten, prospectus of essentiële beleggersinformatie; en
e. inbreuken op ingevolge de wet, het fondsreglement, de statuten, prospectus of essentiële beleggersinformatie vastgestelde limieten bij beleggingen of het aangaan van leningen.
1.
Indien een icbe voornemens is ten minste 85 procent van haar vermogen in rechten van deelneming in een master-icbe te beleggen of een feeder-icbe voornemens is haar rechten van deelneming te beleggen in een andere master-icbe verstrekt zij de volgende informatie aan haar deelnemers:
a. een verklaring dat de Autoriteit Financiële Markten met de voorgenomen belegging in de master-icbe heeft ingestemd;
b. de essentiële beleggersinformatie van de feeder-icbe en de master-icbe;
c. de datum waarop de icbe uitvoering zal geven aan haar voornemen; en
d. een verklaring dat deelnemers binnen dertig dagen na de informatieverstrekking kunnen eisen dat hun rechten van deelneming worden ingekocht of terugbetaald.
2.
Indien de beheerder van een icbe een kennisgeving heeft gedaan als bedoeld in artikel 2:123, eerste lid, van de wet verstrekt de icbe de informatie, bedoeld in het eerste lid, in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar zij rechten van deelneming aanbiedt, of in een taal die door de toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat is goedgekeurd.
3.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste dertig dagen voor de datum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, verstrekt.
4.
De icbe gaat niet over tot een belegging van meer dan twintig procent van haar beheerd vermogen in rechten van deelneming in de master-icbe voordat de termijn, bedoeld in het derde lid, is verstreken.
5.
De icbe brengt bij inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, geen andere kosten in rekening dan desinvesteringskosten.
6.
De icbe kan de informatie, bedoeld in het eerste lid, in plaats van schriftelijk op een andere duurzame drager verstrekken na toestemming van de deelnemer en indien dat past in de context waarin zij, of in voorkomend geval de beheerder, met de deelnemer zaken doet.
7.
De verstrekking van informatie door de icbe aan de deelnemer via elektronische mededelingen past in de context waarin de icbe respectievelijk haar beheerder met de deelnemer zaken doet of gaat doen, indien is bewezen dat de deelnemer regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de deelnemer een e-mailadres opgeeft om zaken te kunnen doen geldt in ieder geval als bewijs hiervan.
Artikel 147g
Een feeder-icbe vermeldt in alle door of namens haar verstrekt of beschikbaar gestelde relevante informatie dat zij ten minste 85 procent van haar beheerd vermogen belegt in rechten van deelneming in een master-icbe.
1.
Een feeder-icbe zendt een afschrift van het prospectus, de essentiële beleggersinformatie en alle wijzigingen daarin, het bestuursverslag en de halfjaarcijfers van de master-icbe waarin zij belegt aan de Autoriteit Financiële Markten.
2.
Een feeder-icbe verstrekt haar deelnemers, op verzoek, kosteloos een afschrift van het prospectus, het bestuursverslag en halfjaarcijfers van de master-icbe waarin zij belegt.
1.
Het bestuursverslag van een feeder-icbe bevat een verklaring met betrekking tot de totale kosten van de feeder-icbe en de master-icbe.
2.
Het bestuursverslag en de halfjaarcijfers van een feeder-icbe vermelden de plaats waar het bestuursverslag en de halfjaarcijfers van de master-icbe waarin de feeder-icbe belegt, verkregen kunnen worden.
Artikel 147j
Een feeder-icbe en de master-icbe waarin zij belegt, voorkomen dat hun deelnemers op verschillende tijdstippen worden geïnformeerd over de intrinsieke waarde van de deelnemingen door het treffen van maatregelen om het tijdstip van de berekening en de publicatie van de intrinsieke waarde te coördineren.
Artikel 147k
Een feeder-icbe controleert de werkzaamheden van de master-icbe. Zij baseert zich hierbij op de informatie die is verstrekt door de master-icbe of diens beheerder, bewaarder of accountant tenzij de feeder-icbe reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van deze informatie.
Artikel 147l
Een beloning of vergoeding die een feeder-icbe, haar beheerder dan wel een derde die namens de feeder-icbe of haar beheerder optreedt, ontvangt in verband met de belegging in rechten van deelneming van een master-icbe, komt ten gunste van de activa van de feeder-icbe.
1.
Een master-icbe verstrekt de Autoriteit Financiële Markten onverwijld de naam van elke feeder-icbe die in haar rechten van deelneming belegt.
2.
Indien de feeder-icbe een zetel heeft in een andere lidstaat, stelt de Autoriteit Financiële Markten de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de feeder-icbe in kennis van de belegging, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 147n
Een master-icbe houdt alle informatie die zij ingevolge het recht, het fondsreglement of statuten beschikbaar moet houden, beschikbaar voor de feeder-icbe of, indien van toepassing, haar beheerder, en voor de Autoriteit Financiële Markten, de bewaarder en de accountant van de feeder-icbe.
Artikel 147o
Een master-icbe brengt geen inschrijvingskosten of inkoopkosten in rekening voor het deelnemen van een feeder-icbe in haar rechten van deelneming of voor de vervreemding daarvan.
1.
Uiterlijk twee maanden na de datum van de bekendmaking van een voornemen tot liquidatie van de master-icbe als bedoeld in artikel 4:61a, eerste lid, van de wet, zendt de feeder-icbe de volgende gegevens aan de Autoriteit Financiële Markten:
a. indien de feeder-icbe voornemens is ten minste 85 procent van haar beheerd vermogen te beleggen in rechten van deelneming in een andere master-icbe:
1°. een aanvraag van instemming voor het beleggen in rechten van deelneming in een andere master-icbe;
2°. een aanvraag van instemming met de voorgestelde wijzigingen van het fondsreglement of statuten;
3°. de wijzigingen van het prospectus en de essentiële beleggersinformatie; en
b. indien de feeder-icbe voornemens is zich om te zetten in een icbe, niet zijnde een feeder-icbe:
1°. een aanvraag van instemming met de voorgestelde wijzigingen van het fondsreglement of de statuten; en
2°. de wijzigingen van het prospectus en de essentiële beleggersinformatie;
c. indien de feeder-icbe voornemens is om tot liquidatie over te gaan, een kennisgeving van dat voornemen.
2.
In afwijking van het eerste lid, zendt de feeder-icbe de gegevens, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk binnen drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de voorgenomen liquidatie van de master-icbe aan de Autoriteit Financiële Markten, indien de master-icbe de bekendmaking van het voornemen tot liquidatie meer dan vijf maanden voor de datum van de aanvang van de liquidatie aan de feeder-icbe heeft bekendgemaakt.
3.
De feeder-icbe informeert haar deelnemers onverwijld over een voornemen tot liquidatie van de feeder-icbe.
1.
De Autoriteit Financiële Markten neemt binnen vijftien werkdagen na ontvangst van alle gegevens een besluit op een aanvraag van instemming als bedoeld in artikel 147p, eerste lid, onderdeel a of b.
2.
De feeder-icbe informeert de master-icbe over een besluit van de Autoriteit Financiële Markten als bedoeld in het eerste lid.
3.
De feeder-icbe neemt na ontvangst van de instemming, bedoeld in artikel 147p, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, zo spoedig mogelijk maatregelen om aan het bepaalde in artikel 147f te voldoen.
4.
Uitbetaling van liquidatieopbrengsten van de master-icbe aan de feeder-icbe die plaatsvindt voorafgaand aan de datum waarop de feeder-icbe haar beleggingsbeleid overeenkomstig artikel 147p, eerste lid, onderdeel a of b, wijzigt, behoeft instemming van de Autoriteit Financiële Markten. De Autoriteit Financiële Markten stemt in met de uitbetaling indien:
a. de feeder-icbe de uitbetaling van de liquidatieopbrengsten ontvangt:
1°. in contanten; of
2°. in de vorm van een gehele of gedeeltelijke overdracht van activa in natura, indien de feeder-icbe dit wenst en voor zover de overeenkomst tot uitwisseling van informatie, bedoeld in artikel 147b, eerste lid, onderscheidenlijk de bedrijfsvoeringsregels, bedoeld in artikel 147b, vierde lid, en het besluit tot liquidatie daarin voorzien; en
b. de feeder-icbe de contanten uitsluitend herbelegd met het oog op een efficiënt contantenbeheer.
5.
De feeder-icbe heeft het recht de overgedragen activa in natura geheel of gedeeltelijk te verzilveren.
1.
Binnen een maand nadat een feeder-icbe informatie met betrekking tot een voorgenomen fusie of splitsing van de master-icbe als bedoeld in artikel 4:61b, derde lid, van de wet heeft ontvangen, zendt de feeder-icbe de volgende gegevens aan de Autoriteit Financiële Markten:
a. indien de feeder-icbe voornemens is ten minste 85 procent van haar activa te beleggen in rechten van deelneming van dezelfde master-icbe:
1°. een aanvraag van instemming met het beleggen in rechten van deelneming in dezelfde master-icbe;
2°. indien van toepassing, een aanvraag van instemming met de voorgestelde wijzigingen van het fondsreglement of statuten; en
3°. indien van toepassing, de wijzigingen van het prospectus en de essentiële beleggersinformatie;
b. indien de feeder-icbe voornemens is ten minste 85 procent van haar activa te beleggen in rechten van deelneming van een andere master-icbe:
1°. een aanvraag van instemming met het beleggen in rechten van deelneming in de desbetreffende master-icbe;
2°. een aanvraag van instemming met de voorgestelde wijzigingen van het fondsreglement of statuten;
3°. de wijzigingen van het prospectus en de essentiële beleggersinformatie; en
c. indien de feeder-icbe voornemens is zich om te zetten in een icbe, niet zijnde een feeder-icbe:
1°. een aanvraag van instemming met de voorgestelde wijzigingen van het fondsreglement of de statuten; en
2°. de wijzigingen van het prospectus en de essentiële beleggersinformatie;
d. indien de feeder-icbe voornemens is om tot liquidatie over te gaan een kennisgeving van dat voornemen.
2.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is van toepassing indien:
a. de master-icbe de verkrijgende master-icbe is bij een voorgenomen fusie; en
b. de feeder-icbe een deelnemer wordt van een uit een splitsing voortkomende icbe die materieel niet afwijkt van de master-icbe.
3.
Het onder het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is van toepassing indien:
a. de master-icbe de verdwijnende icbe is en de feeder-icbe door de voorgenomen fusie een deelnemer wordt van de verkrijgende icbe; en
b. de feeder-icbe een deelnemer wordt van een uit een splitsing voortkomende icbe die materieel afwijkt van de master-icbe.
4.
In afwijking van het eerste lid zendt de feeder-icbe de gegevens, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk drie maanden voor de beoogde ingangsdatum van de fusie of splitsing van de master-icbe aan de Autoriteit Financiële Markten, indien de master-icbe de informatie, bedoeld in artikel 4:61b, derde lid, van de wet, meer dan vier maanden voor de beoogde ingangsdatum van de fusie of splitsing aan de feeder-icbe heeft verstrekt.
5.
De feeder-icbe informeert haar deelnemers en de master-icbe onverwijld over haar voornemen tot liquidatie.
1.
De Autoriteit Financiële Markten neemt binnen vijftien werkdagen na ontvangst van alle gegevens, een besluit op een aanvraag van instemming als bedoeld in artikel 147r, eerste lid, onderdeel a, b of c.
2.
De feeder-icbe informeert de master-icbe over een besluit van de Autoriteit Financiële Markten als bedoeld in het eerste lid.
3.
De feeder-icbe neemt na ontvangst van de instemming op een aanvraag, als bedoeld in artikel 147r, eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, zo spoedig mogelijk de maatregelen om aan het bepaalde in artikel 147f te voldoen.
4.
Indien de Autoriteit Financiële Markten nog geen besluit heeft genomen op een aanvraag van instemming als bedoeld in artikel 147r, eerste lid, onderdeel b of c, biedt de feeder-icbe haar rechten van deelneming in de master-icbe ter inkoop of terugbetaling aan op grond van de artikelen 4:61b, tweede lid, en 4:62h van de wet, op de werkdag voorafgaand aan de laatste dag waarop de feeder-icbe haar rechten van deelneming in de master-icbe ter inkoop of terugbetaling kan aanbieden.
5.
De feeder-icbe biedt haar rechten van deelneming in de master-icbe op grond van het vierde lid tevens aan om te zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan het recht van haar deelnemers, bedoeld in artikel 147f, eerste lid, onderdeel d.
6.
Alvorens de feeder-icbe haar rechten van deelneming in een master-icbe op grond van het vierde lid ter inkoop of terugbetaling aanbiedt, onderzoekt zij alternatieve oplossingen die kunnen bijdragen de transactiekosten of andere negatieve effecten voor haar eigen deelnemers te vermijden of te verminderen.
7.
De feeder-icbe ontvangt opbrengsten van de inkoop of terugbetaling van haar rechten van deelneming in de master-icbe:
a. in contanten; of
b. in de vorm van een gehele of gedeeltelijk overdracht van activa in natura, indien de feeder-icbe dit wenst en de overeenkomst tot uitwisseling van informatie, bedoeld in artikel 147b, eerste lid, onderscheidenlijk de bedrijfsvoeringsregels, bedoeld in artikel 147b, vierde lid, daarin voorzien.
8.
De feeder-icbe heeft het recht de overgedragen activa in natura geheel of gedeeltelijk te verzilveren.
9.
De Autoriteit Financiële Markten stemt in met het herbeleggen van contanten als bedoeld in het zevende lid voorafgaand aan de datum waarop de feeder-icbe in de nieuwe master-icbe of in overeenstemming met haar nieuwe beleggingsdoelstellingen en beleggingsbeleid zal gaan beleggen, indien de feeder-icbe uitsluitend herbelegd met het oog op een efficiënt contantenbeheer.
1.
De bij de kennisgeving van de voorgenomen fusie te verstrekken gegevens, bedoeld in artikel 4:62b, derde lid, van de wet zijn:
a. het door de betrokken icbe's goedgekeurde gemeenschappelijk fusievoorstel;
b. een actuele versie van het prospectus en de essentiële beleggersinformatie van de verkrijgende icbe indien deze haar zetel heeft in een andere lidstaat;
c. een verklaring van elk van de betrokken bewaarders van de icbe's waarin wordt bevestigd dat de in artikel 147u, onderdelen a, f en g, bedoelde gegevens in overeenstemming zijn met het fondsreglement of de statuten van de desbetreffende icbe; en
d. de informatie over de voorgenomen fusie die de betrokken icbe's aan hun deelnemers voornemens zijn te verstrekken.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de Nederlandse taal en, indien van toepassing, de officiële taal van de lidstaat van de zetel van de verkrijgende icbe of in een andere taal die door de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de betrokken lidstaat is goedgekeurd.
Artikel 147u
Het gemeenschappelijk fusievoorstel, bedoeld in artikel 4:62e, eerste lid, van de wet, bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. het soort fusie en de betrokken icbe's;
b. de achtergrond en redenen van de voorgenomen fusie;
c. de verwachte gevolgen van de voorgenomen fusie voor de deelnemers van zowel de verdwijnende icbe als de verkrijgende icbe;
d. de criteria die zijn vastgesteld voor de waardering van de activa, en indien van toepassing, de passiva;
e. de berekeningsmethode voor de ruilverhouding;
f. de beoogde ingangsdatum van de fusie;
g. de regels die van toepassing zijn op de overdracht van activa, respectievelijk het omruilen van de rechten van deelneming in de verdwijnende icbe tegen rechten van deelneming in de verkrijgende icbe; en
h. in geval van een nieuw op te richten icbe het fondsreglement of de statuten van die icbe.
Artikel 147v
Een bewaarder van een verdwijnende icbe en de bewaarder van een verkrijgende icbe gaat na of de in het gemeenschappelijk fusievoorstel opgenomen gegevens, bedoeld in artikel 147u, onderdelen a, f en g, in overeenstemming zijn met hetgeen ingevolge de wet is bepaald en met het fondsreglement of de statuten van de desbetreffende icbe.
1.
De te verstrekken informatie over de voorgenomen fusie aan de deelnemers van de betrokken icbe's, bedoeld in artikel 4:62g, vierde lid, van de wetis beknopt en in niet-technische bewoordingen opgesteld en omvat in ieder geval:
a. de achtergrond en redenen van de voorgenomen fusie;
b. de verwachte gevolgen van de voorgenomen fusie voor de deelnemers, waaronder in elk geval de wezenlijke verschillen in beleggingsbeleid en beleggingsstrategie, de kosten, de verwachte resultaten, periodieke rapportage en mogelijke verwatering van de resultaten;
c. de eventuele fiscale consequenties van de fusie;
d. de bijzondere rechten van de deelnemers, waaronder in elk geval het recht op aanvullende informatie, het recht op een afschrift van het verslag van de accountant indien daarom wordt verzocht, het recht op het laten inkopen of laten terugbetalen van rechten van deelneming of zo mogelijk laten omzetten van hun rechten van deelneming in een andere icbe en tot welke datum de bijzondere rechten kunnen worden uitgeoefend;
e. de relevante procedurele aspecten en de beoogde ingangsdatum van de fusie; en
f. een afschrift van de actuele essentiële beleggersinformatie van de verkrijgende icbe.
2.
De essentiële beleggersinformatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt aan de deelnemers van de verdwijnende icbe verstrekt en wordt tevens aan de deelnemers van de verkrijgende icbe verstrekt indien de essentiële beleggersinformatie is gewijzigd met het oog op de voorgenomen fusie.
3.
Indien aan het begin van het document met informatie over de voorgenomen fusie een samenvatting van de hoofdpunten van het fusievoorstel wordt verstrekt, wordt verwezen naar de delen van het document waar nadere informatie over die hoofdpunten is opgenomen.
4.
Artikel 147f, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van informatie over de voorgenomen fusie, bedoeld in het eerste lid.
1.
De te verstrekken informatie, bedoeldin artikel 147w, eerste lid, onderdeel b, aan de deelnemers van de verdwijnende icbe omvat:
a. alle verschillen in de rechten van de deelnemers van de verdwijnende icbe voordat en nadat de voorgenomen fusie van kracht wordt;
b. een vergelijking van de verschillen in risico-indicatoren indien in de essentiële beleggersinformatie van de verdwijnende icbe en de verkrijgende icbe risico-indicatoren in verschillende categorieën worden beschreven of in de begeleidende beschrijving op verschillende materiële risico’s wordt gewezen;
c. een vergelijking van de kosten voor beide icbe’s op basis van de in de essentiële beleggersinformatie bekendgemaakte bedragen;
d. indien de verdwijnende icbe een prestatievergoeding toepast, een toelichting op welke wijze deze zal worden toegepast totdat de fusie ingaat;
e. indien de verkrijgende icbe een prestatievergoeding toepast, een beschrijving op welke wijze deze verder zal worden toegepast om de eerlijke behandeling te waarborgen van de deelnemers die voorheen rechten van deelneming in de verdwijnende icbe bezaten;
f. indien kosten in verband met de voorbereiding en afronding van de fusie bij de verdwijnende of verkrijgende icbe of bij een van de deelnemers ervan in rekening kunnen worden gebracht, een beschrijving hoe deze kosten worden toegewezen; en
g. een toelichting of de beheerder van de verdwijnende icbe voornemens is een herschikking van de portefeuille door te voeren voordat de fusie van kracht wordt.
2.
De aan de deelnemers van de verkrijgende icbe te verstrekken informatie, bedoeld in artikel 147w, eerste lid, onderdeel b, omvat tevens een toelichting of de beheerder van de verkrijgende icbe verwacht dat de fusie enig materieel effect op de portefeuille van de verkrijgende icbe zal hebben en of het voornemen bestaat een herschikking van de portefeuille door te voeren voordat of nadat de fusie ingaat.
1.
De te verstrekken informatie aan de deelnemers, bedoeldin artikel 147w, eerste lid, onderdeel d,omvat:
a. informatie over hoe zal worden omgegaan met alle nog te ontvangen inkomsten in de icbe's; en
b. informatie op welke wijze het verslag van de accountant, bedoeld in artikel 4:62f, tweede lid, van de wet, kan worden verkregen.
2.
Indien het gemeenschappelijk fusievoorstel een bepaling omvat betreffende een bijbetaling als bedoeld in artikel 4:62a, onderdeel a of b, wordt informatie verstrekt over de bijbetaling en onder meer over wanneer en op welke wijze deelnemers van de verdwijnende icbe de bijbetaling zullen ontvangen.
1.
De te verstrekken informatie aan de deelnemers, bedoeld in artikel 147w, eerste lid, onderdeel e, omvat:
a. indien van toepassing de procedure op grond waarvan de algemene vergadering zal worden gevraagd een besluit tot fusie te nemen en op welke wijze de deelnemers over het resultaat zullen worden geïnformeerd;
b. nadere informatie over een voorgenomen opschorting van de verhandeling van rechten van deelneming; en
c. informatie over wanneer de fusie van kracht zal worden.
2.
Indien op grond van artikel 317 of 330 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een besluit tot fusie wordt genomen door de algemene vergadering, bevat de informatie aan de deelnemers een aanbeveling van de beheerder of van degenen die het dagelijks beleid bepalen van de maatschappij voor collectieve belegging in effecten zonder aparte beheerder.
Artikel 147aa
Onverminderd de artikelen 147w, 147x, eerste lid, 147y en 147z omvat de te verstrekken informatie over de voorgenomen fusie aan de deelnemers van de verdwijnende icbe tevens:
a. de termijn waarbinnen het inschrijven op of vragen om terugbetaling van rechten van deelneming in de verdwijnende icbe mogelijk blijft;
b. de termijn waarbinnen de deelnemers, die niet binnen de termijn gebruik hebben gemaakt van hun rechten op grond van artikel 4:62h, van de wet, hun rechten als deelnemer van de verkrijgende icbe kunnen uitoefenen; en
c. een toelichting dat indien een besluit tot fusie dient te worden genomen door de algemene vergadering van de verdwijnende icbe op grond van artikel 317 of 330van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboeken het fusiebesluit met de vereiste meerderheid is genomen, de deelnemers die niet hebben gestemd, tegen het fusievoorstel hebben gestemd, of niet binnen de termijn gebruik hebben gemaakt van hun rechten op grond van artikel 4:62h, van de wet, deelnemers worden van de verkrijgende icbe.
1.
De aan de deelnemers van de verdwijnende icbe te verstrekken informatie over de voorgenomen fusie voldoet aan de behoeften van de deelnemers die geen voorafgaande kennis over de kenmerken en de bedrijfsvoering van de verkrijgende icbe hebben. De verdwijnende icbe wijst haar deelnemers op de essentiële beleggersinformatie van de verkrijgende icbe en benadrukt de wenselijkheid om die te lezen.
2.
De aan de deelnemers van de verkrijgende icbe te verstrekken informatie spitst zich toe op de voorgenomen fusie en de potentiële gevolgen daarvan voor de verkrijgende icbe.
3.
Bij een voorgenomen grensoverschrijdende fusie licht de icbe met zetel in Nederland in begrijpelijke taal alle termen en procedures betreffende de andere icbe toe die verschillen van die welke in Nederland worden gebruikt.
Artikel 147cc
Indien de informatie over de voorgenomen fusie, bedoeld in artikel 147w, aan de deelnemers van de betrokken icbe's is verstrekt, wordt dezelfde informatie verstrekt tot de dag waarop de fusie van kracht wordt aan een ieder die rechten van deelneming in de verdwijnende of verkrijgende icbe aankoopt of daarop inschrijft of verzoekt om het fondsreglement of de statuten, het prospectus of essentiële beleggersinformatie van een van de betrokken icbe's.
Artikel 147dd
Indien de beheerder van een verdwijnende icbe of een verkrijgende icbe op grond van de artikelen 2:123 en 2:124a van de wet rechten van deelneming in een door hem beheerde icbe aanbiedt in een andere lidstaat verstrekt de desbetreffende icbe de informatie, bedoeld in artikel 147w, aan haar deelnemers in de officiële taal van die andere lidstaat of in een door de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat goedgekeurde taal.
1.
De aanstelling van een schade-afhandelaar als bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e, van de wet wordt niet beëindigd, tenzij de beëindiging gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger.
2.
De schadeverzekeraar meldt de beëindiging van de aanstelling van de schade-afhandelaar binnen twee weken aan de Autoriteit Financiële Markten, onder overlegging van de akte van aanstelling van de opvolger van de schade-afhandelaar, waaruit diens naam, adres en bevoegdheden blijken.
1.
De schade-afhandelaar houdt van rechtswege op schade-afhandelaar te zijn vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling.
2.
De schadeverzekeraar meldt het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de schade-afhandelaar binnen twee weken aan de Autoriteit Financiële Markten, onder overlegging van de akte van aanstelling van de opvolger van de schade-afhandelaar met ingang van de dag van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling. Uit de akte van aanstelling blijken de naam, het adres en de bevoegdheden van de opvolger van de schade-afhandelaar.
a. overeenkomsten inzake krediet waarvoor bij het aangaan hypothecaire zekerheid wordt verleend of inzake krediet waarvoor reeds hypothecaire zekerheid bestaat, indien het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire kredieten van de betrokken aanbieder gebruikelijk jaarlijks kostenpercentage;
b. overeenkomsten inzake krediet, voorzover het krediet wordt aangeboden tegen onderpand van effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, van welk krediet het totale kredietbedrag gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan zeventig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel a van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, dan wel niet hoger is dan tachtig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, en:
1°. die effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt; of
2°. de waarde van die effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
1.
De artikelen 154 tot en met 158 zijn uitsluitend van toepassing op het verlenen van financiële diensten met betrekking tot consumptief krediet.
2.
Het in deze afdeling bepaalde met betrekking tot de verhouding tussen een aanbieder en een bemiddelaar is van overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen een bemiddelaar en een onderbemiddelaar.
Artikel 154
Een bemiddelaar heeft slechts aanspraak op provisie ter zake van tot stand gekomen overeenkomsten.
1.
Een bemiddelaar heeft alleen per maand gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet welke door zijn bemiddeling tot stand is gekomen aanspraak op provisie ten bedrage van een percentage van het uitstaand saldo ter zake van die overeenkomst, zoals dat saldo luidt op de laatste dag van de desbetreffende maand.
2.
De aanbieder en bemiddelaar kunnen het ter zake van de bemiddeling overeengekomen provisiepercentage, met uitzondering van het provisiepercentage voor reeds tot stand gekomen overeenkomsten inzake krediet, niet zijnde doorlopend krediet, wijzigen, met dien verstande dat:
a. een percentage telkens voor een aaneengesloten tijdvak van ten minste een maand wordt overeengekomen; en
b. ten aanzien van reeds tot stand gekomen overeenkomsten het percentage telkens eerst na 24 maanden kan worden gewijzigd uitsluitend in het percentage dat tussen de aanbieder en de bemiddelaar voor nieuw af te sluiten overeenkomsten geldt op het tijdstip waarop de wijziging plaatsvindt.
Artikel 156
Een bemiddelaar heeft over de periode waarin een consument ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, geen aanspraak op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst.
1.
Met ingang van het tijdstip waarop een aanbieder het door een consument verschuldigde vervroegd opeist in een geval als bedoeld in artikel 33, aanhef en onderdeel c, van de Wet op het consumentenkrediet, heeft de bemiddelaar geen aanspraak meer op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst.
2.
Met ingang van het tijdstip waarop een overeenkomst van rechtswege wordt ontbonden op grond van artikel 41, derde lid, van de Wet op het consumentenkrediet, heeft de bemiddelaar geen aanspraak meer op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst, met dien verstande dat indien de ontbinding ongedaan wordt gemaakt op grond van artikel 42, tweede lid, van de Wet op het consumentenkrediet, hij weer aanspraak heeft opprovisie over de periode gerekend vanaf het tijdstip waarop de ontbinding ongedaan is gemaakt.
1.
Een bemiddelaar krijgt geen provisie uitbetaald indien hij uit hoofde van dit besluit geen aanspraak heeft op provisie.
2.
Provisie wordt uitsluitend betaald in giraal geld.
1.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in artikel 4:75, eerste lid, van de wet, dekt de aansprakelijkheid van de bemiddelaar wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is.
2.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gesloten bij:
a. een financiële onderneming die voor het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft voor de branche Algemene aansprakelijkheid; of
b. een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat die als schadeverzekeraar haar bedrijf mag uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
1.
Onder een vergelijkbare voorziening als bedoeld in artikel 4:75, eerste lid, van de wet wordt verstaan een onvoorwaardelijke garantstelling voor alle verplichtingen voortvloeiend uit aansprakelijkheid van de bemiddelaar wegens fouten, verzuimen of nalatigheden, begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is.
2.
De onvoorwaardelijke garantstelling wordt verstrekt door:
a. een financiële onderneming die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft;
b. een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat die als bank haar bedrijf mag uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland; of
c. een bank met zetel in de Verenigde Staten van Amerika, Japan, Australië, Canada of Zwitserland die in de staat van haar zetel onder toezicht staat.
Artikel 161
De artikelen 159 en 160 zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de vergelijkbare voorziening, bedoeld in artikel 4:76, eerste lid, van de wet.
1.
De deelnemingscriteria van een afwikkelonderneming zijn erop gericht de veiligheid en efficiëntie voor de afwikkelonderneming en haar deelnemers te waarborgen.
2.
Een afwikkelonderneming ziet op permanente basis toe op de naleving van haar criteria voor deelneming.
3.
Een afwikkelonderneming heeft openbare procedures op grond waarvan de deelneming kan worden geschorst of beëindigd indien niet meer aan de deelnemingscriteria wordt voldaan.
Artikel 161b
Ten behoeve van het tijdig en efficiënt verlenen van diensten, bedoeld in artikel 4:76b van de wet, heeft een afwikkelonderneming duidelijk omschreven doelen die meetbaar en haalbaar zijn met betrekking tot een minimaal dienstenniveau, risicobeheersingsverwachtingen en zakelijke prioriteiten.
Artikel 161c
De afwikkelonderneming maakt gebruik van communicatieprocedures die een effectieve communicatie van informatie van de afwikkelonderneming en haar deelnemers mogelijk maken met behulp van gestandaardiseerde berichtverzending.
Artikel 161d
Het inzicht, bedoeld in artikel 4:76d, eerste lid, van de wet dat een afwikkelonderneming biedt in de financiële risico’s en de kosten die zijn verbonden aan afwikkeldiensten, heeft betrekking op tarieven en basisgegevens over transactievolumes- en waarden en omvat een beschrijving van het gebruikte systeem.
Artikel 161e
De Autoriteit Financiële Markten kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de toegang en de criteria voor deelneming op basis van risicogerelateerde eisen, de communicatieprocedures, de doelen die een afwikkelonderneming heeft ten behoeve van het tijdig en efficiënt verlenen van diensten, de communicatieprocedures en het inzicht dat een afwikkelonderneming biedt in de financiële risico’s en de kosten die zijn verbonden aan afwikkeldiensten.
1.
Een clearinginstelling stelt een cliënt na afloop van elke handelsdag schriftelijk of langs elektronische weg in kennis van de aantallen en waarden van de financiële instrumenten die op zijn naam staan.
2.
Indien de waarde van de verplichtingen worden berekend overeenkomstig tussen de clearinginstelling en een cliënt overeengekomen parameters en de waarde van de financiële instrumenten van de cliënt onvoldoende dekking bieden ten opzichte van de door de cliënt aangegane verplichtingen, stelt de clearinginstelling de cliënt daar onverwijld van in kennis.