Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen

Uitgebreide informatie
Besluit van 20 november 1981, houdende uitvoering van de artikelen 82-86 van de Wet geluidhinder (Stb. 1979, 99)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 2 juli 1981, DGMH/G, nr. 52962, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Verkeer en Waterstaat en na overleg met Onze Ministers van Onderwijs en Wetenschappen en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;
Gelet op de artikelen 82, tweede lid, 83, eerste lid, 84, tweede lid, 85 en 86, eerste, tweede en vijfde lid, van de Wet geluidhinder ( Stb. 1979, 99);
Gezien het advies van de Centrale Raad voor de Milieuhygiëne (advies van 12 juni 1981);
De Raad van State gehoord (advies van 2 november 1981, nr. 811028/25);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 16 november 1981, nr. 55460, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Verkeer en Waterstaat en na overleg met Onze Ministers van Onderwijs en Wetenschappen en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet geluidhinder ;
b.
1°. uitwendige scheidingsconstructie en verblijfsruimte: hetgeen onder die begrippen wordt verstaan in het Bouwbesluit 2003 ,
2°. gezondheidszorggebouw: hetgeen onder gezondheidszorgfunctie wordt verstaan in het Bouwbesluit 2003 ;
c. zone: een zone langs een weg, als bedoeld in artikel 74 van de wet;
d. woonwagenstandplaats: een standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Woningwet.
Artikel 1a
Indien artikel 157 van de wet van toepassing is geven gedeputeerde staten slechts toepassing aan de artikelen 2, 5, 7 en 8, voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 157, derde lid, van de wet niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.
1.
Gedeputeerde staten kunnen toepassing geven aan artikel 83 van de wet in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidsbelasting, vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedebouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
2.
Het eerste lid vindt slechts toepassing indien het betreft:
a. nog niet geprojecteerde woningen buiten de bebouwde kom, die
1e. verspreid gesitueerd worden, of
2e. ter plaatse noodzakelijk zijn om redenen van grond- of bedrijfsgebondenheid, of
3e. door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen, of
4e. ter plaatse gesitueerd worden als vervanging van bestaande bebouwing;
b. nog niet geprojecteerde woningen binnen de bebouwde kom, die
1e. in een dorps- of stadsvernieuwingsplan worden opgenomen, of
2e. door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestisch afschermende functie gaan vervullen voor andere woningen - in aantal ten minste de helft van het aantal woningen waaraan de afschermende functie wordt toegekend -, of voor andere gebouwen of geluidsgevoelige objecten, bedoeld in de artikelen 4 en 7, eerste lid, van dit besluit, of
3e. ter plaatse noodzakelijk zijn om redenen van grond- of bedrijfsgebondenheid, of
4e. door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen, of
5e. ter plaatse gesitueerd worden als vervanging van bestaande bebouwing;
c. geprojecteerde, in aanbouw zijnde of aanwezige woningen en een nog niet geprojecteerde weg, voor zover die weg
1e. een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen, of
2e. een zodanige verkeersverzamelfunctie zal vervullen, dat de aanleg van die weg zal leiden tot aanmerkelijk lagere geluidsbelastingen van woningen binnen de zone van een andere weg.
3.
Gedeputeerde staten kunnen toepassing geven aan artikel 83, eerste lid juncto vijfde lid, van de wet in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidsbelasting, vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedebouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
4.
Gedeputeerde staten kunnen toepassing geven aan artikel 100 a , eerste lid, van de wet, in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidsbelasting vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot de voordien geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedebouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
5.
Het vierde lid vindt slechts toepassing indien het verzoek betrekking heeft op een te reconstureren weg, die
1e. een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen, of
2e. een zodanige verkeersverzamelfunctie zal vervullen, dat de reconstructie van die weg zal leiden tot aanmerkelijk lagere geluidsbelastingen van woningen binnen de zone van een andere weg.
1.
Gedeputeerde staten kunnen bij de toepassing van artikel 2 ten aanzien van nog niet geprojecteerde woningen alleen een hogere waarde dan 55 dB(A) als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vaststellen, indien naar hun oordeel voldoende verzekerd wordt, dat de verblijfsruimten, alsmede de tot de woning behorende buitenruimten niet aan de uitwendige scheidingsconstructie worden gesitueerd waar de hoogste geluidsbelasting optreedt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien naar het oordeel van gedeputeerde staten overwegingen van stedebouw of volkshuisvesting zich daartegen verzetten.
3.
Gedeputeerde staten kunnen bij de toepassing van artikel 2 per woning verschillende waarden vaststellen voor verschillende woonlagen.
1.
Behoudens het bepaalde in de artikelen 5, 7 en 8 is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de in het tweede lid, onder a tot en met e , genoemde categorieën van gebouwen binnen de zone van die weg 50 dB(A).
2.
De in het eerste lid bedoelde gebouwen zijn:
a. basisscholen;
b. scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs ;
c. instellingen voor hoger beroepsonderwijs;
d. algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen;
e. andere gezondheidszorggebouwen dan bedoeld onder d .
3.
Een gymnastieklokaal maakt voor de toepassing van dit besluit geen deel uit van de in het tweede lid, onder a , b en c , genoemde scholen.
1.
Voor gebouwen, behorend tot de in artikel 4, tweede lid, onder a , b , c en d, bedoelde categorieën, kan met toepassing van artikel 85 van de wet voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, een hogere waarde dan de in artikel 4, eerste lid, genoemde worden vastgesteld, met dien verstande dat artikel 83, eerste, tweede en derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing is.
2.
Voor gebouwen, behorend tot de in artikel 4, tweede lid, onder e, bedoelde categorie, kan met toepassing van artikel 85 van de wet voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, een hogere waarde dan de in artikel 4, eerste lid, genoemd worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 55 dB(A) niet te boven mag gaan.
1.
Behoudens het in het tweede lid bepaalde is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, aan de grens van binnen de zone van die weg gelegen geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in het derde lid, onder a , 55 dB(A) en aan de grens van binnen die zone gelegen woonwagenstandplaatsen, 50 dB(A).
2.
Bij de toepassing van artikel 85 van de wet kan voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in het derde lid, een hogere waarde, dan de in dat lid genoemde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde indien het geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in het derde lid, onder a , betreft 60 dB(A) en indien het een woonwagenstandplaats betreft, 55 dB(A) niet te boven mag gaan.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde geluidsgevoelige terreinen zijn:
a. terreinen die behoren bij gebouwen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder e, voor zover deze bestemd zijn of gebruikt worden voor de in die gebouwen gegeven zorg, of
b. woonwagenstandplaatsen.
1.
Behoudens het tweede, derde en vierde lid geldt als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een te reconstrueren weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van gebouwen, behorende tot de in artikel 4, tweede lid, onder a tot en met e, bedoelde categorieën, binnen een zone, de voor de reconstructie ter plaatse heersende geluidsbelasting, met dien verstande dat een geluidsbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft.
2.
Ingeval eerder op grond van de wet een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege de te reconstrueren weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van gebouwen, behorende tot de in artikel 4, tweede lid, onder a tot en met e, bedoelde categorieën, is vastgesteld dan 50 dB(A), geldt de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare
a. de heersende waarde;
b. de eerder vastgestelde waarde.
3.
Gedeputeerde staten kunnen voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie van gebouwen, behorende tot de in artikel 4, tweede lid, onder a tot en met e, bedoelde categorieën, een hogere waarde dan de ingevolge het eerste en tweede lid geldende vaststellen, met dien verstande dat:
a. de verhoging 5dB(A) niet te boven mag gaan, en
b. ingeval voor het betrokken gebouw eerder toepassing is gegeven aan dit besluit of, indien geen toepassing is gegeven aan dit besluit en de heersende waarde 55 dB(A) niet te boven gaat, de waarde niet hoger mag worden gesteld dan:
1°. 60 dB(A) voor gebouwen, behorende tot de in artikel 4, tweede lid, onder a , b , c en d, bedoelde categorieën, bij een reconstructie van een weg in buitenstedelijk gebied,
2°. 65 dB(A) voor gebouwen, behorende tot de in artikel 4, tweede lid, onder a , b , c en d, bedoelde categorieën, bij een reconstructie van een weg in stedelijk gebied, en
3°. 55 dB(A) voor gebouwen, behorende tot de in artikel 4, tweede lid, onder e, bedoelde categorie, bij een reconstructie van een weg in buitenstedelijk of stedelijk gebied.
4.
De op grond van het derde lid, onder a , te stellen hogere waarde mag niet hoger worden gesteld dan:
a. 70 dB(A) voor gebouwen, behorende tot de in artikel 4, tweede lid, onder a , b , c en d, bedoelde categorieën, en
b. 60 dB(A) voor gebouwen, behorende tot de in artikel 4, tweede lid, onder e, bedoelde categorie.
1.
Gedeputeerde Staten kunnen alleen toepassing geven aan artikel 5 of 8 in de gevallen waarin toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege een weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van het betrokken gebouw, tot 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedebouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
2.
Gedeputeerde Staten kunnen alleen toepassing geven aan artikel 7, tweede lid, in de gevallen waarin toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege een weg, aan de grens van het betrokken geluidsgevoelig terrein, tot 55 dB(A) indien het geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder a, betreft en tot 50dB(A) indien het een woonwagenstandplaats betreft, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedebouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
1.
Indien door toepassing van artikel 85 of artikel 100b van de wet voor de uitwendige scheidingsconstructie van één of meer in aanbouw zijnde of aanwezige gebouwen binnen een zone van de weg een hogere geluidsbelasting dan 50 dB(A) als toelaatbaar is aangemerkt, treft het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die uitwendige scheidingsconstructie maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege die weg,
a. binnen de verblijfsruimten, genoemd in het tweede lid, onder a , 30 dB(A), en
b. binnen de verblijfsruimten, genoemd in het tweede lid, onder b , 35 dB(A),
niet te boven zal gaan.
2.
De verblijfsruimten, bedoeld in het eerste lid zijn:
a.
- leslokalen van basisscholen;
- theorielokalen van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs ;
- theorielokalen van instellingen voor hoger beroepsonderwijs;
- onderzoeks- en behandelingsruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder d;
- onderzoeks-, behandelings-, recreatie- en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van gebouwen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder e;
b.
- theorievaklokalen van scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs ;
- theorievaklokalen van instellingen voor hoger beroepsonderwijs;
- ruimten voor patiëntenhuisvesting, alsmede recreatie- en conversatieruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder d.
Artikel 12
Een verzoek als bedoeld in de artikelen 83, eerste lid, 85 en 100 a , eerste lid, van de wet kan worden gedaan door:
a. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woningen of de andere geluidsgevoelige bestemmingen bedoeld in de artikelen 4 en 7, gesitueerd zijn of worden waarvoor de hogere waarde verzocht wordt;
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de weg gesitueerd is of wordt met betrekking waartoe de hogere waarde verzocht wordt;
c. de wegaanlegger of de wegbeheerder, indien het verzoek gedaan wordt in het kader van de toepassing van de artikelen 79 en 99 van de wet, of - indien het betreft de aanleg of reconstructie van een rijksweg - in het kader van de toepassing van artikel 76, eerste lid, van de wet .
1.
De verzoeker maakt zijn voornemen tot het indienen van een verzoek in ieder geval zoveel mogelijk gelijktijdig bekend door middel van:
a. kennisgeving in één of meer in de in artikel 12, onder a, bedoelde gemeente verspreiding vindende dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen en voorts op de in die gemeente gebruikelijke wijze;
b. terinzagelegging van het ontwerp van het verzoek met de daarbij behorende stukken op het gemeentehuis van de in artikel 12, onder a, bedoelde gemeente;
c. niet op naam gestelde kennisgeving aan de gebruikers van de woningen of de woonwagenstandplaatsen, het bevoegd gezag van scholen en de directies van de in artikel 4 bedoelde andere gebouwen waarvoor een hogere waarde wordt verzocht.
2.
De verzoeker stelt een ieder in de gelegenheid gedurende vier weken vanaf de dag waarop het ontwerp van het verzoek ter inzage is gelegd, het ontwerp met de daarbij behorende stukken in te zien en opmerkingen ten aanzien van het ontwerp schriftelijk te maken.
3.
Indien het voornemen tot het indienen van een verzoek verband houdt met een toepassing van artikel 76, tweede lid, onder b van de wet of van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan in afwijking van het tweede lid het ontwerp van het verzoek gedurende twee weken ter inzage worden gelegd.
4.
Burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in artikel 12, onder a, kunnen indien zij hiertoe uitgenodigd zijn door een verzoeker als bedoeld in artikel 12, onder b of c , in plaats van deze toepassing geven aan het eerste lid of het tweede lid.
1.
Het verzoek en het ontwerp van een verzoek bevatten ten minste
a. de verzochte hogere waarden;
b. de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen;
c. de resultaten van het akoestisch onderzoek als bedoeld in de artikelen 77 , 80 en 99 van de wet;
d. een beschrijving van de mogelijkheden om de geluidsbelasting van de woningen of, voor zover van toepassing, andere geluidsgevoelige bestemmingen bedoeld in de artikelen 4 en 7, tot een lagere waarde te verminderen dan de onder a bedoelde, alsmede een schatting van de hieraan verbonden extra kosten;
e. een verklaring dat maatregelen als bedoeld in artikel 111, tweede of derde lid, van de wet, zullen worden getroffen, indien de geluidsbelasting binnen de woning bij gesloten ramen meer bedraagt dan 35 dB(A);
f. een beschrijving met een schetstekening of een verklaring omtrent de wijze waarop aan artikel 3, eerste lid, voldaan zal worden, dan wel, indien aan dat artikel niet voldaan kan worden, de redenen daarvan;
g. voor zover het verzoek hiertoe aanleiding geeft, een beschrijving, schetstekening en uitvoeringsplan van de geluidafschermende voorziening tussen weg en woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen bedoeld in de artikelen 4 en 7, indien deze voorziening vereist is om de in het verzoek begrepen waarden te waarborgen.
2.
Het verzoek gaat vergezeld van een of meer kaarten met bijbehorende verklaring. Met betrekking tot deze kaart of kaarten is artikel 16 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 ( Stb. 627) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van "plan" telkens gelezen wordt: "verzoek". De kaart of kaarten geven bovendien de ligging weer van geluidszones langs wegen en spoorwegen, rond industrieterreinen en rond luchtvaartterreinen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Luchtvaartwet ( Stb. 1958, 47), alsmede de in die zones voorkomende gebieden, aangewezen overeenkomstig artikel 1.2, tweede lid, onder d , van de Wet milieubeheer, voor zover de woningen, gebouwen of terreinen waarop het verzoek betrekking heeft, binnen zodanige zones zijn of worden gesitueerd.
3.
Gedeputeerde staten kunnen van de verzoeker nadere toelichting, tekeningen en kaarten verlangen, indien zij deze noodzakelijk achten voor de beoordeling van het verzoek.
4.
Indien het verzoek wordt gedaan in samenhang met de voorbereiding van een bestemmingsplan dat met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ( Stb. 1985, 626) moet worden uitgewerkt of kan worden gewijzigd, kunnen gedeputeerde staten het verzoek in behandeling nemen, indien niet is voldaan aan het eerste lid, onder f , of het tweede lid.
1.
Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn een voorzoek in te dienen als bedoeld in artikel 82 a van de wet handelen zij overeenkomstig artikel 13.
2.
Het verzoek, bedoeld in artikel 82 a van de wet , en het ontwerp van zo’n verzoek bevatten ten minste:
a. de verzochte hogere waarden en een aanduiding van het stedelijk gebied of gedeelte daarvan, waarop het verzoek betrekking heeft;
b. de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen;
c. een beschrijving van de mogelijkheden om de geluidsbelasting van de woningen of, voor zover van toepassing, andere geluidsgevoelige bestemmingen bedoeld in de artikelen 4 en 7, tot een lagere waarde te verminderen dan de onder a bedoelde, alsmede een schatting van de hieraan verbonden extra kosten;
d. een verklaring dat maatregelen als bedoeld in artikel 111, tweede of derde lid, van de wet, zullen worden getroffen, indien de geluidsbelasting binnen de woning bij gesloten ramen meer bedraagt dat 35 dB(A);
e. voor zover het verzoek hiertoe aanleiding geeft, een beschrijving, schetstekening en uitvoeringsplan van de geluidafschermende voorziening tussen weg en woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen bedoeld in de artikelen 4 en 7, indien deze voorziening vereist is om de in het verzoek begrepen waarden te waarborgen.
3.
Het verzoek, bedoeld in artikel 82 a van de wet , gaat vergezeld van een of meer kaarten met bijbehorende verklaring en een geluidsniveaukaart. De kaart of de kaarten geven een aanduiding van het stedelijk gebied waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 14, tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Gedeputeerde staten kunnen van burgemeester en wethouders nadere toelichting, tekeningen en kaarten verlangen, indien zij deze noodzakelijk achten voor de beoordeling van het verzoek.
Artikel 15
De verzoeker zendt gelijktijdig met het indienen van zijn verzoek een afschrift van het verzoek en de hierbij behorende stukken naar de verzoekgerechtigden, bedoeld in artikel 12, die het verzoek niet hebben gedaan.
Artikel 16
Gedeputeerde staten tekenen de datum van ontvangst van een verzoek aan op het geschrift waarbij het verzoek is ingediend, en zenden de verzoeker een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
1.
De verzoeker, bedoeld in artikel 12, onder a , b en c, houdt binnen de in artikel 13, tweede lid, bedoelde termijn een openbare zitting, waarbij een ieder de gelegenheid wordt gegeven opmerkingen te maken ten aanzien van het ontwerp van het verzoek, bedoeld in artikel 13.
2.
De verzoeker stelt een rapport op van de wijze waarop de bevolking bij de totstandkoming van het verzoek, bedoeld in artikel 12, is betrokken, waarin in ieder geval begrepen zijn een verslag van de openbare zitting en afschriften van de schriftelijk gemaakte opmerkingen over het ontwerp van het verzoek. De verzoeker zendt dit rapport onmiddellijk toe aan degenen die op de openbare zitting opmerkingen ten aanzien van het ontwerp van het verzoek hebben gemaakt.
3.
Een verzoek als bedoeld in artikel 12 gaat vergezeld van het in het tweede lid bedoelde rapport.
4.
Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn een verzoek in te dienen als bedoeld in artikel 82 a van de wet handelen zij overeenkomstig het eerste en tweede lid. Het verzoek gaat vergezeld van het in het tweede lid bedoelde rapport.
5.
Dit artikel blijft van toepassing zolang de betrokken gemeente, met inachtneming van artikel 151 juncto artikel 297 van de Gemeentewet geen inspraakverordening heeft vastgesteld en in werking heeft laten treden.
1.
Met betrekking tot krachtens artikel 2 van de Wet D’gemeenten en D’provincies ( Stb. 1991, 449) aangewezen D’gemeenten is voor de in artikel 3, eerste lid, van die wet genoemde periode dit besluit van toepassing, zoals dit in dit artikel wordt bepaald.
2.
In artikel 1 a wordt "geven gedeputeerde staten" vervangen door: geeft de gemeenteraad of, in voorkomend geval, het college van burgemeester en wethouders. Voorts wordt in dat artikel "hun oordeel" vervangen door: zijn oordeel.
3.
In de artikelen 2, eerste, derde en vierde lid, 3, 8, derde lid, 9 en 14, derde lid, wordt "Gedeputeerde staten kunnen" telkens vervangen door: De gemeenteraad of, in voorkomend geval, het college van burgemeester en wethouders kan.
4.
In artikel 13, derde lid, wordt "Burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in artikel 12, onder a," vervangen door: Burgemeester en wethouders van een krachtens artikel 2 van de Wet D’gemeenten en D’provincies aangewezen D’gemeente, aan wie een verzoek als bedoeld in de artikelen 83, eerste lid, 85 en 100 a , eerste lid, is gedaan,. Voorts wordt " artikel 12, onder b of c," vervangen door: artikel 12.
5.
In artikel 14, derde lid, wordt "indien zij deze noodzakelijk achten" vervangen door: indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk wordt geacht.
6.
In artikel 14, vierde lid, wordt "kunnen gedeputeerde staten" vervangen door: kan de gemeenteraad, of, in voorkomend geval, het college van burgemeester en wethouders.
7.
In artikel 16 wordt "Gedeputeerde staten tekenen" vervangen door: De gemeenteraad of, in voorkomend geval, het college van burgemeester tekent. Voorts wordt "zenden" vervangen door: zendt.
1.
De raad van een krachtens artikel 2 van de Wet D’gemeenten en D’provincies aangewezen D’gemeente of, in voorkomend geval, het college van burgemeester en wethouders kan ambtshalve toepassing geven aan artikel 83, eerste lid, 85 en 100 a , eerste lid, van de wet.
2.
In geval van ambtshalve toepassing als bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 13, eerste en tweede lid, 14, eerste en tweede lid, 15 en artikel 16 a , eerste, tweede, derde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. de gemeenteraad telkens in de plaats treedt van de verzoeker, tenzij burgemeester en wethouders de betreffende bevoegdheid van de raad hebben gekregen;
b. het voornemen toepassing te geven aan artikel 83, eerste lid, 85 of 100 a , eerste lid, van de wet wordt bekend gemaakt.
1.
Dit besluit kan worden aangehaald als " Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen".
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1982.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
’s-Gravenhage, 20 november 1981
De Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
Uitgegeven de zesentwintigste november 1981
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk II. Vaststelling hogere waarden voor woningen
+ Hoofdstuk III. Andere geluidsgevoelige bestemmingen
+ Hoofdstuk IV. Verzoek om een hogere waarde
+ Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht