Besluit van 5 september 2007, houdende nadere regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 16 april 2007, no. Trcjz/2007/1198, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, eerste tot en met vierde lid, 10, 13, eerste en tweede lid, 16, eerste en derde tot en met vijfde lid van, richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230),
de artikelen 3, derde lid, onder ii, vijfde lid en zevende lid, 4, eerste en tweede lid, 5, eerste en tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde lid, alsmede zevende tot en met negende lid, 20, van richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123),
bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196),
richtlijn 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358),
richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50),
richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 327),
verordening 396/2005/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten en bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEG L 70),
artikel 44, eerste lid, van de Grondwet met betrekking tot artikel 74 van dit besluit,
de artikelen 4, eerste lid, onderdeel e, 23, tweede en derde lid, 25, eerste lid, 28, tweede en derde lid, 29, derde lid, 36, derde lid, 44, tweede en derde lid, 49, tweede lid, 50, derde lid, 56, derde lid, 71, derde lid, 74, tweede lid, 75, 76, derde lid, 78 tot en met 81, eerste lid, 108, derde lid, 123, eerste lid, 124, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,
artikel 24, eerste lid en tweede lid, onder b, van de Wet milieugevaarlijke stoffen,
artikelen 1, onder i, en 7, van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, en
artikel 16, eerste en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 2007, no. W11.07.0110/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 augustus 2007, no. Trcjz/2007/2853, Directie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ;
b. verordening 396/2005/EG: Verordening nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEU L 70);
c. richtlijn 67/548/EEG: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);
d. richtlijn 2000/60/EG: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327);
e. richtlijn 2004/10/EG: richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50);
f. bodem: bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming;
g. gasvormende toestand: toestand van een gewasbeschermingsmiddel of biocide waarin het middel of de biocide na gasvorming zijn werking verkrijgt;
h. maximumresidugehalte (MRL): het hoogste wettelijk toegestane concentratieniveau van een residu van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in of op een levensmiddel of diervoeder op basis van goede landbouwpraktijken en de laagste blootstelling van consumenten die noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten;
i. richtlijn 1999/45/EG: richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200);
j. uitvoeringsverordening (EU) 545/2011: Verordening (EU) nr. 545/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155);
k. uitvoeringsverordening (EU) 546/2011: Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155).
Artikel 2. Andere taken van het college
Het college is belast met:
a. de aan Nederland opgedragen werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9 van hoofdstuk II van verordening 396/2005/EG alsmede het doen van voorstellen voor het vaststellen van het maximaal toelaatbare residugehalte (MRL) door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Economische Zaken, voor zover deze niet communautair zijn vastgesteld;
b. het vaststellen van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van gewasbeschermingsmiddelen voor bodem of waterorganismen op verzoek van de houder van een toelating, bedoeld in artikel 3, onderdeel 24, van verordening (EG) 1107/2009 of op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien dit risiconiveau niet reeds bij een toelating door het college is vastgesteld;
c. het vaststellen of ambtshalve wijzigen van de wijze waarop op een etiket de voorschriften worden vermeld die bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
Artikel 8. Toelating niet-professioneel gebruik
Het college verleent geen toelating voor niet-professioneel gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting.
1.
Het college hanteert in het kader van de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009, slechts de in de artikelen 8b tot en met 8g en de in bijlage 1 bedoelde beoordelingsmethoden, voor zover een Europees richtsnoer dat is vastgesteld volgens de procedure, bedoeld in artikel 77 van die verordening, geen beoordelingsmethode over hetzelfde onderwerp bevat.
2.
Onze Minister van Economische Zaken doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van een in een Europees richtsnoer opgenomen beoordelingsmethode als bedoeld in het eerste lid.
1.
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen en met gebruikmaking van de volgende modellen voor blootstellingssituaties:
a. voor het mengen en vullen van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een:
1°. niet-vast gewasbeschermingsmiddel bij tractortoepassingen: model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1;
2°. niet-vast middel bij handmatige toepassing: model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1, voor huidblootstelling en NL model, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7, voor inhalatoire blootstelling;
3°. poedervormig middel: NL-model bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7;
4°. granulaatvormig middel: NL-model, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7, rekening houdend met de poederfractie in het middel;
b. voor het toepassen van het gewasbeschermingsmiddel:
1°. buiten opwaarts of neerwaarts met grote spuitapparatuur; model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1;
2°. buiten neerwaarts met handapparatuur: model UK POEM, bedoeld in bijlage 1 onder 9;
3°. buiten opwaarts met handapparatuur: de 90-percentiel waarde volgens het Duitse blootstellingsmodel, bedoeld in bijlage 1 onder 6;
4°. binnen met handapparatuur: NL-kasmodel, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7;
5°. met spuitbussen: ConsExpo, bedoeld in bijlage 1 onder 8;
c. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen of werkzaamheden uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: model EUROPOEM II, bedoeld in bijlage 1 onder 2, voor dermale blootstelling;
d. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die behandeld zijn met middelen of in ruimten werkzaamheden uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: NL model voor inhalatoire blootstelling, bedoeld in bijlage 1 onder 5 en 7;
e. voor degenen (volwassenen en kinderen), die recreëren of sporten op grasvelden die behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen: het model bedoeld in bijlage 1 , onder 10.
2.
Het college gaat bij de beoordeling van de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur volgens de uniforme beginselen, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I, onderdeel B Evaluatie, punt 2.4.1.3., uit van beschermingsfactoren voor deze kleding en apparatuur volgens de tabel, bedoeld in bijlage 2 .
Artikel 8c. Blootstelling als gevolg van niet-professioneel gebruik
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel voor de toepasser van een middel bestemd voor niet-professioneel gebruik, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen. Het college gebruikt voor de inschatting van de blootstelling een van de methoden, bedoeld in artikel 8b.
Artikel 8d. Omstander beroepshalve aanwezig
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel voor de omstander, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen. Het college gebruikt voor de inschatting van de blootstelling het model EUROPOEM II, bedoeld in bijlage 1 onder 3.
Artikel 8e. Uitspoeling
Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I, onderdeel C Besluitvorming, punt 2.5.1.2, tot het oordeel dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbaar effect op het milieu heeft als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) 1107/2009 indien bij de toepassing van dit beginsel wordt aangetoond dat:
a. de concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct in het grondwater gelijk is aan of lager is dan 0,1 ?g/liter bij toepassing van één van de volgende methoden van beoordelen van het gewasbeschermingsmiddel:
1°. een berekening met het model PEARL voor het FOCUS Kremsmünster scenario, bedoeld in bijlage 1 onder 12.
2°. een berekening met het model GeoPEARL, bedoeld in bijlage 1 onder 12.
3°. een toetsing aan metingen van concentraties in het bovenste grondwater,
4°. een berekening voor de verzadigde zone, bepaald volgens een rekenvoorschrift waarbij wordt uitgegaan van een afbraaksnelheid volgens de eerste orde kinetiek na 4 jaren op 10 meter diepte,
5°. een toetsing aan metingen van concentraties in het diepere grondwater op minimaal 10 meter beneden het maaiveld, of
b. bij het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een grondwaterbeschermingsgebied de maximaal toelaatbare concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct van 0,01 ?g/liter gebaseerd op een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 1 tot en met 3 niet wordt overschreden, tenzij met nadere gegevens aan de hand van een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 3, 4 of 5, wordt aangetoond dat in grondwaterbeschermingsgebieden de waarde van 0,1 ?g/liter niet wordt overschreden.
Artikel 8f. Driftcijfers
Bij de risicobeoordeling voor waterorganismen, vogels, zoogdieren, niet-doelwitarthropoden, niet-doelwitplanten of oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater, hanteert het college specifieke driftcijfers. Het college stelt deze cijfers vast en maakt hen bekend op zijn website.
Artikel 8g. Beoordeling risico drinkwater
Het college beoordeelt bij de toepassing van het uniforme beginsel als bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, deel I, onderdeel C Besluitvorming, punt 2.5.1.3, aan de hand van de beoordelingsmethoden, bedoeld in bijlage 1 onder 14 en 15.
Artikel 9. Ontbrekende beoordelingsmethoden
Het college beoordeelt een aanvraag bij het ontbreken van vastgestelde beoordelingsmethoden aan de hand van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 29, zesde lid, van verordening (EG) 1107/2009, voor zover dit naar zijn oordeel naar wetenschappelijk inzicht redelijkerwijs mogelijk is.
1.
Het college kan bij de toelating het voorschrift opnemen dat het gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegepast na een melding bij Onze Minister van Economische Zaken.
2.
Het college houdt bij zijn beslissing omtrent voorschriften als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de wet, rekening met onder meer:
a. de resultaten van de risicobeoordeling, met name de relatie tussen blootstelling en effect;
b. de aard en de ernst van het effect;
c. het risicobeheer dat kan worden toegepast;
d. het toepassingsgebied van het gewasbeschermingsmiddel;
e. de werkzaamheid van het gewasbeschermingsmiddel;
f. de fysische eigenschappen van het gewasbeschermingsmiddel;
g. de naleefbaarheid van het voorschrift;
h. de handhaafbaarheid van het voorschrift; en
i. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers.
3.
Onze Minister kan regels stellen voor de wijze waarop het college uitvoering geeft aan het eerste en tweede lid alsmede de wijze waarop het college bij de toelating voorschriften geeft voor de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming, goede gewasbeschermingspraktijken of het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken en materialen.
4.
Het college stelt bij iedere toelating voor niet-professioneel gebruik voorschriften als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet. Deze voorschriften hebben betrekking op gebruiksklare formuleringen en stellen beperkingen aan het formaat van de verpakking.
1.
Biociden worden bij de productie en distributie van drinkwater niet toegepast.
2.
In afwijking van het eerste lid mogen biociden bij de productie en distributie worden toegepast, indien is voldaan aan de bij regeling van Onze Minister gestelde voorwaarden, waaronder de mogelijkheid van een melding bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel a, van de wet, inzake gewasbeschermingsmiddelen kan worden verstrekt aan de persoon die:
a) een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding heeft gevolgd;
b) een bij regeling van Onze Minister aangewezen examen heeft afgelegd, of
c) een instructie heeft gevolgd waarvan de bij regeling van Onze Minister aangewezen instantie heeft geoordeeld dat hiermee voldoende kennis van de in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG genoemde onderwerpen wordt verkregen, gelet op de taken en verantwoordelijkheden van die persoon.
2.
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen, genoemd in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen en in voorkomend geval binnen de groepen van distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen.
3.
Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op welk niveau.
4.
De gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, dat is verkregen op grond van het eerste lid, onderdeel c, geeft geen recht op het ontvangen of voorhanden hebben van gewasbeschermingsmiddelen, toegelaten voor professioneel gebruik.
5.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, waarbij de gelding kan worden beperkt tot bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, bepaalde toepassingen of bepaalde ruimten of terreinen.
1.
Een bewijs van vakbekwaamheid inzake biociden als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de wet wordt verstrekt aan de persoon die voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen voorwaarden inzake:
a. de distributie van gasvormige en gasvormende biociden,
b. de bestrijding van mollen en woelratten,
c. het afweren of bestrijden van een dierplaag,
d. het bestrijden van een houtrotverwekkende schimmel, of
e. het toepassen van gasvormige en gasvormende biociden, met uitzondering van de bestrijding van mollen en woelratten als bedoeld in onderdeel b.
2.
De ondernemer van een bedrijf of hoofdverantwoordelijke voor een instelling is vrijgesteld van een bewijs van vakbekwaamheid voor handelingen met betrekking tot biociden:
a. die niet zijn genoemd in het eerste lid, of
b. die zijn genoemd in het eerste lid en die worden uitgevoerd door:
1°. een bedrijfsvoerder die in dienst is en die beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid, of
2°. een bedrijf dat voor de ondernemer een biocide toepast en waarvan de persoon die de biocide distribueert aan klanten of toepast, beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid.
3.
Artikel 71, eerste, tweede en derde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde gevallen.
4.
Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op welk niveau.
5.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen, genoemd in de artikelen 71, tweede lid, van de wet.
1.
Een bewijs van vakbekwaamheid wordt verstrekt voor een termijn van vijf jaar na het tijdstip waarop de opleiding is afgerond, het examen is afgelegd, of de instructie is verkregen, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, of aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, is voldaan.
2.
De geldigheid van een bewijs van vakbekwaamheid wordt na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve verlengd onder door Onze Minister bij ministeriële regeling vast te stellen voorwaarden.
3.
De vernieuwing van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, en 17a, eerste lid, wordt geweigerd indien niet is voldaan aan bij regeling door Onze Minister vast te stellen voorwaarden inzake scholing.
4.
Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, in een geval als bedoeld in artikel 85, eerste of derde lid, van de wet, tijdelijk of permanent intrekken. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen en de mate waarin tot intrekking kan worden overgegaan.
5.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling vast wanneer en op welke wijze na intrekking opnieuw een bewijs van vakbekwaamheid verkregen kan worden.
1.
Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, verstrekken aan een persoon, die onderdaan is van een lidstaat als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties wanneer op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is aangetoond dat deze persoon over gelijkwaardige kwalificaties beschikt als de houder van een bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen op grond van artikel 17, eerste lid, of 17a, eerste lid.
2.
Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, verstrekken aan een persoon die beschikt over een getuigschrift niet ouder dan vijf jaar van een door Onze Minister erkende buitenlandse opleiding buiten een lidstaat als bedoeld in het eerste lid, wanneer deze persoon door ervaring of opleiding na het verkrijgen van het getuigschrift nog steeds over een gelijkwaardige kwalificatie beschikt als de houder van een bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen op grond van artikel 17, eerste lid, of 17a, eerste lid.
3.
De houder van een bewijs van vakbekwaamheid beheerst de Nederlandse taal op een zodanig niveau dat voorschriften op etiketten van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en andere voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en biociden bij of krachtens de wet geldende voorschriften begrepen en uitgevoerd kunnen worden.
1.
Een ieder die bedrijfsmatig biociden distribueert, levert of aflevert houdt een administratie bij.
2.
De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het toelatingsnummer,
b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden,
c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de voorraad,
d. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als bedoeld in de onderdelen b en c, en
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de afnemer van de biocide.
3.
De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar. De administratie is op een toegankelijke wijze opgesteld, op eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf.
4.
Onze Minister kan categorieën van biociden uitzonderen van het gebod, bedoeld in het eerste lid.
5.
Bij regeling van Onze Minister kunnen aanvullende administratievoorschriften worden gesteld voor producenten, distributeurs, importeurs en gebruikers van biociden.
1.
Een ieder die biociden, die niet zijn aangemerkt als geschikt voor niet-professioneel gebruik, voor gebruikers voorhanden heeft, ontvangt of toepast, houdt een administratie bij.
2.
De administratie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het toelatingsnummer,
b. de ontvangen of toegepaste hoeveelheden biociden,
c. de voorraad middelen op 1 januari van enig kalenderjaar,
d. de datum van ontvangst of toepassing als bedoeld in onderdeel b, en
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de gebruiker van de biocide.
3.
De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.
4.
Onze Minister kan categorieën van middelen uitzonderen van het gebod, bedoeld in het eerste lid.
5.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling aanvullende administratievoorschriften stellen.
Artikel 25a. Bijhouden van registers van gewasbeschermingsmiddelen
Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009, regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de registratie van de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, de opslag of het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 25b. Informatieverstrekking niet-professioneel gebruik
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter uitvoering van artikel 73, vierde lid, van de wet.
Artikel 25c. Afleveren biociden door een distributeur
Een distributeur die biociden op de markt brengt draagt er in de wijze van zijn aflevering zorg voor dat biociden uitsluitend worden geleverd aan de in de toelating aangegeven gebruikers of hun personeel.
1.
Een ieder die met het oog op gebruik in enig jaar gewasbeschermingsmiddelen voorhanden of in voorraad heeft, of voornemens is gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken of onder zijn verantwoordelijkheid dan wel in zijn opdracht te laten gebruiken, houdt gedurende het teeltseizoen een gewasbeschermingsmonitor bij waarin aandacht wordt besteed aan de aspecten genoemd in bijlage 3 . De monitor wordt binnen twee maanden na een teelt afgerond.
2.
In de gewasbeschermingsmonitor wordt vermeld op welke wijze bij de behandeling van uitgangsmateriaal, tijdens het telen, bij de behandeling van geoogste planten of ander plantaardig materiaal, waaronder bij toepassing op verharde oppervlakken, invulling en uitvoering is gegeven aan de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde gewasbescherming, zoals opgenomen in de bijlage III bij richtlijn 2009/128/EG.
3.
Onze Minister kan op verzoek van een beroepsinstantie bij beleidsregel een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken vaststellen.
4.
Een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken als leidraad voor een juiste uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming kan onder meer uitgangspunten voor de opstelling van een gewasbeschermingsmonitor en handelwijzen voor de teelt bevatten.
5.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling teeltvoorschriften vaststellen die bij de opstelling van een gewasbeschermingsmonitor in acht genomen worden.
6.
Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:
a. uitsluitend een gewasbeschermingsmiddel voor niet-professioneel gebruik toepast,
b. onder de verantwoordelijkheid dan wel in opdracht van een derde een gewasbeschermingsmiddel toepast, of
c. uitsluitend minder dan 2 hectare maïs of gras teelt.
7
Bij ministeriële regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op een categorie van gebruikers, indien een systeem van kwaliteitszorg of andere regelgeving reeds op vergelijkbare wijze in de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming voorziet.
8.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels worden gesteld over geïntegreerde gewasbescherming door professionele gebruikers.
1.
De gewasbeschermingsmonitor is op een toegankelijke wijze opgesteld, op eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf van de gebruiker.
2.
Onze Minister kan voor een gewasbeschermingsmonitor als bedoeld in het eerste lid, een standaardformulier vaststellen.
3.
Onze Minister kan regels stellen voor het gebruik van het standaardformulier, bedoeld in het tweede lid.
4.
Onze Minister maakt het standaardformulier, bedoeld in het tweede lid, bekend in de Staatscourant.
Artikel 27a. Gebruik van prioritaire gevaarlijke stoffen
Een gewasbeschermingsmiddel dat een prioritaire gevaarlijke stof bevat als bedoeld in artikel 16, derde lid, van richtlijn 2000/60/EG wordt niet gebruikt in de nabijheid van oppervlaktewater of in gebieden die zijn aangewezen krachtens artikel 1.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer.
Artikel 27b. Verharde oppervlakken
Het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel wordt geminimaliseerd of blijft achterwege op en langs:
a. wegen, spoorwegen en andere infrastructuur in de nabijheid van oppervlaktewater of grondwater, alsook op verharde oppervlakken waar een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewateren of rioleringssystemen bestaat;
b. zeer doorlaatbare oppervlakken in de nabijheid van oppervlaktewater of grondwater.
1.
In niet-landbouwgebieden in gebruik bij het grote publiek of bij kwetsbare groepen als bedoeld in artikel 3 van verordening (EG) 1107/2009 wordt gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico als bedoeld in artikel 47 van verordening (EG) 1107/2009 of biologische bestrijdingsmethoden.
2.
Indien met de gewasbeschermingsmiddelen of bestrijdingsmethoden, bedoeld in het eerste lid, onvoldoende resultaat wordt geboekt of zo’n resultaat redelijkerwijs te verwachten is, kunnen andere toegelaten gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.
3.
Degene die voornemens is in de situatie, bedoeld in het tweede lid, een gewasbeschermingsmiddel te gebruiken, dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als vergiftig of zeer vergiftig, meldt zijn voornemen aan Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 32, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald binnen welke termijn na ontvangst van de melding Onze Minister van Economische Zaken kan besluiten het voorgenomen gebruik te verbieden, dan wel voorschriften en beperkingen te verbinden aan het gebruik.
Artikel 27d. Waarschuwingen in recent behandelde gebieden
Indien een gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt, waarvoor in het gebruiksvoorschrift bij de toelating een wachttermijn voor herbetreding is bepaald, zorgt een professionele gebruiker er voor dat andere personen op het bedrijf weten van die wachtttermijn en voor welke arealen van het bedrijf die wachttermijn geldt.
Artikel 28. Juist gebruik van biociden
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen voor een juist gebruik van biociden.
1.
Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel met behulp van een luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een bedreiging van de plantaardige productie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet. Artikel 38, tweede tot en met vijfde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing.
2.
Het is verboden een biocide met behulp van een luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een niet op andere wijze te bestrijden gevaar als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de wet.
3.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder een gewasbeschermingsmiddel of een biocide met behulp van een luchtvaartuig wordt toegepast.
1.
Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand in een besloten ruimte toepast, draagt er zorg voor dat:
a. inwerking en verspreiding van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide buiten de ruimte of grond, waarin deze behandeling plaatsvindt zoveel mogelijk wordt voorkomen;
b. alle toegangen zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld waarschuwingssignaal alsmede naar een door Onze Minister opgesteld model vastgesteld opschrift inzake de aard en het gevaar van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide;
c. de ruimte ontoegankelijk is voor onbevoegden;
d. na de in het gebruiksvoorschrift van het toegepaste gewasbeschermingsmiddel of biocide opgenomen veiligheidstermijn de aanwezigheid of de concentratie van het toegepaste gewasbeschermingsmiddel of de toegepaste biocide wordt gemeten met een daartoe geschikt instrument;
e. het waarschuwingssignaal en het opschrift, bedoeld in onderdeel b, worden na de meting, bedoeld in onderdeel d, zo mogelijk, afhankelijk van het resultaat van de meting, verwijderd.
2.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor daarbij aan te wijzen gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden nadere regels stellen en vrijstelling verlenen van verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onder de bij die vrijstelling gegeven voorwaarden en beperkingen.
1.
Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand anders dan voor het bestrijden van mollen of woelratten buiten een besloten ruimte toepast, meldt het voornemen tot toepassing bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien gebruik wordt gemaakt van een speciale installatie waarvoor ingevolge de Wet milieubeheer een vergunning is afgegeven voor uitsluitend het gebruik van gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
3.
Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand anders dan voor het bestrijden van mollen of woelratten buiten een besloten ruimte toepast stelt na de behandeling een gasvrijverklaring op voor de opdrachtgever.
4.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels inzake:
a. de wijze waarop een melding als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan alsmede binnen welke termijn een melding wordt gedaan of ingetrokken en
b. de geldigheidsduur van de melding.
5.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor daarbij aan te wijzen gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden nadere regels stellen en vrijstelling geven van verplichtingen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, onder de bij die vrijstelling gegeven voorwaarden en beperkingen.
1.
Degene die een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide toepast, meldt het voornemen tot toepassing bij Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien bij de toelating is bepaald dat voornoemd gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide niet in twee opeenvolgende jaren mag worden toegepast.
2.
Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, verstrekt een ontvangstbewijs van de melding aan de melder.
3.
Het voornemen tot toepassing van een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide wordt eveneens bij Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, gemeld, voor zover voor de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel of biocide in afwijking van de toelating, bedoeld in het eerste lid:
a. een vrijstelling is verleend voor een proef of experiment als bedoeld in artikel 37, eerste lid, of artikel 64, eerste lid, van de wet,
b. een vrijstelling is verleend op grond van artikel 38 of artikel 46, eerste lid, van de wet.
4.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels inzake:
a. de wijze waarop een melding wordt gedaan of ingetrokken;
b. de termijn voorafgaand aan de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide waar binnen een melding wordt gedaan,
c. de geldigheidsduur van de melding, en
d. de gegevens die bij de melding worden verstrekt.
5.
De aanvrager verstrekt het ontvangstbewijs, bedoeld in het tweede lid, aan de leverancier van het gewasbeschermingsmiddel bij de ontvangst van het gewasbeschermingsmiddel. De distributeur geeft een getekend afschrift van het ontvangstbewijs aan de melder.
6.
De melder, onderscheidenlijk de distributeur, bewaart het getekende afschrift van het ontvangstbewijs, onderscheidenlijk het ontvangstbewijs in zijn administratie.
Artikel 32a. Reinigingsplicht verpakkingen
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de terugwinning of verwijdering van restanten van gewasbeschermingsmiddelen uit de verpakkingen ervan.
1.
Apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitsluitend gebruikt indien zij voldoet aan de eisen van bijlage II bij richtlijn 2009/128/EG en daarvan blijkt door middel van een officieel goedkeuringsbewijs.
2.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de keuring van in gebruik zijnde apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder regels omtrent de keuringsfrequentie, de keuringseisen, de keuringsinstanties, het in rekening te brengen tarief voor de keuring en voor de afgifte van het officiële keuringsbewijs, alsmede de aanwijzing van apparatuur waarop het eerste lid niet van toepassing is, dan wel een afwijkende keuringsfrequentie van toepassing is.
Artikel 33. Kosten dwangbevel
De kosten, bedoeld in artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht die Onze Minister in rekening kan brengen voor het uitvaardigen van een dwangbevel bedragen ten hoogste een bedrag dat is berekend met toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
1.
Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister regels omtrent de indeling van boetes in de volgende categorieën:
a. € 50 tot € 250;
b. € 250 tot € 500;
c. € 500 tot € 1.000;
d. € 1.000 tot € 10.000.
2.
Bij het onderbrengen van overtredingen binnen de in het eerste lid genoemde categorieën wordt ten minste onderscheid gemaakt naar de functie van de overtreder.
3.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een hogere boete vaststellen, indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven.
Besluit overdracht zorg voor beleid inzake biociden van Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden">
Artikel 74. Besluit overdracht zorg voor beleid inzake biociden
Het koninklijk besluit van 14 december 2004, houdende de overdracht van de zorg voor het beleid inzake biociden (Stb. 2004, 696) wordt ingetrokken.
Artikel 75. Overgangsrecht bewijs van vakbekwaamheid
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de gelijkstelling van vergunningen verstrekt ingevolge het Besluit vakkennis- en vakbekwaamheidseisen bestrijdingsmiddelen zoals dit besluit bij inwerkingtreding van de wet bestond aan bewijzen van vakbekwaamheid verstrekt op grond van de artikelen 71, derde lid, en 76, derde lid, van de wet.
1.
Indien het bij koninklijke boodschap van 1 maart 2006 ingediende voorstel van wet regeling voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden ( Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ) (Kamerstukken II 2005/06, 30474, nr. 2), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking met uitzondering van:
a. artikel 29, eerste en tweede lid, dat vijf jaar na dat tijdstip in werking treedt en
b. artikel 20, derde lid, dat in werking treedt op 1 september 2009.
2.
In afwijking van het eerste lid kan artikel 29, eerste en tweede lid, op een eerder bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden indien een communautaire maatregel dit vereist.
Artikel 78. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 september 2007
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ,
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,
Uitgegeven de vijfentwintigste september 2007
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene begrippen
+ Hoofdstuk 2. Taken van het college
+ Hoofdstuk 3
+ Hoofdstuk 4. Beoordeling van aanvragen
+ Hoofdstuk 5. Handel en gebruik
+ Hoofdstuk 6. Handhaving
+ Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken