Besluit van 20 oktober 2006 tot ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende regels ter uitvoering van de Wet geluidhinder (Besluit geluidhinder)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 november 2005, nr. DJZ2005205709, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 1, 47, 64, 82, tweede lid, 85, eerste lid, 89, tweede lid, 90, derde en vierde lid, 100b, 104, 105, 107, 110a, derde en vierde lid, 110c, derde lid, 113, 114, 114a, tweede lid, en 174 van de Wet geluidhinder;
De Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2006, no. W08.05.0544/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 oktober 2006, nr. DJZ2006310259, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) met betrekking tot een spoorweg: hoogste van de volgende drie waarden:
1. waarde van het equivalente geluidsniveau over de periode 07.00–19.00 uur (dag),
2. met 5 dB(A) verhoogde waarde van het equivalente geluidsniveau over de periode 19.00–23.00 uur (avond),
3. met 10 dB(A) verhoogde waarde van het equivalente geluidsniveau over de periode 23.00–07.00 uur (nacht);
b. saneringsprogramma: programma van maatregelen als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid;
c. spoorwegexploitant: beheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, beheerder als bedoeld in de artikel 1 van de Wet lokaal spoor, spoorwegbeheerder als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bijzondere spoorwegen, dan wel de opdrachtgever tot aanleg, wijziging of vervanging van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg als bedoeld artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, of een lokale spoorweg als bedoeld in artikel 1 van de Wet lokaal spoor;
d. verblijfsruimten:
1°. leslokalen en theorielokalen van onderwijsgebouwen;
2°. onderzoeks- en behandelingsruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen;
3°. onderzoeks-, behandelings-, recreatie-, en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven;
4°. theorievaklokalen van onderwijsgebouwen;
5°. ruimten voor patiëntenhuisvesting, alsmede recreatie- en conversatieruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen;
e. wet: Wet geluidhinder ;
f. wijziging van een spoorweg: wijziging met betrekking tot een aanwezige spoorweg, die verandering brengt in de omstandigheden welke ingevolge de regels die gelden bij de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege die spoorweg in acht genomen moeten worden en waarvan uit akoestisch onderzoek blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen hoger zal zijn dan 63 dB of, indien die berekende geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar 63 dB of lager zal zijn maar hoger dan een in dit besluit aangegeven geluidsbelasting, uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting voorafgaand aan de wijziging zal toenemen met ten minste 3 dB.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, wordt onder wijziging van een spoorweg in dit besluit en de daarop berustende bepalingen niet verstaan de afzonderlijke omstandigheid die bestaat uit:
a. een wijziging van de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beiden in het toekomstig maatgevende jaar van door Onze Minister te bepalen categorieën spoorvoertuigen op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten als gevolg waarvan de geluidemissie van de betreffende spoorgedeelten of de combinatie daarvan onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van de gemiddelde geluidemissie, bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, van de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
b. een horizontale verplaatsing van de spoorstaven over een afstand kleiner dan twee meter;
c. een verticale verplaatsing van de spoorstaven over een afstand kleiner dan één meter, dan wel
d. het ter vervanging aanbrengen van een baanconstructie, die, bepaald met inachtneming van artikel 4.8, niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie.
1.
Als ander geluidsgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1 van de wet worden aangewezen:
a. een onderwijsgebouw;
b. een ziekenhuis;
c. een verpleeghuis;
d. een verzorgingstehuis;
e. een psychiatrische inrichting;
f. een kinderdagverblijf.
2.
De aanwijzing als ander geluidsgevoelig gebouw in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, geldt niet voor de delen van een gebouw die een andere bestemming hebben dan genoemd in artikel 1.1, onderdeel d.
3.
Als geluidsgevoelig terrein als bedoeld in artikel 1 van de wet worden aangewezen:
a. een standplaats als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de huurtoeslag, en
b. een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen.
4.
In afwijking van het derde lid wordt, indien het bij koninklijke boodschap van 7 december 2009 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van geluidproductieplafonds en de overheveling van hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder naar de Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds) tot wet wordt verheven en in werking treedt, een ligplaats in het water, die op de datum van inwerkingtreding van dat wetsvoorstel in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een woonschip te worden ingenomen, voor de eerste toepassing na die datum van de artikelen 59, 76, 76a en 77 van de wet en van artikel 4.1 niet aangemerkt als geluidsgevoelig terrein.
5.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, wordt een kinderdagverblijf voor de toepassing van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedurende drie jaar na inwerkingtreding van dat lid niet aangemerkt als ander geluidsgevoelig gebouw.
6.
In afwijking van het derde lid, onderdeel b, wordt een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen, voor de toepassing van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedurende drie jaar na inwerkingtreding van dat lid niet aangemerkt als geluidsgevoelig terrein.
7.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, wordt een kinderdagverblijf, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dat onderdeel als zodanig is bestemd en is gelegen binnen de bestaande zone van een industrieterrein, voor de toepassing van artikel 2.14, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedurende drie jaar na inwerkingtreding van dat onderdeel niet aangemerkt als ander geluidsgevoelig gebouw.
8.
In afwijking van het derde lid, onderdeel b, worden een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dat onderdeel als zodanig is bestemd en is gelegen binnen de bestaande zone van een industrieterrein, alsmede een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen, die op dat tijdstip in een gemeentelijke verordening was aangewezen om door een woonschip te worden ingenomen en na dat tijdstip als zodanig is bestemd en is gelegen binnen de bestaande zone van een industrieterrein, voor de toepassing van artikel 2.14, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet aangemerkt als geluidsgevoelig terrein tot het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 16 juni 2014 ingediende voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) tot wet wordt verheven en in werking treedt.
Artikel 1.3
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen worden de volgende gebouwen niet aangemerkt als woning als bedoeld in artikel 1 van de wet:
a. een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Penitentiaire inrichtingenwet;
b. een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
c. een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 37d, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
1.
Een spoorweg die is aangegeven op de kaart, bedoeld in artikel 106 van de wet, heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte aan weerszijden van de spoorweg, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf, als aangegeven op die kaart.
2.
De ruimte boven en onder de spoorweg behoort tot de zone, bedoeld in het eerste lid.
1.
Een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart, heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf, als aangegeven in onderstaande tabel, afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond op het betrokken referentiepunt.
2.
Indien zich langs een spoorweg als bedoeld in het eerste lid een zone bevindt met verschillende breedten, geldt voor de aansluiting van de verschillende zonedelen dat het breedste zonedeel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat zonedeel, gemeten vanaf het laatste referentiepunt, behorende bij het breedste zonedeel, nog langs de spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op de smallere zone.
3.
Aan de uiteinden van een spoorweg als bedoeld in het eerste lid loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de spoorweg. De zone loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de spooras. Zij behoudt de breedte die zij had ter hoogte van het einde van de spoorweg.
4.
Indien bij een deel van een spoorweg als bedoeld in het eerste lid een afschermende voorziening staat, die is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 11.25 van de Wet milieubeheer, is de breedte van de zone langs het deel en aan de kant van de spoorweg waar de voorziening staat, in afwijking van het eerste lid gelijk aan de breedte van het breedste zonedeel direct naast de uiteinden van de afschermende voorziening.
5.
De ruimte onder en boven de spoorweg behoort tot de zone, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1.5
Indien artikel 110f van de wet van toepassing is, geeft het bevoegd gezag slechts toepassing aan de artikelen 110a, 110b en 110c van de wet voorzover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f van de wet niet leiden tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.
1.
Bij de bepaling van de geluidsbelasting vanwege een industrieterrein, vanwege een weg of vanwege een spoorweg, van de gevel van onderwijsgebouwen en kinderdagverblijven wordt de waarde van de geluidsbelasting over de periode 19.00–23.00 uur (avond) of de periode 23.00–07.00 uur (nacht) buiten beschouwing gelaten, voor zover deze gebouwen in de betrokken periode niet overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt.
2.
De geluidsbelasting L night vanwege een industrieterrein, vanwege een weg of vanwege een spoorweg is niet van toepassing ten aanzien van de gevel van onderwijsgebouwen en kinderdagverblijven, voor zover deze gebouwen in de betrokken periode niet overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt.
Artikel 2.1
Behoudens de artikelen 65 en 66 van de wet en artikel 2.2 is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van dat industrieterrein en aan de grens van binnen de zone van dat industrieterrein gelegen geluidsgevoelige terreinen 50 dB(A).
Artikel 2.2
Een krachtens de artikelen 47, tweede lid, 54 of 59 van de wet vast te stellen hogere waarde dan de in artikel 2.1 genoemde waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, mag niet hoger worden vastgesteld dan:
a. 60 dB(A) voor onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen;
b. 55 dB(A) voor verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven;
c. 55 dB(A) voor geluidsgevoelige terreinen.
Artikel 2.3
De artikelen 62 en 63 van de wet zijn met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met overeenkomstige toepassing van artikel 63, tweede lid, van de wet door Onze Minister vast te stellen ten hoogste toelaatbare waarde voor de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, niet hoger mag worden vastgesteld dan:
a. 65 dB(A) voor onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen, en
b. 60 dB(A) voor verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven.
Artikel 2.4
Indien door de toepassing van de artikelen 47, tweede lid, 54, 59, 65 of 66 van de wet voor de gevel van één of meer in aanbouw zijnde of aanwezige gebouwen binnen een zone rond een industrieterrein een hogere geluidsbelasting dan 50 dB(A) als toelaatbaar is aangemerkt, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevel maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein,
a. binnen de verblijfsruimten, genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 1° tot en met 3°, 30 dB(A) niet te boven zal gaan, en
b. binnen de verblijfsruimten, genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 4° en 5°, 35 dB(A) niet te boven zal gaan.
Artikel 2.5
Artikel 111b, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet is met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met overeenkomstige toepassing van artikel 111b, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet door burgemeester en wethouders te treffen maatregelen bevorderen, dat de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein,
a. binnen de verblijfsruimten, genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 1° tot en met 3°, 35 dB(A) niet te boven zal gaan, en
b. binnen de verblijfsruimten, genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 4° en 5°, 40 dB(A) niet te boven zal gaan.
1.
In geval van aanleg van een weg is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege die weg, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van die weg, 48 dB.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op nog niet aanwezige andere geluidgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, indien deze worden geprojecteerd binnen de zone van een weg.
1.
Een krachtens artikel 85 van de wet vast te stellen hogere waarde dan de in artikel 3.1 genoemde waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, mag niet hoger worden vastgesteld dan:
a. 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in buitenstedelijk gebied;
b. 63 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in stedelijk gebied;
c. 53 dB voor geluidsgevoelige terreinen.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op nog niet aanwezige andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen indien deze worden geprojecteerd binnen de zone van een weg, met dien verstande dat de waarde niet hoger mag worden vastgesteld dan 53 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in buitenstedelijk gebied.
1.
Behoudens het tweede en derde lid is in geval van reconstructie van een weg de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege die weg, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van die weg 48 dB.
2.
Indien eerder bij of krachtens de wet , de Experimentenwet Stad en Milieu , de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van die weg, is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare:
a. de heersende waarde;
b. de eerder vastgestelde waarde.
3.
Indien de weg op 1 januari 2007 aanwezig, in aanleg of geprojecteerd was en niet eerder een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege die weg is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd waren de heersende waarde.
4.
Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing aan de grens van geluidsgevoelige terreinen.
1.
Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen kan een hogere dan de ingevolge artikel 3.3, eerste tot en met derde lid, geldende waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan.
2.
Indien voor het betrokken andere geluidsgevoelige gebouw eerder bij of krachtens de wet een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is vastgesteld of indien de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan:
1°. 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in buitenstedelijk gebied;
2°. 63 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in stedelijk gebied.
3.
Voor andere dan de in het tweede lid bedoelde andere geluidsgevoelige gebouwen wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan 68 dB.
4.
In afwijking van het tweede en derde lid wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde voor andere geluidsgevoelige gebouwen met betrekking waartoe eerder bij of krachtens de wet , de Experimentenwet Stad en Milieu , de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding een hogere waarde is vastgesteld dan de krachtens het eerste tot en met derde lid ten hoogste toelaatbare waarde, niet hoger vastgesteld dan die eerder vastgestelde waarde.
5.
Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, kan een hogere dan de ingevolge artikel 3.3, vierde juncto eerste tot en met derde lid, geldende waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat:
a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, en
b. de waarde niet hoger mag worden vastgesteld dan 53 dB.
1.
Onze Minister kan voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, van de gevels van woningen binnen de zone van die weg een hogere dan de in artikel 90, tweede lid, van de wet genoemde waarde vaststellen in gevallen waarin toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting tot die waarde, onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
2.
Onze Minister kan voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, van de gevels van woningen binnen de zone van die weg een hogere dan de in artikel 90, derde lid, van de wet genoemde waarde vaststellen, in gevallen waarin:
a. toepassing van maatregelen die strekken tot vermindering van het geluid, veroorzaakt door het verkeer op de weg niet mogelijk is;
b. toepassing van maatregelen die strekken tot vermindering van de geluidsoverdracht van de weg naar de betrokken woningen niet mogelijk is of duurder zal zijn dan de maximale bijdrage die volgens bijlage A, tabellen 3 en 4, van de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai voor een woning mogelijk is;
c. het onttrekken aan de bestemming van de betrokken woningen binnen het bedrag, bedoeld in onderdeel b, niet mogelijk is, en
d. koppeling van het treffen van maatregelen aan andere activiteiten niet kan leiden tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de weg, tot de in artikel 90, derde lid, van de wet genoemde waarde binnen het bedrag, bedoeld in onderdeel b.
3.
Indien artikel 110f, eerste lid, van de wet van toepassing is, geeft Onze Minister slechts toepassing aan het eerste of tweede lid voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na correctie op grond van artikel 110f, derde lid, van de wet, niet leiden tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.
1.
De artikelen 89, 90 en 98 van de wet zijn met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het op te stellen saneringsprogramma maatregelen bevat die de geluidsbelasting vanwege de weg zoveel mogelijk beperken tot 48 dB op de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen en om zo nodig te voldoen aan artikel 3.10, tweede lid;
b. de met overeenkomstige toepassing van artikel 90, tweede lid, van de wet door Onze Minister vast te stellen ten hoogste toelaatbare waarde voor de geluidsbelasting, vanwege de weg, niet hoger mag worden vastgesteld dan:
1°. 68 dB voor onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen, en
2°. 58 dB voor verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven.
2.
Met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen is artikel 3.5, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de wet kan uitsluitend maatregelen bevatten die strekken tot:
a. vermindering van het geluid, veroorzaakt door het verkeer op de weg;
b. vermindering van de geluidsoverdracht van de weg naar de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen;
c. het aanbrengen van geluidwerende maatregelen aan de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen, of
d. onttrekking aan de bestemming van een of meer van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen.
2.
Maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onder b, onder c, onderscheidenlijk onder d, komen eerst in aanmerking voor opneming in het saneringsprogramma, voor zover de toepassing van de in het eerste lid, onder a, onder a en b, onderscheidenlijk onder a, b en c genoemde maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
1.
Een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de wet bevat:
a. de resultaten van het akoestisch onderzoek op grond van artikel 88, eerste lid, van de wet;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring als bedoeld in het vierde lid, een lijst met de adressen van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen alsmede de naam en de verkeersfunctie van de weg waarvan de geluidsbelasting wordt ondervonden;
c. een beschrijving van de maatregelen als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, aanhef, en onder a en b, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders in aanmerking komen, en van het effect van deze maatregelen op de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen;
d. voor zover toepassing van de in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onder a en b, bedoelde – in het saneringsprogramma opgenomen – maatregelen niet leidt tot beperking van de geluidsbelasting, vanwege de weg van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen tot 48 dB, een beschrijving van de bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard tegen de toepassing van verdergaande maatregelen en voorzover van toepassing de te treffen maatregelen;
e. zo nodig een verklaring dat door middel van maatregelen als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onder c, zal worden voldaan aan artikel 111b, derde lid, van de wet, onderscheidenlijk artikel 3.10;
f. voor zover van toepassing, een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onder d, alsmede een onderbouwing van deze keuze;
g. voor zover van de in de artikel 3.7, eerste lid, bedoelde alfabetische rangorde van maatregelen is afgeweken, een beschrijving van de redenen waarom is afgeweken;
h. een beschrijving van de mogelijkheden om de uitvoering van de te treffen maatregelen te faseren, in welk geval bij een combinatie van maatregelen de volgorde wordt aangegeven;
i. een beschrijving van de mogelijkheden om uit een oogpunt van doelmatigheid en kostenbeheersing de te treffen maatregelen al dan niet gezamenlijk uit te voeren met andere werken;
j. de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 110f, eerste lid, van de wet;
k. een indicatie van de kosten van de te treffen maatregelen;
l. het tijdstip waarop met de uitvoering van de maatregelen kan worden begonnen, alsmede de verwachte duur van de uitvoering van de maatregelen.
2.
In aanvulling op de in het het eerste lid bedoelde informatie, bevat een saneringsprogramma, dat ingevolge artikel 98 van de wet wordt vastgesteld:
a. de resultaten van het akoestisch onderzoek op grond van artikel 77 van de wet;
b. een beschrijving van de invloed van de uitvoering van de reconstructie op de aard en omvang van de voorgestelde maatregelen;
c. een indicatie van de verdeling van de kosten van de te treffen maatregelen over de maatregelen samenhangend met de sanering en de maatregelen ten gevolge van de reconstructie van de weg;
d. het tijdstip waarop naar verwachting met de uitvoering van de reconstructie kan worden begonnen, alsmede de verwachte duur van de uitvoering;
e. indien de maatregelen niet gelijktijdig met de uitvoering van de reconstructie zullen worden uitgevoerd, het tijdstip waarop met de uitvoering van de maatregelen zal worden begonnen, alsmede de verwachte duur van de uitvoering ervan.
3.
De kaart of de kaarten, bedoeld in het eerste lid, onder b, geven in elk geval aan:
a. de zone langs de weg of wegen en de ligging van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen;
b. bronmaatregelen of overdrachtsmaatregelen, en
c. voor zover hiervan sprake is, de ligging van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen binnen:
1°. een geluidszone rond een industrieterrein,
2°. een geluidszone langs een spoorweg,
3°. een andere geluidszone, of
4°. een met het oog op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 8A.6 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart.
4.
De kaart of kaarten, bedoeld in het derde lid, worden ingericht met inachtneming van de volgende voorschriften:
a. de kaarten worden getekend op een duidelijke ondergrond;
b. de begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft, wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven;
c. de kaarten worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000, tenzij de omvang van het gebied of de aard van het plan een andere schaal noodzakelijk maakt;
d. uit de kaarten moet blijken de aansluiting van het in het plan begrepen gebied aan het daaromheen gelegen gebied;
e. voor zover in het plan gronden zijn begrepen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwezenlijking in aanmerking komt, worden deze gedeelten vervat in één of meer kaarten op een schaal van ten minste 1 op 2500, waarop voorts de kadastrale grenzen, sectie en nummers van de in deze gedeelten van het plan begrepen percelen zijn aangegeven;
f. indien een bestemmingsplan uit meerdere kaarten bestaat, moet uit een overzichtskaart de aansluiting van de kaarten onderling en de aansluiting aan het daaromheen gelegen gebied blijken;
g. op de kaarten worden de schaal en de noordpijl aangegeven;
h. op de kaarten worden de bestaande gebouwen en de namen van de belangrijkste wegen, straten en waterwegen aangegeven.
De kaarten moeten op duidelijke en overzichtelijke wijze worden uitgevoerd. Zij moeten voorts van duurzaam materiaal vervaardigd worden en goed vermenigvuldigbaar zijn.
Artikel 3.9
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels vast met betrekking tot de vormgeving en inrichting van een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de wet.
1.
Indien met toepassing van artikel 85 van de wet of artikel 3.4 met betrekking tot een gevel van een in aanbouw zijnd of aanwezig ander geluidsgevoelig gebouw een hogere geluidsbelasting dan 48 dB vanwege de weg als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders behoudens het derde lid met betrekking tot de geluidwering van die gevel maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege die weg,
a. binnen de verblijfsruimten, genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 1° tot en met 3°, 28 dB niet te boven zal gaan, en
b. binnen de verblijfsruimten, genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 4° en 5°, 33 dB niet te boven zal gaan.
2.
Indien met betrekking tot de gevels van andere geluidsgevoelige gebouwen waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg op 1 maart 1986 hoger was dan 55 dB(A), met toepassing van artikel 3.4 of artikel 3.6, juncto artikel 90 van de wet een hogere geluidsbelasting dan 48 dB, vanwege de weg als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege die weg,
a. binnen verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel e, onder 1° tot en met 3°, 38 dB niet te boven zal gaan, en
b. binnen verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel e, onder 4° en 5°, 43 dB niet te boven zal gaan.
1.
Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 1.4 of artikel 1.4a, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg waarlangs de zone ligt, van de gevel van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone, de waarden in acht genomen die ingevolge de artikelen 4.9, 4.13 en 4.15 juncto 4.13 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.
2.
In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan hogere waarden in acht genomen, voor zover:
a. met toepassing van de artikelen 4.10 tot en met 4.12, 4.14 en 4.15 juncto 4.14, voor de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld, dan wel
b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een vaststelling of herziening van het plan in afwijking van het ontwerp, zoals dit ter inzage heeft gelegen, welke waarden redelijkerwijs met toepassing van de artikelen 4.10 tot en met 4.12, 4.14 en 4.15 juncto 4.14, zullen worden vastgesteld.
3.
Tenzij bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in het eerste lid wordt voorzien in de wijziging van een spoorweg, blijft dit artikel buiten toepassing, indien op het tijdstip van die vaststelling of herziening de spoorweg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan opgenomen woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn.
4.
Voorschriften als bedoeld in artikel 3.37 van de Wet ruimtelijke ordening kunnen mede worden gegeven met inachtneming van de ingevolge de artikelen 4.9 tot en met 4.15 geldende waarden.
Artikel 4.2
Artikel 4.1, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij voor een termijn langer dan tien jaar van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° en 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in artikel 1.4 of artikel 1.4a.
1.
Bij het voorbereiden van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in artikel 1.4 of artikel 1.4a of bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 4.2, wordt vanwege burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk gedeputeerde staten of Onze Minister een akoestisch onderzoek ingesteld naar:
a. de geluidsbelasting die door woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen binnen de toekomstige zone vanwege de spoorweg zou worden ondervonden, zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
b. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de spoorweg optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge de artikelen 4.9, 4.13 en 4.15, juncto 4.13 als de ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt, te boven zou gaan.
2.
Indien wordt overwogen toepassing te geven aan de artikelen 4.10 tot en met 4.12, 4.14 en 4.15 juncto 4.14 heeft het akoestisch onderzoek tevens betrekking op de doeltreffendheid van de maatregelen om te voldoen aan de vast te stellen hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.
3.
Indien de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan of de vergunning bedoeld in artikel 4.2, betrekking heeft op een wijziging van een spoorweg, wordt tevens akoestisch onderzoek ingesteld naar de heersende waarde.
Artikel 4.4
Tot aanleg of wijziging van een spoorweg, anders dan op grondslag van een overeenkomstig artikel 4.1 of 4.3 vastgesteld of herzien bestemmingsplan of een vergunning als bedoeld in artikel 4.2, wordt, indien binnen de aanwezige of toekomstige zone, bedoeld in artikel 1.4, woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een vergunning van burgemeester en wethouders krachtens artikel 4.6, eerste lid, genomen naar aanleiding van een door de spoorwegexploitant aan burgemeester en wethouders gedane mededeling van zijn voornemen en na een overeenkomstig artikel 4.5 ingesteld onderzoek.
1.
Vanwege de spoorwegexploitant wordt binnen de toekomstige zone van de spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, een akoestisch onderzoek ingesteld van de in artikel 4.3 omschreven strekking.
2.
De resultaten van het ingestelde onderzoek worden door de spoorwegexploitant aan burgemeester en wethouders overgelegd, tezamen met een beschrijving van de maatregelen die naar zijn oordeel nodig zijn voor het in artikel 4.6 omschreven doel.
1.
Binnen drie maanden nadat de resultaten van het in artikel 4.5 bedoelde onderzoek zijn verkregen, nemen burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in artikel 4.4, bepalende welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidsbelasting die de spoorweg binnen de zone, bedoeld in artikel 1.4, zal veroorzaken, de waarden die ingevolge de artikelen 4.9 tot en met 4.15 als ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt, te boven zou gaan.
2.
Het besluit wordt in afschrift aan de spoorwegexploitant toegezonden.
1.
Tot wijziging van een spoorweg met betrekking waartoe een melding is gedaan als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, wordt niet overgegaan dan nadat Onze Minister met betrekking tot de in die bepaling bedoelde woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, uitvoering heeft gegeven aan artikel 4.23, tweede en derde lid.
2.
Onze Minister stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid met in achtneming van de artikelen 4.13 en 4.14 ook voor de gevel van andere dan de in dat lid bedoelde woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van andere dan de in dat lid bedoelde geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting vanwege de spoorweg vast.
3.
Onze Minister stelt in een geval als bedoeld in het tweede lid tevens voor elk van de daarvoor in aanmerking komende gevallen maatregelen vast die strekken tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen, onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, tot de bij het besluit, bedoeld in het tweede lid, vastgestelde waarde.
4.
In geval van het eerste, tweede en derde lid zijn de artikelen 110a, zevende lid, van de wet en 4.4 tot en met 4.6 niet van toepassing.
5.
In afwijking van het eerste lid, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4.26:
a. is artikel 4.18 niet van toepassing, en
b. worden in afwijking van artikel 4.23, tweede en derde lid, de in die leden bedoelde maatregelen en ten hoogste toelaatbare waarden vastgesteld als onderdeel van een tracébesluit, en blijft in het tweede lid de zinsnede «na ontvangst van zodanig saneringsprogramma» buiten toepassing.
1.
Bij aanleg of vervanging van een spoorweg of een gedeelte van een spoorweg draagt de spoorwegexploitant ervoor zorg dat de geluidsemissie vanwege de nieuwe baanconstructie niet hoger wordt dan van een overeenkomstige spoorbaan waarvan de constructie bestaat uit langgelast spoor op houten dwarsliggers.
2.
Op verzoek van de spoorwegexploitant kan Onze Minister ontheffing verlenen van het eerste lid, indien toepassing van dat lid stuit op overwegende bezwaren van technische of financiële aard.
1.
Behoudens artikel 4.10 is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen 55 dB, in geval van:
a. aanleg van deze spoorweg, voor zover de woningen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4;
b. nog niet geprojecteerde woningen, voor zover de woningen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4 of artikel 1.4a.
2.
Behoudens artikel 4.11 is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen 53 dB, in geval van:
a. aanleg van deze spoorweg, voor zover de andere geluidsgevoelige gebouwen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4;
b. nog niet geprojecteerde andere geluidsgevoelige gebouwen, voor zover de andere geluidsgevoelige gebouwen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4 of artikel 1.4a.
3.
Behoudens artikel 4.12 is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, aan de grens van geluidsgevoelige terreinen 55 dB, in geval van:
a. aanleg van deze spoorweg, voor zover de geluidsgevoelige terreinen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4;
b. nog niet geprojecteerde geluidsgevoelige terreinen, voor zover de geluidsgevoelige terreinen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4 of artikel 1.4a.
Artikel 4.10
Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen kan een hogere dan de in artikel 4.9, eerste lid, genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.
Artikel 4.11
Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen kan een hogere dan de in artikel 4.9, tweede lid, genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.
Artikel 4.12
Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg aan de grens van geluidsgevoelige terreinen kan een hogere dan de in artikel 4.9, derde lid, genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.
1.
Behoudens het tweede en derde lid is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te wijzigen spoorweg van de gevel van woningen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, 55 dB.
2.
Indien eerder bij of krachtens de wet of de Interimwet stad-en-milieubenadering een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege de te wijzigen spoorweg, van de gevel van woningen is vastgesteld dan 55 dB en de heersende geluidsbelasting hoger is dan 55 dB, geldt de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare:
a. de waarde van de geluidsbelasting op het tijdstip waarop met de wijziging een aanvang wordt gemaakt;
b. de eerder vastgestelde waarde.
3.
Indien niet eerder bij of krachtens de wet of de Interimwet stad-en-milieubenadering een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te wijzigen spoorweg van de gevel van woningen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, is vastgesteld dan 55 dB en de heersende geluidsbelasting hoger is dan 55 dB, geldt als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege de te wijzigen spoorweg, van de gevel van die woningen de laagste van de volgende waarden:
a. de waarde van de geluidsbelasting op 1 juli 1987;
b. de waarde van de geluidsbelasting op het tijdstip waarop met de wijziging een aanvang wordt gemaakt.
1.
Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg van de gevel van woningen kan een hogere waarde dan de ingevolge artikel 4.13 geldende waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 71 dB niet te boven mag gaan.
2.
Indien reeds eerder een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is vastgesteld dan de in het eerste lid bedoelde waarde, dan is de in dat lid bedoelde waarde, die eerder vastgestelde waarde.
1.
De artikelen 4.13 en 4.14 zijn van overeenkomstige toepassing op andere geluidsgevoelige gebouwen, met dien verstande dat in artikel 4.13 in plaats van «55 dB» telkens wordt gelezen: 53 dB.
2.
De artikelen 4.13 en 4.14 zijn van overeenkomstige toepassing aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, met dien verstande dat in artikel 4.14, eerste lid, in plaats van «71 dB» wordt gelezen: 63 dB.
1.
Bij besluit als bedoeld in artikel 4.23, tweede lid, wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde behoudens het tweede en derde lid voor zover het betreft woningen en geluidsgevoelige terreinen, de waarde 63 dB en voor zover het betreft andere geluidsgevoelige gebouwen de waarde 58 dB, niet te boven mag gaan.
2.
Indien overwegende bezwaren bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard tegen de toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, van de gevel van de woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, kan bij een besluit als bedoeld in het eerste lid een hogere waarde dan de in dat lid bedoelde waarden worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 71 dB voor woningen en geluidsgevoelige terreinen, onderscheidenlijk 66 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen, niet te boven mag gaan.
3.
Onze Minister kan bij een besluit als bedoeld in het eerste lid een hogere dan de in het tweede lid bedoelde waarde vaststellen, in gevallen waarin:
a. toepassing van maatregelen die strekken tot vermindering van het geluid, veroorzaakt door het verkeer op de spoorweg niet mogelijk is;
b. toepassing van maatregelen die strekken tot vermindering van de geluidsoverdracht van de spoorweg naar de betrokken woningen niet mogelijk is of duurder zal zijn dan de maximale bijdrage die volgens bijlage A, tabellen 3 en 4, van de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai voor een woning mogelijk is;
c. het onttrekken aan de bestemming van de betrokken woningen binnen het bedrag, bedoeld in onderdeel b, niet mogelijk is, en
d. koppeling van het treffen van maatregelen aan andere activiteiten niet kan leiden tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, tot de in het tweede lid of dit lid genoemde waarde binnen het bedrag, bedoeld in onderdeel b.
1.
Behoudens het derde lid stellen burgemeester en wethouders met inachtneming van de artikelen 4.20 tot en met 4.23 een programma van maatregelen op, die naar hun oordeel in aanmerking komen om de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, van de gevel van de voor 1 januari 2007 aan Onze Minister gemelde woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, zoveel mogelijk te beperken tot 55 dB en om zo nodig te voldoen aan artikel 4.25.
2.
In een geval als bedoeld in artikel 4.7 wordt vanwege de spoorwegexploitant een akoestisch onderzoek ingesteld van de in artikel 4.3 omschreven strekking.
3.
In een geval als bedoeld in artikel 4.7 stelt de spoorwegexploitant een saneringsprogramma op, met dien verstande dat dit saneringsprogramma tevens de resultaten van het in het tweede lid bedoelde akoestisch onderzoek bevat en mede betrekking heeft op andere binnen de zone van de spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, gelegen woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen.
1.
Een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 4.18 kan uitsluitend de volgende maatregelen bevatten:
a. geluidreducerende maatregelen aan een spoorweg;
b. maatregelen die de geluidsoverdracht van een spoorweg naar woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen verminderen;
c. geluidwerende maatregelen aan de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen;
d. onttrekking aan de bestemming van één of meer van de betrokken woningen.
2.
Maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onder b, onder c, onderscheidenlijk onder d, komen eerst in aanmerking voor opneming in het saneringsprogramma, voor zover de toepassing van de in het eerste lid, onder a, genoemde maatregelen, onderscheidenlijk de in het eerste lid, onder a en b, dan wel onder a, b en c, genoemde maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Artikel 4.20
Op de voorbereiding van een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 4.18 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
1.
Een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 4.18 bevat:
a. de resultaten van het akoestisch onderzoek dat is voorafgegaan aan de melding, bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, of van het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 4.18, tweede lid;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring als bedoeld in het tweede lid, een lijst met adressen van de betrokken woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, alsmede het trajectnummer van het spoorweggedeelte of de combinatie van spoorweggedeelten, waarvan de geluidsbelasting wordt ondervonden;
c. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder a en b, die in aanmerking komen, en van het effect van de maatregelen op de geluidsbelasting in het maatgevende jaar, vanwege de spoorweg, van de gevel van betrokken woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen;
d. voor zover toepassing van de in artikel 4.19, eerste lid, onder a en b, bedoelde – in het saneringsprogramma opgenomen – maatregelen niet leidt tot beperking van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, tot 55 dB, een beschrijving van de bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard tegen de toepassing van verdergaande maatregelen;
e. zo nodig een verklaring dat door middel van geluidwerende maatregelen als bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder c, zal worden voldaan aan artikel 4.25;
f. voor zover van toepassing, een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder d, alsmede een onderbouwing van de keuze;
g. voor zover met toepassing van artikel 4.19, tweede lid, naar het oordeel van burgemeester en wethouders of de spoorwegexploitant andere dan meer primaire maatregelen in aanmerking komen, een beschrijving van de redenen daarvoor;
h. een beschrijving van de mogelijkheden om uit een oogpunt van doelmatigheid en kostenbeheersing de te treffen maatregelen al dan niet gezamenlijk uit te voeren met andere werken;
i. een globale indicatie van de geluidsbelasting, vanwege andere geluidsbronnen als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74 en 108 van de wet en artikel 1.4a of vanwege het luchthavenluchtverkeer, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet luchtvaart;
j. een globale indicatie van de kosten van de te treffen maatregelen;
k. het tijdstip waarop met de uitvoering van de maatregelen kan worden begonnen, alsmede de verwachte duur van de uitvoering van de maatregelen.
2.
De kaart of kaarten, bedoeld in het eerste lid, onder b, geven in elk geval aan:
a. de zone, bedoeld in artikel 1.4, langs de spoorweg of spoorwegen en de ligging van de betrokken woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen;
b. bronmaatregelen of overdrachtsmaatregelen, en
c. voor zover hiervan sprake is, de ligging van de betrokken woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen:
1°. een geluidszone rond een industrieterrein;
2°. een geluidszone langs een weg;
3°. een andere geluidszone, of
4°. een met het oog op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 8A.6 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart.
3.
Artikel 3.8, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.22
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels vast met betrekking tot de vormgeving en inrichting van een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 4.18.
1.
Burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de spoorwegexploitant leggen het ingevolge artikel 4.18 opgestelde saneringsprogramma onverwijld voor aan Onze Minister en zenden tegelijkertijd, indien van toepassing, een afschrift van dit saneringsprogramma aan de spoorwegexploitant.
2.
Onze Minister stelt na ontvangst van zodanig saneringsprogramma, met inachtneming van de artikel 4.16 de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, van de gevel van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen vast waarop het saneringsprogramma betrekking heeft. Onze Minister doet van zijn besluit mededeling aan burgemeester en wethouders en de spoorwegexploitant.
3.
Onze Minister stelt ten aanzien van elk van de daarvoor in aanmerking komende gevallen maatregelen vast die strekken tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, tot het bij het besluit, bedoeld in het tweede lid, vastgestelde waarde. De maatregelen strekken tevens, afhankelijk van de hoogte van deze waarde, tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, binnen de woning of het andere geluidsgevoelige gebouw tot de in artikel 4.25 bedoelde waarde.
1.
Indien met toepassing van de artikelen 4.10, 4.13 of 4.14 met betrekking tot een gevel van een in aanbouw zijnde of aanwezige woning een hogere geluidsbelasting dan 55 dB vanwege de weg als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevel maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, binnen de woning bij gesloten ramen 35 dB niet te boven zal gaan.
2.
Indien de geluidsbelasting van de gevel van een woning op 1 juli 1987 hoger was dan 65 dB(A) onderscheidenlijk van de gevel van een ander geluidsgevoelig gebouw hoger was dan 60 dB(A) en voor die woning of dat ander geluidsgevoelig gebouw eerder een hogere waarde voor de geluidsbelasting is vastgesteld bij of krachtens de wet en met betrekking tot de woning toepassing is gegeven aan de artikelen 4.13 of 4.14, treffen burgemeester en wethouders, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot de geluidwering van de gevels van de betrokken woning maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste de waarde bedraagt die ten tijde van de vaststelling van de eerste hogere waarde ten hoogste toelaatbaar was.
3.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing voor woningen waarbij maatregelen aan de gevel zijn getroffen ter uitvoering van artikel 13, zesde lid, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer.
4.
Indien met toepassing van de artikelen 4.11 of 4.15 met betrekking tot een gevel van een in aanbouw zijnd of aanwezig ander geluidsgevoelig gebouw een hogere geluidsbelasting dan 53 dB als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevel maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, bij gesloten ramen:
a. binnen de verblijfsruimten, genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 1° tot en met 3°, 28 dB niet te boven zal gaan, en
b. binnen de verblijfsruimten, genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 4° en 5°, 33 dB niet te boven zal gaan.
1.
Indien Onze Minister toepassing heeft gegeven aan het artikel 4.16, tweede of derde lid, treffen burgemeester en wethouders de in het tweede lid beschreven maatregelen, indien:
a. ten minste één geluidsgevoelige ruimte binnen een woning, onderscheidenlijk ten minste één verblijfsruimte als genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 4° en 5°, binnen een ander geluidsgevoelig gebouw een geluidsbelasting ondervindt van meer dan 43 dB, of
b. ten minste één verblijfsruimte als genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 1° tot en met 3°, binnen een ander geluidsgevoelig gebouw een geluidsbelasting ondervindt van meer dan 38 dB.
2.
De maatregelen ter uitvoering van het eerste lid hebben betrekking op de geluidwering van de gevel en bevorderen dat de geluidsbelasting bij gesloten ramen:
a. in het eerste lid, onder a, bedoelde geval in geluidsgevoelige ruimten binnen de woning, onderscheidenlijk in verblijfsruimten als genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 4° en 5°, binnen het andere geluidsgevoelige gebouw, 38 dB, dan wel een door burgemeester en wethouders doelmatig geoordeelde hogere waarde van ten hoogste 43 dB, niet te boven zal gaan;
b. in het eerste lid, onder b, bedoelde geval in verblijfsruimten als genoemd in artikel 1.1, onderdeel e, onder 4° en 5°, binnen het andere geluidsgevoelige gebouw 33 dB, dan wel een door burgemeester en wethouders geoordeelde hogere waarde van ten hoogste 38 dB, niet te boven zal gaan.
Artikel 4.26
Indien de aanleg of wijziging van een spoorweg waarop de Tracéwet van toepassing is, leidt tot aanleg, reconstructie of wijziging van een weg of spoorweg, en daartoe binnen het tracé een hogere waarde vereist is voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege die weg of spoorweg, is artikel 104a, eerste, vierde en vijfde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het eerste lid in plaats van «zijn de artikelen 79 en 99, eerste lid,» wordt gelezen: is artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder.
1.
Een verzoek als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet kan met betrekking tot een zone rond een industrieterrein worden gedaan door:
a. degene die het beheer voert over het industrieterrein waarvoor de hogere waarde verzocht wordt;
b. de Kamer van Koophandel.
2.
In het geval van een industrieterrein van regionaal belang dat is aangewezen bij provinciale milieuverordening, kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid tevens worden gedaan door:
a. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woningen, de andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen gesitueerd zijn of worden, waarvoor de hogere waarde verzocht wordt;
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het industrieterrein gesitueerd is of wordt, waarvoor de hogere waarde verzocht wordt.
Artikel 5.2
Een verzoek als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet kan met betrekking tot een zone langs een weg worden gedaan door de wegaanlegger, of indien het verzoek gedaan wordt in het kader van de toepassing van artikel 3.4 of de artikelen 79 en 99 van de wet, of – indien het betreft de aanleg of reconstructie van een rijksweg die niet op de geluidplafondkaart is aangegeven – in het kader van de toepassing van artikel 76, eerste lid, van de wet, door de wegbeheerder.
1.
Behoudens bij toepassing van artikel 4.7 kan een verzoek als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet met betrekking tot een zone langs een spoorweg als bedoeld in artikel 1.4 en, voor zover het de aanleg van nog niet geprojecteerde woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen betreft, als bedoeld in artikel 1.4a, worden gedaan door:
a. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woningen, de andere geluidsgevoelige gebouwen of de geluidsgevoelige terreinen gesitueerd zijn of worden, waarvoor de hogere waarde verzocht wordt;
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de spoorweg gesitueerd is of wordt, waarvoor de hogere waarde verzocht wordt;
c. de spoorwegexploitant, indien het betreft de aanleg of wijziging van een spoorweg.
2.
Bij toepassing van artikel 4.7 wordt een verzoek als bedoeld in het eerste lid gedaan door de spoorwegexploitant.
1.
Het verzoek om een hogere waarde als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet en het ontwerp van een verzoek bevatten ten minste:
a. de verzochte hogere waarde;
b. de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen;
c. de resultaten van het akoestisch onderzoek, bedoeld in de artikelen 42, 77 of 80 van de wet, onderscheidenlijk in de artikelen 4.3 of 4.5;
d. een verklaring dat maatregelen zullen worden getroffen indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, vanwege de weg of vanwege de spoorweg, binnen de woning of andere geluidsgevoelige gebouwen bij gesloten ramen meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in de artikelen 111b en 112 van de wet, onderscheidenlijk in de artikelen 2.4, 2.5, 3.10, 4.24 en 4.25.
2.
Het verzoek gaat vergezeld van een of meer kaarten met bijbehorende verklaring. Met betrekking tot deze kaart of kaarten is artikel 3.8, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. De kaart of kaarten geven bovendien de ligging weer van aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74 en 108 van de wet en artikel 1.4a, alsmede de met het oog op de geluidsbelasting vastgestelde beperkingengebieden als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 8A.6 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart en de in die zones of beperkingengebieden voorkomende gebieden, aangewezen overeenkomstig artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer, voor zover de woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen waarop het verzoek betrekking heeft, binnen zodanige zones of gebieden zijn of worden gesitueerd.
3.
Degene die op grond van artikel 110a van de wet of artikel 4.16 bevoegd is tot het vaststellen van een hogere waarde kan van de verzoeker nadere toelichting, tekeningen en kaarten verlangen, indien hij deze noodzakelijk acht voor de beoordeling van het verzoek.
Artikel 5.5
Bij het ambtshalve vaststellen van een hogere waarde als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet is artikel 5.4, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen die voor het van overheidswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in aanmerking worden genomen.
1.
Het bevoegd gezag kan burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten waarin de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen zijn gelegen, verzoeken met betrekking tot die woningen of gebouwen in elk geval de volgende gegevens te verstrekken:
a. namen en adressen van eigenaren en bewoners;
b. kadastrale gegevens;
c. gegevens uit de registratie tot de onroerende-zaakbelasting die de bestemming van de woning betreffen;
d. tekeningen van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen;
e. verstrekte bouwvergunningen.
2.
Het bevoegd gezag kan burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten waarin de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen zijn gelegen, voorts verzoeken met betrekking tot die woningen of gebouwen de gegevens te verstrekken waaruit blijkt of:
a. de verwachting bestaat dat zij binnen vijf jaar na de door het bevoegd gezag aangegeven datum zullen worden onteigend of dat de bewoning of het gebruik om andere redenen binnen die termijn zal worden gestaakt;
b. zij niet voor permanente bewoning bestemd zijn of daar niet voor worden gebruikt;
c. in geval van andere geluidsgevoelige gebouwen, zij niet als zodanig bestemd zijn of zij daar niet voor worden gebruikt;
d. zij behoren tot de categorieën woonwagens of woonschepen.
Artikel 6.3
De eigenaren en bewoners van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen worden schriftelijk op de hoogste gesteld dat van overheidswege wordt overwogen geluidwerende voorzieningen aan te brengen.
1.
Aan de eigenaren en bewoners van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen wordt verzocht binnen drie weken na de in artikel 6.3 bedoelde schriftelijke mededeling, schriftelijk toestemming te verlenen tot het uitvoeren van een akoestisch en bouwtechnisch onderzoek.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde toestemming niet volledig, niet binnen de gestelde termijn of niet voor de gehele woning of het ander geluidsgevoelige gebouw is verleend, wordt de betreffende eigenaren en bewoners schriftelijk meegedeeld dat geen akoestisch en bouwtechnisch onderzoek kan worden uitgevoerd, tenzij deze schriftelijke toestemming binnen twee weken alsnog wordt verleend.
3.
Indien ook de in het tweede lid bedoelde toestemming niet volledig, niet binnen de gestelde termijn of niet voor de gehele woning of het andere geluidsgevoelige gebouw is verleend, wordt de betreffende eigenaren en bewoners schriftelijk meegedeeld dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht.
Artikel 6.5
Indien de in artikel 6.4, eerste of tweede lid, bedoelde toestemming is verleend, stelt het bevoegd gezag een akoestisch en bouwtechnisch onderzoek in. Het onderzoek resulteert in ieder geval in:
a. een opgave van de geluidsgevoelige ruimten;
b. een inventarisatie van de benodigde bouwtechnische gegevens;
c. een opgave van de benodigde geluidwerende voorzieningen;
d. een raming van de kosten voor de overheid, en
e. een raming van de eventuele kosten voor de eigenaar.
1.
De eigenaren van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen ten aanzien waarvan uit het in artikel 6.5 bedoelde onderzoek blijkt dat de volgende extra voorzieningen moeten worden getroffen, worden hiervan door het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte gesteld:
a. extra voorzieningen met betrekking tot het in overeenstemming brengen van de woning met de geluidweringvoorschriften ingevolge de Woningwet 1962 of de Woningwet ;
b. extra voorzieningen met betrekking tot het in overeenstemming brengen van de woning met de technische voorschriften van hoofdstuk 3 van het Bouwbesluit 2012, voor zover het betreft geluidsgevoelige ruimten of de bereikbaarheid daarvan;
c. extra voorzieningen met betrekking tot het in overeenstemming brengen van het andere geluidsgevoelige gebouw met de technische voorschriften van hoofdstuk 3 van het Bouwbesluit 2012, voor zover het betreft geluidsgevoelige ruimten of de bereikbaarheid daarvan;
d. voorzieningen met betrekking tot het opheffen van gebreken en van achterstallig onderhoud.
2.
Aan de betreffende eigenaren wordt verzocht binnen drie weken na ontvangst van deze schriftelijke mededeling, schriftelijk te verklaren dat zij zich verplichten, om binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn, voorafgaand aan het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen de extra voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, aan te brengen, tenzij toepassing wordt gevraagd van artikel 6.7, eerste lid.
3.
Indien de in het tweede lid bedoelde schriftelijke verklaring niet volledig, niet binnen de gestelde termijn of niet voor de gehele woning is verleend, wordt de betreffende eigenaren schriftelijk meegedeeld dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht, tenzij de schriftelijke verklaring binnen twee weken alsnog wordt afgegeven.
4.
Indien de verklaring ook binnen de in het derde lid gestelde termijn niet volledig, niet binnen de gestelde termijn of niet voor de gehele woning is afgegeven, wordt de betreffende eigenaren schriftelijk meegedeeld dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht.
1.
Bij het afgeven van de verklaring, bedoeld in artikel 6.6, kan de eigenaar verzoeken dat het treffen van de extra voorzieningen, bedoeld in artikel 6.6, eerste lid, en het van overheidswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen, gelijktijdig plaatsvindt. Aan dit verzoek wordt gevolg gegeven.
2.
Bij toepassing van het eerste lid blijven de kosten van het aanbrengen van de extra voorzieningen, bedoeld in artikel 6.6, eerste lid, voor rekening van de betreffende eigenaar.
1.
De eigenaren van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen, die op basis van het in artikel 6.5 bedoelde akoestisch en bouwtechnisch onderzoek voor het van overheidswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in aanmerking komen, ontvangen:
a. een aanbod met betrekking tot de aan te brengen geluidwerende voorzieningen en
b. indien toepassing wordt gevraagd van artikel 6.6, eerste lid, een voorstel voor een overeenkomst met betrekking tot het aanbrengen van de extra voorzieningen, bedoeld in artikel 6.6, eerste lid.
2.
Tevens wordt de betreffende eigenaren meegedeeld wanneer de geluidwerende voorzieningen naar verwachting zullen worden aangebracht.
3.
Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 6.7, eerste lid, wordt het aanbod, bedoeld in het eerste lid, onder a, gedaan onder de voorwaarde dat de extra voorzieningen door de eigenaar worden aangebracht binnen de door het bevoegd gezag gestelde termijn, voorafgaand aan het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen.
4.
De eigenaren van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen, die op basis van het in artikel 6.5 bedoelde akoestisch en bouwtechnisch onderzoek voor het van overheidswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen niet in aanmerking komen, worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
1.
Aan de eigenaren, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, wordt verzocht binnen drie weken na ontvangst van het aanbod en, indien van toepassing, de overeenkomst, door middel van ondertekening schriftelijk te verklaren dat:
a. zij voor alle geluidsgevoelige ruimten waar het aanbod betrekking op heeft, instemmen met de voorgestelde geluidwerende voorzieningen en toestemming geven tot het aanbrengen van de voorgestelde geluidwerende voorzieningen;
b. zij zich verbinden tot het aanbrengen van de extra voorzieningen, bedoeld in artikel 6.6, eerste lid;
c. indien toepassing is verzocht van artikel 6.7, eerste lid, zij zich verbinden tot het betalen van de kosten die verband houden met het gelijktijdig aanbrengen van de extra voorzieningen.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde ondertekening niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, wordt de betreffende eigenaren schriftelijk meegedeeld dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht, tenzij de ondertekening binnen twee weken na ontvangst van deze mededeling alsnog plaatsvindt.
3.
Indien de verklaring ook niet binnen de in het tweede lid gestelde termijn heeft plaatsgevonden, wordt de betreffende eigenaren schriftelijk meegedeeld dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht.
Artikel 6.10
Na ontvangst van het ondertekende aanbod en, indien van toepassing, de ondertekende overeenkomst, besluit het bevoegd gezag tot het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen.
Artikel 7.1
Een melding krachtens artikel 25, eerste lid, van het Besluit geluidhinder spoorwegen zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt als melding krachtens artikel 4.17, eerste lid, van dit besluit.
Artikel 7.2
Ingetrokken worden:
a. het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen ;
b. het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen ;
c. het Besluit geluidhinder spoorwegen , en
d. het Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer 1998 .
Artikel 7.3
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 7.4
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit geluidhinder.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 20 oktober 2006
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijk Ordening en Milieubeheer
Uitgegeven de zevende november 2006
De Minister van Justitie
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemeen
+ Hoofdstuk 2. Industrieterreinen
+ Hoofdstuk 3. Wegen
+ Hoofdstuk 4. Spoorwegen
+ Hoofdstuk 5. Verzoek om een hogere waarde als bedoeld in artikel 110a, derde lid van de wet
+ Hoofdstuk 6. Bepalingen inzake de medewerking van eigenaren en bewoners aan het treffen van maatregelen aan de gevel
+ Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht