Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Besluit goederenvervoer over de weg

Uitgebreide informatie
Besluit van 27 april 1992, houdende regels ter uitvoering van de Wet goederenvervoer over de weg
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 oktober 1991, nr. WJZ/V125788, Directoraat-Generaal voor het Vervoer;
Gelet op de artikelen 1, derde lid, 5, tweede en vierde lid, 8, tweede lid, 9, tweede lid, 12, derde lid, 13, derde lid, 14, vierde lid, 15, derde lid, 19, tweede lid, 23, tweede lid, 25, tweede lid, 26, tweede lid, 27, vijfde lid, 28, 29, tweede lid, 32 en 51, tweede lid, van de Wet goederenvervoer over de weg ( Stb. 1992, 145);
Gelet op de Eerste Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten;
Gelet op Richtlijn 74/561(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg ( PbEG L 308) zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/438(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 juni 1989 tot wijziging van Richtlijn 74/561(EEG) ( PbEG L 212);
Gelet op Richtlijn 75/130(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 1975 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen de Lid-Staten ( PbEG L 48) zoals gewijzigd bij Richtlijn 86/544(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 november 1986 ( PbEG L 320);
Gelet op Verordening (EEG) nr. 3164/76 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1976, inzake de toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, ( PbEG L 356) zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1841/88 van 21 juni 1988 ( PbEG L 163) en bij verordening (EEG) nr. 3915/90 van 21 december 1990 ( PbEG L 375);
Gelet op Richtlijn 77/796(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van ondernemer van goederenvervoer over de weg en ondernemer van personenvervoer over de weg en houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vrije vestiging van die vervoerondernemers ( PbEG L 334) zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/438(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 juni 1989 ( PbEG L 212);
Gelet op Richtlijn 78/546(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de statistische registratie van het goederenvervoer over de weg in het kader van een regionale statistiek ( PbEG L 168) zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/462(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juli 1989 ( PbEG L 226);
Gelet op Richtlijn 84/647(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1984 betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg ( PbEG L 335) zoals gewijzigd bij Richtlijn 90/398(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1990 ( PbEG L 202);
Gelet op Verordening (EEG) nr. 4059/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 ( PbEG L 390) zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 296/91 ( PbEG L 36) tot vaststelling van de voorwaarden waaronder niet in een Lid-Staat woonachtige vervoerondernemers aldaar tot het binnenlands goederenvervoer over de weg worden toegelaten;
Gelet op Verordening (EEG) nr. 3916/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1990 betreffende in crisissituaties te nemen maatregelen op de markt voor het goederenvervoer over de weg ( PbEG L 375);
Gezien het advies van de Advies-Commissie Goederenvervoer bedoeld in artikel 6 van de Wet Autovervoer Goederen;
De Raad van State gehoord (advies van 10 maart 1992, no. W09 910574;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 april 1992, nr. WJZ/V 221943, Directoraat-Generaal voor het Vervoer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet goederenvervoer over de weg ( Stb. 1992, 145);
b. Lid-Staat: staat, lid van de Europese Unie;
c. richtlijn nr. 96/26/EG: richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (PbEG L 124);
d. verordening 881/92: verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten (PbEG L 95);
e. bestuurdersattest: bestuurdersattest als bedoeld in verordening 881/92;
f. landbouwbedrijf: bedrijf van akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, fruitteelt, tuinbouw - daaronder begrepen het kweken van bomen, bloemen en bloembollen -, de teelt van griendhout en elke soortgelijke vorm van bodemcultuur;
g. landbouwprodukten: produkten van het landbouwbedrijf;
h. C.E.M.T.-vergunning: de vergunning die door het Secretariaat van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer (C.E.M.T) wordt uitgegeven voor het verrichten van grensoverschrijdend beroepsgoederenvervoer;
i. cabotagevergunning: vergunning voor cabotagevervoer;
j. cabotagevervoer: het verrichten van binnenlands beroepsgoederenvervoer over de weg in een Staat door een ondernemer die in een andere Staat gevestigd is.
Artikel 2
Artikel 15, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op vervoer met vrachtauto’s in dienstgebruik bij:
a. het Ministerie van Defensie en bondgenootschappelijke krijgsmachten;
b. de politie;
c. de justitie;
d. de brandweer;
e. het Nederlandse Rode Kruis;
f. het in artikel 2 van de Wet Verplaatsing Bevolking ( Stb. 1952, 406) bedoelde gezag, voor zover dit vervoer betrekking heeft op verplaatsing van bevolking; en
g. de Nederlandsche Bank N.V.
1.
Artikel 5, eerste en derde lid, van de wet zijn niet van toepassing op het postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Postwet, door de houder van de concessie of door een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet.
2.
Artikel 5, eerste en derde lid , en artikel 15, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op:
a. vervoer bij de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen, die vrijkomen uit percelen waar zodanige stoffen geregeld in particuliere huishoudens ontstaan;
b. vervoer bij de verwijdering van afvalstoffen, die vrijkomen bij de uitvoering van reinigingswerken welke door, of in opdracht van, gemeentelijke diensten worden verricht;
c. vervoer van:
met in het bijzonder voor deze doelen ingerichte of uitgeruste vrachtauto's.
1. beer;
2. kolkafval;
3. spoel- en sproeiwater voor het reinigen van de openbare weg;
4. zand en chemicaliën voor de bestrijding van gladheid van wegen;
5. destructiemateriaal als bedoeld in artikel 2 van de Destructiewet ( Stb. 1957, 84);
1.
Artikel 5, eerste en derde lid , en artikel 15, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op:
a. vervoer van landbouwprodukten of goederen, te gebruiken bij het verrichten van landbouwwerkzaamheden, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ab of onderdeel ap , van het Voertuigreglement, alsmede de daardoor voortbewogen aanhangwagens, mits het betreft eigen vervoer verricht door een landbouwer ten dienste van zijn landbouwbedrijf, dan wel vervoer dat plaatsvindt rechtstreeks ten behoeve van een landbouwbedrijf en onmiddellijk vooraf gaat aan of volgt op, alsmede in direct verband staat met de uitvoering van landbouwwerkzaamheden;
b. eigen vervoer, verricht met vrachtauto’s waarmede onbeladen geen hogere snelheid bereikbaar is dan 10 km per uur;
c. vervoer van melk in melkbussen van veehouderijen naar zuivelfabrieken alsmede vervoer van daartoe gebruikte melkbussen van de zuivelfabriek naar de veehouderij terug;
d. vervoer van kranten, tijdschriften, reclamedrukwerken, verricht in een distributie- of verspreidbedrijf, mits dit bedrijf de beschikking heeft over niet meer dan één vrachtauto of over twee vrachtauto's, mits één daarvan een aanhangwagen is, en waarbij geldt dat het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen, van de vrachtauto, dan wel van de beide vrachtauto’s gezamenlijk, niet meer mag bedragen dan 3500 kg;
e. vervoer binnen Nederland of naar Nederland van voertuigen met toebehoren die tengevolge van een defect van het voertuig, ongeval of uitvallen van de bestuurder hun bestemming niet zonder hulp kunnen bereiken, alsmede vervoer binnen Nederland van in beslag genomen voertuigen, voor zover verricht met daartoe speciaal ingerichte vrachtauto’s met een maximum laadvermogen van 3500 kg, en overeenkomstige aanhangwagens met een maximum laadvermogen van 1500 kg, in opdracht van organisaties, die zich krachtens polisvoorwaarden of lidmaatschap jegens verzekerden, dan wel leden hebben verbonden tot hulpverlening in vorengenoemde omstandigheden, dan wel in opdracht van Nederlandse overheidsinstanties.
2.
Artikel 5, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:
a. beroepsvervoer binnen Nederland door en in opdracht van houders van een inschrijving eigen vervoer onderling van betonmortelspecie met daartoe speciaal ingerichte vrachtauto’s van de betonmortelfabriek naar in aanbouw zijnde bouwobjecten;
b. beroepsvervoer binnen Nederland, dat slechts een geringe weerslag op de vervoermarkt heeft wegens de aard van de vervoerde goederen of de geringe afstand die wordt afgelegd, en op grond daarvan door Onze Minister na raadpleging van de Europese Commissie is vrijgesteld van de toepassing van richtlijn nr. 96/26/EG.
Artikel 5
Artikel 5, eerste en derde lid , en artikel 15, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op vervoer van goederen met een door een bus in de zin van de Wet personenvervoer 2000 voortbewogen aanhangwagen of een door een auto in de zin van die wet voortbewogen middenasaanhangwagen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel al, van het Voertuigreglement, mits de goederen behoren bij de krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 5 van evengenoemde wet gelijktijdig in die bus of auto vervoerde personen.
Artikel 6
Artikel 5, derde lid, van de wet is niet van toepassing op beroepsvervoer verricht met een vrachtauto waarvan het maximaal toegestaan gewicht niet meer bedraagt dan 3500 kg.
Artikel 6a
Als bepalingen als bedoeld in artikel 31 van de wet worden aangewezen artikel 72, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 5.1.2 in verbinding met artikel 5.18.17 of in verbinding met artikel 5.18.18 van het Voertuigreglement.
1.
De NIWO is, onverminderd het bepaalde in artikel 32, onderdelen a tot en met e, van de wet belast met de volgende taken;
a. het bijhouden van een registratie- en signaleringssysteem ter uitvoering van het bepaalde in artikel 12 van de wet;
b. het beheer van gegevensbestanden uit hoofde van haar publieke taken; en
c. deelname aan onderhandelingen in het kader van bilaterale verdragen met andere Staten, dan wel ter afsluiting van bilaterale verdragen.
2.
De NIWO deelt Onze Minister jaarlijks zo spoedig mogelijk na 1 januari mee hoeveel vervoerders op 31 december van het voorafgaande jaar houder waren van een communautaire vergunning en hoeveel gewaarmerkte kopieën zijn afgegeven.
3.
Bij ministeriële regeling kan de NIWO belast worden met overige taken.
4.
De NIWO is de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, 7, tweede lid, 8 en 11, derde lid, van verordening 881/92.
1.
De indiening van een aanvraag voor een vergunning tot het verrichten van binnenlands beroepsvervoer geschiedt bij de NIWO.
2.
De in het eerste lid bedoelde formulieren dienen volledig en naar waarheid ingevuld te worden.
Artikel 9
De aanvraag om afgifte van een vergunningbewijs voor binnenlands vervoer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet wordt ingediend bij de NIWO.
1.
Een vergunningbewijs wordt verleend voor een vrachtauto al dan niet met een aanhangwagen, of voor een samenstel van een trekker en een oplegger.
2.
Op een vergunningbewijs worden de naam en het adres van de vergunninghouder vermeld alsmede een code waaronder deze door de NIWO is geregistreerd.
Artikel 11
De modellen van vergunningbewijzen worden vastgesteld door de NIWO. De bewijzen worden gesteld op linnen of duurzaam papier.
Artikel 12
De afgifte van vergunningbewijzen geschiedt na ontvangst door de NIWO van de in artikel 27 van de wet bedoelde vergoeding.
Artikel 13
In geval van toepassing van artikel 11, eerste lid, van de wet dan wel wanneer toepassing is gegeven aan artikel 12, eerste lid, van de wet, dienen de vergunningbewijzen die in het bezit zijn van de vergunninghouder binnen één week na het tijdstip waarop de daaraan ten grondslag liggende vergunning haar geldigheid heeft verloren dan wel ingetrokken is, door de vergunninghouder ingeleverd te worden bij de NIWO.
1.
Degene die binnenlands beroepsvervoer verricht met een vrachtauto en voor wie een vergunningplicht geldt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet , alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij de vrachtauto een geldig vergunningbewijs aanwezig is.
2.
Deze verplichting geldt eveneens in geval van lege ritten in verband met het in het eerste lid bedoelde vervoer.
Artikel 15
De indiening van een aanvraag om een communautaire vergunning geschiedt bij de NIWO.
Artikel 16
Het bepaalde in de artikelen 9, 10, 12 en 13 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Degene die grensoverschrijdend beroepsvervoer verricht met een vrachtauto en voor wie een vergunningplicht geldt als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet , alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij de vrachtauto naast de voor grensoverschrijdend beroepsvervoer geldige gewaarmerkte kopie tevens het voor binnenlands beroepsvervoer geldige vergunningbewijs aanwezig is.
2.
Deze verplichting geldt eveneens in geval van lege ritten in verband met het in het eerste lid bedoelde vervoer.
1.
Ter voldoening aan de eis van betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a , van de wet, is overlegging vereist van een niet ouder dan drie maanden zijnde verklaring omtrent het gedrag ten dienste van het verkrijgen van een vergunning voor beroepsvervoer en afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële gegevens .
2.
Een ondernemer of bestuurder van een onderneming tot het verrichten van beroepsvervoer wiens land van oorsprong of herkomst een andere Lid-Staat is dan Nederland, dan wel een andere staat, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voldoet aan de eis van betrouwbaarheid door overlegging van een document of verklaring, in die andere staat afgegeven overeenkomstig het tweede, derde en vierde lid van artikel 8 van richtlijn nr. 96/26/EG en niet ouder dan drie maanden.
Artikel 19
Een verklaring als bedoeld in artikel 18, eerste lid, dient elke vijf jaar opnieuw overgelegd te worden.
1.
Ter voldoening aan de eis van kredietwaardigheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de wet dient de ondernemer te beschikken over een bij ministeriële regeling vast te stellen kapitaal en reserves benodigd voor een correcte aanvang en een goed beheer van de onderneming.
2.
Omtrent het voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis van kredietwaardigheid stelt de NIWO een onderzoek in op de voet van het bepaalde in artikel 3, derde lid, onder b) van richtlijn nr. 96/26/EG.
3.
De NIWO onderzoekt iedere vijf jaar of aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan. De NIWO kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van het tijdstip van dat onderzoek.
4.
De NIWO kan de ondernemer tijdens het onderzoek, bedoeld in het derde lid, een uitstel van ten hoogste een jaar verlenen ten behoeve van de vaststelling van het voldoen aan de eis van kredietwaardigheid indien de ondernemer heeft aangetoond dat het op grond van de algemene economische situatie van zijn onderneming waarschijnlijk is dat hij voor afloop van het verleende uitstel zal voldoen aan de eis van kredietwaardigheid.
5.
Een onderneming tot het verrichten van beroepsvervoer, die gevestigd is in een andere Lid-Staat dan Nederland, dan wel in een van de overige staten, die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voldoet eveneens aan de eis van kredietwaardigheid, indien een verklaring overgelegd wordt die overeenkomstig artikel 9 van richtlijn nr. 96/26/EG in die andere staat is afgegeven en die niet ouder is dan drie maanden.
1.
Aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de wet, wordt voldaan door degene die:
a. een door Onze Minister erkend getuigschrift overlegt van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de onderwerpen en het opleidingsniveau van bijlage I van richtlijn nr. 96/26/EG en die overeenkomstig die bijlage zijn georganiseerd, of
b. een verklaring van vakbekwaamheid overlegt die op grond van artikel 3, vierde lid, van richtlijn nr. 96/26/EG, door een andere Lidstaat, dan wel door een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is afgegeven.
2.
Bij ministeriële regeling kan bepaald worden van welke onderwerpen, genoemd in bijlage I van richtlijn nr. 96/26/EG, vrijstelling verleend kan worden aan houders van in die regeling genoemde diploma's.
3.
[Door vernummering vervallen.]
4.
Op het moment dat vijf jaar is verstreken na het tijdstip van de vergunningverlening toont de ondernemer aan dat hij voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.
Artikel 22
Onverminderd het bepaalde in artikel 21, eerste lid, dient ter voldoening aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet , een bij ministeriële regeling erkend vakdiploma voor grensoverschrijdend beroepsvervoer overgelegd te worden. Het bepaalde in artikel 21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
Exemplaren van de verklaring van dienstbetrekking, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet , worden op aanvraag van de vergunninghouder namens Onze Minister door een door hem aan te wijzen ambtenaar ter beschikking gesteld.
Artikel 24
Bij indiensttreding van een bestuurder van een vrachtauto moet de vergunninghouder:
a. aan de bestuurder een verklaring als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet verstrekken, ondertekend door zowel de vergunninghouder als de bestuurder;
b. na afgifte een ingevuld en ondertekend duplicaat van de verklaring terstond toezenden aan een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar; en
c. een duplicaat van de ingevulde en ondertekende verklaring bewaren ten kantore van zijn bedrijf.
Artikel 25
Bij beëindigen van de dienstbetrekking van een bestuurder van een vrachtauto moet de vergunninghouder:
a. de in artikel 24, onderdeel a, bedoelde verklaring innemen;
b. de datum van beëindiging van de dienstbetrekking aantekenen op de verklaring en op het duplicaat, bedoeld in artikel 24, onderdeel c;
c. De verklaring terstond zenden aan een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar; en
d. het duplicaat tot één jaar na het beëindigen van de dienstbetrekking ten kantore van zijn bedrijf bewaren.
Artikel 26
Artikel 14, eerste lid, van de wet is niet van toepassing wanneer gebruik wordt gemaakt van:
a. een werknemer, die voor beperkte tijd bij wijze van hulpbetoon zonder winstoogmerk aan een vergunninghouder ter beschikking is gesteld door een andere vergunninghouder bij wie die werknemer in dienstbetrekking is en die ten bewijze daarvan een verklaring van dienstbetrekking kan tonen; of
b. een werknemer, die door een door Onze Minister aan te wijzen instelling aan een vergunninghouder ter beschikking is gesteld en die ten bewijze daarvan een door deze instelling afgegeven verklaring kan tonen volgens een door Onze Minister vastgesteld model.
1.
Degene die beroepsvervoer verricht met een vrachtauto alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat in de vrachtauto een verklaring als bedoeld in artikel 24, onderdeel a, dan wel artikel 26, onderdeel b, aanwezig is.
2.
Deze verplichting geldt eveneens in geval van lege ritten in verband met het in het eerste lid bedoelde vervoer.
Artikel 28
Indien de natuurlijke persoon die de werkzaamheden van vervoerder verricht of de natuurlijke persoon die voldoet aan het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en c , van de wet, is overleden dan wel lichamelijk of wettelijk onbekwaam is geworden om als ondernemer op te treden, verleent de NIWO op aanvraag van belanghebbenden een vergunning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet , teneinde belanghebbenden de gelegenheid te bieden alsnog in de ontbrekende vakbekwaamheid of betrouwbaarheid te voorzien.
Artikel 29
In afwijking van het bepaalde in artikel 28 verleent de NIWO op aanvraag van belanghebbenden een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste, onderscheidenlijk derde lid, van de wet aan een persoon die niet voldoet aan de in artikel 8, eerste lid, onderdeel c , van de wet, bedoelde eis van vakbekwaamheid, indien deze persoon:
a. beschikt over tien jaren ervaring in de leiding van een met vergunning uitgeoefende vervoeronderneming, waarvan ten minste drie jaren in het dagelijks beheer van de voort te zetten onderneming; en
b. tenminste de leeftijd van veertig jaren heeft bereikt.
Artikel 30
De indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28, dan wel 29 geschiedt bij de NIWO.
1.
Een aanvraag om verlenging als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet , dient uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur van de toestemming is verstreken ingediend te worden.
2.
Indien niet binnen acht weken na het in behandeling nemen van de aanvraag is beslist, is de aanvraag toegewezen.
Artikel 32
Op vergunningbewijzen en gewaarmerkte kopieën, afgegeven op een aanvraag als bedoeld in artikel 28, wordt de geldigheidsduur vermeld.
Artikel 33
Het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 14 en 17 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Aan de eis van betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a , van de wet wordt niet langer voldaan indien de natuurlijke persoon of personen die permanent en daadwerkelijk leiding geven aan het beroepsvervoer in een aaneengesloten periode van drie jaar herhaaldelijk - al dan niet met toepassing van artikel 51, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht - onherroepelijk tot straf veroordeeld zijn wegens:
b. overtreding van artikel 31 van de wet voor wat betreft de technische staat van de vrachtauto;
c. overtreding van artikel 31 van de wet voor wat betreft de belading van de vrachtauto;
2.
Aan de eis van betrouwbaarheid wordt niet langer voldaan indien herhaaldelijk bij onherroepelijk vonnis van de burgerlijke rechter is vastgesteld dat de in het beroep geldende loon- en andere op geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden niet zijn nageleefd.
3.
Het in lege toestand verplaatsen van een vrachtauto wordt gelijkgesteld met beroepsvervoer in geval van toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b en het tweede lid.
4.
Bij ministeriële regeling wordt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld op welk tijdstip de periode van drie jaar een aanvang neemt en bij welke aard van de overtredingen en cumulatie van veroordelingen onderscheidenlijk vonnissen genoemd in het eerste en tweede lid, niet langer meer wordt voldaan aan de eis van betrouwbaarheid.
1.
Er is sprake van herhaaldelijk in strijd handelen met het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de wet indien de vergunninghouder binnen een aaneengesloten periode van drie jaar een bij ministeriële regeling vast te stellen aantal malen onherroepelijk tot straf veroordeeld is wegens overtreding van eerdergenoemd artikel.
2.
De periode van drie jaar vangt aan op de datum van de eerste onherroepelijke veroordeling.
Artikel 36
Indien de vergunninghouder zich schuldig maakt aan overtreding van artikel 14 van de wet stelt de NIWO hem ten minste één maal op de hoogte van de mogelijkheid van intrekking van de vergunning op grond van het bepaalde in artikel 35, eerste lid.
Artikel 37
Indien ingevolge het bepaalde in de artikelen 34 en 35 de betrouwbaarheid dreigt te ontvallen, stelt de NIWO de vergunninghouder daarvan ten minste één maal op de hoogte.
1.
De houder van een vergunning is verplicht deze, alsmede de daarop berustende vergunningbewijzen binnen één week na de dagtekening in de beschikking van de NIWO waarbij zij wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder tevens in het bezit is van een communautaire vergunning, dient dit document alsmede de daarop berustende gewaarmerkte kopieën tegelijkertijd ingeleverd te worden.
3.
De bij een vergunninghouder gebezigde verklaringen van dienstbetrekking dienen op hetzelfde tijdstip ingeleverd te worden bij een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar.
1.
Alvorens de SIEV overgaat tot verlening van een inschrijving eigen vervoer, dient door de aanvrager te zijn aangetoond dat:
a. het vervoer een onderdeel vormt van het totaal van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming van degene voor wiens rekening en risico de goederen worden vervoerd; en
b. het vervoer in het geheel van de bedrijfsactiviteiten geen hoofdactiviteit, maar een werkzaamheid van ondersteunende aard vormt.
2.
In het geval dat de vervoers- en overige bedrijfsactiviteiten zijn ondergebracht in verschillende juridisch gescheiden ondernemingen, dient de aanvrager bovendien aan te tonen dat de betrokken ondernemingen in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig verweven zijn dat zij als onderdelen van dezelfde organisatie beschouwd kunnen worden.
3.
Van verwevenheid in financieel opzicht is sprake indien ten minste de meerderheid van de aandelen in elk van de ondernemingen - daaronder begrepen de zeggenschap - middellijk of onmiddellijk in dezelfde hand is, dan wel indien meer dan de helft van het vermogen van elk der ondernemingen in dezelfde hand is.
4.
Van verwevenheid in organisatorisch opzicht is sprake indien de ondernemingen onder een gezamenlijke, althans als een eenheid functionerende, leiding staan, dan wel de leiding van de ene onderneming ten opzichte van die van de andere onderneming in een positie van feitelijke ondergeschiktheid verkeert.
5.
Van verwevenheid in economisch opzicht is sprake indien de activiteiten van de ondernemingen in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van eenzelfde ondernemingsdoelstelling, dan wel de activiteiten van de ene onderneming in hoofdzaak ten behoeve van de andere onderneming worden uitgeoefend.
Artikel 40
De verwevenheid bedoeld in artikel 39, tweede lid, kan in ieder geval aangetoond worden door:
a. een beschikking op basis van artikel 15 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 ( Stb. 469) waarbij de betrokken ondernemingen tezamen als één fiscale eenheid worden aangemerkt; of
b. een verklaring dat de betrokken ondernemingen als één ondernemer worden aangemerkt in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 ( Stb. 329).
1.
Een aanvraag om verlenging als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de wet dient uiterlijk acht weken voordat de geldigheidsduur van de inschrijving is verstreken ingediend te worden.
2.
Bij verlenging van de inschrijving dienen nieuwe inschrijvingsbewijzen aangevraagd te worden.
1.
De inschrijving kan bij verandering van de aard of de rechtsvorm van de onderneming of het bedrijf op aanvraag van de ingeschrevene worden gewijzigd.
2.
Bij wijziging van de inschrijving dienen nieuwe inschrijvingsbewijzen aangevraagd te worden.
Artikel 43
De aanvraag om inschrijving voor het verrichten van eigen vervoer en de aanvraag om verlenging, wijziging of doorhaling van een inschrijving wordt ingediend bij de SIEV.
Artikel 44
De aanvraag om afgifte van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de wet wordt ingediend bij de SIEV.
1.
Een inschrijvingsbewijs wordt verleend voor een vrachtauto al dan niet met een aanhangwagen, of voor een samenstel van trekker en een oplegger.
2.
Op een inschrijvingsbewijs worden de naam, het adres en de aard van het bedrijf van de ingeschrevene vermeld, alsmede de datum waarop de geldigheidsduur van de inschrijving afloopt.
Artikel 46
De modellen van de inschrijvingsbewijzen worden vastgesteld door de SIEV. De bewijzen worden gesteld op linnen of duurzaam papier.
1.
Degene die eigen vervoer verricht met een vrachtauto onder gelding van een inschrijving eigen vervoer alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat in de vrachtauto een geldig inschrijvingsbewijs aanwezig is.
2.
Deze verplichting geldt eveneens in geval van lege ritten in verband met het in het eerste lid bedoelde vervoer.
Artikel 48
Ingeval zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 22 van de wet, dan wel wanneer toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de wet, dienen de inschrijvingsbewijzen die in het bezit zijn van de ingeschrevene binnen één week na het tijdstip waarop de daaraan ten grondslag liggende inschrijving haar geldigheid heeft verloren, dan wel is doorgehaald, ingeleverd te worden bij de SIEV.
Artikel 49
Diegene die grensoverschrijdend eigen vervoer verricht dient in het bezit te zijn van een machtiging op grond van een overeenkomst met een andere Staat, tijdens het verrichten van vervoer op het grondgebied van die Staat, indien door die Staat een machtiging wordt geëist voor grensoverschrijdend eigen vervoer naar, door of van het grondgebied van die Staat.
Artikel 50
Geen machtiging is vereist voor grensoverschrijdend eigen vervoer indien het eigen vervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in overeenkomsten met andere Staten, betreffende het grensoverschrijdend eigen vervoer van goederen met vrachtauto’s en regelende de erkenning van inschrijving, of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, voor zover zulks bij ministeriële regeling is bepaald.
Artikel 51
Aanvragen om machtigingen worden ingediend bij de SIEV.
Artikel 52
Bij inwilliging van de aanvraag worden door de SIEV aan de aanvrager een of meer machtigingen verstrekt.
1.
Een machtiging wordt door de SIEV ingetrokken:
a. op verzoek van de ondernemer;
b. indien de ondernemer niet meer in het bezit is van een inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 15 van de wet ;
c. indien blijkt van geen of onvoldoende gebruik.
2.
De houder van een machtiging is verplicht deze binnen één week na de dagtekening in de beschikking van de SIEV waarbij zij wordt ingetrokken, bij de SIEV in te leveren.
1.
Op een machtiging worden vermeld naam en adres van de houder, de aard van de onderneming of het bedrijf, de datum waarop op het verzoek om machtiging gunstig is beslist alsmede haar geldigheidsduur.
2.
Op een machtiging wordt nauwkeurig omschreven voor welk vervoer toelating is verleend en onder welke voorwaarden.
Artikel 55
Degene die eigen vervoer verricht met een vrachtauto krachtens een machtiging alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen, onverminderd het bepaalde in artikel 47, dat bij de vrachtauto een geldige machtiging aanwezig is.
Artikel 56
Met betrekking tot de aanvraag, de uitreiking en de intrekking van machtigingen ten behoeve van eigen vervoer bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 51 tot en met 54 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 57
De SIEV kan ter uitvoering van een overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en een andere Staat of een volkenrechtelijke organisatie of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid bepalen, dat door de SIEV te verstrekken machtigingen worden uitgereikt door een buitenlandse instantie.
Artikel 58
Van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de wet kan bij ministeriële regeling vrijstelling worden verleend indien het eigen vervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in overeenkomsten met andere Staten, betreffende het grensoverschrijdend eigen vervoer van goederen met vrachtauto’s en regelende de erkenning van inschrijving, of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 59
Degene die grensoverschrijdend eigen vervoer verricht krachtens een machtiging met een vrachtauto alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij de vrachtauto een geldige machtiging aanwezig is.
1.
Er is sprake van herhaaldelijk in strijd handelen met het bepaalde in artikel 5, eerste of derde lid , of artikel 21 van de wet, indien de houder van een inschrijving binnen een aaneengesloten periode van drie jaar drie maal onherroepelijk tot straf veroordeeld is wegens overtreding van de eerdergenoemde artikelen.
2.
De periode van drie jaar vangt aan op de datum van de eerste onherroepelijke veroordeling.
3.
Een veroordeling vervalt na drie jaar.
Artikel 61
Indien de houder van een inschrijving zich schuldig maakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 5, eerste of derde lid , of artikel 21 van de wet, stelt de SIEV hem ten minste één maal op de hoogte van de daarop staande sanctie van doorhaling van de inschrijving.
Artikel 62
De houder van een inschrijving eigen vervoer is verplicht deze, alsmede de op basis daarvan afgegeven inschrijvingsbewijzen, binnen één week na dagtekening van een beschikking van de SIEV, waarbij zij wordt doorgehaald, bij de SIEV in te leveren.
Artikel 63
Onder aanvullende documenten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet worden verstaan:
a. een bestuurdersattest;
b. een C.E.M.T.-vergunning;
c. een machtiging op grond van een overeenkomst met een andere staat.
1.
Van de verplichting te beschikken over een bestuurdersattest is vrijgesteld de houder van een communautaire vergunning voorzover het vervoer wordt verricht door een bestuurder die onderdaan is van een Lid-Staat, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
2.
Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van een aanvullend document als bedoeld in artikel 63, onderdelen b en c, indien het vervoer geschiedt in overeenstemming met een overeenkomst met een andere staat of ter uitvoering van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, betreffende het grensoverschrijdend beroepsvervoer van goederen met vrachtauto's en regelende de erkenning van vergunningen, dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid.
1.
De NIWO verleent aan de houder van een communautaire vergunning op diens aanvraag een bestuurdersattest indien wordt voldaan aan artikel 3, derde lid, van verordening 881/92.
2.
Onze Minister stelt nadere regels ter uitvoering van artikel 3, derde lid, van verordening 881/92.
1.
Het bestuurdersattest wordt verleend voor de periode waarin wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 65, doch ten hoogste voor vijf jaar.
2.
Indien het attest is verleend voor een kortere periode dan vijf jaar, kan, onverminderd het eerste lid, de geldigheidsduur van het attest worden verlengd.
1.
De vergunninghouder en de bestuurder van de vrachtauto handelen overeenkomstig artikel 6, vierde lid, van verordening 881/92.
2.
De vergunninghouder levert het bestuurdersattest bij de NIWO in binnen een week na de dagtekening van de beschikking waarbij de NIWO het bestuurdersattest intrekt.
1.
C.E.M.T.-vergunningen worden door de NIWO uitsluitend uitgereikt aan houders van een communautaire vergunning.
2.
Aanvragen om een C.E.M.T.-vergunning, geldig voor het volgende kalenderjaar, moeten vóór een door de NIWO te bepalen datum bij de NIWO worden ingediend; aanvragen om een C.E.M.T.-vergunning voor het lopende kalenderjaar kunnen gedurende dat jaar bij de NIWO worden ingediend.
3.
Bij overschrijding van de in het tweede lid bedoelde datum wordt de aanvrager in zijn aanvraag niet ontvangen.
4.
De NIWO beschikt op de ingediende aanvragen:
a. indien het betreft een C.E.M.T.-vergunning, geldig voor het volgende kalenderjaar, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na de in het tweede lid bedoelde datum;
b. indien het betreft een C.E.M.T.-vergunning, geldig voor het lopende kalenderjaar, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na de datum van indiening van de aanvraag.
1.
Voor de behandeling van de aanvraag om een C.E.M.T.-vergunning en voor de uitreiking daarvan is de aanvrager aan de NIWO een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.
2.
De NIWO reikt een vergunning eerst uit nadat de in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ontvangen.
3.
Indien de verschuldigde vergoedingen niet zijn ontvangen binnen twintig dagen nadat de aanvrager van de beslissing van de NIWO in kennis is gesteld, is de NIWO bevoegd de aanvraag alsnog af te wijzen.
1.
De houder van een C.E.M.T.-vergunning moet een daarbijbehorend rittenboekje bijhouden, uitgegeven door het Secretariaat van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer.
2.
De NIWO reikt aan de houder van een C.E.M.T.-vergunning op zijn verzoek de nodige rittenboekjes uit. De NIWO draagt zorg voor de invulling van de omslag van het boekje.
3.
De houder van een C.E.M.T.-vergunning moet een verslag van het verrichte vervoer opmaken voor elke beladen rit, afgelegd tussen elke plaats waar geladen of gelost wordt, alsmede voor elke ledige rit, met inachtneming van de in het rittenboekje gegeven aanwijzingen.
4.
De verslagen van het verrichte vervoer moeten zodanig worden opgesteld, dat de chronologische volgorde van de voor de verschillende al dan niet beladen ritten afgelegde trajecten wordt aangehouden.
Artikel 78
Degene, die krachtens een C.E.M.T.-vergunning grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto verricht, alsmede de bestuurder van die vrachtauto is, onverminderd het bepaalde in de artikelen 17 en 27, verplicht ervoor zorg te dragen, dat de geldige C.E.M.T.-vergunning en het bijbehorende rittenboekje bij de vrachtauto aanwezig zijn.
1.
De houder van een C.E.M.T.-vergunning is verplicht de bladen met verslagen van het verrichte vervoer binnen twee weken na het verstrijken van de maand waarop zij betrekking hebben, aan de NIWO toe te zenden.
2.
De NIWO verzamelt de ingevolge het bepaalde in het eerste lid ontvangen gegevens en brengt deze halfjaarlijks ter kennis van Onze Minister op een door deze te bepalen wijze en binnen een door deze te bepalen periode.
1.
De C.E.M.T.-vergunning wordt door de NIWO ingetrokken:
a. Op verzoek van de ondernemer;
b. indien de ondernemer niet meer in het bezit is van een communautaire vergunning.
2.
De C.E.M.T.-vergunning kan door de NIWO worden ingetrokken indien blijkt van geen, onvoldoende of een tot bilateraal vervoer beperkt gebruik.
Artikel 81
De houder van een C.E.M.T.-vergunning is verplicht deze binnen één week na de dagtekening van een beschikking van de NIWO, waarbij zij wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.
Artikel 82
Machtigingen als bedoeld in artikel 63, onderdeel c, worden door de NIWO uitsluitend uitgereikt aan houders van een communautaire vergunning.
1.
De NIWO beschikt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen acht weken op de ingediende aanvragen om machtigingen.
2.
Indien niet binnen acht weken na het in behandeling nemen van de aanvraag is beslist, is de aanvraag toegewezen.
Artikel 84
Een machtiging wordt verleend voor een vrachtauto al dan niet met een aanhangwagen, of voor een samenstel van een trekker en een oplegger, waarbij het trekkend voertuig in de Staat van vestiging van de vergunninghouder geregistreerd dient te zijn.
1.
Op een machtiging worden vermeld naam en adres van de houder, de datum waarop op het verzoek om machtiging gunstig is beslist alsmede haar geldigheidsduur.
2.
Op een machtiging wordt nauwkeurig omschreven onder welke voorwaarden zij is verleend.
3.
Voor de verstrekking van een machtiging is de aanvrager een vergoeding verschuldigd.
4.
De uitreiking van een machtiging vindt eerst plaats nadat de verschuldigde vergoeding is voldaan.
1.
De machtiging wordt door de NIWO ingetrokken:
a. op verzoek van de ondernemer;
b. indien de ondernemer niet meer in het bezit is van een communautaire vergunning of
c. bij geen of onvoldoende gebruik.
2.
De houder van een machtiging is verplicht deze binnen één week na de dagtekening van een beschikking van de NIWO, waarbij zij wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.
Artikel 87
Degene die grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto verricht krachtens een machtiging alsmede de bestuurder van die vrachtauto is, onverminderd het bepaalde in de artikelen 17 en 27 verplicht er voor zorg te dragen, dat bij de vrachtauto een geldige machtiging aanwezig is tijdens het verrichten van vervoer op het grondgebied van een bepaalde Staat, indien voor grensoverschrijdend beroepsvervoer naar, door of van die Staat een machtiging wordt geëist.
1.
Cabotagevergunningen worden door de NIWO uitsluitend uitgereikt aan in Nederland gevestigde ondernemers die in het bezit zijn van een communautaire vergunning.
2.
Cabotagevergunningen worden verleend voor een periode, die duurt tot en met 31 december van het jaar, waarin zij zijn aangevraagd.
Artikel 89
Met betrekking tot de aanvraag en de uitreiking van een cabotagevergunning is het bepaalde in de artikelen 75 en 76 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 90
Indien in de loop van een kalenderjaar cabotagevergunningen beschikbaar komen, worden deze vergunningen in volgorde van binnenkomst toegedeeld aan diegenen die reeds een aanvraag om een cabotagevergunning, conform artikel 89, hebben ingediend.
Artikel 91
De NIWO verstrekt aan de houder van een cabotagevergunning op zijn verzoek de nodige boekjes verslagen cabotagevervoer tegen betaling van een vergoeding per boekje. De NIWO draagt zorg voor de invulling van de omslag van een boekje.
1.
Een in Nederland gevestigde ondernemer mag slechts cabotagevervoer verrichten krachtens een speciaal document.
2.
Indien het in het eerste lid bedoelde cabotagevervoer verricht wordt in een Lid-Staat dan geldt als speciaal document een cabotagevergunning.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing indien het vervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in overeenkomsten met andere Staten of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid, voor zover zulks bij ministeriële regeling bekend is gemaakt.
Artikel 93
De houder van een cabotagevergunning is verplicht zorg te dragen voor de invulling van een boekje verslagen cabotagevervoer volgens de algemene bepalingen die zijn vermeld op de achterzijde van het eerste blad van de omslag van een boekje verslagen en van de toelichting die is vermeld op de voorzijde van het blad dat aan de uitscheurbare bladen voorafgaat.
1.
Degene, die krachtens een cabotagevergunning vervoer verricht met een vrachtauto, alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen, dat een geldige cabotagevergunning en een bijbehorend boekje verslagen cabotagevervoer bij de vrachtauto aanwezig zijn.
2.
Een cabotagevergunning mag slechts voor één vrachtauto tegelijk worden gebruikt.
3.
Een cabotagevergunning dient het trekkend voertuig te vergezellen.
4.
Een cabotagevergunning mag niet aan derden worden overgedragen.
1.
De houder van een cabotagevergunning is verplicht deze vergunning binnen een week na het verstrijken van de geldigheidsduur, aan de NIWO te zenden.
2.
De houder van een cabotagevergunning is verplicht de gebruikte verslagen van een boekje verslagen cabotagevervoer binnen een week na het verstrijken van de maand, waarop zij betrekking hebben aan de NIWO te zenden.
1.
Een cabotagevergunning wordt door de NIWO ingetrokken:
a. op verzoek van de ondernemer;
b. indien de ondernemer niet meer in het bezit is van een communautaire vergunning.
2.
Indien door de houder van een cabotagevergunning geen of onvoldoende gebruik is gemaakt van reeds uitgereikte cabotagevergunningen kan de NIWO de afgifte van toegekende maar nog niet uitgereikte cabotagevergunningen weigeren.
Artikel 97
De houder van een cabotagevergunning is verplicht deze binnen één week na de dagtekening van een beschikking van de NIWO, waarbij zij wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.
1.
Een ondernemer, die is gevestigd in een andere Staat dan Nederland, mag slechts cabotagevervoer verrichten in Nederland krachtens een speciaal document.
2.
Indien de ondernemer gevestigd is in een Lid-Staat dan geldt als speciaal document een cabotagevergunning. Het bepaalde in artikel 94 is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing indien het vervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in overeenkomsten met andere Staten of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid, voor zover zulks bekend is gemaakt bij ministeriële regeling.
4.
In de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen ter uitvoering van de in dat lid bedoelde overeenkomsten of besluiten, dan wel van het in dat lid bedoelde beleid, nadere regels worden gesteld.
Artikel 99
Met betrekking tot de aanvraag, de uitreiking en de intrekking van een machtiging als bedoeld in artikel 25 van de wet zijn de artikelen 83 tot en met 86 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 100
De NIWO kan ter uitvoering van een overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en een andere Staat of een volkenrechtelijke organisatie of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid bepalen, dat door de NIWO te verstrekken machtigingen worden uitgereikt door een buitenlandse instantie.
Artikel 101
Van de machtiging, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, is vrijgesteld:
a. de houder van een communautaire vergunning, met dien verstande dat indien de bestuurder geen onderdaan is van een land als bedoeld in artikel 64, eerste lid, de vrijstelling slechts geldt indien de houder van de communautaire vergunning tevens houder is van een bestuurdersattest;
b. de houder van een C.E.M.T.-vergunning, voorzover de daaraan verbonden voorschriften worden nageleefd.
Artikel 101a
Degene die grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto verricht krachtens een machtiging als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, dan wel krachtens een document als bedoeld in artikel 101, alsmede de bestuurder van die vrachtauto, draagt er zorg voor dat die machtiging of dat document in de vrachtauto aanwezig is.
1.
Een machtiging als bedoeld in artikel 25 van de wet is niet vereist voor grensoverschrijdend beroepsvervoer naar, door en uit andere Lid-Staten dan Nederland verricht met een vrachtauto die blijkens het kenteken in een andere Lid-Staat is geregistreerd en waarvan het toegestaan totaal gewicht in beladen toestand niet meer bedraagt dan 6 ton of waarvan het toegestane laadvermogen niet meer bedraagt dan 3,5 ton.
2.
Van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de wet kan bij ministeriële regeling vrijstelling worden verleend indien het grensoverschrijdend beroepsvervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in overeenkomsten met andere Staten of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, betreffende het grensoverschrijdend beroepsvervoer van goederen met vrachtauto’s en regelende de erkenning van vergunningen, dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid.
Artikel 103
Een vrachtauto, die blijkens het kenteken niet geregistreerd is in een Lid-Staat, kan de toegang tot Nederland worden ontzegd, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 25 van de wet.
1.
De inhoud van de vrachtbrief, bedoeld in artikel 29, eerste lid van de wet , wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2.
Geen vrachtbrief is vereist voor het vervoer van:
a. levende dieren;
b. landbouwprodukten van de teeltplaats naar de veiling en van tot dit vervoer gebezigde ledige verpakkingsmiddelen van de veiling naar de teeltplaats;
c. inboedels;
d. losgestorte goederen;
e. postzendingen; of
f. andere bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen.
1.
De vergunninghouder is verplicht ervoor zorg te dragen dat:
a. een deel van de vrachtbrief vermeldende een omschrijving der goederen, de afzender, de geadresseerde en de vervoerder, in de vrachtauto, waarmee de goederen vervoerd worden, aanwezig is;
b. een deel van de vrachtbrief bij het ten vervoer aannemen van de goederen aan de afzender ten bewijze van ontvangst wordt afgegeven;
c. bij aflevering van de goederen het in onderdeel a bedoelde deel van de vrachtbrief tegelijk met de goederen wordt afgegeven tegen aftekening voor ontvangst van een daarvoor bestemd deel van de vrachtbrief.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het beroepsvervoer betreft waarvan de op dat vervoer betrekking hebbende vrachtbriefgegevens gestructureerd en genormeerd via een electronisch systeem worden uitgewisseld. De aard en inhoud van de bescheiden die in dat geval aan de in artikel 43 van de wet bedoelde ambtenaren ter inzage dienen te worden gegeven, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
3.
Namens Onze Minister kan door een door hem aan te wijzen ambtenaar van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a , ontheffing worden verleend. In dat geval is de vergunninghouder verplicht zorg te dragen, dat een door die ambtenaar afgegeven bewijs van de ontheffing in de vrachtauto, waarmede de goederen vervoerd worden, aanwezig is.
4.
Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c , is, voor zover betreft de aftekening voor ontvangst voldaan, indien bij aflevering van de goederen voor ontvangst is afgetekend op een afzonderlijke lijst onder verwijzing naar de bij de zending behorende vrachtbrief.
1.
De vergoedingen bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet mogen de normaal te achten kosten van behandeling, alsmede een redelijke bijdrage aan de apparaatskosten niet overschrijden.
2.
De vergoedingen bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet zijn jaarlijks verschuldigd en dienen in redelijke verhouding te staan tot de kosten die samenhangen met de in artikel 7 bedoelde werkzaamheden.
Artikel 107
De NIWO verschaft periodiek aan Onze Minister een overzicht van de houders van C.E.M.T.-, en cabotagevergunningen.
Artikel 108
Overtreding van elk der bepalingen in de artikelen 13, 14, 17, 24, 25, 27, 38, 47 , 48, 49, 55, 59, 62, 67, 77, eerste en derde lid, 78, 79, eerste lid, 81, 86, tweede lid, 87, 92, eerste lid, 93, 94, 95, eerste en tweede lid, 97, 98, eerste lid, 99, 101a en 105, eerste en derde lid, laatste volzin, vormt een strafbaar feit in de zin van artikel 1, onder 4 o , van de Wet op de economische delicten ( Stb. 1950, 258).
Artikel 109
Gemeenten, welke vóór 1 januari 1986 vervoer hebben verricht bij de verwijdering van afvalstoffen die naar hun aard overeenkomen met de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, genoemde stoffen en die afkomstig zijn uit niet-particuliere huishoudens, zijn gerechtigd dit vervoer tot 1 september 1992 te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning of inschrijving.
Artikel 110
Degenen, die vóór 1 mei 1988 tegen vergoeding vervoer hebben verricht van zuiveringsslib, dat slechts voor ten hoogste 20% bestaat uit vaste stoffen, zijn gerechtigd dit vervoer tot 19 maart 1994 te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.
Artikel 111
Zaken die ter kennis zijn gebracht van het tuchtcollege bedoeld in artikel 52 van het Uitvoeringsbesluit autovervoer goederen 1988 vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet worden, voor zover daarop bij het in werking treden van deze wet nog niet is beslist, behandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet Autovervoer Goederen.
Artikel 112
De verklaringen van dienstbetrekking als bedoeld in artikel 132 van het Uitvoeringsbesluit Autovervoer Goederen 1988 ( Stb. 209) die gelden op het tijdstip van het in werking treden van dit Besluit, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als verklaringen van dienstbetrekking als bedoeld in artikel 24, onderdeel a.
Artikel 113
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
1.
De artikelen 55 en 56 van de Wet treden in werking op 30 april 1992.
2.
De overige artikelen van de wet , alsmede dit besluit, treden in werking op 1 mei 1992.
Artikel 115
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit goederenvervoer over de weg.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en nadat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 27 april 1992
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de negenentwintigste april 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk II. Beroepsvervoer
+ Hoofdstuk III. Eigen vervoer
+ Hoofdstuk IV. Aanvullende documenten grensoverschrijdend beroepsvervoer door in Nederland gevestigde ondernemers
+ Hoofdstuk V. Cabotage vervoer
+ Hoofdstuk VI. Grensoverschrijdend beroepsvervoer door een niet in Nederland gevestigde ondernemer, voorzover verricht op Nederlands grondgebied
+ Hoofdstuk VII. Diverse bepalingen
+ Hoofdstuk VIII. Bepaling van strafrechtelijke aard
+ Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht